Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout Internationale Dienst(België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Artikel 11 OLW Pro
- het rapport
- de beslissing van
- een e-mailbericht van 1 juni 2024 van de substituut-procureur des Konings van het parket Antwerpen;
- een e-mailbericht van 5 juni 2024 van de substituut-procureur des Konings van het parket Antwerpen met
‘draft interim resolution’voor te bereiden voor de volgende bijeenkomst in december 2024, indien er geen
‘tangible progress’zou worden gemaakt om de problemen op te lossen. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat het Comité van Ministers in dit kader belast is met het toezicht op de naleving van verschillende uitspraken van het EHRM waarbij België, vanwege de situatie van geïnterneerden in Belgische gevangenissen, is veroordeeld in verband met schending van artikelen 3 en 5, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), die dezelfde rechten beogen te beschermen als artikelen 4 en 6 van het Handvest.
alleABM in België thans in overeenstemming is met de minimale normen die daaraan, in het licht van de in artikelen 4 en 6 Handvest gewaarborgde rechten, moeten worden gesteld. Zo had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de Belgische autoriteiten gelegen om in dit kader inzichtelijk te maken wat er sinds het voornoemde rapport uit 2023 is verbeterd in de ABM of – indien zij de bevindingen in het rapport betwisten – uit te leggen waarom de bevindingen uit het rapport niet juist zijn.
effective remedysorteert - niet van doorslaggevend belang.
ofMerksplas, zodat daarover nog geen duidelijkheid bestaat. De rechtbank gaat er, gelet op de aanvullende informatie, wel vanuit dat de opgeëiste persoon na overlevering in ieder geval niet in een detentie-instelling in Antwerpen terecht zal komen. Mocht dat wel het geval zijn, dan dient de hierna te stellen vraag 2 beantwoord te worden voor
zowel de detentie-instelling in Antwerpen als voor de daaropvolgende ABM. In het bijzonder wil de rechtbank daarom antwoord hebben op de volgende vragen:
In de ABM van welke penitentiaire instelling zal de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk geplaatst worden na overlevering?
Welk therapeutisch aanbod zal daar daadwerkelijk aan de opgeëiste persoon ter beschikking staan, met inachtneming van de specifieke psychiatrische- en/of persoonlijkheidsproblematiek die bij hem speelt?
4.Beslissing
onbepaalde tijdom de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde vragen ter beantwoording voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
uiterlijk 14 dagen voor 26 oktober 2024(het verstrijken van de verlengde beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht.