Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.Inleiding
Kern van het geschil
2.De procedure
Procesdossier
3.Enkele feiten
RWE en het concern waarvan zij deel uitmaakt
Earth Summitin Rio de Janeiro in 1992 heeft geleid tot de United Nations Framework Convention on Climate Change (hierna: het Klimaatverdrag). Het Klimaatverdrag heeft tot doel het stabiliseren van de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen. De verdragsluitende staten hebben zich verbonden om klimaatverandering tegen te gaan onder meer door maatregelen te treffen op het gebied van CO₂-emissies. Deze verplichting geldt in het bijzonder voor de zogenoemde Annex I-landen, waaronder Nederland. Voor deze Annex I-landen is het doel om hun CO₂-emissies te reduceren tot het hoogste niveau van 1990. Nederland heeft het Klimaatverdrag ondertekend op 4 juni 1992.
Emission Trading System(hierna: het ETS) tot stand is gebracht. Het ETS behelst, samengevat, een systeem waarbij deelnemende bedrijven een vergunning krijgen toegewezen op basis waarvan zij een bepaalde hoeveelheid CO₂ mogen uitstoten. Elk emissierecht vertegenwoordigt 1 ton CO₂ uitstoot. Er mag in de Europese Unie (hierna: EU) als geheel niet meer CO₂ worden uitgestoten dan het totaal van het aantal uitgegeven emissierechten (Europees CO₂-emissieplafond). De vergunninghouder kan de hem toebedeelde emissierechten zelf gebruiken of verhandelen met andere bedrijven waarop het ETS van toepassing is (waaronder de elektriciteitsproductiebedrijven). Indien een bedrijf meer CO₂ uitstoot dan het emissierechten heeft, zal het rechten moeten bijkopen. Andersom kan een bedrijf dat emissierechten overhoudt omdat het minder CO₂ uitstoot dan is toegestaan, het surplus aan emissierechten verkopen. De achterliggende gedachte is dat op deze wijze een prikkel ontstaat voor emitterende bedrijven om hun CO₂ uitstoot (bijvoorbeeld door te investeren in schonere technologieën) terug te brengen. Doen zij dat niet, dan moeten zij steeds meer betalen aan emissierechten. Het beleid van de Europese Commissie is er immers op gericht het CO₂-emissieplafond (gefaseerd) steeds verder te laten dalen, waardoor de prijs van een emissierecht zal stijgen. Aanvankelijk (2008-2012) werden de emissierechten gratis toegedeeld, maar vanaf 2013 worden steeds meer emissierechten geveild. Tot 2025 neemt het aantal uit te geven emissierechten met 2,2% per jaar af. De Europese Commissie heeft het voornemen dat percentage vanaf 2026 te verhogen naar 4,6%. Uiteindelijk zullen de prijzen voor deze emissierechten zo hoog zijn, zo is de bedoeling, dat het voor de deelnemende bedrijven niet langer rendabel is om bedrijfsactiviteiten te ontplooien die gepaard gaan met (veel) uitstoot van CO₂.
Bali Road Mapvastgesteld waarin is opgenomen dat “
deep cuts in global emissions” noodzakelijk zijn.
Carbon Capture and Storage” (hierna CCS) genoemd. Nederland heeft het project Rotterdam Opslag en Afvang Demonstratie (ROAD) voorgedragen voor subsidie. De subsidie voor dit project is verleend.
Green Deal” gepresenteerd waarin zij de wijze waarop zij uitvoering wil geven aan de Klimaatwet nader heeft uitgewerkt.
4.De vordering
fair market value”van de Eemshavencentrale berekend in de werkelijke situatie (“
actual case”), dus met het kolenverbod in 2030, en in de hypothetische situatie
(“but for-case”), waarbij de Eemshavencentrale tot en met 2054 in bedrijf blijft. Deze beide waarden heeft RWE door Brattle laten becijferen op € 1,541 miljard (hypothetische waarde) en op € 79 miljoen (werkelijke waarde), wat resulteert in een verschil van € 1,462 miljard. Brattle heeft de “
fair market value”berekend op grond van de vrije kasstroom die productie van elektriciteit met kolen en biomassa (zolang dit door de Staat wordt gesubsidieerd: tot en met 2027) in beide situaties – met en zonder verbod op elektriciteitsproductie door kolen in 2030 – genereert. Naast enkele kenmerken van de gehanteerde methode ter berekening van de “
fair market value”(zoals dat deze in het Brattle-rapport is gebaseerd op de “
discountedcash flow”en dat gebruik is gemaakt van de zogenoemde
“Monte Carlo-methode”,met 100 verschillende ‘paren’ van ‘prijspaden’ die zich tot 2054 zouden kunnen voordoen), is de gekozen peildatum van belang. Deze heeft RWE gesteld op 9 oktober 2017. Dit is de dag vóór de bekendmaking van het regeerakkoord 2017, waarin is opgenomen dat tot uiterlijk in 2030 elektriciteit met behulp van kolen mag worden opgewekt. Deze aankondiging was volgens RWE voldoende concreet om de prijs die een onafhankelijke koper bereid zou zijn om voor de Eemshavencentrale te betalen, daadwerkelijk te beïnvloeden. Bij de becijfering heeft Brattle slechts rekening gehouden met beschikbare gegevens en verwachtingen tot op deze gekozen peildatum: latere ontwikkelingen zijn buiten beschouwing gelaten. Volgens RWE is het becijferde bedrag van € 1,462 miljard de waardedaling die het gevolg is van het aangekondigde kolenverbod: het zou gaan om wat een onafhankelijke, goed geïnformeerde en bereidwillige koper
mindervoor de aanschaf van de Eemshavencentrale over zou hebben gehad ná de bekendmaking van het regeerakkoord op 10 oktober 2017 (met de daarin opgenomen afspraak dat de kolencentrales uiterlijk in 2030 worden gesloten), dan hij vóór die bekendmaking bereid zou zijn geweest daarvoor te betalen.
