Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], geboren op [geboortedatum] 1999, eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
de intrekking van het besluit verband houdt met de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32”. In de procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) was de rechtsvraag aan de orde of verweerder bevoegd was om reeds verleende tijdelijke bescherming te beëindigen omdat hij niet langer toepassing wilde geven aan de facultatieve bepaling. Verweerder heeft het beëindigingsbesluit niet gewijzigd of aangevuld, maar onvoorwaardelijk en zonder enig voorbehoud ingetrokken. Verweerder heeft bovendien in de eerste brief van 24 januari 2024 aangegeven dat “
de IND geen nieuw besluit hoeft te nemen over uw recht op tijdelijke bescherming” omdat dit recht volgens verweerder automatisch stopte. Verweerder heeft in diezelfde brief hieraan toegevoegd “
Wel krijgt u opnieuw een terugkeerbesluit.”. Omdat de vaststelling van onrechtmatig verblijf in het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 dus is gebaseerd op een andere juridische grondslag dan het terugkeerbesluit dat als besluitonderdeel is opgenomen in het ingetrokken meeromvattende beëindigingsbesluit, en gelet op de informatie die verweerder eiser in de bovengenoemde brieven heeft verstrekt, terwijl dit besluit op het moment van de intrekking niet is aangevuld of gewijzigd, merkt de rechtbank het terugkeerbesluit aan als een zelfstandig terugkeerbesluit dat niet vooraf is gegaan door een voornemen.
het aan de Staatssecretaris laat om te bepalen in welke vorm hij dit aan de betreffende derdelanders zal meedelen”. De rechtbank overweegt echter dat ook indien een verblijfsrecht van rechtswege zou komen te vervallen, verweerder ingevolge de Terugkeerrichtlijn ten aanzien van elke individuele derdelander om het onrechtmatig verblijf vast te stellen een terugkeerbesluit dient te nemen dat voldoet aan de vereisten die hieraan in de Terugkeerrichtlijn zijn gesteld en door het Hof van Justitie in een reeks van arresten nader zijn gepreciseerd. Aan de brieven van 24 januari 2024 en 5 februari 2024 komt dan ook geen andere betekenis toe dan dat deze brieven strekken ter informatie van eiser. Deze brieven bevatten slechts een vooraankondiging dat een nieuw terugkeerbesluit zal worden genomen en roepen zelf dus ook geen rechtsgevolgen in het leven. Ook verweerder acht deze brieven niet gericht op rechtsgevolg. Gelet hierop en aangezien het beëindigingsbesluit en dus het in dat besluit vervatte terugkeerbesluit is ingetrokken, is het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 op rechtsgevolg gericht.
de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de tijdelijke bescherming van derdelanders alleen op hetzelfde moment als die van andere ontheemden kan worden beëindigd.”. [7] Ten tijde van de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats was het Verlengingsbesluit nog niet genomen. De rechtbank heeft het Verlengingsbesluit dus ook niet bij haar eerdere uitspraken kunnen betrekken. Nu kan de rechtbank dat wel en nu zal de rechtbank daartoe ook overgaan, omdat de rechtbank het geschil tussen partijen dient te beslechten. De rechtbank heeft als eerstelijns rechtsprekende instantie een eigen taak en verantwoordelijkheid. De rechtbank zal daarom, ook al heeft de Afdeling daarover al een uitspraak gedaan, in deze procedure zelf inhoudelijk beoordelen of de tijdelijke bescherming van ontheemden die ten tijde van het ontstaan van de oorlog een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne en zich vóór 19 juli 2022 in Nederland hebben laten inschrijven in de basisregistratie personen, op 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd omdat het Verlengingsbesluit geen betrekking op hen zou hebben.
Artikel 1
(…)
1. Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon:
a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven;
(…)
3. Overeenkomstig artikel 7 van Pro Richtlijn 2001/55/EG kunnen de lidstaten dit besluit ook toepassen op andere personen, onder wie staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne, die legaal in Oekraïne verbleven en die niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong kunnen terugkeren.
detijdelijke bescherming” ziet de rechtbank geen enkele aanwijzing dat de Raad heeft beoogd om de verlenging van de duur van de tijdelijke bescherming te beperken tot de verlenging van de tijdelijke bescherming van ontheemden die verplicht moeten worden beschermd door de lidstaten. Ook het gebruik van de woorden “die
wordtverleend” duidt er juist op dat bedoeld is om de duur te verlengen van -alle- tijdelijke bescherming die reeds door de lidstaten wordt verleend. De rechtbank overweegt daarom dat een taalkundige uitleg van artikel 1 van Pro het Verlengingsbesluit door de verwijzing naar artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit en door het gebruik van de woorden “de tijdelijke bescherming” en “die wordt verleend” geen aanknopingspunten biedt voor een uitleg dat de Raad met betrekking tot de duur van de tijdelijke bescherming onderscheid heeft willen maken tussen de tijdelijke bescherming die alle lidstaten verplicht moeten bieden en de tijdelijke bescherming die wordt verleend doordat toepassing is gegeven aan de facultatieve bepaling. De bewoordingen van artikel 1 van Pro het Verlengingsbesluit duiden niet op het wijzigen of beperken van de kring van begunstigden die op dat moment tijdelijke bescherming genieten, maar leiden tot de conclusie dat een verlenging van de duur van de tijdelijke bescherming is beoogd voor al diegenen die die tijdelijke bescherming genieten. De rechtbank overweegt hierbij dat het woord “verlenging” impliceert dat de handeling die de Raad met een gekwalificeerde meerderheid verricht, betrekking heeft op een reeds bestaande situatie en dus op de bescherming die reeds wordt verleend. Ook dit levert naar het oordeel van de rechtbank dus geen aanknopingspunt op dat reeds aan individuele ontheemden verleende bescherming van rechtswege vervalt of dat het Verlengingsbesluit geen betrekking heeft op eenieder aan wie reeds tijdelijke bescherming is verleend.
(…)
1. Onverminderd artikel 6 duurt Pro de tijdelijke bescherming één jaar. Wanneer de bescherming niet op grond van artikel 6, lid 1, onder b), wordt beëindigd, kan deze automatisch met telkens zes maanden worden verlengd voor maximaal één jaar.
2. Indien er aanleiding blijft om tijdelijke bescherming te verlenen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om bij de Raad een voorstel in te dienen, onderzoekt, besluiten de tijdelijke bescherming met maximaal één jaar te verlengen.
personen die momenteel tijdelijke bescherming genieten” noodzakelijk is en dit relateert aan het nog steeds bestaan van de redenen voor tijdelijke bescherming en de in het Uitvoeringsbesluit genoemde categorieën. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, omvat deze opsomming van categorieën ook de ontheemden die onder de werkingssfeer van de RTB zijn gebracht doordat toepassing is gegeven aan de facultatieve bepaling.
wélhadden ingeschreven in de BRP.
dat eiser voor meer informatie moet kijken op www.ind.nl/terugkeerbesluit”. De rechtbank heeft ter zitting aan verweerder gevraagd of de SIS-signalering automatisch wordt verwijderd indien het terugkeerbesluit door de rechtbank wordt vernietigd. Verweerder heeft deze vraag ter zitting niet kunnen beantwoorden. De rechtbank leidt uit de in het terugkeerbesluit genoemde website af dat eiser, omdat het terugkeerbesluit is genomen na 7 maart 2023, automatisch in het SIS is gesignaleerd en de signalering (pas) uit het SIS wordt gehaald als eiser zijn vertrek uit de Unie zelf heeft gemeld en bewijzen van zijn vertrek en de reis aan verweerder heeft doen toekomen.