Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04218
Zitting30 september 2022
CONCLUSIE
E.B. Rank-Berenschot
In de zaak
1.
[eiser 1]
[eiser 1]
2.
[eiser 2]eisers tot cassatie
adv.: mr. R.D. Boesveld
[eiser 2]eisers tot cassatie
adv.: mr. R.D. Boesveld
tegen
1.
[verweerder 1]
[verweerder 1]
2.
[verweerder 2]verweerders in cassatie
niet verschenen
[verweerder 2]verweerders in cassatie
niet verschenen
1.Inleiding
1.1
In deze zaak twisten partijen (hierna:
[eisers] . [1] respectievelijk
[verweerders]) over de vraag wie eigenaar is van een op het kadastrale perceel van [verweerders] gelegen strook grond. [eisers] . stellen zich op het standpunt eigenaar te zijn op grond van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW) dan wel bevrijdende verjaring (art. 3:105 jo. 3:306 BW). Het hof heeft geoordeeld dat het noordelijk gedeelte van de strook door bevrijdende verjaring op de voet van art. 3:105 BW eigendom is geworden van [eisers] . Voor het zuidelijk gedeelte is dat niet het geval, omdat niet vast is komen te staan dat dit gedeelte gedurende een periode van tenminste twintig jaren in bezit is geweest van (de rechtsvoorganger van) [eisers] . Het door [eisers] . ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het oordeel betreffende het zuidelijk gedeelte van de strook. Geklaagd wordt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, een verkeerde maatstaf voor het vaststellen van bezit heeft gehanteerd, en zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De klachten zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.
[eisers] . [1] respectievelijk
[verweerders]) over de vraag wie eigenaar is van een op het kadastrale perceel van [verweerders] gelegen strook grond. [eisers] . stellen zich op het standpunt eigenaar te zijn op grond van verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW) dan wel bevrijdende verjaring (art. 3:105 jo. 3:306 BW). Het hof heeft geoordeeld dat het noordelijk gedeelte van de strook door bevrijdende verjaring op de voet van art. 3:105 BW eigendom is geworden van [eisers] . Voor het zuidelijk gedeelte is dat niet het geval, omdat niet vast is komen te staan dat dit gedeelte gedurende een periode van tenminste twintig jaren in bezit is geweest van (de rechtsvoorganger van) [eisers] . Het door [eisers] . ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het oordeel betreffende het zuidelijk gedeelte van de strook. Geklaagd wordt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, een verkeerde maatstaf voor het vaststellen van bezit heeft gehanteerd, en zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. De klachten zijn naar mijn mening tevergeefs voorgesteld.
2.Feiten
2.1
In cassatie zijn de volgende feiten van belang: [2]
(i) [verweerders] zijn (sinds 29 november 2017 [3] ) eigenaar van [a-straat 1] te [plaats] , dat wil zeggen de percelen gemeente [plaats] , [sectie] nummers [001] , [002] en [003] .
(ii) [eisers] . wonen op [a-straat 2] te [plaats] . Zij zijn (sinds 17 februari 1997 [4] ) eigenaar van de percelen gemeente [plaats] , [sectie] , nummers [004] en [005] .
(iii) De percelen met de nummers [001] en [003] van [verweerders] grenzen aan de percelen [004] respectievelijk [005] van [eisers] . Dit blijkt uit de hieronder weergegeven kadastrale kaart [5] en de onder (iv) opgenomen kaart.
(iv) Tussen de percelen van [eisers] . ( [004] en [005] ) en de percelen van [verweerders] ( [001] en [003] ) ligt een strook grond, die op onderstaande kaart (prod. 5 bij CvA) donkerblauw en met de pijl met bijschrift ‘verjaring’ is weergegeven (hierna:
de strook grond). Tussen partijen is in geschil aan wie de eigendom van deze strook grond toebehoort.
de strook grond). Tussen partijen is in geschil aan wie de eigendom van deze strook grond toebehoort.
(v) Aan de zuidzijde van het perceel van [eisers] ., daar waar perceel [005] grenst aan perceel [003] , staan op het perceel van [eisers] . over een afstand van zo’n 15 à 20 meter ongeveer 15 tot 20 coniferen. Achter deze coniferen staat een schutting waarin [eisers] . een poort hebben gemaakt die uitkomt op het perceel [003] .
3.Procesverloop
3.1
Bij inleidende dagvaarding van 13 maart 2018 en na eisvermindering hebben [verweerders]
in conventie, onder meer en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd: [6] I. [eisers] . te veroordelen om de strook grond te ontruimen en ter beschikking te stellen aan [verweerders] op straffe van verbeurte van een dwangsom, en om medewerking te verlenen aan het optrekken van een scheidingsmuur tussen hun perceel en dat van [verweerders] onder gelijke verdeling van de kosten. [7]
in conventie, onder meer en voor zover in cassatie nog van belang, gevorderd: [6] I. [eisers] . te veroordelen om de strook grond te ontruimen en ter beschikking te stellen aan [verweerders] op straffe van verbeurte van een dwangsom, en om medewerking te verlenen aan het optrekken van een scheidingsmuur tussen hun perceel en dat van [verweerders] onder gelijke verdeling van de kosten. [7]
3.2
[eisers] . hebben gemotiveerd verweer gevoerd.
In reconventiehebben zij, voor zover in cassatie van belang, gevorderd:
In reconventiehebben zij, voor zover in cassatie van belang, gevorderd:
I.
-
primair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
primair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
-
subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw eigendom is geworden van [eisers] .;
-
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .;
meer subsidiair: een verklaring voor recht dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .;
II.
- [verweerders] te veroordelen medewerking te verlenen aan inschrijving van de door verjaring, zoals onder I (primair en (meer) subsidiair) gevorderd, verkregen eigendom in de openbare registers.
