Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Inleiding
Kern van het geschil
2.De procedure
Procesdossier
- de dagvaarding van 15 april 2021, met de producties 1 t/m 23;
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 t/m 21;
- het vonnis van 5 januari 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de nadere akte tevens akte overlegging aanvullende producties 24 t/m 28 aan de
Financial Damages to Investors”, hierna het Brattle-rapport). Hoewel deze productie op 10 juni 2022 en dus (net) binnen de termijn van artikel 87 lid 6 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering is ingediend, is die indiening volgens de Staat in strijd met de goede procesorde nu het een omvangrijk stuk betreft waarvan de bijlagen ontbreken en waarover Uniper al eerder beschikte. De rechtbank heeft dit rapport vervolgens als processtuk geaccepteerd onder de toezegging dat de Staat in de gelegenheid zal worden gesteld om zich hierover alsnog uit te laten indien het rapport naar het oordeel van de rechtbank relevant kan zijn voor de door haar te nemen beslissingen. De Staat heeft de rechtbank op 21 juni 2022 een bericht gestuurd met als bijlage de brief van gelijke datum van de minister voor Klimaat en Energie aan de Tweede Kamer, waarin hij onder meer te kennen geeft dat de wettelijke productiebeperking voor het opwekken van elektriciteit met kolen voor de periode 2022-2024 per direct niet meer gehandhaafd zal worden en hij een wetsvoorstel voorbereidt tot de intrekking van die productiebeperking die met terugwerkende kracht zal ingaan. Deze brief behoort – met instemming van partijen – eveneens tot het procesdossier.
3.Enkele feiten
Uniper
duurzamemiddelen (dit onderdeel is verder gegaan onder de naam E.ON) en een onderdeel dat zich onder meer bezighoudt met de productie van elektriciteit door middel van
conventionelemiddelen (fossiele brandstoffen zoals kolen en gas). Dat laatste onderdeel is verder gegaan onder de naam Uniper. Aan het hoofd van de Uniper-groep staat het in Duitsland gevestigde Uniper SE. Sinds het najaar van 2019 is het Finse energiebedrijf Forum de grootste aandeelhouder in Uniper SE (circa 75% van de aandelen). De overige (aan de effectenbeurs van Frankfort genoteerde) aandelen worden gehouden door institutionele en particuliere beleggers. Behalve met de productie van en de handel in elektriciteit, houdt de Uniper-groep zich bezig met gasopslag, de handel in vloeibaar gas en de oliehandel. Daarnaast heeft het belangen in de gas-infrastructuur. De groep is onder meer actief in de Benelux, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Rusland en Hongarije. Uniper SE houdt 100% van de aandelen in Uniper Holding GmbH, die op haar beurt enig aandeelhouder is van Uniper Benelux en UCML. De totale opwekkingscapaciteit van elektriciteit van de Uniper-groep bedroeg in 2020 24.514 Megawatt (MW). In Nederland exploiteert Uniper drie gasgestookte elektriciteitscentrales (in Leiden, Den Haag en Rotterdam) en de (voornamelijk) kolengestookte MPP3-centrale op de Maasvlakte. De totale opwekkingscapaciteit van Uniper in Nederland bedroeg in 2020 1.595 MW, waarvan 1.070 MW is opgewekt met de MPP3-centrale.
heaviesbijgestookt in de centrale. De
heavieszijn een restproduct afkomstig van een nabij de MPP3-centrale gelegen industriële klant. Omgekeerd levert Uniper Benelux via UCML stoom en elektriciteit aan nabijgelegen industriële klanten. De bijstook met biomassa bedraagt thans circa 15% (de centrale is technisch geschikt voor bijstook met biomassa tot maximaal 30% van haar capaciteit). Hiervoor ontvangt Uniper Benelux tot in 2027 een subsidie van de Staat op grond van de Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie (SDE) van ten hoogste € 630 miljoen.
Earnings Before Interest, Tax, Depreciation and Amortization) van de centrale zijn de afgelopen jaren de volgende geweest (bedragen in miljoenen euro’s):
Earth Summitin Rio de Janeiro in 1992 heeft geleid tot de United Nations Framework Convention on Climate Change (hierna: het Klimaatverdrag). Het Klimaatverdrag heeft tot doel het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen. De verdragsluitende staten hebben zich verbonden om klimaatverandering tegen te gaan onder meer door maatregelen te treffen op het gebied van CO₂-emissies. Deze verplichting geldt in het bijzonder voor de zogenoemde Annex I-landen, waaronder Nederland. Voor deze Annex I-landen is het doel om hun CO₂-emissies te reduceren tot het hoogste niveau van 1990. Nederland heeft het Klimaatverdrag ondertekend op 4 juni 1992.
