Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:4208

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
13.088777-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag en openlijke geweldpleging met deels voorwaardelijke jeugddetentie

Op 21 maart 2025 pleegde de verdachte in Amsterdam een poging tot doodslag door het slachtoffer, dat bewusteloos op de grond lag, tegen het hoofd te schoppen en in het gezicht te stampen. Tevens pleegde hij openlijke geweldpleging in vereniging tegen het slachtoffer en een ander, en beledigde hij later een ambtenaar in functie door hem uit te schelden en op zijn arm te spugen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, deskundigenrapporten en getuigenverklaringen. De deskundige concludeerde dat het geweld hevig was en een aanmerkelijke kans op fatale letsels bestond, wat leidde tot de bewezenverklaring van poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet. De verdachte werkte nauw samen met medeverdachten bij het plegen van het geweld.

De verdachte was ten tijde van het delict 19 jaar en werd volgens het adolescentenstrafrecht berecht vanwege zijn beperkte intellectuele vermogens en impulsiviteit. De rechtbank legde een jeugddetentie van 310 dagen op, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals behandeling, reclasseringstoezicht en begeleid wonen. Daarnaast werd een werkstraf van 200 uur opgelegd.

De benadeelde partij vorderde €8.291,67 schadevergoeding, waarvan de rechtbank €7.711 toewijst, bestaande uit materiële en immateriële schade. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk met zijn mededaders. De rechtbank verklaarde de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar en wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke werkstraf toe.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 310 dagen jeugddetentie waarvan 180 voorwaardelijk, 200 uur werkstraf en betaling van €7.711 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Parketnummers: 13.088777-25 (A) en 13.284497-25 (B)
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 13.085100-24
Datum uitspraak: 28 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 2006 in [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres 1].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A en zaak B genoemd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen, en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. N.M. van Boekel, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft voorts [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker, als deskundige gehoord.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] en de toelichting daarop van zijn advocaat mr. D. Fontein.
De zaken tegen de verdachte zijn gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is in zaak A – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 maart 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan 1. medeplegen van poging doodslag op [benadeelde partij], dan wel medeplegen van zware mishandeling dan wel medeplegen poging van zware mishandeling van [benadeelde partij] en 2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde partij] en [slachtoffer].
In zaak B wordt de verdachte er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij een ambtenaar heeft beledigd door hem uit te schelden en op zijn arm te spugen.
De tenlasteleggingen in beide zaken staan in bijlage I en gelden als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A primair ten laste gelegde poging tot doodslag, de in zaak A onder 2 ten laste gelegde openlijk geweldpleging en de in zaak B ten laste gelegde belediging van een ambtenaar in functie.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – met verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:869 – verzocht de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag en daartoe het volgende aangevoerd. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij]) tegen zijn hoofd schopt. De verdachte draagt gympen en hij raakt [benadeelde partij] op zijn kaak en niet tegen zijn slaap. De deskundige heeft in het midden gelaten of de kans op ernstige dan wel fatale letsels van het hoofd aanzienlijk was. Er kan dus niet worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [benadeelde partij].
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II staan waaronder haar eigen waarneming van de camerabeelden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 21 maart 2025 om 03:03 uur [1] komt de verdachte [horecagelegenheid 1], dat is gevestigd in [adres 2], uitlopen. Hij verlaat samen met een onbekend gebleven jongeman het terras van [horecagelegenheid 1] en loopt naar het terras voor [horecagelegenheid 2] aan de overkant van de straat. Een minuut later komen ook [benadeelde partij] en [slachtoffer] uit [horecagelegenheid 1]. Beiden lopen naar rechts het terras van [horecagelegenheid 1] op. Kort daarna (03:04:43 uur) komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook uit [horecagelegenheid 1]. Zij verlaten even later het terras en lopen naar links. Zij gaan vervolgens naar het terras voor [horecagelegenheid 2] waar zij om 03:06 uur bij een groepje mensen gaan staan waar kort daarvoor de verdachte zich ook bij gevoegd had. [medeverdachte 2] gaat op om 03:08 uur rechts van het groepje staan roken.