3.3
[verweerders] hebben in reconventie verweer gevoerd.
3.4
Er heeft een comparitie plaatsgevonden op 30 januari 2019, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en waarbij zijdens [eisers] . zittingsaantekeningen zijn overgelegd.
3.5
Bij vonnis van 3 april 2019 [8] heeft de rechtbank Noord-Holland
in conventie(ontruimings)vordering I van [verweerders] afgewezen.
In reconventieheeft zij, de vorderingen I (meer subsidiair) en II toewijzend, voor recht verklaard dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] . en [verweerders] veroordeeld tot medewerking aan inschrijving van de door verjaring verkregen eigendom in de openbare registers.
in conventie(ontruimings)vordering I van [verweerders] afgewezen.
In reconventieheeft zij, de vorderingen I (meer subsidiair) en II toewijzend, voor recht verklaard dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] . en [verweerders] veroordeeld tot medewerking aan inschrijving van de door verjaring verkregen eigendom in de openbare registers.
3.6
Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. [9] De strook grond is onderdeel geweest van een grondruil in verband met de destijds gerealiseerde bollenschuur op het perceel [001] . Op foto’s die [eisers] . hebben overgelegd (afgedrukt op 23 juni 1997) is te zien dat op het perceel van [eisers] . aan de voorzijde een roodbruin hek aanwezig is dat aansluit op de bollenschuur en daarmee de strook grond aan de noordzijde afsluit. De stelling van [eisers] . dat zij kort nadat zij op 14 februari 1997 op de [a-straat] zijn komen wonen een roodbruin hek aan de voorzijde hebben geplaatst en een schutting aan de achterzijde, is door [verweerders] niet betwist. Door het plaatsen van het hek aan de voorzijde en de schutting aan de achterzijde hebben [eisers] . de rechtsvoorgangers van [verweerders] de toegang tot de strook grond ontzegd en aldus de strook in bezit genomen. Van het bestaan van een bruikleenovereenkomst is niet gebleken. Gelet op hetgeen op de kadastrale kaart te zien is, was de inbezitname te kwader trouw. Uitgaande van de datum van de foto’s is de daarvoor geldende verjaringstermijn van twintig jaren verstreken op uiterlijk 24 juni 2017. Dat betekent dat, toen de inleidende dagvaarding op 13 maart 2018 werd uitgebracht, [eisers] . de strook grond al door verjaring in eigendom hadden verkregen.
3.7
[verweerders] zijn van dit vonnis in principaal hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam met conclusie dat, na gedeeltelijke vernietiging, vordering I in conventie alsnog zal worden toegewezen en de vorderingen in reconventie alsnog zullen worden afgewezen. [10] Met de in cassatie relevante principale
grieven 1-3wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .
grieven 1-3wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de strook grond als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] .
3.8
[eisers] . hebben verweer gevoerd en op hun beurt
incidenteel appelingesteld. De incidentele grieven hebben geen betrekking op de verjaringskwestie, evenmin als het petitum. [11] Het incidenteel appel blijft verder buiten beschouwing.
incidenteel appelingesteld. De incidentele grieven hebben geen betrekking op de verjaringskwestie, evenmin als het petitum. [11] Het incidenteel appel blijft verder buiten beschouwing.
3.9
Op 2 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben elk pleitnotities overgelegd en producties in het geding gebracht.
3.1
Bij arrest van 13 juli 2021 [12] heeft het hof onderscheid gemaakt tussen een noordelijk en een zuidelijk deel van de strook.
Wat betreft het
noordelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur noordwaarts tot de openbare weg) heeft het hof, de beslissing van de rechtbank in zoverre bekrachtigend, in conventie ontruimingsvordering I afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de voorzijde van de strook als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] ., met veroordeling van [verweerders] tot het verlenen van medewerking aan inschrijving van de eigendom in de openbare registers (zie rov. 3.10, 3.18 en dictum). Dit oordeel is in cassatie niet meer aan de orde.
Wat betreft het
zuidelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur zuidwaarts langs die schuur tot de achterzijde) heeft het hof, na vernietiging, in conventie [eisers] . veroordeeld tot het ontruimen en ter beschikking stellen van dit deel aan [verweerders] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede tot het verlenen van medewerking aan het optrekken van een scheidsmuur op de erfgrens, met afwijzing in zoverre van de reconventionele vorderingen I (meer subsidiair) en II (zie rov. 3.18 en dictum i.v.m. rov. 3.3).
Wat betreft het
noordelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur noordwaarts tot de openbare weg) heeft het hof, de beslissing van de rechtbank in zoverre bekrachtigend, in conventie ontruimingsvordering I afgewezen en in reconventie voor recht verklaard dat de voorzijde van de strook als gevolg van bevrijdende verjaring eigendom is geworden van [eisers] ., met veroordeling van [verweerders] tot het verlenen van medewerking aan inschrijving van de eigendom in de openbare registers (zie rov. 3.10, 3.18 en dictum). Dit oordeel is in cassatie niet meer aan de orde.
Wat betreft het
zuidelijkgedeelte van de strook (
vanaf de noordzijde van de bollenschuur zuidwaarts langs die schuur tot de achterzijde) heeft het hof, na vernietiging, in conventie [eisers] . veroordeeld tot het ontruimen en ter beschikking stellen van dit deel aan [verweerders] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede tot het verlenen van medewerking aan het optrekken van een scheidsmuur op de erfgrens, met afwijzing in zoverre van de reconventionele vorderingen I (meer subsidiair) en II (zie rov. 3.18 en dictum i.v.m. rov. 3.3).