Emission Trading System(hierna: het ETS) tot stand is gebracht. Het ETS behelst, samengevat, een systeem waarbij deelnemende bedrijven een vergunning krijgen toegewezen op basis waarvan zij een bepaalde hoeveelheid CO₂ mogen uitstoten. Elk emissierecht vertegenwoordigt 1 ton CO₂ uitstoot. Er mag in de Europese Unie (hierna: EU) als geheel niet meer CO₂ worden uitgestoten dan het totaal van het aantal uitgegeven emissierechten (Europees CO₂-emissieplafond). De vergunninghouder kan de hem toebedeelde emissierechten zelf gebruiken of verhandelen met andere bedrijven waarop het ETS van toepassing is (waaronder de elektriciteitsproductiebedrijven). Indien een bedrijf meer CO₂ uitstoot dan het emissierechten heeft, zal het rechten moeten bijkopen. Andersom kan een bedrijf dat emissierechten overhoudt omdat het minder CO₂ uitstoot dan is toegestaan, het surplus aan emissierechten verkopen. De achterliggende gedachte is dat op deze wijze een prikkel ontstaat voor emitterende bedrijven om hun CO₂ uitstoot (bijvoorbeeld door te investeren in schonere technologieën) terug te brengen. Doen zij dat niet, dan moeten zij steeds meer betalen aan emissierechten. Het beleid van de Europese Commissie is er immers op gericht het CO₂-emissieplafond (gefaseerd) steeds verder te laten dalen, waardoor de prijs van een emissierecht zal stijgen. Aanvankelijk (2008-2012) werden de emissierechten gratis toegedeeld, maar vanaf 2013 worden steeds meer emissierechten geveild. Tot 2025 neemt het aantal uit te geven emissierechten met 2,2% per jaar af. De Europese Commissie heeft het voornemen dat percentage vanaf 2026 te verhogen naar 4,6%. Uiteindelijk zullen de prijzen voor deze emissierechten zo hoog zijn, zo is de bedoeling, dat het voor de deelnemende bedrijven niet langer rendabel is om bedrijfsactiviteiten te ontplooien die gepaard gaan met (veel) uitstoot van CO₂.
Bali Road Mapvastgesteld waarin is opgenomen dat “
deep cuts in global emissions” noodzakelijk zijn.
Carbon Capture and Storage” (hierna CCS) genoemd. Nederland heeft het project Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratie (ROAD) voorgedragen voor subsidie. De subsidie voor dit project is verleend.
Green Deal” gepresenteerd waarin zij de wijze waarop zij uitvoering wil geven aan de Klimaatwet nader heeft uitgewerkt.
4.De vordering
5.De beoordeling
possession”(eigendom) in de zin van deze bepaling?
interference”, dat wil zeggen ontneming of regulering van het eigendomsrecht?
lawful”(rechtmatig), dat wil zeggen bij wet voorzien;
general interest”(het algemeen belang), en
fair balance”, dat wil zeggen een redelijk evenwicht, tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu?
fair balance-toets” geldt dat daaraan niet is voldaan, indien er sprake is van een individuele en buitensporige last (“
individual and excessive burden”) voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen.
possessions”in deze verdragsbepaling heeft een eigen autonome betekenis. Zo heeft het EHRM in de zaak
Kristiana Ltd. v. Lithuaniaoverwogen:
assets, including claims, in respect of which the applicant can argue that he has at least a ‘legitimate expectation’ of obtaining effective enjoyment of a property right”.Artikel 1 EP Pro houdt derhalve geen recht in om inkomsten te verwerven, terwijl evenmin de enkele hoop of verwachting op toekomstige inkomsten door artikel 1 EP Pro wordt beschermd. Toekomstige inkomsten worden alleen aangemerkt als “
possessions”wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat. [11]
possessions” zijn aan te merken, betekent niet dat Uniper geen economisch belang heeft in haar onderneming dat onder de bescherming van artikel 1 EP Pro EVRM valt. [12] De rechtbank verwerpt het verweer van de Staat op dit punt.
deprivation of possessions”). Wel staat ter discussie of dat verbod al dan niet is aan te merken als een
de factoonteigening of ten minste een zeer zware inmenging waardoor ieder zinvol gebruik van de MPP3-centrale wordt uitgesloten (standpunt van Uniper) of slechts als (een beperkte) regulering van eigendom (standpunt van de Staat). Dit komt bij de
fair balance-toets nader aan de orde. Hier volstaat de constatering dat voldaan is aan het vereiste van “
interference”als bedoeld in nr. 5.6 onder (b).
fair balance-toets aan de orde komt). De Wvk is een wet in formele zin en voldoet aan deze vereisten. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
fair balance-toets alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband, in aanmerking genomen te worden. In de Nederlandse rechtspraak wordt veelal aangenomen dat de
fair balance-toets op twee niveaus kan plaatsvinden, namelijk op het niveau van de wettelijke maatregel in algemene zin (op
regelingsniveau) en op het niveau van het individuele geval, rekening houdend met de in dat individuele geval geldende (lastenverzwarende) omstandigheden. Dit verschil heeft praktische betekenis indien een wettelijke regeling in algemene zin niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM (omdat deze regeling in algemene zin voldoet aan de
fair balance-toets), maar in een individueel geval voor betrokkene wel een “
individual and excessive burden” vormt in verband met bijzondere, specifiek in dat geval geldende feiten en omstandigheden. Zowel Uniper als de Staat hebben betoogd dat er geen reden is om in deze zaak dit onderscheid te maken omdat er slechts enige kolencentrales van enkele eigenaren zijn die zich in dit verband niet van elkaar onderscheiden en voor wie de gevolgen van de Wvk hetzelfde zijn, met als gevolg dat als de Wvk op regelingsniveau wel of niet voldoet aan de
fair balance-toets, hetzelfde geldt op individueel niveau. De rechtbank is het met partijen eens, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid dat een eigenaar van een kolencentrale een tegemoetkoming vraagt op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4a van de Wvk (zie daarover nader nr. 5.20)
fair balance-toets relevant kunnen zijn:
aard en ernst van de “interference”in het eigendomsrecht. Zoals aangekondigd in 5.11 gaat het hier vooral om de vraag of sprake is van
de factoonteigening of daarmee (vrijwel) gelijk te stellen zeer zware inmenging in het eigendomsrecht dan wel een beperktere vorm van regulering. De rechtbank bespreekt dit in 5.15.
