Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Korte weergave van de zaak
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de betreffende groep behorende personen aan te spreken.
Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW Pro in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in eenieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband. (Vgl. HR 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914.)
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
In de tweede plaats stelt het de vraag aan de orde of, als de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, deze vordering door vererving toekomt aan de nabestaanden van het slachtoffer, hoewel de in artikel 6:95 lid 2 BW Pro bedoelde mededeling niet heeft plaatsgevonden.
Voor de toepassing van artikel 6:106 BW Pro moet het er in het onder 4.5.1 omschreven geval voor worden gehouden dat het slachtoffer – door het directe en blijvende verlies van zijn bewustzijn – zich niet bewust kon zijn van zijn toestand na de geweldsuitoefening. Daardoor zal het slachtoffer ook geen kennis hebben kunnen krijgen van het hem toegebrachte leed waarvoor de toekenning van immateriële schadevergoeding een ‘hoogstpersoonlijke’ vorm van compensatie beoogt te verschaffen. Dat brengt in het licht van wat hiervoor over het bijzondere karakter van de aanspraak op immateriële schadevergoeding is overwogen, mee dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer in een geval als dit immateriële schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking kan komen. In de kern komt het wettelijk stelsel erop neer dat het aan een slachtoffer toegebrachte leed dat niet kenbaar door hem persoonlijk kon worden ervaren, zich niet leent voor een – ook niet door het slachtoffer persoonlijk te ervaren – compensatie in de vorm van toekenning van een geldbedrag.
Daarnaast verdient opmerking dat met de – in deze zaak ook toegekende – aanspraak op affectieschade is beoogd de naasten van een slachtoffer een vorm van compensatie te bieden voor het leed dat die naasten hebben ervaren.
5.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
[benadeelde 3] vordert een bedrag van in totaal € 218.057,00 (...). Dit bedrag bestaat uit:
6.Beslissing
(i) de beslissing op de vordering van (de Hoge Raad verstaat:) de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor zover daarin een bedrag van € 24.750 voor vergoeding van “vererfde immateriële schade” is begrepen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in zoverre en
(ii) de beslissing op de vordering van de [benadeelde 3] voor zover daarin een bedrag van € 198.057 voor vergoeding van gederfd levensonderhoud is begrepen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 3] ;
8 juli 2025.