5.De beoordeling
De Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie (Wvk)
possession”(eigendom) in de zin van deze bepaling?
interference”, dat wil zeggen ontneming of regulering van het eigendomsrecht?
lawful”(rechtmatig), dat wil zeggen bij wet voorzien;
general interest”(het algemeen belang), en
fair balance”, dat wil zeggen een redelijk evenwicht, tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu?
fair balance-toets” geldt dat daaraan niet is voldaan, indien er sprake is van een individuele en buitensporige last (“
individual and excessive burden”) voor de betrokken persoon. Daarbij dienen alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw te worden genomen.
possessions”in deze verdragsbepaling heeft een eigen autonome betekenis. Zo heeft het EHRM in de zaak
Kristiana Ltd. v. Lithuaniaoverwogen:
assets, including claims, in respect of which the applicant can argue that he has at least a ‘legitimate expectation’ of obtaining effective enjoyment of a property right”.Artikel 1 EP Pro houdt derhalve geen recht in om inkomsten te verwerven, terwijl evenmin de enkele hoop of verwachting op toekomstige inkomsten door artikel 1 EP Pro wordt beschermd. Toekomstige inkomsten worden alleen aangemerkt als “
possessions”wanneer zij reeds zijn verdiend of wanneer daarop een rechtens afdwingbare aanspraak bestaat. [11]
possessions” zijn aan te merken, betekent niet dat RWE geen economisch belang heeft in haar onderneming dat onder de bescherming van artikel 1 EP Pro EVRM valt. [12] De rechtbank verwerpt het verweer van de Staat op dit punt.
deprivation of possessions”). Wel staat ter discussie of dat verbod al dan niet is aan te merken als een
de factoonteigening of ten minste een zeer zware inmenging waardoor ieder zinvol gebruik van de Eemshavencentrale wordt uitgesloten (standpunt van RWE) of slechts als (een beperkte) regulering van eigendom (standpunt van de Staat). Dit komt bij de
fair balance-toets nader aan de orde. Hier volstaat de constatering dat voldaan is aan het vereiste van “
interference”als bedoeld in nr. 5.6 onder (b).
fair balance-toets aan de orde komt). De Wvk is een wet in formele zin en voldoet aan deze vereisten. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
fair balance-toets alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband, in aanmerking genomen te worden. In de Nederlandse rechtspraak wordt veelal aangenomen dat de
fair balance-toets op twee niveaus kan plaatsvinden, namelijk op het niveau van de wettelijke maatregel in algemene zin (op
regelingsniveau) en op het niveau van het individuele geval, rekening houdend met de in dat individuele geval geldende (lastenverzwarende) omstandigheden. Dit verschil heeft praktische betekenis indien een wettelijke regeling in algemene zin niet in strijd is met artikel 1 EP Pro EVRM (omdat deze regeling in algemene zin voldoet aan de
fair balance-toets), maar in een individueel geval voor betrokkene wel een “
individual and excessive burden” vormt in verband met bijzondere, specifiek in dat geval geldende feiten en omstandigheden. Zowel RWE als de Staat hebben betoogd dat er geen reden is om in deze zaak dit onderscheid te maken, omdat er slechts enige kolencentrales van enkele eigenaren zijn die zich in dit verband niet van elkaar onderscheiden en voor wie de gevolgen van de Wvk hetzelfde zijn, met als gevolg dat als de Wvk op regelingsniveau wel of niet voldoet aan de
fair balance-toets, hetzelfde geldt op individueel niveau. De rechtbank is het met partijen eens, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de mogelijkheid dat een eigenaar van een kolencentrale een tegemoetkoming vraagt op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 4 lid 1 van Pro de Wvk (zie daarover nader nr. 5.20).
