6.3.Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij] en het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer]. De verdachte heeft [benadeelde partij], die roerloos op de grond lag, tegen zijn hoofd geschopt en hem vervolgens in zijn gezicht gestampt. Het is in geen enkel opzicht aan de verdachte te danken dat [benadeelde partij] er uiteindelijk zo genadig vanaf gekomen is. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij] en [slachtoffer]. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen kunnen ondervinden. De slachtofferverklaring van [benadeelde partij] spreekt wat dat betreft boekdelen.
De verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis schuldig gemaakt aan het beledigen van een politieagent door hem uit te schelden en op zijn uniform te spugen. De verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor het gezag.
‘Adolescentenstrafrecht’
De verdachte was ten tijde van het plegen van de hiervoor bewezen verklaarde misdrijven 19 jaar en is nu 20 jaar. Uitgangspunt is dat een verdachte die ten tijde van het strafbare feit 18 jaar is, maar nog niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter, als zij daartoe een grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het (dadergerichte pedagogische) jeugdstrafrecht toepassen.
Het jeugdstrafrecht heeft een pedagogisch karakter en is primair gericht op het voorkomen van recidive. De gedachte is in de kern dat jongeren nog in ontwikkeling zijn en dat deze ontwikkeling in een goede richting kan worden bijgestuurd. Het is dan ook belangrijk om aan jongeren een straf te kunnen opleggen en begeleiding of behandeling te bieden die voor een positieve gedragsverandering kunnen zorgen. Het belang van de jongere staat centraal. De opvoedkundige aanpak waarop de nadruk ligt, heeft als doel om ervoor te zorgen dat een jongere niet opnieuw een strafbaar feit pleegt. Bij de straftoemeting gaat het dus niet alleen om een reactie op verwijtbaar gedrag, maar ook om behandeling, rechtsherstel of maatschappelijke bescherming.
Hierbij geldt dat vrijheidsbeneming als laatste redmiddel wordt ingezet en van een zo kort mogelijke duur is. Bij de strafoplegging kan rekening worden gehouden met bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis en die de verdachte als straf kan hebben ervaren alsmede met de zwaarte, duur en intensiteit van de op te leggen bijzondere voorwaarden.
De deskundige, gz-psycholoog T. Stoel, die de verdachte heeft onderzocht, heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij heeft haar advies in het pro Justitia-rapport van 9 juli 2025 als volgt toegelicht. Het valt op dat de verdachte in het contact jonger overkomt dan zijn kalenderleeftijd. Zijn intellectuele vermogens zijn beperkt als ook het overzien van de risico’s van zijn handelen. Hij handelt soms impulsief en hij krijgt hulp (van zijn moeder) bij praktische zaken. Wat betreft de mogelijkheden van pedagogische beïnvloeding kan gesteld worden dat de verdachte actief deelneemt aan zijn gezin van herkomst. Hij woont nog thuis en heeft een hechte band met de meesten van zijn gezinsleden en is voorlopig niet voornemens om op zichzelf te gaan wonen.
De reclassering heeft in haar rapport van 17 maart 2026 ook geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en dat advies als volgt onderbouwd. Wat betreft de handelingsvaardigheden geldt allereerst dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking (IQ-score 73) en impulsiviteit. De verdachte maakt een indruk jonger te zijn dan zijn kalenderleeftijd, zowel qua uiterlijk als qua gedrag. Hij is nog ontvankelijk voor pedagogische invloeden: hij deelt veel zaken met zijn ouders, zij houden toezicht op zijn bankrekening, ze wekken hem als hij naar zijn werk moet et cetera, aldus de reclassering.
De rechtbank neemt de (onderbouwde) adviezen over en past bij de straftoemeting het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank heeft ter zitting ook de indruk gekregen dat de verdachte geestelijk jonger is dan zijn kalenderleeftijd. Er is nog ruimte voor pedagogische beïnvloeding. Het toepassen van het jeugdstrafrecht is van belang voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, om hem er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten en (hierdoor) ook in het belang van de maatschappij.
LOVS-oriëntatiepunten
Om te bevorderen dat rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen opleggen, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft voor het bepalen van (een vertrekpunt voor) een straf gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank merkt op dat in de oriëntatiepunten voor jeugdigen het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht tot uitdrukking komt. Zoals hiervoor overwogen vormt het belang van de jongere steeds een eerste overweging en het primaire strafdoel is steeds pedagogisch van aard. Bij de totstandkoming van oriëntatiepunten voor jeugdigen speelt – anders dan bij de totstandkoming van oriëntatiepunten voor meerderjarigen – normstelling meer een rol.