fair balance-toets.
welke conclusiezij ten aanzien van de
fair balance-toets is gekomen, na alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband, in aanmerking te hebben genomen.
de factoop een onteigening/ontneming neerkomt dan wel als eigendomsregulering moet worden aangemerkt. Dit verschil is relevant omdat volgens vaste rechtspraak van het EHRM bij (
de facto) onteigening in de regel aanspraak kan worden gemaakt op een financiële compensatie [13] , maar dit bij regulering van eigendom geen vanzelfsprekendheid is. [14]
de facto) onteigening geldt bij regulering van eigendom dus niet als uitgangspunt dat compensatie moet worden geboden. Of, en zo ja, in welke mate bij regulering van eigendom voorzien is in compensatie, is één van de factoren die in aanmerking kan worden genomen bij de
fair balance-toets. Daarbij geldt dat een ontbrekende of ontoereikende compensatie meer gewicht in de schaal legt naarmate de aantasting van het eigendomsrecht ernstiger is.
de factoonteigening, gekeken moet worden naar het moment dat de maatregel (het verbod) ten aanzien van de MPP3-centrale daadwerkelijk van kracht wordt. Dat is per 1 januari 2030. Uniper heeft gesteld dat de MPP3-centrale vanaf dat moment onbruikbaar en daarmee waardeloos wordt. Daartoe voert zij aan dat de centrale dan niet meer kan worden gebruikt waarvoor zij is bedoeld: het produceren van elektriciteit door middel van kolen. De installatie is niet geschikt voor andere rendabele activiteiten dan elektriciteitsproductie en er zijn geen alternatieve brandstoffen waarop de MPP3-centrale zou kunnen overschakelen. Het is technisch weliswaar mogelijk de centrale geschikt te maken voor het gebruik van biomassa, maar volgens Uniper is dit financieel niet haalbaar en is de kans dat de centrale met biomassa per 1 januari 2030 rendabel kan produceren, dermate klein dat het doen van de daarvoor benodigde investeringen onverantwoord zou zijn. Uniper wijst er verder op dat de grond waarop de centrale is gebouwd niet haar eigendom is, dat er geen reële en rendabele mogelijkheden zijn om op het terrein andere activiteiten te ontwikkelen, terwijl zij de erfpachtcanon moet doorbetalen en de verplichting heeft om bij het einde van de erfpacht het terrein zonder installaties e.d. terug te geven (zodat deze op haar kosten gesloopt zullen moeten worden). De combinatie van enorme sloopkosten, minimale netto-opbrengsten van de resterende activa en de kosten die voortvloeien uit de bedrijfsbeëindiging brengen mee dat de MPP3-centrale bij sluiting een niet meer dan te verwaarlozen waarde zal vertegenwoordigen. Volgens Uniper is daarom sprake van een “
de factoonteigening”.
de factoonteigening. Na ommekomst van de overgangsperiode houdt Uniper immers de volledige beschikking over al haar door de maatregel getroffen eigendommen. Het blijft voor haar mogelijk om met de MPP3-centrale elektriciteit op te wekken, zij het met de beperking dat zij daarvoor geen kolen mag gebruiken. Dat dat, ook in 2030, alleen maar rendabel met kolen kan, acht de rechtbank niet aangetoond. De rechtbank verwijst hiervoor naar 5.17. Ook indien Uniper besluit om in 2030 met de productie van elektriciteit in de MPP3-centrale te stoppen, komt het de rechtbank aannemelijk voor dat Uniper nog enig relevant economisch belang behoudt bij (activa van) de onderneming. Met de Staat is de rechtbank namelijk van oordeel dat het recht van erfpacht voor de duur van 79 jaar (aanmerkelijk langer dan de levensduur van de centrale zelf) op de desbetreffende grond op de Maasvlakte, een reële economische waarde vertegenwoordigt. De stelling van Uniper dat de erfpachtcanon zodanig hoog moet zijn dat het recht van erfpacht per saldo een economische waarde van 0 heeft, omdat er anders sprake zou zijn van verboden staatssteun, doet geen recht aan de feitelijke situatie en vindt geen steun in het recht. Het betreft een perceel van circa 32 hectare op een (industrieel) zeer aantrekkelijke locatie, mede in verband met de strategische ligging en goede infrastructuur. Uniper is ook erfpachter van een aantal omliggende percelen: in totaal is de oppervlakte van de aan Uniper ter plaatse in erfpacht gegeven percelen ruim 80 hectare. Uit diverse (web)publicaties en uitlatingen van bestuurders van Uniper, waarop de Staat zich heeft beroepen, blijkt dat deze grondpositie voor Uniper van groot belang is voor haar (toekomstige) bedrijfsactiviteiten. Zo participeert Uniper in het project H-Vision, een consortium van verschillende partijen die in het havengebied een elektrolyser willen realiseren om waterstof te produceren en CO₂ uit raffinaderijgas te scheiden. Op de website van H-Vision zegt de
managing directorvan Uniper ( [de managing director] ) hierover:
de factoonteigening.
