Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 25 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Overwegingen
staatloosheid levert enkele specifieke rechten op […]hierdoor is er een belang voor een gesteld staatloze zijn staatloosheid door de overheid erkend te krijgen’.Volgens eiser zou het nut en de werking van de nieuwe vaststellingsprocedure volledig worden uitgehold als aangenomen zou worden dat een vreemdeling met een verblijfsrecht geen belang zou hebben bij de vaststelling van staatloosheid; des te meer nu in de huidige versie van het wetsvoorstel noch de aanvraag voor noch de vaststelling van staatloosheid een recht geven op rechtmatig verblijf en daarmee mogelijk ook gezien kan worden als een procedure die geen materieel gunstiger rechtspositie tot gevolg heeft.
Mennesson tegen Frankrijk, 26 juni 2015, nr. 65192/11, oordeelt het EHRM dat onzekerheid over nationaliteitsstatus ‘is liable to have negative repercussions on the definition of their personal identity’, wat beschermd wordt door artikel 8 van Pro het EVRM. In de optiek van eiser tast het gebrek aan staatsloosheidsvaststelling daarnaast de rechtszekerheid aan omdat er onduidelijkheid bestaat over de rechten en plichten van het individu. Eiser is van mening dat snelheid hierbij ook van belang is en dat hij niet doorverwezen dient te worden naar een andere procedure, terwijl verweerder deze vaststelling kan doen naar aanleiding van het onderzoek dat al is gedaan in de asielprocedure. Dat ook de vaststelling van staatloosheid een rol speelt in het verzekeren van toegang tot internationale rechtsbescherming, specifiek voor staatlozen, wordt niet in het bestreden besluit besproken en onterecht achterwege gelaten. Het beoordelen van verklaringen over nationaliteit behoren tot de kerntaken van verweerder bij het beoordelen van de noodzaak tot bescherming. Dat is in dit geval blijkbaar niet gebeurd, in ieder geval is geen vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw2000 verleend en is op de inwilligende beslissing de staatloosheid niet vermeld. Eiser geeft aan dat hij hiervan hinder ondervindt, omdat hij nu bij de gemeente om wijziging van de registratie zal moeten vragen. De gemeente zal, zoals voorzien onder artikel 2.17 Wet BRP aan verweerder een verzoek doen tot beoordeling van de stellingen van eiser over zijn identiteit en nationaliteit en dan is hij weer terug bij af. Eiser wijst er voorts op dat in het informatiebericht SUA over staatloosheid bij Palestijnen uit Syrië het belang van een juiste vaststelling en registratie van staatloosheid tijdens de asielprocedure wordt benadrukt.
Rechtbank: ECLI:EU:C:2020:945]. Het Hof geeft onder meer aan dat in geval van een burgeroorlog dienstweigering al gauw zal worden opgevat als daad van politiek verzet. In deze Duitse zaak is doorgeprocedeerd over de verblijfsvergunning terwijl er al een verblijfsvergunning voor subsidiaire bescherming verleend was. Dat betekent, aldus eiser, dat doorprocederen na verlening van subsidiaire bescherming in lijn is met het Unierecht en de Definitierichtlijn (Richtlijn 2011/95). Artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn bepaalt dat wie een subsidiaire beschermingsstatus krijgt, een daadwerkelijk rechtsmiddel toekomt tegen de beslissing om geen vluchtelingenstatus te verlenen. Het Hof merkt om te beginnen op dat niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van procesbelang een uitzondering maakt op de hoofdregel van artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn, en een beperking vormt op artikel 47 Handvest Pro. Om welke reden de bepaling ‘restrictief’ moet worden uitgelegd (punt 49); niet-ontvankelijkverklaring mag alleen als de rechten en voordelen aan beide statussen verbonden ‘daadwerkelijk gelijk’ zijn. Volgens eiser schuren de combinatie van het weigeren de uitzonderingen op artikel 26, tweede lid, van de herziene Procedurerichtlijn restrictief uit te leggen in combinatie met het problematisch verloop van de BRP-procedure met het Unierechtelijk effectiviteitsbeginsel. Doordat er nog geen nieuwe wet is inzake de vaststelling van staatloosheid, is het naar de mening van eiser effectiever als verweerder thans die vaststelling doet in plaats van dat hij (eiser) van het kastje naar de muur wordt gestuurd.
civielrechtelijkestaatsloosheidsprocedure bij de Rechtbank Den Haag introduceert, is het namelijk maar zeer de vraag of de voorgestelde procedure verblijfsrechten creëert voor erkende staatlozen (Memorie van Toelichting, 21 december 2020, Kamerstukken Vergaderjaar 2020-2021, 35 678).