ECLI:NL:RVS:2025:1829
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de beëindiging van facultatieve tijdelijke bescherming en de uitvaardiging van een terugkeerbesluit. De minister had bepaald dat het recht op bescherming van betrokkene op 4 september 2023 zou eindigen, maar trok dit besluit later in na een eerdere uitspraak van de Afdeling dat het recht van rechtswege eindigde op 4 maart 2024.
De centrale rechtsvragen betreffen de duur van de facultatieve tijdelijke bescherming en het moment waarop een terugkeerbesluit mag worden uitgevaardigd. Het Hof van Justitie heeft in een prejudiciële uitspraak verduidelijkt dat lidstaten ruime beoordelingsmarge hebben bij het bepalen van de duur van facultatieve bescherming, mits dit binnen het kader van de richtlijn blijft en algemene Unierechtelijke beginselen worden gerespecteerd.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de minister bevoegd was de facultatieve tijdelijke bescherming eerder te beëindigen dan het einde van de verplichte bescherming. Tevens oordeelt de Afdeling dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 onrechtmatig was omdat betrokkene toen nog rechtmatig verbleef onder de facultatieve tijdelijke bescherming. Het terugkeerbesluit wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt vernietigd omdat betrokkene toen nog rechtmatig verbleef onder facultatieve tijdelijke bescherming.