ECLI:NL:RVS:2023:4632
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Prejudicieel verzoek over verkorte motivering en verwijzingsplicht prejudiciële vragen in vreemdelingenrecht
Bij besluit van 8 oktober 2019 wees de staatssecretaris de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsdocument af. De vreemdeling stelde beroep in, dat door rechtbank en Afdeling werd afgewezen. De Afdeling wil in hoger beroep een verkort gemotiveerde uitspraak doen, ondanks het verzoek van de vreemdeling om prejudiciële vragen te stellen over de uitleg van Unierecht.
De Afdeling onderzoekt of zij bij een verkorte motivering verplicht is te motiveren waarom zij geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie stelt, zoals vereist in het arrest Consorzio (C-561/19). De Afdeling concludeert dat verkorte motivering voldoet aan motiveringseisen van Unierecht en EVRM, maar ziet ruimte voor twijfel over de uitleg van Consorzio.
De Afdeling legt uit dat artikel 91, tweede lid, Vw 2000 haar bevoegdheid geeft om uitspraken te beperken tot een oordeel zonder nadere motivering, mits het hoger beroep ongegrond is en geen vragen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Dit systeem draagt bij aan snelle en efficiënte behandeling van vreemdelingenzaken.
De Afdeling bespreekt het kader van artikel 47 Handvest Pro en artikel 267 VWEU Pro, de jurisprudentie van het EHRM en het Hof van Justitie, en de verhouding tussen nationale motiveringsplicht en verwijzingsplicht. De Afdeling vraagt het Hof of artikel 267, derde alinea, VWEU gelezen in het licht van artikel 47 Handvest Pro, zich verzet tegen een regeling als artikel 91, tweede lid, Vw 2000, die verkorte motivering zonder nadere motivering van uitzonderingen op de verwijzingsplicht toestaat.
De behandeling van het hoger beroep is geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over de prejudiciële vraag.