Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Einduitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen:
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1982, eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
38 Hieruit volgt dat de toekenning van subsidiaire bescherming krachtens artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95 veronderstelt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de verzoeker, indien hij wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, specifiek en individueel wordt blootgesteld aan een reëel risico op het ondergaan van de doodstraf, executie, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
39 Niettemin moeten bij de beoordeling of er sprake is van een dergelijk risico ook de elementen worden onderzocht die betrekking hebben op de algemene situatie van het betrokken land, waaronder met name die welke verband houden met het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land. Aan de hand van een dergelijke algemene context kan namelijk nauwkeuriger worden beoordeeld in hoeverre de verzoeker daadwerkelijk een risico loopt op ernstige schade als omschreven in artikel 15, onder a) of b), van richtlijn 2011/95.
40 Wat, ten tweede, de in artikel 15, onder c), van deze richtlijn omschreven schade betreft, die bestaat in „een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon” van de verzoeker, moet worden opgemerkt dat deze bepaling betrekking heeft op een „algemener” risico op schade dan de risico’s die onder a) en b) van dat artikel worden genoemd. Zo wordt hier in ruimere zin gedoeld op een „bedreiging van het leven of de persoon” van een burger, en niet zozeer op bepaalde gewelddadigheden. Bovendien is deze bedreiging inherent aan een algemene situatie van gewapend conflict die „willekeurig geweld” meebrengt, hetgeen inhoudt dat het geweld gericht kan zijn tegen personen ongeacht hun persoonlijke situatie en hun identiteit, wanneer een dergelijk geweldsniveau dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico op deze bedreigingen zou lopen [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punten 26 en 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Hieruit volgt dat, in het kader van een uitzonderlijke situatie als die welke in het vorige punt van het onderhavige arrest is beschreven, om vast te stellen dat er sprake is van een „ernstige en individuele bedreiging” in de zin van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, niet de voorwaarde geldt dat de verzoeker aantoont dat hij specifiek wordt getroffen wegens elementen die eigen zijn aan zijn persoonlijke omstandigheden [zie in die zin arresten van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 43, en 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punt 27].
42 In andere, minder uitzonderlijke situaties blijken elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker echter wel relevant. Dus hoe meer de verzoeker het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld zal zijn vereist opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming krachtens artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 (zie in die zin arresten van 17 februari 2009, Elgafaji, C‑465/07, EU:C:2009:94, punt 39, en 30 januari 2014, Diakité, C‑285/12, EU:C:2014:39, punt 31).
43 Hieruit volgt dat artikel 15 van Pro richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat zowel de omstandigheden die verband houden met de algemene situatie in het land van herkomst, met name het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land, als die welke verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, elementen kunnen vormen die relevant zijn voor de beoordeling van elk verzoek om subsidiaire bescherming door de bevoegde nationale autoriteit, ongeacht welk specifiek soort ernstige schade in de zin van dat artikel 15 wordt Pro beoordeeld.
44 In dit verband moet nog worden benadrukt dat, ofschoon elk soort ernstige schade als bedoeld in de punten a) tot en met c) van artikel 15 van Pro richtlijn 2011/95 een autonome grond voor erkenning van de subsidiaire bescherming vormt, waarvan de voorwaarden ten volle moeten zijn vervuld om deze bescherming te verlenen, dit artikel, zoals de advocaat-generaal in essentie in de punten 30, 40 en 41 van zijn conclusie heeft opgemerkt, evenwel geen hiërarchische volgorde aanbrengt tussen deze verschillende soorten ernstige schade en geen enkele volgorde oplegt bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op een van die soorten ernstige schade. Ten eerste kan uit een en hetzelfde verzoek om internationale bescherming namelijk blijken dat er een risico bestaat dat de verzoeker bij terugkeer naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef aan verschillende soorten ernstige schade wordt blootgesteld. Ten tweede kan een en hetzelfde element worden gebruikt om te staven dat er sprake is van een reëel risico om meerdere van deze soorten ernstige schade te ondergaan.