Om 03:09 uur verlaten [benadeelde partij] en [slachtoffer] het terras van [horecagelegenheid 1] en lopen ook naar de overkant van de straat. Zij begeven zich naar de verdachte met wie [benadeelde partij] eerder die nacht in [horecagelegenheid 1] een woordenwisseling had en die net een paar meter links van het eerdergenoemde groepje is gaan staan. Om 03:09:30 uur gaan [benadeelde partij] en [slachtoffer] tegenover de verdachte staan. [medeverdachte 2] beweegt zich vervolgens richting hen. De verdachte en [benadeelde partij] krijgen opnieuw een woordenwisseling. Om 03:10 uur komt ook [medeverdachte 1] eraan lopen. Hij geeft [slachtoffer] een klap in het gezicht (03:10:15 uur) en loopt vervolgens achteruit de straat op. Om 03:10:19 uur rent [slachtoffer] weg en valt of struikelt over een geparkeerde scooter, belandt op straat, staat weer op en voelt aan zijn kaak. Op het moment dat [slachtoffer] over de scooter valt, geeft de verdachte [benadeelde partij] een trap. [medeverdachte 1] doet vervolgens een paar stappen vooruit en lijkt weer uit te halen. Vervolgens wordt [benadeelde partij] ook door anderen belaagd en valt over de omgevallen scooter heen. Nadat hij overeind gekrabbeld is, wordt hij uitgedaagd door [medeverdachte 2] en loopt terug, langs [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], naar [horecagelegenheid 1]. [medeverdachte 2] heeft dan contact met [medeverdachte 1] en loopt vervolgens ook in de richting van [horecagelegenheid 1]. Om 03:10:48 uur loopt [benadeelde partij] (met een rode plek in zijn gezicht) het terras van [horecagelegenheid 1] op. Als hij tien seconden later het terras weer wil verlaten, lijkt [medeverdachte 2] klaar te staan voor een confrontatie. [medeverdachte 1] doet dan een stap naar voren en gaat schuin achter [medeverdachte 2] staan. Om 03:11:11 uur staan [medeverdachte 2] en [benadeelde partij] tegenover elkaar. Op dat moment doen de verdachte en [medeverdachte 1] een stap naar voren. [medeverdachte 2] balt zijn rechtervuist en geeft [benadeelde partij] een rechtse hoek tegen zijn kaak waardoor [benadeelde partij] neergaat. [medeverdachte 1] heeft al die tijd vlak achter de verdachte gestaan. Nadat [benadeelde partij] op de grond valt, komt de verdachte, die aan de andere kant achter [medeverdachte 2] stond, direct aangerend en geeft [benadeelde partij] een schop tegen zijn hoofd en stampt hem vervolgens in het gezicht. Het is dan 03:11:14 uur.
Poging doodslag
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, heeft de verdachte [benadeelde partij] – die roerloos op de grond lag – eerst tegen zijn hoofd geschopt en vervolgens in zijn gezicht gestampt. Er is geen bewijs dat de verdachte de bedoeling (vol opzet) had om [benadeelde partij] te doden. Van opzet op de dood kan echter ook sprake zijn als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij] zou overlijden (voorwaardelijk opzet). De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [2]
De NFI-deskundige Forensische Geneeskunde die het dossier en de camerabeelden heeft bestudeerd, is voor zover hier relevant tot de volgende conclusie gekomen. ‘Op de camerabeelden wordt waargenomen dat een slachtoffer op de grond belandt door een vuistslag op de linkerzijde van zijn gelaat, vervolgens eenmaal tegen het hoofd wordt geschopt en eenmaal op de rechterzijde van zijn gelaat wordt gestampt. Bij de schop is een zwaaiende beweging van het been zichtbaar, waarna het hoofd van het slachtoffer meebeweegt in de richting van de geweldinwerking. Bij de stampende beweging is zichtbaar dat de belager voorafgaande aan deze beweging zijn been hoog heft en deze met aanzienlijke snelheid neerwaarts beweegt. De zwaaiende beweging van het been bij het schoppen, het hoog optrekken van het been vóór het ‘stampen’ en het meebewegen van het slachtoffer of het hoofd van het slachtoffer, impliceren dat deze geweldinwerkingen beschouwd kunnen worden als hevig botsend geweld. Door schopbewegingen met een (al dan niet geschoeide) voet kan in vergelijking met vuistslagen een grotere hoeveelheid energie worden overgedragen op het lichaam met dientengevolge een grotere kans op ernstige letsels. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn de grotere krachtsoverbrenging door de beenstrekkende spieren, de grotere hefboomwerking van het been, alsook (bij geschoeide voet) het harde oppervlak en de kantige aspecten van het gedragen schoeisel. Mogelijke gevolgen van hevig botsend geweld op het hoofd door een vuistslag, een schop en een ‘stamp’ zoals in onderhavig geval, bestaan uit letsels aan huid, weke delen, organen en botstructuren van het aangezicht en/of de schedel, al dan niet in combinatie met kneuzing van de hersenen of levensbedreigende hersenbloedingen. Ook (al dan niet permanente) beschadiging van organen en structuren zoals ogen en oren is mogelijk. Behalve letsel door direct botsend geweld op het hoofd is eveneens letsel mogelijk door plotse zijwaartse bewegingen en draaibewegingen door de abrupte botsende geweldinwerking tegen het hoofd, waardoor diffuse schade kan ontstaan aan de lange zenuwuitlopers in de hersenen of het ruggenmerg (‘diffuse axonale schade’). Hierdoor kan een scala aan klachten ontstaan (evenwichtsstoornissen, lichtschuwheid, oorsuizen, braken, dubbelzien, etc.),
waarbij de ernst kan variëren tussen geringe tijdelijke klachten tot zware blijvende invaliditeit en een fatale afloop(onderstreping rechtbank). Ook kunnen de hierbij optredende overstrekking- en/of rotatiekrachten in de hals andere ernstige complicaties kunnen optreden, zoals een breuk in de halswervelkolom, al dan niet met ruggenmergletsel (‘dwarslaesie’), verscheuring van de bloedvaten die door de halswervels verlopen (zgn. ‘dissectie’ van de wervelslagader (‘arteria vertebralis’) of bloeding of bloedstolselvorming (‘trombose’) onder het spinnenwebvlies. De op de camerabeelden waargenomen geweldsinwerkingen tegen het hoofd van het slachtoffer zijn alle te kwalificeren als (zeer) krachtig, waarbij alle bovengenoemde risico’s zonder meer van toepassing zijn.
