Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Einduitspraak na verwijzing van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
nietgeoordeeld dat de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Dit eerste beroep is weliswaar gelijktijdig behandeld met drie andere beroepen van in bewaring gestelde Marokkaanse onderdanen. Van de vier zaken die op 25 maart 2021 op zitting zijn behandeld heeft de Afdeling echter slechts in deze drie zaken in bovengenoemde uitspraken geoordeeld dat de maatregel onrechtmatig is vanwege ontbreken van zicht op uitzetting naar Marokko. Uit de motivering van de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2022 blijkt dat in hoger beroep tegen de uitspraak op het eerste beroep
niet (tijdig) als grief is aangevoerddat zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank leidt hieruit af dat vanwege het ontbreken van een grief de maatregel van eiser niet onrechtmatig is geacht en in de drie andere procedures wél de opheffing van de maatregel is bevolen en, terwijl ook eiser ook in bewaring is gesteld ter fine van uitzetting naar Marokko en in eerste aanleg is aangevoerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.
71 Met de in zaak C‑704/20 gestelde vraag en de eerste vraag in zaak C‑39/21, die samen moeten worden onderzocht, wensen de verwijzende rechters in essentie te vernemen of artikel 15, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/115, artikel 9, leden 3 en 5, van richtlijn 2013/33 en artikel 28, lid 4, van verordening nr. 604/2013, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, ambtshalve de eventuele niet-naleving van een door de betrokkene niet aan de orde gestelde rechtmatigheidsvoorwaarde moet vaststellen.
72 In dat verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van Pro het Handvest neergelegde recht op vrijheid, of dit nu is krachtens richtlijn 2008/115 in het kader van een terugkeerprocedure ten gevolge van illegaal verblijf, krachtens richtlijn 2013/33 in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming of krachtens verordening nr. 604/2013 in het kader van de overdracht van een persoon die om internationale bescherming verzoekt aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek(…)
75 Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van Pro het Handvest neergelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht is de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt afgebakend(…).
77 Die regels in richtlijn 2008/115, richtlijn 2013/33 en verordening nr. 604/2013 vormen samen met de bepalingen van nationaal recht ter uitvoering daarvan de uit het Unierecht voortvloeiende normen waarin de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring, ook uit het oogpunt van artikel 6 van Pro het Handvest, zijn vastgelegd.
79 Wanneer blijkt dat niet of niet langer is voldaan aan de in punt 77 van dit arrest genoemde voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring, moet de betrokkene, zoals de Uniewetgever overigens in artikel 15, lid 2, vierde alinea, en lid 4, van richtlijn 2008/115 en artikel 9, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2013/33 expliciet aangeeft, onmiddellijk worden vrijgelaten.
81 Wat in de tweede plaats het recht van door een lidstaat in bewaring gestelde derdelanders op effectieve rechterlijke bescherming betreft, is het vaste rechtspraak dat de lidstaten krachtens artikel 47 van Pro het Handvest moeten zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten (…).
86 Zoals uit al deze bepalingen blijkt, heeft de Uniewetgever niet alleen gemeenschappelijke materiële normen vastgesteld, maar ook voorzien in gemeenschappelijke procedurele normen, die tot doel hebben ervoor te zorgen dat er in elke lidstaat een regeling bestaat die de bevoegde rechterlijke autoriteit in staat stelt om, indien nodig na ambtshalve toetsing, de betrokkene in vrijheid te stellen zodra blijkt dat zijn bewaring niet of niet langer rechtmatig is.