Er is geen oriëntatiepunt voor (poging) doodslag. Wel geldt als uitgangspunt bij een voltooide zware mishandeling door middel van trappen/schoppen tegen het hoofd met zeer zwaar lichamelijk letsel tot gevolg een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden.
Pro Justitia-rapport
In het eerder genoemde pro Justitia-rapport komt de deskundige die de verdachte heeft onderzocht tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) in gedeeltelijke remissie en van zwakbegaafdheid en dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde en de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedden.
De deskundige heeft geadviseerd om het tenlastegelegde (in zaak A) in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen en dat als volgt onderbouwd. De verdachte is vanuit zijn persoonlijkheidskenmerken gevoelig voor situaties waarin hij zich gekleineerd en/of bedreigd voelt, zoals ook tijdens deze situatie in zijn beleving het geval zou zijn geweest. Hij was die avond op stap met zijn broers en een vriend, waarbij zijn beide broers zijn aangehouden als medeverdachten. De verdachte is waarschijnlijk door de aanwezigheid van zijn broers negatief beïnvloed. De combinatie van zijn zwakbegaafde intellectuele vermogens, ADHD (in remissie) en forensisch relevante persoonlijkheidskenmerken (te weten een beperkt empathisch vermogen, externaliserend gedrag en zich snel onrechtvaardig behandeld voelen) vormt een beperking in zijn emotieregulatie, impulscontrole en sociaal probleemoplossend vermogen. De verdachte is hierdoor verminderd in staat om in spanningsvolle of sociaal beladen situaties adequaat te handelen. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte voelde zich naar zijn eigen zeggen uitgelokt en bedreigd, waardoor hij impulsief (agressief) heeft gehandeld, terwijl hij onvoldoende vaardigheden heeft dit op een meer adequate manier op te lossen en zijn impulscontrole tekortschiet. Ook is zijn inzicht wat betreft de gevolgen van zijn gedrag waarschijnlijk beperkt en laat hij zich gemakkelijk beïnvloeden. Wat precies heeft geleid tot dergelijk excessief geweld blijft enigszins onduidelijk. Het is echter wel aannemelijk dat het overmatige alcoholgebruik daarin een rol heeft gespeeld.
De rechtbank volgt het (onderbouwde) advies het in zaak A bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De deskundige is verder tot de conclusie gekomen dat als de verdachte zonder enige vorm van begeleiding en/of behandeling blijft, de kans aanwezig is dat hij opnieuw verzeild raakt in conflicten waarbij hij zich gekleineerd, onrechtvaardig behandeld of bedreigd voelt en waarbij hij op impulsief agressieve wijze reageert. Zijn vaardigheden om zijn impulsen onder controle te houden zijn in deze specifieke situaties beperkt. Zijn agressie kan dan plots oplaaien. De zwakbegaafdheid beperkt zijn vermogen om sociale situaties goed te interpreteren, vooruit te denken en alternatieve gedragsopties te overwegen. In combinatie met de ADHD (in remissie) is hij sneller geneigd tot reactief, inadequaat agressief gedrag. Eventueel alcoholgebruik vergroot het risico op agressieve escalatie verder. Op basis van het bovenstaande, in combinatie met de risico- en beschermende factoren, wordt het risico op herhaling van algemeen geweld, indien de verdachte terugkeert in de samenleving zonder intensieve begeleiding en controle, als matig ingeschat. Het risico op ernstig geweld valt moeilijk te preciseren – omdat enigszins onduidelijk blijft waar het excessieve geweld tijdens het tenlastegelegde vandaan kwam – maar ligt tenminste lager dan het risico op algemeen geweld. Indien de verdachte goed in zorg is, kan het recidiverisico verder verlaagd worden.