3.11
Daartoe heeft het hof het volgende vooropgesteld:
“3.8. Met
grief I in het principaal appelkomen [verweerders] op tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis dat, samengevat, [eisers] . de strook grond in bezit hebben genomen en dat er sindsdien twintig jaren zijn verstreken zonder dat de verjaring is gestuit. [verweerders] betwisten dat [eisers] . de grond in bezit hebben genomen. (...) De stelling van [eisers] . dat de strook kort nadat zij aan de [a-straat 2] te [plaats] kwamen wonen ook aan de achterzijde werd afgesloten door het plaatsen van een schutting blijkt nergens uit. [verweerders] betwisten bovendien dat beplanting de strook zodanig afsloot dat van inbezitneming sprake was. (...)
grief I in het principaal appelkomen [verweerders] op tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.3 en 4.4 van het bestreden vonnis dat, samengevat, [eisers] . de strook grond in bezit hebben genomen en dat er sindsdien twintig jaren zijn verstreken zonder dat de verjaring is gestuit. [verweerders] betwisten dat [eisers] . de grond in bezit hebben genomen. (...) De stelling van [eisers] . dat de strook kort nadat zij aan de [a-straat 2] te [plaats] kwamen wonen ook aan de achterzijde werd afgesloten door het plaatsen van een schutting blijkt nergens uit. [verweerders] betwisten bovendien dat beplanting de strook zodanig afsloot dat van inbezitneming sprake was. (...)
3.9 Het hof stelt bij de beoordeling van grief 1 in het principaal appel voorop dat [eisers] . niet zijn opgekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van hun primaire vordering in reconventie onder I dat zij te goeder trouw waren en door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. Uitgangspunt voor het hof is dus of [eisers] . ten aanzien van de strook grond een beroep op bevrijdende verjaring kunnen doen. Daarvoor is vereist dat [eisers] . gedurende twintig jaren het bezit van de strook grond hebben gehad (art. 3:105 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat de verjaring in elk geval is gestuit door de inleidende dagvaarding van 13 maart 2018, zodat het gestelde bezit van de strook grond tenminste twintig jaren daarvoor moet zijn aangevangen.
Het hof volgt [verweerders] in hun stelling dat van inbezitneming van de strook grond alleen sprake kan zijn als deze door [eisers] . (en/of hun rechtsvoorgangers) zodanig afgesloten is van het perceel van [verweerders] dat (de rechtsvoorgangers van) [verweerders] daardoor geen toegang hadden tot de strook grond. Het hof stelt bij die beoordeling voorop dat voldoende gebleken is dat tussen het noordelijk deel (vanaf de noordzijde van de bollenschuur noordwaarts tot de openbare weg) en het zuidelijk deel van de strook (vanaf de noordzijde van de bollenschuur zuidwaarts tot de achterzijde) geen doorgang bestaat, zodat inbezitneming voor beide delen van de strook separaat beoordeeld dient te worden.”
Nadat het hof vervolgens de grief tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het
noordelijkdeel van de strook heeft verworpen (rov. 3.9, derde alinea), beoordeelt het hof de eigendomssituatie van het
zuidelijkdeel van de strook (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea):
noordelijkdeel van de strook heeft verworpen (rov. 3.9, derde alinea), beoordeelt het hof de eigendomssituatie van het
zuidelijkdeel van de strook (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea):
“Dat de strook grond ook langs de bollenschuur en aan de achterzijde (het zuidelijk deel van de strook) voor [verweerders] afgesloten is geweest gedurende (tenminste) twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018, is in dit geding, gelet op de over en weer naar voren gebrachte stellingen van partijen, echter niet vast komen te staan. [verweerders] hebben de stelling van [eisers] . dat zij meteen nadat zij aan de [a-straat 2] [13] te [plaats] kwamen wonen aan de achterzijde een schutting hebben geplaatst, in hoger beroep betwist. Eveneens hebben [verweerders] betwist dat aan de achterzijde van het perceel beplanting aanwezig was die de strook grond afsloot. Op de door [eisers] . op 23 juni 1997 afgedrukte foto’s is niet zichtbaar of zich toen aan de achterzijde een schutting bevond. Wel is op de hiervoor bedoelde foto’s beplanting waar te nemen aan de achterzijde van de strook grond. Dat die beplanting zodanig ondoordringbaar was dat daardoor de strook grond niet toegankelijk was voor (de rechtsvoorganger van) [verweerders] , kan uit die foto’s evenwel niet afgeleid worden, net zo min als uit de overige in het geding gebrachte foto’s. Dat de strook grond gedurende twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018 aan de achterzijde was afgesloten, volgt niet uit de door [eisers] . als productie 29 overgelegde overzichtsfoto, zoals [eisers] . ter zitting naar voren hebben gebracht. Nog daargelaten of op de desbetreffende foto te zien is dat de strook grond aan de achterzijde daadwerkelijk afgesloten is, hebben [eisers] . ter zitting aan het hof medegedeeld dat deze foto dateert van 1999 of (kort) daarna; in de [memorie van antwoord in principaal appel onder 18] [14] staat dat deze dateert uit 2001/2002.
Dat [eisers] . gedurende twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018 het bezit hebben gehad van de strook grond langs de bollenschuur en aan de achterzijde is kortom niet gebleken en [eisers] . hebben hun stellingen ter zake van de situatie aan de achterzijde verder niet nader toegelicht, noch (ter zake dienend) bewijs aangeboden. Grief 1 in het principaal appel slaagt in zoverre. Hetgeen [verweerders] overigens aan hun eerste grief ten grondslag hebben gelegd, behoeft bij die stand van zaken geen bespreking meer. (…)”
3.12
[eisers] . hebben bij procesinleiding van 12 oktober 2021 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. [verweerders] zijn in cassatie niet verschenen; tegen hen is verstek verleend. [eisers] . hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
In cassatie gaat het uitsluitend nog om het
zuidelijkdeel van de strook.
zuidelijkdeel van de strook.