87 Wil een dergelijke beschermingsregeling daadwerkelijk de naleving verzekeren van de strikte voorwaarden waaraan de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring als bedoeld in richtlijn 2008/115, richtlijn 2013/33 of verordening nr. 604/2013 moet voldoen, dan moet de bevoegde rechterlijke autoriteit kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid te beoordelen. Daartoe moet zij rekening kunnen houden met de feitelijke omstandigheden en de bewijzen die zijn aangevoerd door de administratieve autoriteit die de aanvankelijke bewaring heeft gelast. Zij moet ook rekening kunnen houden met de feiten, bewijzen en opmerkingen die haar eventueel ter kennis zijn gebracht door de betrokkene. Zij moet ook elke andere voor haar beslissing relevante omstandigheid kunnen onderzoeken indien zij dat nodig acht. De bevoegdheden waarover zij bij een toetsing beschikt, kunnen in geen geval beperkt zijn tot louter de omstandigheden die door de administratieve autoriteit zijn aangevoerd (zie in die zin arresten van 5 juni 2014, Mahdi, C‑146/14 PPU, EU:C:2014:1320, punten 62 en 64, en 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, C‑519/20, EU:C:2022:178, punt 65).
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het zo dat, gelet op het belang van het recht op vrijheid, de ernst van de inmenging in dat recht die voortvloeit uit de bewaring van personen om andere redenen dan de vervolging of bestraffing van strafbare feiten en de eis – die duidelijk naar voren komt in de door de Uniewetgever neergelegde gemeenschappelijke normen – om te zorgen voor een hoog niveau van rechtsbescherming waardoor wordt voldaan aan het absolute vereiste om de betreffende persoon in vrijheid te stellen wanneer niet of niet langer aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring wordt voldaan, de bevoegde rechterlijke autoriteit rekening moet houden met alle haar ter kennis gebrachte, met name feitelijke, omstandigheden, zoals aangevuld of verduidelijkt in het kader van door haar naar nationaal recht nodig geachte procedurele maatregelen, en op basis daarvan, in voorkomend geval, de niet-naleving van een uit het Unierecht voortvloeiende rechtmatigheidsvoorwaarde moet vaststellen, ook al heeft de betrokkene daar niet op gewezen. Deze verplichting doet niet af aan de verplichting voor de rechterlijke autoriteit, die aldus een dergelijke rechtmatigheidsvoorwaarde ambtshalve aan de orde stelt, om elk van de partijen uit te nodigen om hun mening over deze voorwaarde kenbaar te maken overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor.
89 In dit verband kan in het bijzonder niet worden aanvaard dat in de lidstaten waar de besluiten tot inbewaringstelling door een administratieve autoriteit worden genomen, de rechterlijke toetsing geen door de rechterlijke autoriteit op basis van de in het vorige punt van dit arrest genoemde omstandigheden verrichte beoordeling omvat waar het gaat om de vraag of er is voldaan aan een rechtmatigheidsvoorwaarde waarvan de betrokkene de schending niet aan de orde heeft gesteld, terwijl in de lidstaten waar besluiten tot inbewaringstelling moeten worden genomen door een rechterlijke autoriteit, die autoriteit een dergelijke beoordeling ambtshalve moet verrichten aan de hand van deze omstandigheden.
90 De in punt 88 van dit arrest gegeven uitlegging waarborgt dat de rechterlijke bescherming van het grondrecht op vrijheid in alle lidstaten effectief wordt gewaarborgd, ongeacht of deze lidstaten voorzien in een systeem waarin het bevel tot bewaring wordt gegeven door een administratieve autoriteit en aan rechterlijke toetsing is onderworpen, dan wel in een systeem waarin dat bevel rechtstreeks door een rechterlijke autoriteit wordt gegeven.
91 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de door de Raad van State aangehaalde rechtspraak van het Hof volgens welke het Unierecht, gelet op het beginsel dat in een geding het initiatief bij de partijen ligt, de nationale rechter niet verplicht om ambtshalve aan de schending van het Unierecht ontleende rechtsgronden in het geding te brengen wanneer hij voor het onderzoek van deze rechtsgronden buiten de grenzen van het door de partijen afgebakende geding zou moeten treden door zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die belang heeft bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (…)
92 Het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel leidt immers tot een situatie die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten.