fair balance-toets relevant kunnen zijn:
aard en ernst van de “interference”in het eigendomsrecht. Zoals aangekondigd in 5.11 gaat het hier vooral om de vraag of sprake is van
de factoonteigening of daarmee (vrijwel) gelijk te stellen zeer zware inmenging in het eigendomsrecht dan wel een beperktere vorm van regulering. De rechtbank bespreekt dit in 5.15.
f er (toereikende) compensatie is geboden voor de als gevolg van de maatregel ondervonden schade.Hierbij betrekt de rechtbank in 5.19 ook de overgangsperiode.
fair balance-toets.
welke conclusiezij ten aanzien van de
fair balance-toets is gekomen, na alle omstandigheden van het geval, bezien in onderling verband, in aanmerking te hebben genomen.
de factoop een onteigening/ontneming neerkomt dan wel als eigendomsregulering moet worden aangemerkt. Dit verschil is relevant omdat volgens vaste rechtspraak van het EHRM bij (
de facto) onteigening in de regel aanspraak kan worden gemaakt op een financiële compensatie [13] , maar dit bij regulering van eigendom geen vanzelfsprekendheid is. [14]
de facto) onteigening geldt bij regulering van eigendom dus niet als uitgangspunt dat compensatie moet worden geboden. Of en zo ja, in welke mate bij regulering van eigendom voorzien is in compensatie, is één van de factoren die in aanmerking kan worden genomen bij de
fair balance-toets. Daarbij geldt dat een ontbrekende of ontoereikende compensatie meer gewicht in de schaal legt naar mate de aantasting van het eigendomsrecht ernstiger is.
de factoonteigening, gekeken moet worden naar het moment dat de maatregel (het verbod) ten aanzien van de Eemshavencentrale daadwerkelijk van kracht wordt. Dat is per 1 januari 2030. RWE heeft gesteld dat de Eemshavencentrale vanaf dat moment onbruikbaar en daarmee waardeloos wordt. Daartoe voert zij aan dat de centrale dan niet meer kan worden gebruikt waarvoor zij is bedoeld: het produceren van elektriciteit door middel van kolen. De installatie is niet geschikt voor andere rendabele activiteiten dan elektriciteitsproductie en er zijn geen alternatieve brandstoffen waarop de Eemshavencentrale zou kunnen overschakelen. Het is technisch weliswaar mogelijk de centrale geschikt te maken voor het gebruik van biomassa, maar volgens RWE is dit financieel niet haalbaar en is de kans dat de centrale met biomassa per 1 januari 2030 rendabel kan produceren, dermate klein dat het doen van de daarvoor benodigde investeringen onverantwoord zou zijn. RWE wijst er verder op dat de grond waarop de centrale is gebouwd niet haar eigendom is, dat er geen reële en rendabele mogelijkheden zijn om op het terrein andere activiteiten te ontwikkelen, terwijl zij de erfpachtcanon moet doorbetalen en de verplichting heeft om bij het einde van de erfpacht het terrein zonder installaties e.d. terug te geven (zodat deze op haar kosten gesloopt zullen moeten worden). Door de Wvk wordt ieder zinvol gebruik van de Eemshavencentrale uitgesloten, zodat er sprake is van een “zeer zware inmenging in het eigendomsrecht”, die gelijk te stellen is aan een
de factoonteigening, aldus RWE.
de factoonteigening. Na ommekomst van de overgangsperiode houdt RWE immers de volledige beschikking over al haar door de maatregel getroffen eigendommen. Het blijft voor haar mogelijk om met de Eemshavencentrale elektriciteit op te wekken, zij het met de beperking dat zij daarvoor geen kolen mag gebruiken. Dat dat, ook in 2030, alleen maar rendabel met kolen kan, acht de rechtbank niet aangetoond. De rechtbank verwijst hiervoor naar 5.17. Ook indien RWE besluit om in 2030 met de productie van elektriciteit in de Eemshavencentrale te stoppen, komt het de rechtbank aannemelijk voor dat RWE nog enig relevant economisch belang behoudt bij (activa van) de onderneming. Met de Staat is de rechtbank namelijk van oordeel dat het recht van erfpacht voor de duur van 99 jaar (aanmerkelijk langer dan de levensduur van de centrale zelf), met bovendien het recht van koop op de desbetreffende grond bij de Eemshaven, een reële economische waarde vertegenwoordigt. De stelling van RWE dat de erfpachtcanon zodanig hoog moet zijn dat het recht van erfpacht per saldo een economische waarde van 0 heeft, omdat er anders sprake zou zijn van verboden staatssteun, doet geen recht aan de feitelijke situatie en vindt geen steun in het recht. De Staat heeft in dit verband onweersproken naar voren gebracht dat de Eemshavencentrale gelegen is op een (industrieel) zeer aantrekkelijke locatie die goed bereikbaar is voor de aanvoer van grondstoffen (in het bijzonder per schip) en zich bevindt in de nabijheid van andere grote, industriële bedrijven. Het RWE-concern ontwikkelt bovendien ook andere activiteiten op of in de directe omgeving van het terrein van de Eemshavencentrale, waaronder het project Eemshydrogen. In het kader van dit project heeft een zustervennootschap van RWE in maart 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een waterstoffabriek van 50 MW, die circa 1 ton waterstof per uur kan produceren. Blijkens de aanvraag moet deze fabriek (“Eemshydrogen”) gebouwd worden “in de Oostlob van Eemshaven