fair balance-toets onderzoeken of Uniper er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een maatregel zoals het verbod tot het gebruik van kolen voor de opwekking van elektriciteit tot 2055 achterwege zou blijven. In dat onderzoek komt ook het nationale klimaat- en energiebeleid aan de orde.
preciesdie maatregel: het gaat erom of de getroffen maatregel valt binnen de reikwijdte van maatregelen waarvan de mogelijke invoering, gelet op de omstandigheden van het geval en het publieke belang in kwestie, redelijkerwijs kon worden verwacht. Voor het aannemen van voorzienbaarheid is dus niet vereist dat de precieze aard en omvang van de maatregel die uiteindelijk wordt afgekondigd, op voorhand al bekend waren. [21]
- perspectief op zo laag mogelijke CO₂-emissies op basis van realistische scenario’s voor een deels duurzame brandstofinzet, rekening houden met toekomstige afvang en opslag en/of hergebruik van CO₂; (…)
- de overheden gaan er vanuit dat de CO₂-ruimte in de toekomst verder beperkt wordt en spreken de verwachting uit (…) dat de nieuwe centrales zo ver als mogelijk zijn voorbereid op CO₂-afvang en -opslag (‘capture ready’).”
fair balance-toets alle omstandigheden van het geval in ogenschouw genomen moeten worden) ook de ontwikkelingen nadien een rol spelen. Volgens Uniper geldt dit echter alleen voor zover de maatregel voorzienbaar wordt op een moment dat “dit inzicht ook daadwerkelijk kan worden benut om de schade te beperken”. Zoals overwogen in nr. 5.16 heeft Uniper kort nadat de Afdeling rechtspraak van de Raad van State de ingestelde beroepen tegen de revisievergunning op 29 april 2009 ongegrond heeft verklaard, definitief opdracht gegeven tot de start van de bouw van de MPP3-centrale. Dat betekent dat al hetgeen de rechtbank hiervoor in de nrs 5.16.6 t/m 5.16.29 heeft vermeld, heeft plaatsgevonden vóórdat die vergunning onherroepelijk is geworden en met de bouw werd begonnen. Uniper heeft die feiten en omstandigheden derhalve kunnen betrekken in haar afwegingen om al dan niet met het bouwproject door te gaan. Hoewel bij de beoordeling van de voorzienbaarheid van het in de Wvk neergelegde verbod ook feiten en omstandigheden meewegen die zich daarna hebben voorgedaan, is naar het oordeel van de rechtbank het moment waarop in opdracht van Uniper daadwerkelijk met de bouw van de centrale is aangevangen, bij die beoordeling in het bijzonder van belang. Het is immers aannemelijk dat Uniper vóór de aanvang van de bouw het project nog zonder al te veel schade (zeker in vergelijking met de schade in de orde van grootte die zij thans stelt te lijden als gevolg van de Wvk) had kunnen afblazen. De rechtbank zal daarom thans beoordelen of Uniper toen zij opdracht gaf tot de start van de bouwwerkzaamheden erop mocht vertrouwen dat zij, zoals zij heeft gesteld, gedurende de technische levensduur (van circa 40 jaar) van de kolencentrale met geen andere CO₂-emissie reducerende overheidsmaatregelen te maken zou krijgen dan de beperkingen die voortvloeien uit de toepassing van het ETS.
Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999), zie nr. 5.16.6, reeds uitgesproken dat het noodzakelijk is dat bij fossiel energiegebruik minder CO₂ wordt uitgestoten. De gemiddelde CO₂-emissie van kolencentrales moest in 2008 op het niveau van aardgasgestookte kolencentrales komen te liggen. In het
Vierde Milieubeleidsplan (2001), zie nr. 5.16.10, wordt aangegeven dat een fossiele energietechnologie moet worden gerealiseerd die voldoet aan de lange termijndoelstelling van bijna-nul emissie van broeikasgassen (‘schoon fossiel’). Ook dit, ‘schoon fossiel’, is een zelfstandige eis die aan het gebruik van fossiele brandstoffen wordt gesteld, en niet afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van emissierechten volgens het ETS. Hierop aansluitend stelt de
Beleidsnotitie ‘Schoon Fossiel’ (2003), zie nr. 5.16.13, dat op de middellange en lange termijn (‘post-Kyoto’, dus vanaf 2012) schoon fossiele toepassingen zeer waarschijnlijk noodzakelijk zijn. In het
Energierapport “Nu voor later” (2005), zie nr. 5.16.17, staat onomwonden vermeld dat initiatiefnemers voor de bouw van kolencentrales zich terdege moeten realiseren dat mogelijk binnen 10 jaar na inbedrijfstelling een beslissing genomen zal moeten worden over CO₂-afvang en -opslag en dat mee- en bijstook van biomassa dan onvoldoende zal zijn. In haar beantwoording van
Kamervragenen in haar
Kamerbrief (2007), zie nrs. 5.16.20/21, brengt minister [Minister 2] naar voren dat haar boodschap steeds is dat CO₂-emissies van kolencentrales op termijn niet meer te combineren zijn met ‘onze’ klimaatambities en dat zij ernaar streeft dat binnen 10 jaar in Europees verband een situatie is bereikt waarin de afvang en ondergrondse opslag van CO₂ van kolencentrales verplicht wordt gesteld. Zij maakt duidelijk dat zij er vertrouwen in heeft dat het CO₂-emissiehandelssysteem uiteindelijk een voldoende krachtig instrument is om kolencentrales te kunnen toestaan binnen de klimaatambities van Nederland en Europa, maar dan wel in combinatie met de toepassing van CCS en de grootschalige inzet van biomassa. In de
Kamerbrief van de ministers [Minister 3] en [Minister 2] (2009), zie nr. 5.16.29, wordt nog eens bevestigd dat volgens het toenmalige kabinet CCS geen substituut is voor meer energiebesparing en een groter aandeel duurzame energie, maar daarop een noodzakelijke aanvulling vormt. De rechtbank acht tevens van belang dat in het
Sectorakkoord Energie 2008 – 2020, zie nr. 5.16.26, is afgesproken dat ook de exploitanten van nieuwe kolencentrales zullen rapporteren hoe zij vanaf 2015 “zeer substantieel” CO₂-uitstoot gereduceerd hebben en mede de ambitie hebben uitgesproken dat CCS bij kolencentrales in 2020 grootschalig wordt toegepast. Ook dit zijn afspraken die niet afhankelijk zijn gesteld van het al dan niet beschikken over voldoende emissierechten uit hoofde van het ETS. Het betoog van Uniper dat zij er in 2009 op mocht vertrouwen dat het ETS gedurende de levensduur van de MPP3-centrale als
exclusiefregelingskader voor het terugdringen van CO₂-emissies zou worden gehanteerd, snijdt dan ook geen hout.
aansprakelijkheidin het geding is, in die zaak dus de topholding van de Shell-groep, rekening moet worden gehouden met veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis die de aansprakelijkheid veroorzaakt. Dat bracht in die zaak mee dat de Shell-topholding in beginsel niet op grond van
onrechtmatige daad(artikel 6:162 Burgerlijk Pro wetboek) aansprakelijk kon worden gehouden voor emissies van CO₂ die worden gedekt door het ETS-systeem. Dit betreft dus een geheel andere kwestie dan de vraag die in deze procedure relevant is, namelijk of Uniper erop mocht vertrouwen dat zij van overheidswege niet zou worden geconfronteerd met een het gebruik van de MPP3-centrale beperkende maatregel, zoals vervat in de Wvk, zolang zij maar over voldoende emissierechten volgens het ETS beschikt. Voor de beantwoording van die vraag is het oordeel van deze rechtbank over de “vrijwarende werking” van het ETS in de Shell-klimaatzaak niet relevant.
Energieakkoord voor duurzame groeitussen de Staat en een groot aantal maatschappelijke organisaties en bedrijven, waaronder de branchevereniging Energie Nederland (waarvan Uniper lid is). [40] Daarin is afgesproken dat de overheid grootschalige inzet van biomassa in de nieuwe kolencentrales en de centrales die in de jaren negentig zijn gebouwd, zal subsidiëren tot een totaal van maximaal 25 petajoules (PJ).
- de aanscherping vanaf 2021 van de minimumrendementseisen van kolencentrales;
- het introduceren van een verbod op de productie van elektriciteit met kolen vanaf een bepaalde datum;
- maatregelen gericht op versterking op Europees niveau van het ETS, waarbij wel de kanttekening wordt geplaatst dat Nederland hier slechts beperkte invloed op heeft.
ontwerpvan de pijpleiding naar de onderzeese opslaglocatie was in 2012
bijnacompleet en ook had ROAD alle benodigde vergunningen. Maar de verwachte prijsstijgingen van de CO₂-emissierechten in die periode bleven uit en de elektriciteitsprijzen daalden eveneens. Daardoor ontstond een gat in de begroting van het project waarna Uniper en Engie hebben besloten de werkzaamheden op een laag pitje te zetten. Volgens Uniper had ROAD eind 2016 “weer opgestart” kunnen worden, maar werd toen uit gesprekken met vertegenwoordigers van het ministerie van EZ duidelijk dat de Staat uiteindelijk (“de wijze waarop en wanneer was toen nog onduidelijk”) van plan was alle kolencentrales – ook de MPP3-centrale – uit te faseren. [48] Tegen die achtergrond en ook omdat eind 2016 de prijs van CO₂-emissierechten nog steeds laag was (zodat ROAD financieel meer zou kosten dan het zou opleveren) heeft Uniper van een herstart afgezien.