4.2
Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen (1 t/m 4). Het eerste onderdeel klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend. In het tweede onderdeel voeren [eisers] . aan dat het hof een te strenge maatstaf voor het aannemen van inbezitneming heeft gehanteerd. Het derde onderdeel bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het zuidelijk gedeelte van de strook grond niet gedurende twintig jaren afgesloten is geweest. Het vierde onderdeel bevat een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: devolutieve werking van het appel
4.3
Het
eerste onderdeelheeft betrekking op rov. 3.9 van het bestreden arrest, voor zover het hof daarin het volgende heeft overwogen:
eerste onderdeelheeft betrekking op rov. 3.9 van het bestreden arrest, voor zover het hof daarin het volgende heeft overwogen:
“Het hof stelt bij de beoordeling van grief 1 in het principaal appel voorop dat [eisers] . niet zijn opgekomen tegen de afwijzing door de rechtbank van hun primaire vordering in reconventie onder I dat zij te goeder trouw waren en door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond. Uitgangspunt voor het hof is dus of [eisers] . ten aanzien van de strook grond een beroep op bevrijdende verjaring kunnen doen. (…)”
4.4
Het onderdeel keert zich vanuit twee invalshoeken tegen het uitgangspunt dat uitsluitend het beroep van [eisers] . op bevrijdende verjaring (art. 3:105 jo. 3:306 BW) – en dus niet hun beroep op verkrijgende verjaring (art. 3:99 BW) – ter beoordeling voorligt. Het onderdeel omvat vier subonderdelen (1.1-1.4).
4.5
Ten eerste klagen de
subonderdelen 1.1-1.3over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof ten onrechte niet opnieuw de primaire
grondslagvan
de reconventionele vordering van [eisers] .zou hebben beoordeeld. [15] Volgens het middel kunnen de stellingen van [eisers] . betreffende verkrijgende respectievelijk bevrijdende verjaring, gelet op het partijdebat [16] , namelijk niet anders worden begrepen dan als een beroep op een primaire respectievelijk (meer) subsidiaire
grondslagvan ‘
de’ (ik begrijp: één) reconventionele vordering, die erop is gericht dat voor recht wordt verklaard dat [eisers] . door verjaring eigenaar zijn geworden. Nu het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de (meer) subsidiaire grondslag niet slaagt, had het op grond van de devolutieve werking van het appel, ook zonder daarop gerichte incidentele grief, alsnog de – in appel niet prijsgegeven – primaire grondslag van de vordering van [eisers] . moeten beoordelen. [17]
subonderdelen 1.1-1.3over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof ten onrechte niet opnieuw de primaire
grondslagvan
de reconventionele vordering van [eisers] .zou hebben beoordeeld. [15] Volgens het middel kunnen de stellingen van [eisers] . betreffende verkrijgende respectievelijk bevrijdende verjaring, gelet op het partijdebat [16] , namelijk niet anders worden begrepen dan als een beroep op een primaire respectievelijk (meer) subsidiaire
grondslagvan ‘
de’ (ik begrijp: één) reconventionele vordering, die erop is gericht dat voor recht wordt verklaard dat [eisers] . door verjaring eigenaar zijn geworden. Nu het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de (meer) subsidiaire grondslag niet slaagt, had het op grond van de devolutieve werking van het appel, ook zonder daarop gerichte incidentele grief, alsnog de – in appel niet prijsgegeven – primaire grondslag van de vordering van [eisers] . moeten beoordelen. [17]
4.6
Deze klacht faalt op grond van het volgende.
4.7
Het procesdebat in eerste aanleg omtrent hetgeen in reconventie gevorderd werd, is, voor zover van belang, als volgt verlopen.
4.8
Als verweer tegen de conventionele vordering tot ontruiming van [verweerders] is door [eisers] . bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, voor zover van belang, het volgende gesteld:
“
Verjaring van grond11. [verweerder 1] vordert in conventie de ontruiming van percelen (…). In reconventie vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat een gedeelte van deze grond door verjaring eigendom is van [eiser 1] en uiteraard de vorderingen in conventie dientengevolge moeten worden afgewezen. Beide vorderingen vormen derhalve elkaars spiegelbeeld. (...)
(…)
17. Verjaring van grond kan plaatsvinden door zowel bevrijdende als verkrijgende verjaring, zowel te goeder als te kwader trouw. Primair stelt [eisers] . zich op het standpunt dat sprake is van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring te goeder trouw. De verjaringstermijn daarvoor is 10 jaar. (…)
18. Subsidiair stelt [eisers] . dat op grond van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring de strook eigendom is geworden van [eiser 1] . Ook de termijn van 20 jaar was voltooid (…)
19. Ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat van verkrijgende verjaring, te goede dan wel te kwader trouw geen sprake is, dan is de grond door verjaring het eigendom van [eiser 1] geworden. De vordering tot revindicatie (…) verjaart immers eveneens door termijnverloop van 20 jaar. (...)”
Verjaring van grond11. [verweerder 1] vordert in conventie de ontruiming van percelen (…). In reconventie vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat een gedeelte van deze grond door verjaring eigendom is van [eiser 1] en uiteraard de vorderingen in conventie dientengevolge moeten worden afgewezen. Beide vorderingen vormen derhalve elkaars spiegelbeeld. (...)