93 Bijgevolg geldt de verplichting voor de met het toezicht op de rechtmatigheid van bewaringsmaatregelen belaste rechterlijke autoriteiten om, aan de hand van de in punt 88 van dit arrest genoemde omstandigheden, ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd, ongeacht de (…) door de Raad van State (…) gestelde vraag of de relevante wettelijke bepalingen van openbare orde zijn.
het aanbieden van de standaardmatig toegekende bedragen aan schadevergoeding” niet valt te kwalificeren als het aanbieden van “
volledige schadevergoeding”. Indien de rechtbank constateert dat de voortduring van de bewaringsmaatregel op grond waarvan eiser in bewaring is gesteld ook vanwege andere omstandigheden onrechtmatig is, zal de rechtbank moeten beoordelen of eiser aanspraak maakt op een hogere schadevergoeding dan het bedrag dat reeds is toegekend. Gelet op dit procesbelang van eiser zal de rechtbank, gelet op de concrete feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure, ook overige, door eiser niet aangevoerde, rechtmatigheidsaspecten beoordelen.
84 Voor de voortduring van een maatregel van bewaring is er in artikel 15, lid 3, van richtlijn 2008/115 en artikel 9, lid 5, van richtlijn 2013/33, dat op grond van artikel 28, lid 4, van verordening nr. 604/2013 ook van toepassing is op overdrachtsprocedures die onder die verordening vallen, voorzien in periodieke toetsing. Op grond van deze bepalingen moet die toetsing „met redelijke tussenpozen” plaatsvinden en betrekking hebben op de vraag of nog steeds is voldaan aan de voorwaarden voor rechtmatigheid van de bewaring. Bij bewaring in de zin van richtlijn 2013/33 of verordening nr. 604/2013 moet de periodieke toetsing steeds worden uitgevoerd door een rechterlijke autoriteit, terwijl volgens richtlijn 2008/115 de toetsing aan controle door een rechterlijke autoriteit wordt onderworpen in het geval van een lange periode van bewaring.
85 Aangezien de Uniewetgever, zonder uitzondering, vereist dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring „met redelijke tussenpozen” plaatsvindt, moet de bevoegde autoriteit dat toezicht ambtshalve uitoefenen, ook als de betrokkene daar niet om verzoekt.
alle rechtmatigheidsvoorwaarden, ook indien de procedure niet de oplegging maar enkel de voortduring van de maatregel betreft. Uit rechtsoverweging 87 van het arrest C, B en X leidt de rechtbank verder af dat de plicht tot
ambtshalve beoordelenvan de rechtmatigheidsvoorwaarden, een plicht tot het
ambtshalve onderzoekenvan de rechtmatigheidsvoorwaarden impliceert, ook nu het Hof dat niet uitdrukkelijk in de beantwoording van de prejudiciële vragen benoemt. De rechtbank overweegt voorts dat, gelet op bovenstaande overwegingen van het Hof en ook anderszins, er geen enkel aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat de omvang van de verplichte rechtmatigheidsbeoordeling bij een volgberoep geringer is dan de omvang van de rechtsmatigheidsbeoordeling van een zogenoemd eerste beroep. Dit betekent dat alle aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel regarderen, ook indien niet de oplegging maar uitsluitend de voortduring van de maatregel ter toetsing staat, moeten worden onderzocht en beoordeeld, ook al heeft de in bewaring gestelde vreemdeling daar niet op gewezen. De enige beperking die daarbij te gelden heeft is de te toetsen periode. Het Unierecht voorziet niet in een recht op een herhaalde rechtmatigheidsbeoordeling door dezelfde instantie van de reeds getoetste periode van tenuitvoerlegging van de bewaringsmaatregel, wat overigens, naar het oordeel van de rechtbank, niet uitsluit dat de zogenoemde “schottentheorie” niet verenigbaar is met het Unierecht.
(…)
3. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de situatie van kwetsbare personen. In dringende medische zorg en essentiële behandeling van ziekte wordt voorzien.
(...)