demonstratieprojecten voor CCS gereed zouden zijn. In hetzelfde verband heeft Uniper aangekondigd dat de mede door haar gestimuleerde technologische ontwikkeling van CCS uiteindelijk moet leiden tot de installatie rond 2015 van een grootschalig
demoproject voor de afvang en opslag van CO₂ van haar centrale op de Maasvlakte. Het gaat hier om demonstratieprojecten die volgens het Sectorakkoord (als “noodzakelijke stap”) moeten bijdragen aan het verwezenlijken van de afgesproken ambitie dat CCS bij kolencentrales in 2020 (bij een concurrerende CO₂-prijs) grootschalig wordt toegepast. Dat is een ambitie die Uniper voor wat betreft de MPP3-centrale ook heeft uitgesproken in haar brief aan het college van B&W van Rotterdam van 6 februari 2008:
“Wij gaan ervan uit dat in 2020 afvang op volledige schaal bij de nieuwe centrale haalbaar zal zijn”. Tegen die achtergrond wekt het verbazing dat Uniper de werkzaamheden aan het demonstratieproject ROAD na 2009 (of in elk geval 2012) op een laag pitje heeft gezet omdat met dit project zelf gelet op de marktomstandigheden geen winst kon worden behaald. Dat Uniper het demonstratieproject heeft beëindigd (mede) wegens onzekerheden die betrekking hebben op de vraag of en wanneer met CCS na de demonstratiefase winst kan worden gemaakt, strookt niet met de in verband met het Sectorakkoord gemaakte afspraken.
“in 2020 afvang op volledige schaal bij de nieuwe centrale haalbaar zal zijn”: met het niet realiseren van het demoproject was ook die doelstelling volledig uit het zicht verdwenen. Dat kan niet aan die politieke onzekerheid en evenmin aan de in oktober 2017 gepresenteerde kabinetsplannen worden verweten. De stelling van Uniper dat de Staat het falen van het CCS-project heeft veroorzaakt, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ongefundeerd.
Vertrouwen in de toekomstgepresenteerd. Daarin staat dat de kolencentrales uiterlijk in 2030 zullen worden gesloten. Het wetsvoorstel dat tot de Wvk heeft geleid, is op 18 maart 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.
nieuwesubsidies (na 2027) voor het gebruik van
houtigebiomassa. De Staat wijst er ook op dat zelfs al zou er een politieke wens leven om het gebruik van (houtige) biomassa voor elektriciteitsopwekking te verbieden, het treffen van een daartoe strekkende maatregel niet mogelijk is omdat biomassa op Europees niveau is erkend als duurzame brandstof (in de Richtlijn hernieuwbare energie). De rechtbank kan zich evenwel voorstellen dat de bezwaren die, zoals de Staat ook erkent, in het publieke debat worden geuit tegen het gebruik van houtige massa als brandstof voor elektriciteitsopwekking, Uniper huiverig maken om voor wat betreft de MPP3-centrale volledig op die brandstof over te schakelen. Dat laat onverlet dat niet houtige biobrandstoffen, zoals bagasse (vezelachtig afval dat overblijft nadat het sap uit de stengels van suikerriet is geperst), rioolwaterzuiveringsslib of andere afvalstromen uit bioraffinage processen, (technisch) mogelijk voor de opwekking van elektriciteit kunnen worden gebruikt.
the market framework and power market assumptions” die Frontier eerder in 2018 heeft gebruikt voor een onderzoek dat zij in opdracht van het ministerie van Economische zaken heeft uitgevoerd. De “
overall conclusion” van Frontier is dat (zonder subsidies) “
the biomass conversion in 2030 is not a profitable investment”. De Staat betwist de bevindingen van Frontier onder meer omdat deze uitgaan van verouderde data, een verkeerde peildatum (2019) en veel te lage CO₂-prijzen (bijvoorbeeld een CO₂-prijs van € 36 per ton uitstoot in 2040, terwijl die prijs thans reeds meer dan € 50 per ton bedraagt). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Uniper nog een memo van Frontier d.d. 9 juni 2022 in het geding gebracht waarin Frontier aangeeft tot geen andere conclusie te komen indien in plaats van augustus 2019 (het Frontier-rapport), december 2019 (het Frontier-memo) als “
valuation date” wordt gehanteerd. De rechtbank begrijpt hieruit dat Frontier ontwikkelingen van nadien (zoals de scherpe stijging van de gasprijzen en als gevolg daarvan ook de sterke stijging van de elektriciteitsprijzen die zich sinds augustus 2021 hebben voorgedaan) buiten haar analyse heeft gelaten.
de eenheden waarin wordt gestookt), afgezien van kolen, vanaf 2030 met een andere brandstof dan biomassa elektriciteit kan worden opgewekt, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan.
in Nederland. Vervolgens wordt in de Memorie van Toelichting vermeld dat met het wetsvoorstel uitvoering wordt gegeven aan een van de maatregelen van het kabinet ter uitwerking van de ambitie om tot die reductie in Nederland te komen, namelijk het uiterlijk in 2030 uitfaseren van kolengestookte elektriciteitsopwekking in Nederland. Daarbij wordt overwogen dat een belangrijk deel van de CO₂-uitstoot in Nederland is terug te leiden tot de opwekking van elektriciteit en dat in de elektriciteitssector kolengestookte productiecentrales verreweg de grootste uitstoters van broeikasgassen zijn.