47 Hoewel de lidstaten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 mogen verlangen dat de verzoeker in de eerste fase alle elementen ter staving van zijn verzoek om bescherming zo spoedig mogelijk indient, neemt dit niet weg dat de autoriteiten van de lidstaten zo nodig actief met hem moeten samenwerken om te bepalen welke elementen van het verzoek relevant zijn en deze aan te vullen, waarbij deze autoriteiten overigens vaak gemakkelijker toegang hebben tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C‑349/20, EU:C:2022:151, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak], met dien verstande dat bepaalde aspecten van de verklaringen van de verzoeker, ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal daarvoor, geen nadere bevestiging behoeven, mits aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 4, lid 5, onder a) tot en met e), van deze richtlijn is voldaan (arrest van 2 december 2014, A e.a., C‑148/13–C‑150/13, EU:C:2014:2406, punt 58).
49 Vervolgens komt uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn naar voren dat zowel „alle relevante feiten in verband met het land van herkomst” in de zin van punt a) van die bepaling als de „individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker” in de zin van punt c) ervan deel uitmaken van de relevante elementen waarmee deze autoriteit bij de beoordeling van elk verzoek om internationale bescherming rekening moet houden.
50 In die zin heeft het Hof geoordeeld dat zelfs wanneer in een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op grond van artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95, geen melding wordt gemaakt van elementen die eigen zijn aan de situatie van de verzoeker, uit artikel 4, lid 3, van die richtlijn voortvloeit dat een dergelijk verzoek individueel moet worden beoordeeld, waarbij, wanneer alle relevante omstandigheden van het geval globaal in aanmerking worden genomen, rekening moet worden gehouden met een reeks van elementen die in deze bepaling worden genoemd [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punten 40 en 41].
51 Bovendien kan, krachtens artikel 4, lid 4, van richtlijn 2011/95, het feit dat een verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, in beginsel een duidelijke aanwijzing vormen dat de verzoeker een reëel risico loopt om ernstige schade te lijden, zodat deze omstandigheden die verband houden met de persoonlijke situatie van de verzoeker, hoe deze ook zijn, altijd moeten worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico om een van de in artikel 15 van Pro die richtlijn omschreven vormen van ernstige schade te lijden.
53 In de derde en laatste plaats is de in de punten 43 en 48 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging van artikel 15 van Pro richtlijn 2011/95 in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn die in punt 32 van het onderhavige arrest zijn herhaald. Een onderzoek van de verzoeken om internationale bescherming waarbij geen rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval, en met name met alle in artikel 4, lid 3, van deze richtlijn opgesomde elementen, voordat de in artikel 15 ervan Pro omschreven vorm van ernstige schade wordt vastgesteld die eventueel door deze elementen zou kunnen worden gestaafd, zou namelijk leiden tot schending van de verplichting die krachtens deze richtlijn op de lidstaten rust om de personen te identificeren die deze bescherming werkelijk behoeven [zie in die zin arrest van 10 juni 2021, Bundesrepublik Deutschland (Begrip „ernstige en individuele bedreiging”), C‑901/19, EU:C:2021:472, punt 44].
63 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 15, onder c), van richtlijn 2011/95 inderdaad ziet op de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict van dien aard is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die wordt teruggestuurd naar het betrokken land of de betrokken regio, louter door zijn aanwezigheid op het grondgebied van dat land of die regio een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.
64 Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kan deze bepaling echter ook betrekking hebben op andere situaties, waarin de combinatie van een geringere mate van willekeurig geweld dan die welke kenmerkend is voor een dergelijke uitzonderlijke situatie en elementen die eigen zijn aan de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, het reële risico op een ernstige en individuele bedreiging in de zin van die bepaling een concrete vorm kan geven.