(…)
17. Verjaring van grond kan plaatsvinden door zowel bevrijdende als verkrijgende verjaring, zowel te goeder als te kwader trouw. Primair stelt [eisers] . zich op het standpunt dat sprake is van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring te goeder trouw. De verjaringstermijn daarvoor is 10 jaar. (…)
18. Subsidiair stelt [eisers] . dat op grond van bevrijdende dan wel verkrijgende verjaring de strook eigendom is geworden van [eiser 1] . Ook de termijn van 20 jaar was voltooid (…)
19. Ook wanneer zou moeten worden geoordeeld dat van verkrijgende verjaring, te goede dan wel te kwader trouw geen sprake is, dan is de grond door verjaring het eigendom van [eiser 1] geworden. De vordering tot revindicatie (…) verjaart immers eveneens door termijnverloop van 20 jaar. (...)”
4.9
Vervolgens hebben [eisers] . onder het kopje ‘
Vorderingen in reconventie’ het volgende gesteld:
Vorderingen in reconventie’ het volgende gesteld:
“
Verjaring van grond58. Allereerst vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat de strook grond (…) is verjaard. De onderbouwing van deze vordering is in conventie (onder punt 11 tot en met 25) reeds uitvoerig gemotiveerd. [eiser 1] verwijst in reconventie daarnaar.”
Verjaring van grond58. Allereerst vordert [eiser 1] een verklaring voor recht dat de strook grond (…) is verjaard. De onderbouwing van deze vordering is in conventie (onder punt 11 tot en met 25) reeds uitvoerig gemotiveerd. [eiser 1] verwijst in reconventie daarnaar.”
4.1
Dit is uitgemond in het volgende petitum in reconventie (CvA/CvE rec., p. 20-21):
“I.
Primair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
meer subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van bevrijdende verjaring het eigendom is geworden van eisers in reconventie.”
Primair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te goeder trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van verkrijgende verjaring te kwader trouw het eigendom is geworden van eisers in reconventie;
meer subsidiair:Te verklaren voor recht dat de strook grond (…) als gevolg van bevrijdende verjaring het eigendom is geworden van eisers in reconventie.”
4.11
Op de in het onderdeel aangegeven vindplaats hebben [verweerders] de vorderingen van [eisers] . als volgt weergegeven (CvA rec., nr. 2):
“2. [eisers] . vorderen in reconventie het volgende:
I. Verklaring voor recht dat de strook grond – waarvan de eigendom in het geding is – door verkrijgende verjaring te goeder trouw (primair), verkrijgende verjaring te kwader trouw (subsidiair) of bevrijdende verjaring (meer subsidiair) eigendom is geworden van [eisers] .
II. (...)”
I. Verklaring voor recht dat de strook grond – waarvan de eigendom in het geding is – door verkrijgende verjaring te goeder trouw (primair), verkrijgende verjaring te kwader trouw (subsidiair) of bevrijdende verjaring (meer subsidiair) eigendom is geworden van [eisers] .
II. (...)”
4.12
De rechtbank is uitgegaan van drie afzonderlijke reconventionele vorderingen, zo blijkt uit rov. 4.6 van haar vonnis:
“4.6 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de reconventionele vorderingen van [eisers] . onder I, meer subsidiair, en II zullen worden toegewezen, onder afwijzing van de primaire en subsidiaire reconventionele vordering van [eisers] . onder I.”
Tegen deze uitleg is door [eisers] . geen grief gericht noch anderszins bezwaar gemaakt.
4.13
Ook het hof is bij de vaststelling van het door [eisers] . gevorderde – in cassatie niet bestreden – uitgegaan van meerdere reconventionele vorderingen, waarvan er in hoger beroep nog maar één van belang is, te weten de meer subsidiaire vordering (rov. 3.3).
4.14
De uitleg van een petitum – in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en het processuele debat, waarbij van belang is hoe de wederpartij het gevorderde redelijkerwijs heeft moeten begrijpen [18] – is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. [19] Naar mijn menig heeft het hof, anders dan subonderdeel 1.2 betoogt, in rov. 3.9 geen onbegrijpelijke uitleg gegeven aan het petitum van [eisers] . Daaraan doen de in het middel aangegeven stellingen van partijen niet af. Daaruit heeft het hof niet moeten afleiden dat ( [verweerders] hebben begrepen dat) [eisers] . één, op drie grondslagen gebaseerde, reconventionele vordering hebben willen instellen, in die zin dat het hun om het even zou zijn of hun (bij toewijzing) uit te spreken eigenaarschap op tienjarig bezit te goeder trouw dan wel twintigjarig bezit niet te goeder trouw berust.
4.15
Nu het hof mocht uitgaan van drie afzonderlijke reconventionele vorderingen, kon het zich zonder miskenning van de devolutieve werking van het appel beperken tot beoordeling van de meer subsidiaire vordering. [20]
4.16
In de tweede plaats klaagt
subonderdeel 1.4over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof, tegenover de ontruimingsvordering van [verweerders] in conventie, na verwerping van het meer subsidiaire verweer (bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW), het in appel niet prijsgegeven primaire
verweervan [eisers] . (verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW) opnieuw had moeten beoordelen. [21]
subonderdeel 1.4over miskenning van de devolutieve werking van het appel in die zin dat het hof, tegenover de ontruimingsvordering van [verweerders] in conventie, na verwerping van het meer subsidiaire verweer (bevrijdende verjaring ex art. 3:105 BW), het in appel niet prijsgegeven primaire
verweervan [eisers] . (verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW) opnieuw had moeten beoordelen. [21]
4.17
Volgens vaste rechtspraak brengt de devolutieve werking van het appel mee dat bij de gegrondbevinding van een of meer grieven de appelrechter, binnen het door de grieven ontsloten gebied, ambtshalve alle in eerste aanleg niet-behandelde en verworpen verweren van geïntimeerde alsnog respectievelijk opnieuw moet beoordelen. [22] Voor het onderhavige geval betekent dit dat het hof, waar het slagen van de tegen honorering van het meer subsidiaire verweer gerichte grief 1 in beginsel tot toewijzing van de conventionele ontruimingsvordering van [verweerders] zou leiden, gehouden was het verworpen primaire verweer van [eisers] . alsnog te beoordelen.
