ECLI:NL:RBDHA:2023:16410
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.A. van der Straaten
- G.W.B. Heijmans
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders met tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende derdelander met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning, stelde beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen. Deze bescherming was verleend op grond van de facultatieve bepaling van artikel 7 van Pro Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
De rechtbank overwoog dat lidstaten een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben bij het toepassen en beëindigen van facultatieve bepalingen in de Richtlijn. De tekst van artikel 7 laat Pro toe dat een lidstaat terugkomt op de toepassing van de facultatieve bepaling, ook voor personen die al onder de Richtlijn vielen. Dit is niet in strijd met het doel en het nuttig effect van het Unierecht, noch met het rechtszekerheids-, vertrouwens- of evenredigheidsbeginsel.
De staatssecretaris motiveerde het besluit met de overbelasting van de gemeentelijke opvangcapaciteit en het perspectief op terugkeer van derdelanders met tijdelijke verblijfsvergunningen. De rechtbank vond de belangenafweging zorgvuldig en evenredig. Ook was geen hoorplicht geschonden omdat eiser voldoende gelegenheid had zijn zienswijze te geven.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak bevestigt de bevoegdheid van de staatssecretaris om de tijdelijke bescherming van facultatief beschermde groepen te beëindigen binnen de kaders van het Unierecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de staatssecretaris om de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning te beëindigen per 4 september 2023.