1 De gedetineerde heeft recht op verzorging door een aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger.
(…)
4 De directeur draagt zorg voor:
39. Prison authorities shall safeguard the health of all prisoners in their care.
toegang tot gezondheidszorg. De rechtbank overweegt dat dit impliceert dat ook binnen de verschillende kaders en grondslagen waarop de overheid individuen hun vrijheid kan ontnemen, geen onderscheid gemaakt mag worden bij het
aanbieden van gezondheidszorg. Het is de rechtbank bekend dat gedetineerden aan wie hun vrijheid is ontnomen op strafrechtelijke gronden in het kader van hun resocialisatie en de terugkeer in de samenleving in aanmerking kunnen komen voor verslavingszorg, al dan niet met begeleiding en onder toezicht van de reclassering. Indien vrijheidsontneming plaatsvindt op grond van de Terugkeerrichtlijn, is een terugkeer in de Nederlandse samenleving niet aan de orde. Dat laat onverlet dat een in bewaring gestelde vreemdeling terugkeert in “een samenleving”, doorgaans in het land van herkomst. Dat betekent dat ook aan een vreemdeling die niet terugkeert in de Nederlandse samenleving, een vergelijkbare behandeling moet worden aangeboden omdat ook de vreemdeling de detentiesetting zal verlaten en terug zal keren in “de vrije samenleving”. De in vreemdelingenbewaring aan te bieden verslavingszorg mag dus niet minder verstrekkend zijn dan de verslavingszorg die wordt geboden aan strafrechtelijk gedetineerden. Bij het behandelen van verslaafden in strafrechtelijke detentie wordt getracht de behandeling “over te kunnen dragen” aan instellingen voor verslavingszorg in de samenleving. De rechtbank begrijpt dat dit aanzienlijk complexer is als de gedetineerde terugkeert naar een derdeland. Dat ontslaat de autoriteiten echter niet van de inspanningsplicht om mogelijkheden daartoe te onderzoeken indien dit ook zou gebeuren bij terugkeer in de Nederlandse samenleving. Ook doet de relatief korte duur van een gemiddelde inbewaringstelling niet af aan de verplichting om ook aan in bewaring gestelde vreemdelingen een behandeling aan te bieden die gericht is op het daadwerkelijk behandelen van verslavingsproblematiek. Het recht op gezondheidszorg dat ook aan gedetineerden toekomt, behelst het recht op (toegang tot) een behandeling vanuit het oogpunt van de gezondheid van de in bewaring gestelde vreemdeling. Deze vereiste zorg is dus verderstrekkend dan het “beheersen” van problematiek die de verslaafde derdelander wellicht “veroorzaakt” vanwege een verslaving, dan wel ontwenning van die verslaving.
in bewaring gestelde onderdanen van derde landen op humane en waardige wijze dienen te worden behandeld”, veronderstelt immers dat ook verslavingsproblematiek wordt behandeld en, vergelijkbaar met verslavingszorg in de samenleving, wordt bezien hoe de verslaving blijvend kan worden afgebouwd, oorzaken voor terugval kunnen worden weggenomen en begeleiding bij dit proces kan worden geboden.
Een verblijf binnen vreemdelingenbewaring wordt vanuit verslavingsoptiek niet gezien als een stabiele omgeving om aan verslavingsproblematiek te werken. Factoren als onzekerheid over de duur van verblijf en de straf op uitzetting die boven het hoofd hangt, werken stress verhogend en dit werkt contra-indicatief wanneer
- Indienen volgberoep – 1 punt
- Verschijnen ter zitting bij de rechtbank – 1 punt
- Schriftelijke opmerkingen ten behoeve van het Hof d.d. 17 maart 2021 – 2 punten
- Schriftelijke opmerkingen ten behoeve van het Hof d.d. 22 juni 2021 – 2 punten
- Verschijnen mondelinge behandeling bij het Hof d.d. 1 maart 2022 – 2 punten
- Indienen van een schriftelijke reactie na het arrest – 0,5 punt.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een aanvullende schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.775,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 10.055,25.