4.18
Ofschoon principaal appel en incidenteel appel zelfstandig moeten worden behandeld [23] , zou de vraag kunnen worden gesteld of voor de beoordeling van de klacht betekenis moet toekomen aan de omstandigheid dat door [eisers] . geen incidenteel appel is ingesteld tegen de afwijzing van de met het primaire verweer corresponderende primaire reconventionele vordering. Betoogd zou kunnen worden dat de aan die afwijzing ten grondslag liggende eindbeslissing van de rechtbank dat wegens het ontbreken van goede trouw geen sprake is van verkrijgende verjaring op de voet van art. 3:99 BW, in reconventie gezag van gewijsde heeft verkregen. Uw Raad heeft in het veel besproken
[…]-arrest op de regel van de devolutieve werking een uitzondering aanvaard voor een geval waarin het oordeel van de rechtbank tot verwerping van het primaire verweer van de later geïntimeerde gezag van gewijsde had gekregen omdat daartegen geen incidenteel appel was ingesteld, en aanvaarding van de devolutieve werking zou kunnen leiden tot twee tegenstrijdige beslissingen met gezag van gewijsde. [24] Iets soortgelijks zou zich in het onderhavige geval kunnen voordoen, indien het hof in conventie tot het (onherroepelijke) oordeel zou komen dat het primaire verjaringsverweer ex art. 3:99 BW alsnog moet worden gehonoreerd. Niettemin meen ik dat de parallel met het
[…]-arrest moet worden verworpen. Voor zover mij bekend, is aan de daarin besloten liggende stap naar een stelsel waarin in appel nog alleen geschilpunten worden beslist die door uitdrukkelijke grieven aan de orde worden gesteld, door uw Raad geen vervolg gegeven. Bovendien ziet dit arrest op een situatie waarin de vordering van appellant gedeeltelijk was toegewezen, terwijl in het thans voorliggende geval de vordering van appellant geheel is afgewezen, in welk geval initiatief van geïntimeerde te minder lijkt te kunnen worden verlangd.
[…]-arrest op de regel van de devolutieve werking een uitzondering aanvaard voor een geval waarin het oordeel van de rechtbank tot verwerping van het primaire verweer van de later geïntimeerde gezag van gewijsde had gekregen omdat daartegen geen incidenteel appel was ingesteld, en aanvaarding van de devolutieve werking zou kunnen leiden tot twee tegenstrijdige beslissingen met gezag van gewijsde. [24] Iets soortgelijks zou zich in het onderhavige geval kunnen voordoen, indien het hof in conventie tot het (onherroepelijke) oordeel zou komen dat het primaire verjaringsverweer ex art. 3:99 BW alsnog moet worden gehonoreerd. Niettemin meen ik dat de parallel met het
[…]-arrest moet worden verworpen. Voor zover mij bekend, is aan de daarin besloten liggende stap naar een stelsel waarin in appel nog alleen geschilpunten worden beslist die door uitdrukkelijke grieven aan de orde worden gesteld, door uw Raad geen vervolg gegeven. Bovendien ziet dit arrest op een situatie waarin de vordering van appellant gedeeltelijk was toegewezen, terwijl in het thans voorliggende geval de vordering van appellant geheel is afgewezen, in welk geval initiatief van geïntimeerde te minder lijkt te kunnen worden verlangd.
4.19
De klacht is derhalve in beginsel terecht voorgesteld. Zij kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. [eisers] . hebben aan hun primaire verweer ten grondslag gelegd dat zij bij hun verkrijging op de feitelijke situatie zijn afgegaan en geen enkele reden hadden om aan de juistheid van de feitelijke erfgrens te twijfelen. [25] Na verwijzing is echter geen ander oordeel mogelijk dan dat de aangevoerde omstandigheden niet wegnemen dat, zoals de rechtbank heeft overwogen (rov. 4.4), de kadastrale grens kenbaar is uit de kadastrale tekeningen, hetgeen aan het aannemen van goede trouw in de weg staat.
4.2
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2: maatstaf voor inbezitneming
4.21
Onderdeel 2klaagt dat het hof in rov. 3.9 een te strenge maatstaf heeft gehanteerd voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbezitneming.
4.22
Bij de beoordeling van deze klacht staat het volgende voorop.
4.23
Degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, wordt ingevolge art. 3:105 lid 1 BW rechthebbende van dat goed, ongeacht of het bezit al of niet te goeder trouw was. Men spreekt wel van bevrijdende verjaring. [26] De verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW). Voor verkrijging van eigendom op grond van art. 3:105 BW is slechts vereist dat degene die zich op de verjaring beroept, het bezit heeft op het moment van voltooiing van de verjaringstermijn. [27] Voor voltooiing van de verjaring is vereist dat een ander dan de rechthebbende het goed bezit gedurende de een termijn van twintig jaren; niet vereist is dat die ander gedurende de periode van twintig jaren steeds dezelfde is. [28]
4.24
Of sprake is van bezit, wordt bepaald aan de hand van de regels neergelegd in art. 3:107 e.v. BW. Art. 3:107 BW definieert bezit als het houden van een goed voor zichzelf, waaronder wordt verstaan: het direct of indirect uitoefenen van de feitelijke macht over het goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Het houden ‘voor zichzelf’ duidt erop dat de bezitter geen ander als rechthebbende erkent. Of iemand een goed houdt voor een ander of voor zichzelf, moet worden beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels die volgen uit art. 3:109 BW e.v. en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW). Dit is dus een objectieve maatstaf: het gaat erom of naar algemene maatstaven een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. [29] Niet relevant is de interne wil van de vermeende bezitter, tenzij deze tot uitdrukking komt in de uiterlijke feiten. [30] Hoewel dit niet (langer) expliciet uit de wettekst blijkt, ligt in het begrip bezit besloten dat dit openbaar en ondubbelzinnig is. [31] Er is sprake van ‘niet-dubbelzinnig bezit’ als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. [32] Alle relevante omstandigheden, zoals de aard en bestemming van het goed, moeten bij de beoordeling van het bezit worden meegewogen.