ter hoogte van de RWE-Eemshavencentrale”. Ook heeft RWE recent de naast de Eemshavencentrale gelegen Magmun(gas)centrale van Vattenfall overgenomen. De rechtbank leidt uit een en ander af dat het terrein van en direct rondom de Eemshavencentrale voor RWE aantrekkelijk is voor (toekomstige) industriële activiteiten, onder meer gericht op de opwekking van (groene) energie. Hiermee is genoegzaam komen vast te staan dat het erfpachtrecht waarover RWE beschikt voor haar een niet te verwaarlozen waarde heeft, ook indien RWE in 2030 stopt met de productie van elektriciteit met behulp van kolen. [16] Bovendien is aannemelijk dat hetzelfde geldt voor (een deel van de) andere activa die thans door de onderneming worden aangewend om (overwegend [17] ) met kolen elektriciteit op te wekken. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is om de beperking in het gebruik van (activa van) de Eemhavencentrale die uit de Wvk voortvloeit, aan te merken als of gelijk te stellen aan een
de factoonteigening.
fair balance-toets onderzoeken of RWE er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een maatregel zoals het verbod tot het gebruik van kolen voor de opwekking van elektriciteit tot 2055 achterwege zou blijven. In dat onderzoek komt ook het nationale klimaat- en energiebeleid aan de orde.
preciesdie maatregel: het gaat erom of de getroffen maatregel valt binnen de reikwijdte van maatregelen waarvan de mogelijke invoering, gelet op de omstandigheden van het geval en het publieke belang in kwestie, redelijkerwijs kon worden verwacht. Voor het aannemen van voorzienbaarheid is dus niet vereist dat de precieze aard en omvang van de maatregel die uiteindelijk wordt afgekondigd, op voorhand al bekend waren. [20]
capture ready” op te leveren. In een speciaal ingelaste paragraaf wordt ook de onder 5.16.22 aangehaalde Kamerbrief van de minister van VROM in de vergunning aangehaald wegens het grote belang ervan voor de activiteiten die RWE wenst te ondernemen.
Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999), zie nr. 5.16.6, reeds uitgesproken dat het noodzakelijk is dat bij fossiel energiegebruik minder CO₂ wordt uitgestoten. De gemiddelde CO₂-emissie van kolencentrales moest in 2008 op het niveau van aardgasgestookte kolencentrales komen te liggen. In het
Vierde Milieubeleidsplan (2001), zie nr. 5.1.6.10, wordt aangegeven dat een fossiele energietechnologie moet worden gerealiseerd die voldoet aan de lange termijndoelstelling van bijna-nul emissie van broeikasgassen (‘schoon fossiel’). Ook dit, ‘schoon fossiel’, is een zelfstandige eis die aan het gebruik van fossiele brandstoffen wordt gesteld, en niet afhankelijk is gesteld van de beschikbaarheid van emissierechten volgens het ETS. Hierop aansluitend stelt de
Beleidsnotitie ‘Schoon Fossiel’ (2003), zie nr. 5.16.13, dat op de middellange en lange termijn (‘post-Kyoto’, dus vanaf 2012) schoon fossiele toepassingen zeer waarschijnlijk noodzakelijk zijn. In het
Energierapport “Nu voor later” (2005), zie nr. 5.16.17, staat onomwonden vermeld dat initiatiefnemers voor de bouw van kolencentrales zich terdege moeten realiseren dat mogelijk binnen 10 jaar na inbedrijfstelling een beslissing genomen zal moeten worden over CO₂-afvang en -opslag en dat mee- en bijstook van biomassa dan onvoldoende zal zijn. In haar beantwoording van
Kamervragenen in haar
Kamerbrief (2007), zie nrs. 5.16.21/22, brengt minister [Minister 2] naar voren dat haar boodschap steeds is dat CO₂-emissies van kolencentrales op termijn niet meer te combineren zijn met ‘onze’ klimaatambities en dat zij ernaar streeft dat binnen 10 jaar in Europees verband een situatie is bereikt waarin de afvang en ondergrondse opslag van CO₂ van kolencentrales verplicht wordt gesteld. Zij maakt duidelijk dat zij er vertrouwen in heeft dat het CO₂-emissiehandelssysteem uiteindelijk een voldoende krachtig instrument is om kolencentrales te kunnen toestaan binnen de klimaatambities van Nederland en Europa, maar dan wel in combinatie met de toepassing van CCS en de grootschalige inzet van biomassa. In de
Kamerbrief van de ministers [Minister 3] en [Minister 2] (2009), zie nr. 5.16.30, wordt nog eens bevestigd dat volgens het toenmalige kabinet CCS geen substituut is voor meer energiebesparing en een groter aandeel duurzame energie, maar daarop een noodzakelijke aanvulling vormt. De rechtbank acht tevens van belang dat in het
Sectorakkoord Energie 2008 – 2020, zie nr. 5.16.26, is afgesproken dat ook de exploitanten van nieuwe kolencentrales zullen rapporteren hoe zij vanaf 2015 “zeer substantieel” CO₂-uitstoot gereduceerd hebben [36] en mede de ambitie hebben uitgesproken dat CCS bij kolencentrales in 2020 grootschalig wordt toegepast. Ook dit zijn afspraken die niet afhankelijk zijn gesteld van het al dan niet beschikken over voldoende emissierechten uit hoofde van het ETS. Het betoog van RWE dat zij er in 2009 op mocht vertrouwen dat het ETS gedurende de levensduur van de Eemshavencentrale als ‘
exclusiefregelingskader’ voor het terugdringen van CO₂-emissies zou worden gehanteerd, snijdt dan ook geen hout.