fair balance-toets komt de Staat, zoals hiervoor reeds is overwogen, een ruime beoordelingsmarge toe, ook ten aanzien van de keuze voor een bepaalde maatregel waarmee het algemene belang wordt behartigd. Dit brengt mee dat geen sprake is van een schending van artikel 1 EP Pro EVRM enkel op grond van de omstandigheid dat eventueel een minder belastend middel voorhanden is waarmee hetzelfde doel zou kunnen worden bereikt, ook niet als het middel waarvoor gekozen is zeer ingrijpend is. Alleen indien de keuze voor een bepaald middel evident onredelijk is en een begrijpelijke motivering ontbreekt waarom dan toch voor dat – zeer belastende – middel wordt gekozen, zou dat anders kunnen liggen. Uniper heeft niet, althans onvoldoende met concrete feiten onderbouwd gesteld en evenmin is gebleken dat daarvan voor wat betreft het in de Wvk neergelegde verbod om met kolen elektriciteit op te wekken, sprake is. Het enkele feit dat de Wvk niet van toepassing is op bijvoorbeeld het gebruik van kolen bij staalproducties, waarbij ook veel CO₂ wordt uitgestoten, leidt niet tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt voor de stelling van Uniper dat indien de Nederlandse industrie voor wat betreft duurzaamheid zou produceren op het niveau van de Europese top, een vergelijkbare emissiereductie bereikt zou kunnen worden als met de Wvk is beoogd: ook indien die stelling juist is, brengt dat niet mee dat de keuze om een verbod in te voeren voor de opwekking van elektriciteit met behulp van kolen evident onredelijk is en de daarvoor gegeven motivering volstrekt onbegrijpelijk.
Country Side Alliance v. the United Kingdom(die betrekking heeft op een wet die de vossenjacht verbiedt):
fair balance-toets en dat daarbij geldt dat een ontbrekende of ontoereikende compensatie meer gewicht in de schaal legt al naargelang de aantasting van het eigendomsrecht ernstiger is.
possessions” door de Wvk, dat voor de beoordeling van de vraag of aan de
fair balance-toets is voldaan, niet louter beslissend is of voorzien is in een financiële compensatie voor de eigenaren van de kolencentrales, laat staan dat daaraan slechts voldaan kan zijn indien hen “volledige schadevergoeding” wordt geboden of indien zij in de gelegenheid zouden worden gesteld “hun investeringen volledig terug te verdienen”, zoals Uniper lijkt te veronderstellen.
fair balancetussen het algemeen belang dat met het verbod wordt gediend en het belang van de eigenaren van de centrales dat wordt geraakt door de regulering van hun eigendom. Daarbij betrekt de minister dat wel is voorzien in een overgangsperiode (die de minister aanmerkt als een “vergoeding in natura”).
ten opzichte van andere exploitanten van een kolencentraleonevenredig zwaar wordt geraakt. In Nederland zijn naast de MPP3-centrale van Uniper nog slechts drie andere kolencentrales actief: de Amer9-centrale van RWE Generation BV, de Eemshaven-centrale van RWE en de Onyx Centrale Rotterdam van (tot voor kort Engie, maar thans:) Riverstone. De koleneenheid van de Hemwegcentrale van Vattenfall is reeds in december 2019 buiten bedrijf gesteld. [57] Volgens Uniper is aldus sprake van een “zeer nauwe referentiegroep” van drie overblijvende exploitanten van de vier kolencentrales, die allen in gelijke mate onevenredig worden getroffen door de Wvk, zodat op voorhand al vast staat dat geen van hen voor de tegemoetkoming in aanmerking komt. Nu de hardheidsclausule bovendien niet voorziet in een volledige schadevergoeding, maar slechts in een tegemoetkoming, zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat een exploitant daarvoor in aanmerking komt, meent Uniper dat de bepaling niet kan bijdragen aan het bereiken van een
fair balance.
fair balancenavenant gering. Ook in de memorie van toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat de eigenaren van de centrales zich onvoldoende van elkaar onderscheiden, “
zodat niet gesproken kan worden van een individuele last”. Met de Staat is de rechtbank verder van oordeel dat door middel van de differentiatie in de overgangsperiode op basis van het elektrisch rendement van de productie-unit, reeds is verdisconteerd dat de eigenaren van de recent gebouwde centrales zwaarder zouden worden getroffen door een onmiddellijk ingaand verbod dan de eigenaren van oude centrales. Een en ander neemt niet weg dat denkbaar is dat zich alsnog een omstandigheid voordoet waaruit volgt dat een eigenaar in het bijzonder en onevenredig getroffen wordt door het verbod en in verband daarmee aanspraak kan maken op een tegemoetkoming (financieel of anderszins) op basis van artikel 4 lid 1 Wvk Pro.