Er kan derhalve worden geconcludeerd dat de kans op ernstige c.q. fatale letsels van het hoofd en/of de hals in de onderhavige casus aanzienlijk is geweest(onderstreping rechtbank).’
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [benadeelde partij] zou komen te overlijden. Uit het onderstreepte deel volgt, anders dan de verdediging van mening is, dat er een aanmerkelijke kans op een fatale afloop bestond. De verdachte heeft die kans kennelijk voor lief genomen en daarmee heeft hij opzet gehad op de dood van [benadeelde partij]. De in zaak A onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is dan ook bewezen. Er is geen bewijs dat de verdachte zich hier samen met een ander ([medeverdachte 2]) aan heeft schuldig gemaakt, zodat de verdachte daarvan wordt vrijgesproken.
Openlijk ‘in verenging’ geweld plegen
De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, als iemand een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld levert, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte een – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict heeft geleverd en of die van voldoende gewicht is. [3]
De rechtbank moet ook beoordelen of (net als bij medeplegen) sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld plegen tegen personen of goederen. Hierbij kan van belang zijn dat, gelet op de aard van het openlijk in vereniging plegen van geweld, dit zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar de strafbaarstelling van dit delict is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. [4] Bij geweldshandelingen binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan ontstaan samenwerkingsverband kan uit de omstandigheid dat de verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld. [5]
De rechtbank stelt vast dat vanaf het moment dat [benadeelde partij] en [slachtoffer] bij de verdachte zijn gaan staan en er kort daarna een schermutseling tussen hen plaatsvindt, waarbij ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken zijn en waarbij zowel [slachtoffer] als [benadeelde partij] een klap in het gezicht heeft gekregen, en het moment dat de verdachte [benadeelde partij] een doodschop geeft nog geen twee minuten zijn verstreken. De rechtbank oordeelt dat het openlijke geweld dat de verdachte en zijn mededaders hebben gepleegd een aaneenschakeling van (gewelds)incidenten is. De verdachte maakte deel uit van de groep die geweld tegen [slachtoffer] en [benadeelde partij] heeft gepleegd en was daar vanaf het begin tot het eind bij betrokken. Hij heeft door zijn handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd en nauw en bewust met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samengewerkt. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het als feit 2 tenlastegelegde. [6]
Zaak B
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in bijlage II staan, waaronder de bekennende verklaring van de verdachte, de overtuiging gekregen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar zoals hem is ten laste gelegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen (bijlage II) bewezen dat de verdachte de hem in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat
ten aanzien van zaak A:
1. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij], terwijl die [benadeelde partij] (buiten bewustzijn) op de grond lag, tegen zijn hoofd heeft geschopt en in zijn gezicht heeft gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam openlijk, te weten op/aan de [adres 2], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde partij] en [slachtoffer], door
ter hoogte van [horecagelegenheid 2],
- die [benadeelde partij] en/of [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal te stompen en/of slaan in/tegen het gezicht/hoofd, althans op/tegen het lichaam, en
ter hoogte van [horecagelegenheid 1]
  • die [benadeelde partij] eenmaal te stompen in zijn gezicht, en
  • terwijl die [benadeelde partij] (buiten bewustzijn) op de grond lag tegen zijn hoofd te schoppen en in zijn gezicht te stampen;
ten aanzien van zaak B:
hij op 25 oktober 2025 te Biddinghuizen, opzettelijk een ambtenaar, te weten [ambtenaar], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, (mondeling) heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: ‘ik neuk je kankermoeder’ en ‘ik neuk je kankervrouw’ en ‘ik neuk je de kanker in’ en ‘je bent een kankerlijer’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en door op de arm van die [ambtenaar] te spugen.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie
De bewezenverklaarde feiten leveren volgens de wet de volgende strafbare feiten op:
Zaak A
eendaadse samenloop van: poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Zaak B
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6.
Straffen
6.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het jeugdstrafrecht wordt toegepast en dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het pleidooi van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat het gedrag van de verdachte niet goed valt te praten. De verdachte kan ook geen verklaring voor zijn gedrag geven anders dan dat er die avond veel emoties bij hem waren. Hij heeft ruim 3 maanden in voorarrest gezeten en 260 dagen een enkelband gedragen. In de LOVS-oriëntatiepunten wordt bij zwaar lichamelijk letsel door schoppen/trappen tegen het hoofd een jeugddetentie van 3 maanden als oriëntatiepunt genoemd. Een straf gelijk aan het voorarrest zou dan ook passend zijn, aldus de raadsman.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij] en het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer]. De verdachte heeft [benadeelde partij], die roerloos op de grond lag, tegen zijn hoofd geschopt en hem vervolgens in zijn gezicht gestampt. Het is in geen enkel opzicht aan de verdachte te danken dat [benadeelde partij] er uiteindelijk zo genadig vanaf gekomen is. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij] en [slachtoffer]. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen kunnen ondervinden. De slachtofferverklaring van [benadeelde partij] spreekt wat dat betreft boekdelen.
De verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieagent door hem uit te schelden en op zijn uniform te spugen. De verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor het gezag.
‘Adolescentenstrafrecht’
De verdachte was ten tijde van het plegen van de hiervoor bewezen verklaarde misdrijven 19 jaar en is nu 20 jaar. Uitgangspunt is dat een verdachte die ten tijde van het strafbare feit 18 jaar is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter, als zij daartoe een grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het (dadergerichte pedagogische) jeugdstrafrecht toepassen.
Het jeugdstrafrecht heeft een pedagogisch karakter en is primair gericht op het voorkomen van recidive. De gedachte is in de kern dat jongeren nog in ontwikkeling zijn en dat deze ontwikkeling in een goede richting kan worden bijgestuurd. Het is dan ook belangrijk om aan jongeren een straf te kunnen opleggen en begeleiding of behandeling te bieden die voor een positieve gedragsverandering kunnen zorgen. Het belang van de jongere staat centraal. De opvoedkundige aanpak waarop de nadruk ligt, heeft als doel om ervoor te zorgen dat een jongere niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Bij de straftoemeting gaat het dus niet alleen om een reactie op verwijtbaar gedrag, maar ook om behandeling, rechtsherstel of maatschappelijke bescherming.
Hierbij geldt dat vrijheidsbeneming als laatste redmiddel wordt ingezet en van een zo kort mogelijke duur is. Bij de strafoplegging kan rekening worden gehouden met bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en die de verdachte als straf kan hebben ervaren alsmede met de zwaarte, duur en intensiteit van de op te leggen bijzondere voorwaarden.
De deskundige, gz-psycholoog T. Stoel, die de verdachte heeft onderzocht, heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij heeft haar advies in het pro Justitia-rapport van 9 juli 2025 als volgt toegelicht. Het valt op dat de verdachte in het contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Zijn intellectuele vermogens zijn beperkt als ook het overzien van de risico’s van zijn handelen. Hij handelt soms impulsief en hij krijgt hulp (van zijn moeder) bij praktische zaken. Wat betreft de mogelijkheden van pedagogische beïnvloeding kan gesteld worden dat de verdachte actief deelneemt aan zijn gezin van herkomst. Hij woont nog thuis en heeft een hechte band met de meesten van zijn gezinsleden en is voorlopig niet voornemens om op zichzelf te gaan wonen.
De reclassering heeft in haar rapport van 17 maart 2026 ook geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en dat advies als volgt onderbouwd. Wat betreft de handelingsvaardigheden geldt allereerst dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking (IQ-score 73) en impulsiviteit. De verdachte maakt een indruk jonger te zijn dan zijn kalenderleeftijd, zowel qua uiterlijk als qua gedrag. Hij is nog ontvankelijk voor pedagogische invloeden: hij deelt veel zaken met zijn ouders, zij houden toezicht op zijn bankrekening, ze wekken hem als hij naar zijn werk moet et cetera, aldus de reclassering.
De rechtbank neemt de (onderbouwde) adviezen over en past bij de straftoemeting het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank heeft ter zitting ook de indruk gekregen dat de verdachte geestelijk jonger is dan zijn kalenderleeftijd. Er is nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding. Het toepassen van het jeugdstrafrecht is van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, om hem er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten en (hierdoor) ook in het belang van de maatschappij.
LOVS-oriëntatiepunten
Om te bevorderen dat rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen opleggen, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft voor het bepalen van (een vertrekpunt voor) een straf gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank merkt op dat in de oriëntatiepunten voor jeugdigen het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht tot uitdrukking komt. Zoals hiervoor overwogen vormt het belang van de jongere steeds een eerste overweging en het primaire strafdoel is steeds pedagogisch van aard. Bij de totstandkoming van oriëntatiepunten voor jeugdigen speelt – anders dan bij de totstandkoming van oriëntatiepunten voor meerderjarigen – normstelling meer een rol.
Er is geen oriëntatiepunt voor (poging) doodslag. Wel geldt als uitgangspunt bij een voltooide zware mishandeling door middel van trappen/schoppen tegen het hoofd met zeer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden.
Pro Justitia-rapport
In het eerder genoemde pro Justitia-rapport komt de deskundige die de verdachte heeft onderzocht tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) in gedeeltelijke remissie en van zwakbegaafdheid en dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedden.