De deskundige heeft ten slotte geadviseerd de verdachte te laten behandelen en begeleiden om de kans op recidive te beperken. Behandeling zou zich moeten richten op de (resterende) ADHD-kenmerken, waarbij psycho-educatie van belang is. De verdachte zou verder inzicht geboden moeten worden in het ontstaan van zijn agressie, en hoe hij hierop meer grip kan krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan een agressieregulatie-behandeling en het maken van een signaleringsplan waarbij wel rekening gehouden moet worden met zijn beperkte intellectuele vermogens. De behandeling zal zich vervolgens gedeeltelijk moeten richten op hulp bij praktische zaken, zoals het (opnieuw) opbouwen van zaken zoals werk, en het toewerken naar meer zelfstandigheid. Deze behandeling kan ambulant worden vormgegeven. Gezien zijn problematiek wordt ingeschat dat een forensisch Jeugd FACT-team het meest passend is. Op die manier kan begeleiding op meerdere gebieden worden geboden en vermoedelijk heeft een outreachende manier van werken en de mogelijkheid tot laagdrempelig contact de meeste kans van slagen bij de verdachte. Deze behandeling kan worden vormgegeven als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel en daarbij toezicht van reclassering van de jongvolwassenen afdeling, aldus de deskundige.
Reclasseringsrapport
De reclassering heeft in haar rapport van 17 maart 2026 het volgende geconcludeerd. Er is sprake van een beginnend patroon ten aanzien van delicten met een gewelddadige context. Er zijn risicofactoren in de houding, het psychosociaal functioneren en de familiedynamiek van de verdachte. Er speelden vermoedelijk impulsiviteit, een beperkt inlevingsvermogen en een (deels) pro-criminele houding een rol. Ook alcoholgebruik lijkt te hebben bijgedragen aan het tenlastegelegde. De verdachte loopt sinds juli 2025 in schorsingstoezicht bij de reclassering met elektronische monitoring. Hij houdt zich tot op heden doorgaans goed aan de afspraken en bijzondere voorwaarden. Zo heeft hij inmiddels een fulltime baan en zijn er slechts enkele overtredingen op het gebiedsgebod geconstateerd. De ambulante behandeling is nog niet gestart, doordat er sprake is van een wachttijd bij de instelling waar hij is aangemeld. Gelet op de risico’s en het feit dat de ambulante behandeling nog niet gestart is, is het voortzetten van het toezicht bij veroordeling geïndiceerd. Een forensische behandeling is immers noodzakelijk om de kans op recidive te kunnen inperken. Ook een bijzondere voorwaarde gericht op begeleid wonen is passend. Het is verstandig om de verdachte meer los te weken van de familiaire verhoudingen, waarin geweld genormaliseerd lijkt. De verdachte staat open voor begeleid wonen.
De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering;
- ambulante behandeling;
- contactverbod;
- verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
- dagbesteding;
- beheersing middelengebruik.
De reclassering adviseert voorts de begeleiding door de volwassenenreclassering te laten uitvoeren.
Conclusie
De rechtbank heeft al het bovenstaande afgewogen, enerzijds de ernst van de feiten en de gevolgen voor de slachtoffers, in het bijzonder voor [benadeelde partij], en anderzijds de omstandigheid dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend en dat de verdachte bijna 9 maanden in het kader van het schorsingstoezicht strenge voorwaarden heeft gehad. Hij heeft een enkelband moeten dragen en huisarrest gehad. De rechtbank komt tot de conclusie dat een jeugddetentie van 130 dagen, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, en een voorwaardelijke jeugddetentie van 6 maanden (180 dagen) met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd en een werkstraf van 200 uur passend en geboden is. De rechtbank stelt een (maximale) proeftijd van 2 jaar vast. De rechtbank realiseert zich dat met deze straffen maar beperkt recht wordt gedaan aan de vergelding van de feiten, die bijzonder ernstig zijn. Met de op te leggen straffen wordt beoogd om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat de verdachte niet nogmaals over gaat tot het plegen van geweldsfeiten. Uit onderzoek blijkt dat de kans op herhaling veelal groter is als de verdachte nog terug naar de (jeugd-)gevangenis wordt gestuurd. Het is aan de verdachte om dit ook te zien als een kans, die hij met beide handen aan moet pakken.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat het belangrijk is dat de bijzondere voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat. De reclassering ziet de impulsiviteit en de houding als risicofactoren voor recidive en daarbij een kans op een misdrijf met schade voor personen. De rechtbank houdt, mede gelet op de lichtzinnige wijze waarop de verdachte heeft gehandeld en de omstandigheid dat de verdachte nog (verdere) behandeling nodig heeft, er dan ook ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van anderen. De rechtbank verklaart die bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht om die reden dadelijk uitvoerbaar.