4.25
Bezit wordt verkregen door onder andere inbezitneming, overdracht of opvolging onder algemene titel (art. 3:112 BW). Inbezitneming vindt plaats door feitelijke machtsverschaffing (art. 3:113 lid 1 BW). Die feitelijke machtsuitoefening moet zodanig zijn dat zij naar verkeersopvatting als bezit wordt gekwalificeerd (art. 3:108 BW).
Voor het aannemen van bezit van een onroerend goed geldt nog een extra bepaling. Omdat onroerende goederen naar hun aard altijd een bezitter hebben (art. 5:24 BW), is een enkele op zichzelf staande machtsuitoefening voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). Voor inbezitneming is vereist dat sprake is van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. [33] Uit jurisprudentie [34] en literatuur [35] volgt dat de drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed hoog is.
Voor het aannemen van bezit van een onroerend goed geldt nog een extra bepaling. Omdat onroerende goederen naar hun aard altijd een bezitter hebben (art. 5:24 BW), is een enkele op zichzelf staande machtsuitoefening voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). Voor inbezitneming is vereist dat sprake is van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. [33] Uit jurisprudentie [34] en literatuur [35] volgt dat de drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed hoog is.
4.26
Tegen deze achtergrond bespreek ik de klachten van onderdeel 2.
4.27
Ten betoge dat het hof een te strenge maatstaf heeft gehanteerd, wordt in de
eersteplaats opgekomen tegen de tweede alinea van rov. 3.9, voor zover het hof daarin heeft overwogen:
eersteplaats opgekomen tegen de tweede alinea van rov. 3.9, voor zover het hof daarin heeft overwogen:
“Het hof volgt [verweerders] in hun stelling dat van inbezitneming van de strook grond alleen sprake kan zijn als deze door [eisers] . (en/of hun rechtsvoorgangers) zodanig afgesloten is van het perceel van [verweerders] dat (de rechtsvoorgangers van) [verweerders] daardoor geen toegang hadden tot de strook grond. (...)”
Aangevoerd wordt dat het fysiek afsluiten van een perceel weliswaar een belangrijke indicatie is voor inbezitneming, maar geen vereiste. Inbezitneming kan ook plaatsvinden door het creëren en in stand houden van een optische eenheid, zoals in deze zaak het geval is, aldus de eerste klacht.
4.28
Het onderdeel betoogt terecht dat het fysiek afsluiten van een perceel in zijn algemeenheid geen vereiste voor inbezitneming is maar slechts een belangrijke indicatie, en dat inbezitneming ook kan volgen uit het creëren van een optische eenheid. [36] Anders dan waar de klacht van uitgaat, heeft het hof in rov. 3.9 echter niet een algemene regel voor het aannemen van inbezitneming willen geven. De overweging dient naar mijn oordeel zo te worden gelezen dat het fysiek afsluiten van het perceel
in dit gevaldoorslaggevend is (bij gebreke van andere inbezitnemings-/bezitsdaden). Deze lezing sluit aan bij het betoog van [eisers] . dat zij de strook met een hek (noordelijk deel) en een schutting (zuidelijk deel) hebben afgesloten. [37] Het hof heeft daarmee niet miskend dat het fysiek afsluiten van een perceel in het algemeen geen doorslaggevend vereiste is voor het aannemen van inbezitneming.
in dit gevaldoorslaggevend is (bij gebreke van andere inbezitnemings-/bezitsdaden). Deze lezing sluit aan bij het betoog van [eisers] . dat zij de strook met een hek (noordelijk deel) en een schutting (zuidelijk deel) hebben afgesloten. [37] Het hof heeft daarmee niet miskend dat het fysiek afsluiten van een perceel in het algemeen geen doorslaggevend vereiste is voor het aannemen van inbezitneming.