De deskundige heeft geadviseerd om het tenlastegelegde (in zaak A) in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en dat als volgt onderbouwd. De verdachte is vanuit zijn persoonlijkheidskenmerken gevoelig voor situaties waarin hij zich gekleineerd en/of bedreigd voelt, zoals ook tijdens deze situatie in zijn beleving het geval zou zijn geweest. Hij was die avond op stap met zijn broers en een vriend, waarbij zijn beide broers zijn aangehouden als medeverdachten. De verdachte is waarschijnlijk door de aanwezigheid van zijn broers negatief beïnvloed. De combinatie van zijn zwakbegaafde intellectuele vermogens, ADHD (in remissie) en forensisch relevante persoonlijkheidskenmerken (te weten een beperkt empathisch vermogen, externaliserend gedrag en zich snel onrechtvaardig behandeld voelen) vormt een beperking in zijn emotieregulatie, impulscontrole en sociaal probleemoplossend vermogen. De verdachte is hierdoor verminderd in staat om in spanningsvolle of sociaal beladen situaties adequaat te handelen. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte voelde zich naar zijn eigen zeggen uitgelokt en bedreigd, waardoor hij impulsief (agressief) heeft gehandeld, terwijl hij onvoldoende vaardigheden heeft dit op een meer adequate manier op te lossen en zijn impulscontrole tekortschiet. Ook is zijn inzicht wat betreft de gevolgen van zijn gedrag waarschijnlijk beperkt en laat hij zich gemakkelijk beïnvloeden. Wat precies heeft geleid tot dergelijk excessief geweld blijft enigszins onduidelijk. Het is echter wel aannemelijk dat het overmatige alcoholgebruik daarin een rol heeft gespeeld.
De rechtbank volgt het (onderbouwde) advies het in zaak A bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De deskundige is verder tot de conclusie gekomen dat als de verdachte zonder enige vorm van begeleiding en/of behandeling blijft, de kans aanwezig is dat hij opnieuw verzeild raakt in conflicten waarbij hij zich gekleineerd, onrechtvaardig behandeld of bedreigd voelt en waarbij hij op impulsief agressieve wijze reageert. Zijn vaardigheden om zijn impulsen onder controle te houden zijn in deze specifieke situaties beperkt. Zijn agressie kan dan plots oplaaien. De zwakbegaafdheid beperkt zijn vermogen om sociale situaties goed te interpreteren, vooruit te denken en alternatieve gedragsopties te overwegen. In combinatie met de ADHD (in remissie) is hij sneller geneigd tot reactief, inadequaat agressief gedrag. Eventueel alcoholgebruik vergroot het risico op agressieve escalatie verder. Op basis van het bovenstaande, in combinatie met de risico- en beschermende factoren, wordt het risico op herhaling van algemeen geweld, indien de verdachte terugkeert in de samenleving zonder intensieve begeleiding en controle, als matig ingeschat. Het risico op ernstig geweld valt moeilijk te preciseren – omdat enigszins onduidelijk blijft waar het excessieve geweld tijdens het tenlastegelegde vandaan kwam – maar ligt tenminste lager dan het risico op algemeen geweld. Indien de verdachte goed in zorg is, kan het recidiverisico verder verlaagd worden.
De deskundige heeft ten slotte geadviseerd de verdachte te laten behandelen en begeleiden om de kans op recidive te beperken. Behandeling zou zich moeten richten op de (resterende) ADHD-kenmerken, waarbij psycho-educatie van belang is. De verdachte zou verder inzicht geboden moeten worden in het ontstaan van zijn agressie, en hoe hij hierop meer grip kan krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan een agressieregulatie-behandeling en het maken van een signaleringsplan waarbij wel rekening gehouden moet worden met zijn beperkte intellectuele vermogens. De behandeling zal zich vervolgens gedeeltelijk moeten richten op hulp bij praktische zaken, zoals het (opnieuw) opbouwen van zaken zoals werk, en het toewerken naar meer zelfstandigheid. Deze behandeling kan ambulant worden vormgegeven. Gezien zijn problematiek wordt ingeschat dat een forensisch Jeugd FACT-team het meest passend is. Op die manier kan begeleiding op meerdere gebieden worden geboden en vermoedelijk heeft een outreachende manier van werken en de mogelijkheid tot laagdrempelig contact de meeste kans van slagen bij de verdachte. Deze behandeling kan worden vormgegeven als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel en daarbij toezicht van reclassering van de jongvolwassenen afdeling, aldus de deskundige.