aansprakelijkheidin het geding is, in die zaak dus de topholding van de Shell-groep, rekening moet worden gehouden met veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis die de aansprakelijkheid veroorzaakt. Dat bracht in die zaak mee dat de Shell-topholding in beginsel niet op grond van
onrechtmatige daad(artikel 6:162 Burgerlijk Pro wetboek) aansprakelijk kon worden gehouden voor emissies van CO₂ die worden gedekt door het ETS-systeem. Dit betreft dus een geheel andere kwestie dan de vraag die in deze procedure relevant is, namelijk of RWE erop mocht vertrouwen dat zij van overheidswege niet zou worden geconfronteerd met een het gebruik van de Eemshavencentrale beperkende maatregel, zoals vervat in de Wvk, zolang zij maar over voldoende emissierechten volgens het ETS beschikt. Voor de beantwoording van die vraag is het oordeel van deze rechtbank over de “vrijwarende werking” van het ETS in de Shell-klimaatzaak niet relevant.
Energieakkoord voor duurzame groeitussen de Staat en een groot aantal maatschappelijke organisaties en bedrijven, waaronder de branchevereniging Energie Nederland (waarvan RWE lid is). [40] Daarin is afgesproken dat de overheid grootschalige inzet van biomassa in de nieuwe kolencentrales en de centrales die in de jaren negentig zijn gebouwd, zal subsidiëren tot een totaal van maximaal 25 petajoules (PJ).
Vertrouwen in de toekomstgepresenteerd. Daarin staat dat de kolencentrales uiterlijk in 2030 zullen worden gesloten. Het wetsvoorstel dat tot de Wvk heeft geleid, is op 18 maart 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden.
nietbij RWE te laten.
nieuwesubsidies (na 2027) voor het gebruik van
houtigebiomassa. De Staat wijst er ook op dat zelfs al zou er een politieke wens leven om het gebruik van (houtige) biomassa voor elektriciteitsopwekking te verbieden, het treffen van een daartoe strekkende maatregel niet mogelijk is omdat biomassa op Europees niveau is erkend als duurzame brandstof (in de Richtlijn hernieuwbare energie). De rechtbank kan zich evenwel voorstellen dat de bezwaren die, zoals de Staat ook erkend, in het publieke debat worden geuit tegen het gebruik van houtige massa als brandstof voor elektriciteitsopwekking, RWE huiverig maken om voor wat betreft de Eemshavencentrale volledig op die brandstof over te schakelen. Dat laat onverlet dat niet houtige biobrandstoffen, zoals bagasse (vezelachtig afval dat overblijft nadat het sap uit de stengels van suikerriet is geperst), rioolwaterzuiveringsslib of andere afvalstromen uit bioraffinage processen, (technisch) mogelijk voor de opwekking van elektriciteit kunnen worden gebruikt.
the market framework and power market assumptions” die Frontier eerder in 2018 heeft gebruikt voor een onderzoek dat zij in opdracht van het ministerie van Economische zaken heeft uitgevoerd. De “
overall conclusion” van Frontier is dat (zonder subsidies) “
the biomass conversion in 2030 is not a profitable investment”. De Staat betwist de bevindingen van Frontier onder meer omdat deze uitgaan van verouderde data en een verkeerde peildatum (2019), en geen betrekking hebben op de Eemshavencentrale.