65 Hieruit volgt dat de elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker waarmee de bevoegde nationale autoriteit rekening moet houden, in die andere situaties noodzakelijkerwijs verder gaan dan het feit dat iemand afkomstig is uit een gebied van een bepaald land waar zich de „most extreme cases of general violence” voordoen in de zin van de rechtspraak van het EHRM, en met name zijn arrest van 17 juli 2008, N.A. tegen Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2008:0717JUD 002590407, § 115).
67 Gelet op de door de verwijzende rechter opgeworpen vraagtekens waaraan in punt 19 van het onderhavige arrest is herinnerd, moet nog worden opgemerkt dat de in artikel 4, lid 3, onder c), van deze richtlijn opgenomen lijst van relevante elementen die verband houden met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker niet uitputtend is, zodat, in de in punt 64 van het onderhavige arrest bedoelde situaties, de nationale autoriteit die bevoegd is voor de toekenning van de subsidiaire bescherming elk geval afzonderlijk moet beoordelen en daarbij zo nodig rekening moet houden met ieder ander element dat verband houdt met de individuele status en persoonlijke situatie van de verzoeker en dat eraan kan bijdragen dat het reële risico op ernstige schade als omschreven in artikel 15, onder c), van de richtlijn een concrete vorm aanneemt, gezien de mate van willekeurig geweld in het betrokken land of de betrokken regio. In dit verband kunnen met name elementen die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de verzoeker en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant worden beschouwd.
68 Bovendien is het – zoals in punt 51 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht en overeenkomstig artikel 4, lid 4, van richtlijn 2011/95 – aan de bevoegde nationale autoriteit om rekening te houden met de omstandigheid dat de verzoeker reeds ernstige schade heeft geleden of in die zin reeds rechtstreeks is bedreigd, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
73 Ofschoon, zoals in punt 39 van dit arrest is benadrukt, de relevante elementen betreffende de algemene situatie in het land van herkomst van de verzoeker, waaronder met name de elementen die betrekking hebben op het algemene niveau van geweld en onveiligheid in dat land, ook in dergelijke gevallen moeten worden onderzocht, kan het feit dat er sprake is van een zeker niveau van geweld en onveiligheid in dat land, hoe hoog ook, niettemin niet leiden tot afzwakking van de strekking van de voorwaarde dat, wil er sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95, moet worden aangetoond dat de verzoeker – in voorkomend geval rekening houdend met een dergelijk geweldsniveau – een reëel risico loopt om specifiek en individueel aan dergelijke schade te worden blootgesteld indien hij naar hetzelfde land wordt teruggestuurd.
dúsgeen sprake is van een 15c-situatie en eisers bij terugkeer ook niet te vrezen hebben voor ernstige schade zoals bedoeld in artikel 15c Kri.
Eiser is niet singled out geweest. Het is angst zaaien door milities.”
any individual who has worked (or works) as a personal guard to a politician that is disliked by the militias is at more risk of being harmed than other categories of people.”, overweegt de rechtbank dat verweerder op grond hiervan niet hoeft over te gaan tot het in het landenbeleid benoemen van persoonsbeveiligers in Libië tot risicogroep. Een groter risico lopen om slachtoffer te worden van geweldshandelingen dan anderen is niet gelijk te stellen met vervolging, daargelaten dat eisers geen enkel verband met een vervolgingsgrond zoals genoemd in artikel 1A Vluchtelingenverdrag hebben onderbouwd. De stelling dat eiser politici heeft beveiligd en persoonsbeveiligers een risico lopen omdat de politieke overtuiging van de betreffende politicus dan ook aan hen wordt toegedicht, passeert de rechtbank omdat deze stelling onvoldoende is toegelicht. Eiser heeft verklaard dat tijdens zijn werk nimmer incidenten zijn geweest met betrekking tot degene die hij moest beveiligen. Dat eiser als persoonsbeveiliger dan toch moet worden aangemerkt als behorende tot een risicogroep in verband met een toegedichte politieke overtuiging volgt de rechtbank dan ook niet.