Reclasseringsrapport
De reclassering heeft in haar rapport van 17 maart 2026 het volgende geconcludeerd. Er is sprake van een beginnend patroon ten aanzien van delicten met een gewelddadige context. Er zijn risicofactoren in de houding, het psychosociaal functioneren en de familiedynamiek van de verdachte. Er speelden vermoedelijk impulsiviteit, een beperkt inlevingsvermogen en een (deels) pro-criminele houding een rol. Ook alcoholgebruik lijkt te hebben bijgedragen aan het tenlastegelegde. De verdachte loopt sinds juli 2025 in schorsingstoezicht bij de reclassering met elektronische monitoring. Hij houdt zich tot op heden doorgaans goed aan de afspraken en bijzondere voorwaarden. Zo heeft hij inmiddels een fulltime baan en zijn er slechts enkele overtredingen op het gebiedsgebod geconstateerd. De ambulante behandeling is nog niet gestart, doordat er sprake is van een wachttijd bij de instelling waar hij is aangemeld. Gelet op de risico’s en het feit dat de ambulante behandeling nog niet gestart is, is het voortzetten van het toezicht bij veroordeling geïndiceerd. Een forensische behandeling is immers noodzakelijk om de kans op recidive te kunnen inperken. Ook een bijzondere voorwaarde gericht op begeleid wonen is passend. Het is verstandig om de verdachte meer los te weken van de familiaire verhoudingen, waarin geweld genormaliseerd lijkt. De verdachte staat open voor begeleid wonen.
De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling;
  • contactverbod;
  • verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • dagbesteding;
  • beheersing middelengebruik.
De reclassering adviseert voorts de begeleiding door de volwassenenreclassering te laten uitvoeren.
Conclusie
De rechtbank heeft al het bovenstaande afgewogen, enerzijds de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers, in het bijzonder voor [benadeelde partij], en anderzijds de omstandigheid dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend en dat de verdachte bijna 9 maanden in het kader van het schorsingstoezicht strenge voorwaarden heeft gehad. Hij heeft een enkelband moeten dragen en huisarrest gehad. De rechtbank komt tot de conclusie dat een jeugddetentie van 130 dagen, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden (180 dagen) met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd en een werkstraf van 200 uur passend en geboden is. De rechtbank stelt een (maximale) proeftijd van 2 jaar vast. De rechtbank realiseert zich dat met deze straffen maar beperkt recht wordt gedaan aan de vergelding van de feiten, die bijzonder ernstig zijn. Met de op te leggen straffen wordt beoogd om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de verdachte niet nogmaals over gaat tot het plegen van geweldsfeiten. Uit onderzoek blijkt dat de kans op herhaling veelal groter is als de verdachte nog terug naar de (jeugd-)gevangenis wordt gestuurd. Het is aan de verdachte om dit ook te zien als een kans, die hij met beide handen aan moet pakken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat het belangrijk is dat de bijzondere voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De reclassering ziet de impulsiviteit en de houding als risicofactoren voor recidive en daarbij een kans op een misdrijf met schade voor personen. De rechtbank houdt, mede gelet op de lichtzinnige wijze waarop de verdachte heeft gehandeld en de omstandigheid dat de verdachte nog (verdere) behandeling nodig heeft, er dan ook ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van anderen. De rechtbank verklaart die bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht om die reden dadelijk uitvoerbaar.

7.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

7.1.
Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf in de zaak met 13.085100-24
De kinderrechter in Amsterdam heeft bij (inmiddels onherroepelijk geworden) vonnis van 22 oktober 2024 de verdachte een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur opgelegd met een proeftijd van 2 jaar subsidiair 10 dagen jeugddetentie, waaraan van rechtswege de voorwaarde is verbonden dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw aan een strafbaar feit schuldig maakt. De officier van justitie heeft voor de zitting schriftelijk gevorderd dat de verdachte deze voorwaardelijke werkstraf alsnog moet uitvoeren vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen zodat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd wordt.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de proeftijd van de voorwaardelijke straf te verlengen.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt – gelet op de bewezenverklaring – vast dat de verdachte door het plegen van een strafbaar feit de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toe en beslist dat de verdachte de voorwaardelijke werkstraf alsnog moet uitvoeren.

8.Voorlopige hechtenis

De verdachte is op 21 maart 2025 aangehouden en in verzekering gesteld en op 24 maart 2025 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op 28 juli 2025 het bevel tot voorlopige hechtenis geschorst met ingang van 29 juli 2025. De rechtbank heeft op 27 oktober 2025 het bevel tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven omdat de verdachte zich niet aan de voorwaarde had gehouden dat hij zich aan een strafbaar feit zou schuldig maken (zaak B). De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis onmiddellijk opnieuw geschorst onder dezelfde voorwaarden.
De rechtbank heft het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis op. Zij beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Er is dus geen periode dat de verdachte zich niet aan bijzondere voorwaarden moet houden en er geen reclasseringstoezicht is.

9.Vordering schadevergoeding [benadeelde partij]

9.1.
De vordering tot schadevergoeding
[benadeelde partij], slachtoffer in zaak A, heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd. Hij vordert € 2.291,67 aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (smartengeld), in totaal € 8.291,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft voorts verzocht een contactverbod aan de verdachte op te leggen.
De (gestelde) materiële schade bestaat uit:
- inkomstenderving € 1.200,00;
- kosten extra (vloeibaar) voedsel € 45,67;
- twee maal ziekenhuisdaggeldvergoeding, in totaal € 76,00;
- medische kosten (eigen risico – de rechtbank begrijpt: 2025 en 2026) 2 x € 385,00;
- kleding (vest) € 100,00;
- reiskosten € 100,00.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
9.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de benadeelde partij in zijn vordering tot schadevergoeding voor zover die niet is onderbouwd (inkomensderving, extra voeding, reiskosten en overige kosten en vest) niet-ontvankelijk is en dat de gevorderde vergoeding van immateriële schade, hoewel begrijpelijk, zou moeten worden gematigd tot € 1.750,00. De raadsman heeft hierbij gewezen op het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:869.
