Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Uitgangspunt en opdracht aan [verweerders]
perceel [004] , A-G], althans [verweerders] , en te bepalen dat [eiser] deze strook leeg en vrij van objecten ter beschikking stelt aan [verweerders] en te bepalen dat [eiser] dient mee te werken aan een navenante wijziging van het kadastraal register, zulks op straffe van een dwangsom van €10.000,= voor iedere dag dat gedaagde nalatig zal zijn aan dit rechterlijk gebod te voldoen, dan wel een dwangsom door U.E.A. in goede justitie te bepalen.”
De aktes van partijen
3.Bespreking van het cassatiemiddel
lees: [001] , door het hof aangeduid als ‘perceel [002] ’ A-G] was gebouwd en mocht de verjaring dan nog niet zijn voltooid dan heeft zij tegenover [eiser] diens recht erkend door het slopen van de oude opstallen waaronder de aanbouw welke deels op perceel [001] [
perceel [002] , A-G] was gebouwd, vervolgens het bouwen van de nieuwe opstallen binnen de kadastrale erfgrenzen van perceel [003] [
perceel [004] , A-G] en tenslotte het verkopen en overdragen aan [verweerder 1] .”
perceel [002] , A-G] was gebouwd, vervolgens het bouwen van nieuwe opstallen binnen de kadastrale erfgrenzen van perceel [003] [
perceel [004] , A-G] en tenslotte dit verkopen en overdragen aan [verweerder 1] . Uit deze feitelijke gedraging blijkt haar oogmerk om haar recht prijs te geven, althans [eiser] mocht dit oogmerk aan deze feitelijke gedraging toekennen.”
perceel [004] , A-G] en tenslotte dit verkopen en overdragen aan [verweerder 1] , heeft Megapol haar rechten verwerkt op verkrijging door verjaring van de betreffende grond onder deze opstallen. Deze aanspraak van Megapol en die van haar rechtsopvolgers, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid daarmee onaanvaardbaar.”
De oude trottoirband”) heeft het hof de volgende foto [9] weergegeven en vervolgens het hierna geciteerde overwogen en geoordeeld:
De groene schuur; houderschap”) heeft het hof overwogen dat op de foto bij r.o. 3.16 is “te zien dat de groene schuur de oude trottoirband relatief beperkt overschrijdt.” Vervolgens heeft het hof in r.o. 3.20 van het tussenarrest (nog steeds onder dat kopje) geoordeeld dat het “strookje grond waarmee de groene schuur de oude trottoirband overschreed, (…) niet door verjaring eigendom [is] geworden van [verweerders] ”
Uitgangspunt en opdracht aan [verweerders]”) geoordeeld:
onder de voormalige groene schuur door naar achter. Omdat die situatie heeft bestaan vanaf (in ieder geval) eind jaren tachtig tot aan de sloop van de oude bebouwing op perceel [004] in 2017, zijn [verweerders] door verjaring eigenaar geworden van de strook grond voorbij de kadastrale grens tot aan die trottoirband en recht doorgaande lijn.”
[verweerder 1] heeft op de zitting verklaard dat deze strook grond, dit pad, nooit door de vorige bewoners van perceel [004] is gebruikt.[eiser] heeft dit op zitting bevestigd en toegelicht dat deze strook grond naar de poort op perceel [002] leidde die uitkwam op de achtertuin van perceel [002] en dat de vorige bewoners van perceel [004] nooit langs hun huis naar de achtertuin hebben kunnen lopen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de strook grond in de voortuin door de rechtsvoorgangers van [verweerders] in bezit is genomen. Dus kan op die grond ook van verjaring en eigendomsverkrijging geen sprake zijn.”
Productie 2 – luchtfoto’s). Het bezit van [eiser] is hierdoor teniet gegaan. Eenieder kon uit de daden van [verweerder 1] niet anders afleiden dan dat hij pretendeert eigenaar te zijn van de strook grond.
Productie 3 – cva [eiser]) bevestigt [eiser] immers dat einde jaren 80 van de vorige eeuw [verweerder 1] een aanbouw (bestaande uit een slaapkamer en een schuur) hebben gesticht welke gedeeltelijk over de kadastrale erfgrens is gebouwd (en dus op het erf van [eiser] ). Om bij deze aanbouw te komen, liep [verweerder 1] over de strook grond (volledig betegeld en betrokken bij de voortuin) die ervoor gelegen was en met een betonnen band is afgescheiden zoals op de luchtfoto’s is te zien (vgl. Productie 2 (…)). (…)
Productie 6 – foto 2016waaruit blijkt dat [verweerder 1] gedurende in ieder geval de jaren 1995 tot en met 2016 het ondubbelzinnige, exclusieve bezit heeft gehad van deze strook grond. Hierop is ook goed de exclusieve toegang tot het achtererf van [verweerder 1] zichtbaar: de sinds eind 1980 gebouwde aanbouw met deur. Vgl. ook de foto’s bij de dagvaarding en de interactieve beelden (
Productie 7(…)). (…).”
in productie 6 bij de memorie van grieven, A-G] betegelde gedeelte welke loopt tot aan de voormalige groene schuur. Het betegelde gedeelte bevond zich volledig op hun eigen kadastrale perceel. Zij hebben nimmer langs de voormalige groene schuur over het kadastrale perceel van hun buren naar hun eigen achtertuin kunnen lopen. De poort van [eiser] bij de achtertuin belette dat eveneens. Enkel door de voormalige groene schuur kon men in de achtertuin geraken.”
erkenddat de rechtsvoorgangers van [verweerders] niet hebben gebruikgemaakt van “de strook grond in de voortuin”, slaagt niet. Dat een partij zo’n gerechtelijke erkentenis als bedoeld in art. 154 lid 1 Rv heeft gedaan hoeft niet snel te worden aangenomen [14] en verlangt bovendien waarderingen van feitelijke aard die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kunnen worden getoetst. De bedoelde passage op p. 2 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2021 in eerste aanleg dat “[h]et oorspronkelijke pad aan de straatkant van de woning (…) niet door de vorige bewoners [werd] gebruikt” en dat “[d]at pad leidt naar de poort die naar de achtertuin van [eiser] leidt” zijn niet van dien aard dat het hof daarin niet anders dan de bedoelde gerechtelijke erkentenis kon lezen. Hierbij merk ik op dat met aanzienlijke ambiguïteit is omgeven welke strook daarmee nu precies wordt bedoeld. Dat gesproken wordt over een pad dat “leidt naar de poort die naar de achtertuin van [eiser] leidt” kan suggereren dat het mogelijkerwijs niet gaat om het in 3.33 hiervoor bedoelde pad dat voorheen uitkwam bij de groene schuur. Tot het aannemen van een uitdrukkelijke erkenning ten aanzien van de afwezigheid van het gebruik van de litigieuze strook was het hof mijns inziens niet gehouden.