6. Uit het AA 2021, de brief van VWN en het AA 2023 komt het beeld naar voren dat de situatie in Libië nog altijd instabiel is en dat er regelmatig gewapende conflicten tussen verschillende facties en milities voorkomen, waarbij ook burgerslachtoffers vallen. De staatssecretaris heeft zich echter in zijn reactie op de vragen van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat uit de ambtsberichten en de brief van VWN niet blijkt dat in Libië zo grootschalig, willekeurig en wijdverspreid geweld heerst dat de vreemdelingen alleen al om die reden daarnaar niet kunnen terugkeren. Hij heeft daarbij terecht betrokken dat uit het AA 2023, pagina 16, blijkt dat de onveilige situatie in Libië in de verslagperiode voortduurde, maar dat er niet gesproken kon worden van een grootschalig conflict. Er waren geen aanhoudende vuurgevechten, maar wel geweldsuitbarstingen. Het staakt-het-vuren, dat sinds oktober 2020 van kracht is, duurde voort (AA 2021, pagina 7). Met dat staakt-het-vuren kwam het offensief tegen de hoofdstad Tripoli ten einde. De staatssecretaris wijst er terecht op dat uit het AA 2023 geen stijging blijkt van het aantal burgerslachtoffers ten opzichte van de verslagperiode daarvoor. In het AA 2021, pagina 14, staat dat er in de verslagperiode 165 dodelijke slachtoffers zijn gevallen, inclusief migranten en strijders. Volgens het AA 2023, pagina 24, zijn er in de periode van oktober 2021 tot januari 2023 in totaal 189 slachtoffers geregistreerd. In verhouding tot het aantal inwoners van Libië van ongeveer 6,7 miljoen is dat aantal niet zo hoog dat zich daarom, naast andere factoren, de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet. Verder wijst de staatssecretaris er terecht op dat in het AA 2021, vanaf pagina 17, veel incidenten staan genoemd, maar dat daaruit niet blijkt dat structureel burgerslachtoffers vallen door willekeurig geweld tussen milities. Bovendien staat in het AA 2023 dat geweld tegen burgers op kleine schaal voorkwam. Ook het afgenomen aantal binnenlandse ontheemden, hoewel nog altijd hoog, acht de staatssecretaris terecht van belang. De brief van VWN geeft geen wezenlijk ander beeld dan uit het AA 2021 en AA 2023 naar voren komt. In die brief staat onder andere dat er 180 doden zijn gevallen in 2021 en dat het aantal binnenlandse ontheemden na het AA 2021 opnieuw is afgenomen. Hoewel het aantal slachtoffers en ontheemden nog altijd aanzienlijk is, is het aantal niet zo hoog dat het de conclusie rechtvaardigt dat zich in Libië de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet.
altijd(onderstreping en cursivering door de rechtbank) moeten worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico om een van de in artikel 15 van Pro die richtlijn omschreven vormen van ernstige schade te lijden.” Het Hof heeft in punt 68 overwogen dat het bovendien aan de bevoegde nationale autoriteit is om rekening te houden met de omstandigheid dat de verzoeker reeds ernstige schade heeft geleden of in die zin reeds rechtstreeks is bedreigd, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Verweerder heeft niet onderkend dat hij deze beoordeling ook moet maken.
en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen(onderstreping en cursivering door de rechtbank) dat zij het risico op een dergelijke ernstige schade voor hem zullen vergroten wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, als relevant kunnen worden beschouwd.
éndat dit een verhoogd risico oplevert om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, onvoldoende zijn onderbouwd. De verklaring van dr. I. Chertisch is op dit punt voornamelijk gebaseerd op aannames en als na controle blijkt dat eisers langdurig buiten Libië hebben verbleven meebrengt dat zij om die reden worden onderworpen aan geweld, lijkt dit voort te komen uit gericht geweld. Eisers hadden dit nader moeten toelichten. Ook valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom eisers bij elke controle, voor zover die er zijn, zouden moeten vertellen welke werkzaamheden voor welke politicus eiser heeft verricht en hij dit niet eenvoudigweg kan en zal verzwijgen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvragen te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 7.147,97.