9.4.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële-schadevergoeding
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het geweld dat de verdachte en zijn mededaders in vereniging tegen hem hebben gepleegd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade toe tot een bedrag van in totaal € 1.711,00 zoals hierna gespecificeerd. De schadeposten die moeten worden vergoed, zijn voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze posten met onvoldoende argumenten weersproken. De rechtbank merkt op dat de benadeelde partij bij de politie heeft verklaard dat hij de dag na de openlijke geweldpleging weer wilde gaan werken maar dat dit echt niet ging. Zijn werkgever heeft schriftelijk verklaard dat de benadeelde partij drie weken (vijftien dagen) niet heeft kunnen werken, en ook hoeveel uur hij werkte en wat hij in die periode per uur verdiende.
- inkomstenderving € 1.200,00;
- daggeld ziekenhuis € 76,00;
- medische kosten (eigen risico 2025) € 385,-;
- kleding vest € 50,00.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘kosten extra voeding (vloeibaar voedsel)’, ‘eigen risico (2026)’ en ‘reiskosten’ niet-ontvankelijk in zijn vordering. De verdediging heeft deze onderdelen van de vordering met argumenten betwist en de rechtbank stelt vast dat deze posten niet of onvoldoende zijn onderbouwd of zijn toegelicht. Zo is niet duidelijk of de benadeelde partij in 2026 medische kosten heeft gemaakt en zijn eigen risico heeft moeten betalen en welke reiskosten hij heeft moeten maken. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een verdere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Dat zou betekenen dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. De zaak is al meer dan een jaar oud en de verdachte en zijn medeverdachten hebben in voorlopige hechtenis gezeten en lopen nu in een schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij hebben het recht dat de zaak tegen hen binnen een redelijke termijn wordt afgedaan en de benadeelde partij heeft voldoende tijd gehad de vordering te onderbouwen. De behandeling van dit deel van de vordering vormt daarom een te grote belasting voor het strafproces. De rechtbank neemt daarom geen inhoudelijke beslissing over dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan naar de burgerlijke rechter om vergoeding van dit deel van de schade te vorderen van de verdachte.
De rechtbank heeft ten aanzien van het vest van haar schattingsbevoegdheid gebruikgemaakt. Zij wijst de vordering ten aanzien van het vest voor het overige af.
Immateriële-schadevergoeding (smartengeld)
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten in zaak A rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b eerste en derde onderdeel Burgerlijk Wetboek (BW) recht op schadevergoeding aangezien de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel is toegebracht (kaakbreuken en PTSS).
De rechtbank heeft bij het begroten van de schade in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. [7] De rechtbank heeft daarbij ook de indeling volgens de ‘Rotterdamse Schaal’ betrokken. De ‘Rotterdamse Schaal’ is een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Het vormt een hulpmiddel voor de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van smartengeld in concrete gevallen. De schaal biedt in één oogopslag een indicatie voor een passend smartengeldbedrag voor een bepaald gevalstype. In deze zaak is categorie 9.1 onder e sub III (een eenvoudige breuk waarvoor immobilisatie van de kaak nodig is, maar die volledig herstelt) van toepassing, waarin een bandbreedte van € 4.500,00 tot € 6.000,00 wordt beschreven. De rechtbank oordeelt dat, mede gelet op de psychische schade (PTSS), het gevorderde bedrag van € 6.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding dan ook toe tot dit bedrag.
Conclusie
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.711,00. De vordering tot vergoeding van de schade van het vest wordt voor het overige afgewezen en de benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Hoofdelijkheid
Artikel 6:166 lid 1 BW Pro bepaalt dat, als een van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn als deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan een van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken. Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW Pro in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in eenieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. [8]
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De verdachte heeft net als zijn mededaders door zijn bijdrage meegewerkt aan het scheppen van de kans op schade en deze kans had hem van deelname aan het geweld behoren te weerhouden, maar dat is niet gebeurd. De verdachte is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Dat betekent dat de benadeelde partij het gehele bedrag op de verdachte kan verhalen. Als de mededaders of een van hen de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer te betalen.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd dat de verdachte wettelijke rente moet betalen over de gevorderde schadevergoeding. De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat hij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. [9] De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade en het vest toe vanaf 21 maart 2025, het moment van het ontstaan van de schade. Voor de overige materiële schade heeft de benadeelde partij niet toegelicht wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over dat deel de wettelijke rente toe vanaf 8 april 2026, het moment van het indienen van de vordering.
Proceskosten
De vordering van de benadeelde partij wordt (grotendeels) toegewezen. De verdachte moet daarom de proceskosten van de benadeelde partij betalen. Hetzelfde geldt voor de kosten die de benadeelde partij nog moet maken om de schadevergoeding door de verdachte betaald te krijgen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. De schadevergoedingsmaatregel ziet op het hoofdelijk toegewezen materiële- en immateriële-schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente.