Economic Assessment of Biomass Conversion” van 18 december 2021 door Nera Economic Consulting (hierna: het Nera-rapport). De onderzoekers komen in dit rapport tot de conclusie dat op basis van de in oktober 2017 voorhanden zijnde informatie een prudente en redelijk handelende investeerder niet zou investeren in de conversie van een centrale als de Eemshavencentrale van kolengestookt naar volledig draaiend op biomassa in 2030 “
in the absence of biomass support schemes” (zonder subsidies), omdat het risico dat die investering verliesgevend zal blijken te zijn hoog is. De onderzoekers voegen daaraan toe dat zij niet tot een andere conclusie komen als zij afgaan op de in december 2021 beschikbare informatie. Uit het rapport blijkt dat deze laatste conclusie voornamelijk is gebaseerd op het recente overheidsbeleid “
to phase out energy generation from biomass” (zie ook hetgeen hierover onder 5.17.2 t/m 5.17.5 is overwogen), waardoor het volgens de onderzoekers zeer onwaarschijnlijk is dat de Eemshavencentrale van 2030 tot 2054 als biomassacentrale operationeel zou mogen blijven. Een belangrijke aanname die voorts aan het onderzoek ten grondslag ligt is dat de scherpe stijging van de gasprijzen en als gevolg daarvan ook de sterke stijging van de elektriciteitsprijzen die zich sinds augustus 2021 hebben voorgedaan, van tijdelijke aard zijn.
core businessvan het concern behoren, antwoordt:
plant managerrespectievelijk directeur elektriciteitsproductie bij RWE, in een artikel van Petrochem van maart 2020, met de titel “Geen sprake van sluiting Eemshavencentrale”. De teneur van dit interview is dat de Eemshavencentrale zal worden omgebouwd naar een biomassacentrale en dat er plannen zijn om de CO₂ die bij de verbranding van biomassa (“afval dat bijna nergens anders meer voor kan worden gebruikt”) vrijkomt, af te vangen. [Naam I] :
de eenheden waarin wordt gestookt), afgezien van kolen, vanaf 2030 met een andere brandstof dan biomassa elektriciteit kan worden opgewekt, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan.
“wide margin of appreciation” toekomt, waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen. [51]
in Nederland. Vervolgens wordt in de Memorie van Toelichting vermeld dat met het wetsvoorstel uitvoering wordt gegeven aan een van de maatregelen van het kabinet ter uitwerking van de ambitie om tot die reductie in Nederland te komen, namelijk het uiterlijk in 2030 uitfaseren van kolengestookte elektriciteitsopwekking in Nederland. Daarbij wordt overwogen dat een belangrijk deel van de CO₂-uitstoot in Nederland is terug te leiden tot de opwekking van elektriciteit en dat in de elektriciteitssector kolengestookte productiecentrales verreweg de grootste uitstoters van broeikasgassen zijn.
fair balance-toets komt de Staat, zoals hiervoor reeds is overwogen, een ruime beoordelingsmarge toe, ook ten aanzien van de keuze voor een bepaalde maatregel waarmee het algemene belang wordt behartigd. Dit brengt mee dat geen sprake is van een schending van artikel 1 EP Pro EVRM enkel op grond van de omstandigheid dat eventueel een minder belastend middel voorhanden is waarmee hetzelfde doel zou kunnen worden bereikt, ook niet als het middel waarvoor gekozen is zeer ingrijpend is. Alleen indien de keuze voor een bepaald middel evident onredelijk is en een begrijpelijke motivering ontbreekt waarom dan toch voor dat – zeer belastende – middel wordt gekozen, zou dat anders kunnen liggen. RWE heeft niet, althans onvoldoende met concrete feiten onderbouwd gesteld en evenmin is gebleken dat daarvan voor wat betreft het in de Wvk neergelegde verbod om met kolen elektriciteit op te wekken, sprake is. De verder niet of nauwelijks uitgewerkte stellingen van RWE dat de Staat ook voor een verplichte isolering van woningen of voor een nationale thuiswerkdag had kunnen kiezen, dan wel andere grote emittenten van CO₂ (dan kolencentrales) had kunnen aanpakken, zijn daartoe, wat daarvan verder zij, onvoldoende en leiden dus niet tot een ander oordeel.
Country Side Alliance v. the United Kingdom(die betrekking heeft op een wet die de vossenjacht verbiedt):
fair balance-toets en dat daarbij geldt dat een ontbrekende of ontoereikende compensatie meer gewicht in de schaal legt al naargelang de aantasting van het eigendomsrecht ernstiger is.
possessions” door de Wvk, dat voor de beoordeling van de vraag of aan de
fair balance-toets is voldaan, niet louter beslissend is of voorzien is in een financiële compensatie voor de eigenaren van de kolencentrales, laat staan dat daaraan slechts voldaan kan zijn indien hen “volledige schadevergoeding” wordt geboden of indien zij in de gelegenheid zouden worden gesteld “hun investeringen volledig terug te verdienen”, zoals RWE lijkt te veronderstellen.
fair balancetussen het algemeen belang dat met het verbod wordt gediend en het belang van de eigenaren van de centrales dat wordt geraakt door de regulering van hun eigendom. Daarbij betrekt de minister dat wel is voorzien in een overgangsperiode (die de minister aanmerkt als een “vergoeding in natura”).