de factoonteigening of daaraan gelijk te stellen inmenging is geen sprake. Tevens is gebleken dat het verbod om met kolen elektriciteit op te wekken een maatregel betreft die valt binnen de reikwijdte van maatregelen waarvan Uniper in 2009, toen een start gemaakt is met de bouw van de MPP3-centrale, kon verwachten dat deze opgelegd zouden worden als zij er niet in zou slagen in de periode vanaf 2015 en vóór uiterlijk 2020 de CO₂-uitstoot van die centrale zeer substantieel te reduceren, al dan niet met (grootschalig) gebruik van biomassa, door toepassing van CCS of anderszins. Het risico dat een dergelijke maatregel zou worden getroffen, is na 2009 alleen maar manifester geworden. Niet gebleken is dat Uniper er op heeft mogen vertrouwen dat gedurende de volledige (technische) levensduur van de centrale voor wat betreft de CO₂-uitstoot het ETS het “exclusieve regelingskader” zou uitmaken. Het is komen vast te staan dat het technisch mogelijk is om de MPP3-centrale binnen de overgangsperiode om te bouwen naar een centrale die volledig draait op biomassa. Of die volledige omschakeling naar biomassa, zonder subsidie (die Uniper tot in 2027 voor de stook met biomassa nog wel ontvangt), vanaf 2030 rendabel zal zijn, is op voorhand niet goed te voorspellen. Dat is onder meer afhankelijk van de ontwikkelingen op de energiemarkt (zoals de prijzen van elektriciteit, gas, kolen, emissierechten, biobrandstoffen) die sterk wisselend en moeilijk voorspelbaar zijn. Verder is genoegzaam komen vast te staan dat het in de Wvk neergelegde verbod doelmatig is, want fors bijdraagt aan de reductie van CO₂-uitstoot in Nederland. Niet is aangetoond dat de Staat met een minder ingrijpende maatregel had moeten en kunnen volstaan om eenzelfde resultaat te bereiken. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de overgangsperiode van ruim tien jaar vanaf de inwerkingtreding van de Wvk totdat het verbod voor de MPP3-centrale van Uniper in 2030 daadwerkelijk van kracht wordt, Uniper in staat stelt om haar schade te beperken en voorbereidingen te treffen die een (verdere) omschakeling naar het stoken op andere brandstoffen mogelijk maken. De impact van de hardheidsclausule van artikel 4 lid 1 Wvk Pro is gering, nu de kans klein is dat Uniper of een van de andere overgebleven eigenaren kunnen voldoen aan de stringente voorwaarde die aan een eventuele tegemoetkoming wordt gesteld, namelijk dat de verzoekende eigenaar moet aantonen dat hij als gevolg van het verbod
ten opzichte van andere exploitanten van een kolencentraleonevenredig zwaar wordt geraakt.
fair balance) bestaat tussen de eisen van het daarmee gediende algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van Uniper. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de Wvk voor Uniper een individuele en buitensporige last (“
individual and excessive burden”) meebrengt. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
veronderstellingdat Uniper als gevolg van de Wvk zeer aanzienlijke schade heeft ondervonden. Dat betekent echter niet dat ook is komen vast te staan dat Uniper schade heeft geleden of dat voldoende aannemelijk is dat Uniper schade heeft geleden, zoals voor verwijzing naar de schadestaat is vereist.
de Wvk weggedacht, na 2030 nog operationeel zou zijn als kolencentrale. Hierbij heeft de Staat gewezen op de slechte vooruitzichten van kolencentrales die met name samenhangen met de snel stijgende ETS-prijzen (hoe hoger die prijzen, hoe slechter de vooruitzichten). Vanaf 2020 heeft deze prijsstijging een enorme vlucht genomen en volgens de Staat zal die stijgende tendens zich voortzetten, terwijl in het Brattle-rapport volstrekt in strijd met de werkelijkheid wordt uitgegaan van veel lagere ETS-prijzen. In dit verband heeft de Staat erop gewezen dat Brattle er ten onrechte van uitgaat dat de EU niets zal doen om de doelen van de Klimaatovereenkomst na te komen: indien Brattle zou zijn uitgegaan van ETS-prijzen in overeenstemming met de Klimaatovereenkomst, dan zouden de kosten van de kolencentrale veel hoger zijn uitgevallen dan die waarmee Brattle rekent. Dit zou dan weer tot gevolg hebben gehad dat het aantal scenario’s waarin de centrale, ongeacht de Wvk, had moeten sluiten, hoger zou zijn dan Brattle heeft berekend, terwijl in de (eventueel) overblijvende scenario’s waarin geen sluiting zou plaatsvinden, de winsten lager zouden zijn dan Brattle heeft berekend. De Staat heeft voorts opgemerkt dat ook Brattle, zelfs uitgaande van te rooskleurige en achterhaalde omstandigheden, tot de conclusie komt dat in 33 van de 100 onderzochte scenario’s de MPP3-centrale in de
but for-case (de Wvk weggedacht) zou zijn gesloten.
fair balance-toets uitgegaan is van de veronderstelling dat Uniper als gevolg van de Wvk aanzienlijke schade heeft ondervonden in de orde van grootte zoals door Uniper is gesteld, komt zij echter niet meer toe aan de vraag of voldoende aannemelijk is dat Uniper schade heeft geleden en ook niet aan de vraag of die schade in causaal verband staat met de Wvk. Ook uitgaande van die veronderstelling, komt de rechtbank immers tot de in nr. 5.21.1 vermelde conclusie. Dat wat door partijen ten aanzien van de schade naar voren is gebracht hoeft dan ook niet nader te worden besproken.