Als de verdachte niet betaalt, kan de staat in totaal maximaal 30 dagen gijzeling toepassen. Dat verandert niets aan de betalingsverplichting van de verdachte, hij moet dan nog steeds de schadevergoeding betalen.
De rechtbank merkt op dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel meebrengt dat de benadeelde partij op grond van de voorschotregeling het gehele bedrag als voorschot van de staat kan krijgen aangezien hij slachtoffer is van een geweldsdelict (openlijke geweldpleging, artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht). De voorschotregeling houdt kort gezegd in dat het slachtoffer de schadevergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de staat, als de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (artikel 6:4:2 lid 7 Sv Pro juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv Pro). De benadeelde partij hoeft dus zelf geen actie te ondernemen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, eerste lid, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank
Bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld;
  • verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
Kwalificatie en strafbaarheid
- stelt vast dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Zaak A
eendaadse samenloop van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Zaak B
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,
  • verklaart het bewezene strafbaar;
  • verklaart de verdachte
Straffen
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
310 (driehonderdtien) dagen.
- beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
- bepaalt dat
180 (honderdtachtig) dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd worden, tenzij later anders wordt bevolen;
  • verbindt hieraan een
  • stelt de volgende
Meldplicht bij reclassering
1. De verdachte moet zich melden op afspraken met de reclassering (Reclassering Nederland, [adres 3]), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
2. De verdachte laat zich behandelen door het Forensisch Jeugdteam van [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
3. De verdachte verblijft zolang als de reclassering dat nodig vindt bij Leger des Heils of Indaad, of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zodra er plek is. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Dagbesteding
4. De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag
Beheersing middelengebruik
5. De verdachte werk mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen genoemd in lijst I en II. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Contactverbod
6. De verdachte zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met
  • [benadeelde partij], geboren [geboortedag 2] 2007;
  • [slachtoffer], geboren [geboortedag 3] 2007.
Opdracht reclassering
- geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden (met uitzondering van de bijzondere voorwaarde genoemd onder 6, het contactverbod) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om zijn identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Dadelijk uitvoerbaar

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan de reclassering opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Werkstraf
- veroordeelt de verdachte tot een
werkstrafbestaande uit een werkstraf van
200 (tweehonderd) uur, met bevel, voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet (naar behoren heeft) verricht, dat vervangende jeugddetentie van 100 (honderd) dagen wordt toegepast;
Vordering tenuitvoerlegging
- beveelt in de zaak met parketnummer 13.085100-24 de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke werkstraf van
20 (twintig) uur, zoals opgelegd in het vonnis van de kinderrechter in Amsterdam van 22 oktober 2024;
Vordering schadevergoeding [benadeelde partij]
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde partij], te betalen een bedrag van
  • verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de schadeposten ‘eigen risico 2026’, ‘vloeibaar voedsel’ en ‘reiskosten’ niet-ontvankelijk in de vordering;
  • bepaalt dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
  • wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige (‘vest’) af;
  • veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten om dit vonnis ten uitvoer te leggen;
schadevergoedingsmaatregel
  • legt aan de verdachte voor zaak A feit 1 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat € 7.711,00 te betalen, en de wettelijke rente tot de dag waarop het volledige bedrag is betaald;
  • bepaalt dat als volledig verhaal niet mogelijk blijkt, de verdachte kan worden gegijzeld voor de duur van maximaal
  • bepaalt dat als de verdachte en/of zijn mededaders (een deel van) de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft/hebben betaald, de verdachte (dat deel) niet meer hoeft te betalen;
Wettelijke rente
  • bepaalt dat de wettelijke rente ingaat op
  • materiële-schadevergoeding minus schade vest (in totaal € 1.661,00): 8 april 2026;
  • immateriële-schadevergoeding en vergoeding materiële schade vest (in totaal € 6.050,00): 21 maart 2025;
Voorlopige hechtenis
- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mr. A.M. Grüschke en mr. B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.
De oudste rechter is niet
in de gelegenheid te tekenen.
De jongste rechter is niet
in de gelegenheid te tekenen.

Voetnoten

1.Op de camerabeelden van [horecagelegenheid 1] (overzicht buiten entree) staat (ten onrechte) 03:17 uur dit moet, gelet op de andere camerabeelden waarover in het dossier staat dat die tijden wel (ongeveer) juist zijn, 03:03 uur zijn.
2.Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
3.Hoge Raad 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9029,
4.Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320,
5.Hoge Raad 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191,
6.Vgl. Hoge Raad 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
7.O.a. Rechtbank Amsterdam 24 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1724 (€ 5.000,00), Rechtbank Gelderland 10 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1167 (€ 6000,00) en Rechtbank Amsterdam 15 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5586 (€ 7.000,00).
8.Hoge Raad 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1055 (Mallorca-zaak) en Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (Project-X).
9.Hoge Raad 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,