ECLI:NL:RBDHA:2023:17677
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders uit Oekraïne niet onrechtmatig
Eiser, een derdelander uit Nigeria met tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, betwistte het besluit van de staatssecretaris om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris bevoegd is om de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep derdelanders te beëindigen, zoals eerder vastgesteld in een uitspraak van 30 oktober 2023. De rechtbank verwierp de beroepsgronden van eiser over het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en de voornemenprocedure, en oordeelde dat de staatssecretaris geen individueel gehoor hoefde af te nemen.
Eiser stelde dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van andere ontheemden, maar de rechtbank vond dat er een gerechtvaardigd juridisch onderscheid bestaat tussen de groepen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde, omdat de beëindiging van de tijdelijke bescherming passend en noodzakelijk is om het doel van de Richtlijn te bereiken, namelijk het voorkomen van ontwrichting van het asielstelsel.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat er geen sprake was van vooringenomenheid en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.