fair balanceomdat de “
wetgever 35 jaar van RWE af(neemt) en daar tien jaar voor terug(geeft), zodat RWE per saldo 25 jaar eerder moet sluiten.” Dit betoog gaat er echter aan voorbij dat de Staat het bewuste verbod ook meteen bij de inwerkingtreding van de Wvk had kunnen doen ingaan. Overigens heeft te gelden dat het bestaan van een overgangsperiode die de door een maatregel getroffen eigenaar in staat stelt om zijn schade te beperken, een omstandigheid is die kan bijdragen aan het oordeel dat een redelijk evenwicht is getroffen tussen de eisen van het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. [55]
ten opzichte van andere exploitanten van een kolencentraleonevenredig zwaar wordt geraakt. In Nederland zijn naast de Eemshavencentrale nog slechts drie andere kolencentrales actief: de Amer9-centrale van RWE Generation BV, de MPP3-centrale van Uniper en de Onyx Centrale Rotterdam van (tot voor kort Engie, maar thans:) Riverstone. De koleneenheid van de Hemwegcentrale van Vattenfall is reeds in december 2019 buiten bedrijf gesteld. [56] Volgens RWE worden de drie overblijvende exploitanten van de vier kolencentrales allen onevenredig getroffen ten opzichte van andere partijen die CO₂ uitstoten en “de samenleving als geheel”. RWE beschikt voorts niet over de vereiste bedrijfseconomische gegevens van de andere exploitanten om te kunnen beoordelen, laat staat te onderbouwen of zij zwaarder wordt getroffen dan de andere exploitanten. Nu de hardheidsclausule bovendien niet voorziet in een volledige schadevergoeding, maar slechts in een tegemoetkoming, zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat een exploitant daarvoor in aanmerking komt, meent RWE dat de bepaling niet kan bijdragen aan het bereiken van een
fair balance.
fair balancenavenant gering. Ook in de memorie van toelichting wordt de verwachting uitgesproken dat de eigenaren van de centrales zich onvoldoende van elkaar onderscheiden, “
zodat niet gesproken kan worden van een individuele last”. De rechtbank is verder van oordeel dat door middel van de differentiatie in de overgangsperiode op basis van het elektrisch rendement van de productie-unit, reeds is verdisconteerd dat de eigenaren van de recent gebouwde centrales zwaarder zouden worden getroffen door een onmiddellijk ingaand verbod dan de eigenaren van oude centrales. Een en ander neemt niet weg dat denkbaar is dat zich alsnog een omstandigheid voordoet waaruit volgt dat een eigenaar in het bijzonder en onevenredig getroffen wordt door het verbod en in verband daarmee aanspraak kan maken op een tegemoetkoming (financieel of anderszins) op basis van artikel 4 lid 1 Wvk Pro.
de factoonteigening of daaraan gelijk te stellen inmenging is geen sprake. Tevens is gebleken dat het verbod om met kolen elektriciteit op te wekken een maatregel betreft die valt binnen de reikwijdte van maatregelen waarvan RWE in 2009, toen zij de beslissing nam om in de Eemshavencentrale te investeren, kon verwachten dat deze opgelegd zouden worden als zij er niet in zou slagen in de periode vanaf 2015 en vóór uiterlijk 2020 de CO₂-uitstoot van die centrale zeer substantieel te reduceren, al dan niet met (grootschalig) gebruik van biomassa, door toepassing van CCS of anderszins. Het risico dat een dergelijke maatregel zou worden getroffen, is na 2009 alleen maar manifester geworden. Niet gebleken is dat RWE er op heeft mogen vertrouwen dat gedurende de volledige (technische) levensduur van de centrale voor wat betreft de CO₂-uitstoot het ETS het “exclusieve regelingskader” zou uitmaken. Het is komen vast te staan dat het technisch mogelijk is om de Eemshavencentrale binnen de overgangsperiode om te bouwen naar een centrale die volledig draait op biomassa. Of die volledige omschakeling naar biomassa, zonder subsidie (die RWE sinds 2019 en tot in 2027 voor de stook met biomassa nog wel ontvangt), vanaf 2030 rendabel zal zijn, laat zich op voorhand niet goed voorspellen. Dat is onder meer afhankelijk van de ontwikkelingen op de energiemarkt (zoals de prijzen van elektriciteit, gas, kolen, emissierechten, biobrandstoffen) die sterk wisselend en moeilijk voorspelbaar zijn. Verder is genoegzaam komen vast te staan dat het in de Wvk neergelegde verbod doelmatig is, want fors bijdraagt aan de reductie van CO₂-uitstoot in Nederland. Niet is aangetoond dat de Staat met een minder ingrijpende maatregel had moeten en kunnen volstaan om eenzelfde resultaat te bereiken. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de overgangsperiode van ruim tien jaar vanaf de inwerkingtreding van de Wvk totdat het verbod voor de Eemshavencentrale van RWE in 2030 daadwerkelijk van kracht wordt, RWE in staat stelt om haar schade te beperken en voorbereidingen te treffen die een (verdere) omschakeling naar het stoken op andere brandstoffen mogelijk maken. De impact van de hardheidsclausule van artikel 4 lid 1 Wvk Pro is gering, nu de kans klein is dat RWE of een van de andere overgebleven eigenaren kunnen voldoen aan de stringente voorwaarde die aan een eventuele tegemoetkoming wordt gesteld, namelijk dat de verzoekende eigenaar moet aantonen dat hij als gevolg van het verbod
ten opzichte van andere exploitanten van een kolencentraleonevenredig zwaar wordt geraakt.
fair balance) bestaat tussen de eisen van het daarmee gediende algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van RWE. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de Wvk voor RWE een individuele en buitensporige last (“
individual and excessive burden”) meebrengt. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
veronderstellingdat RWE als gevolg van de Wvk schade heeft ondervonden in de orde van grootte als door haar is gesteld (zie nr. 4.3). Die schade is naar het oordeel van de rechtbank echter niet vast komen te staan.
de Wvk weggedacht, na 2030 nog operationeel zou zijn als kolencentrale. Hierbij heeft de Staat gewezen op de slechte vooruitzichten van kolencentrales die met name samenhangen met de snel stijgende ETS-prijzen (hoe hoger die prijzen, hoe slechter de vooruitzichten). Vanaf 2020 heeft deze prijsstijging een zodanige vlucht genomen dat begin 2021 de ETS-prijs de grens van € 50 heeft doorbroken: in het Brattle-rapport wordt echter volstrekt in strijd met de werkelijkheid ervan uitgegaan dat de mediane ETS-prijs in 2020 € 20, in 2030 € 37 en in 2040 € 50 per ton CO₂-emissie zou bedragen. In dit verband heeft de Staat gewezen op de constatering in het Compass-rapport dat Brattle er ten onrechte van uitgaat dat de EU niets zal doen om de doelen van de Klimaatovereenkomst na te komen: indien Brattle zou zijn uitgegaan van “
CO₂-price projections with a mean value compliant with the Paris Agreement, RWE Eemshaven’s costs would be significantly higher”. Dit zou dan weer tot gevolg hebben gehad dat het aantal scenario’s waarin de centrale, ongeacht de Wvk, had moeten sluiten, hoger zou zijn dan Brattle heeft berekend, terwijl in de (eventueel) overblijvende scenario’s waarin geen sluiting zou plaatsvinden, de winsten lager zouden zijn dan Brattle heeft berekend [57] . De Staat heeft voorts opgemerkt dat ook Brattle, zelfs uitgaande van te rooskleurige en achterhaalde omstandigheden, tot de conclusie komt dat in 57 van de 100 onderzochte scenario’s de Eemshavencentrale in de
but for-case (de Wvk weggedacht) zou zijn gesloten. Dit betekent volgens de Staat dat uit de eigen stellingen van RWE volgt dat zij de kans dat zij daadwerkelijk schade lijdt, berekent op slechts 43%. Bovendien heeft de Staat betwist dat een redelijk denkend en handelend koper bereid zou zijn om voor de Eemshavencentrale de
gemiddeldeuitkomst van alle prijspaden te betalen, waarbij de Staat ter illustratie stelt dat het onwaarschijnlijk is dat een koper circa € 1,5 miljard wil betalen voor de Eemshavencentrale, terwijl de kans dat hij deze investering kan terugverdienen slechts 36% bedraagt. Daarnaast heeft de Staat onder verwijzing naar het Compass-rapport betoogd dat de door Brattle berekende waardedaling op ficties berust en een aantal voor de hand liggende
reasonability checksniet doorstaat. Zo bedraagt de door Brattle berekende waardedaling van de Eemshavencentrale zo’n 12% van de totale beurswaarde van RWE AG, terwijl de aankondiging van de Wvk op 10 oktober 2017 of in de periode die daar kort op volgt niet tot enige koersdaling van RWE AG op de beurs heeft geleid. De Staat verbindt daaraan de conclusie dat de markt de eventuele schade beduidend anders (de rechtbank begrijpt: beduidend
lager) inschatte dan Brattle heeft berekend.
fair balance-toets uitgegaan is van de veronderstelling dat RWE als gevolg van de Wvk aanzienlijke schade heeft ondervonden in de orde van grootte als door RWE is gesteld, komt zij echter niet meer toe aan de vraag of aannemelijk is dat RWE schade heeft geleden en ook niet aan de vraag of die schade in verband staat met de Wvk. Ook uitgaande van die veronderstelling, komt de rechtbank immers tot de in nr. 5.21.1 vermelde conclusie. Dat wat door partijen ten aanzien van de schade naar voren is gebracht hoeft dan ook niet nader te worden besproken.