4.29
Ten
tweedewordt aangevoerd – samengevat – dat nu de strook grond onderdeel was geweest van een grondruil (vonnis, rov. 4.3), één van de rechtsvoorgangers van [eisers] . al eigenaar en bezitter van de strook grond
wasen na de grondruil het bezit daarvan
behieldin het belang van een rechtsvoorganger van [verweerders] , die in deze strook grond op zichzelf niet geïnteresseerd was (maar slechts in het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een tweede bollenschuur). [38] Geklaagd wordt dat het hof onder deze omstandigheden te hoge eisen heeft gesteld aan de kenbaarheid van de eigenaarspretentie die lag besloten in het
voortgezette bezitdoor de rechtsvoorgangers van [eisers] . Volgens het onderdeel ligt in de rechtspraak van uw Raad immers besloten dat uiteenlopende eisen worden gesteld aan bezit van iemand die, technisch gezien, te kwader trouw is, in geval waarin hij de grond in bezit neemt (a) buiten weten van en zonder overleg met de rechthebbende, en (b) na overleg en met medeweten van de rechthebbende. [39]
tweedewordt aangevoerd – samengevat – dat nu de strook grond onderdeel was geweest van een grondruil (vonnis, rov. 4.3), één van de rechtsvoorgangers van [eisers] . al eigenaar en bezitter van de strook grond
wasen na de grondruil het bezit daarvan
behieldin het belang van een rechtsvoorganger van [verweerders] , die in deze strook grond op zichzelf niet geïnteresseerd was (maar slechts in het verkrijgen van een vergunning voor het bouwen van een tweede bollenschuur). [38] Geklaagd wordt dat het hof onder deze omstandigheden te hoge eisen heeft gesteld aan de kenbaarheid van de eigenaarspretentie die lag besloten in het
voortgezette bezitdoor de rechtsvoorgangers van [eisers] . Volgens het onderdeel ligt in de rechtspraak van uw Raad immers besloten dat uiteenlopende eisen worden gesteld aan bezit van iemand die, technisch gezien, te kwader trouw is, in geval waarin hij de grond in bezit neemt (a) buiten weten van en zonder overleg met de rechthebbende, en (b) na overleg en met medeweten van de rechthebbende. [39]
4.3
In het arrest waarnaar de klacht verwijst, is door uw Raad geoordeeld dat zich gevallen kunnen voordoen dat de koper krachtens de rechtsverhouding met de verkoper jegens deze gerechtigd is, vooruitlopend op de levering van het verkochte, zich over het verkochte de feitelijke macht te verschaffen en deze op zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper moet worden beschouwd als bezitter van het verkochte. [40] Uit deze rechtspraak valt niet af te leiden dat verschillende maatstaven gelden voor inbezitneming zonder dan wel in overleg met de rechthebbende. [41] Bovendien wordt niet toegelicht welke (lichtere) maatstaf zou gelden, zodat de klacht niet aan de vereiste bepaaldheid en precisie voldoet. [42]
4.31
Verder valt uit de stellingen waarnaar het middel verwijst (CvA/CvE rec., nrs. 13-15) – waarin een beschrijving wordt gegeven van de feitelijke gang van zaken bij en na de grondruil (d.w.z. de overdracht van de strook aan een rechtsvoorganger van [verweerders] ) – niet het betoog te destilleren dat de overdragende rechtsvoorganger van [eisers] . het bezit
haden in overleg met de verkrijger
behield. Veeleer lijkt het hof [verweerders] te hebben gevolgd in hun betoog dat de vervreemder van de strook na de overdracht houder bleef voor de verkrijger [43] , zodat aan inbezitneming de in art. 3:111 BW gestelde eisen worden gesteld.
haden in overleg met de verkrijger
behield. Veeleer lijkt het hof [verweerders] te hebben gevolgd in hun betoog dat de vervreemder van de strook na de overdracht houder bleef voor de verkrijger [43] , zodat aan inbezitneming de in art. 3:111 BW gestelde eisen worden gesteld.
4.32
Ook onderdeel 2 treft derhalve geen doel.
Onderdeel 3: motivering oordeel t.a.v. zuidelijke deel van de strook grond
4.33
Het
derde onderdeelkomt op tegen het oordeel van het hof dat, gelet op de stellingen van partijen, niet is komen vast te staan dat het zuidelijk deel van de strook grond voor [verweerders] (het middel leest: en hun rechtsvoorgangers) afgesloten is geweest gedurende (tenminste) twintig jaar voorafgaand aan 13 maart 2018, alsmede de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea, aangehaald hiervoor onder 3.11).
derde onderdeelkomt op tegen het oordeel van het hof dat, gelet op de stellingen van partijen, niet is komen vast te staan dat het zuidelijk deel van de strook grond voor [verweerders] (het middel leest: en hun rechtsvoorgangers) afgesloten is geweest gedurende (tenminste) twintig jaar voorafgaand aan 13 maart 2018, alsmede de aan dat oordeel ten grondslag liggende overwegingen (rov. 3.9, vierde en vijfde alinea, aangehaald hiervoor onder 3.11).
4.34
Geklaagd wordt dat dit oordeel, mede in het licht van een achttal stellingen van [eisers] . [44] , onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is. De klacht vraagt in wezen om een feitelijke herbeoordeling waarvoor in cassatie geen plaats is. Op die grond moet zij reeds falen.
4.35
Verder zie ik in het onderdeel met name motiveringsklachten tegen twee onderdelen van de door het hof gebezigde motivering.
4.36
De
eerste klachtis gericht tegen de overwegingen van het hof (samengevat) dat uit de op 23 juni 1997 afgedrukte foto’s niet kan worden afgeleid dat de beplanting aan de achterzijde van het perceel van [eisers] . ‘ondoordringbaar’ was, en dat dit ook niet blijkt uit de overige in het geding gebrachte foto’s. Aangevoerd wordt dat uit de foto’s ontegenzeggelijk blijkt dat de coniferenhaag en de overige beplanting de achterzijde van het perceel destijds afsloten, en dat het hof zijn oordeel betreffende dit punt niet verder heeft gemotiveerd. Onduidelijk is op welke ‘overige in het geding gebrachte’ foto’s het hof zijn oordeel heeft gebaseerd. In ieder geval heeft het hof de als productie 31 in het geding gebrachte foto’s niet kenbaar in zijn beslissing betrokken.
eerste klachtis gericht tegen de overwegingen van het hof (samengevat) dat uit de op 23 juni 1997 afgedrukte foto’s niet kan worden afgeleid dat de beplanting aan de achterzijde van het perceel van [eisers] . ‘ondoordringbaar’ was, en dat dit ook niet blijkt uit de overige in het geding gebrachte foto’s. Aangevoerd wordt dat uit de foto’s ontegenzeggelijk blijkt dat de coniferenhaag en de overige beplanting de achterzijde van het perceel destijds afsloten, en dat het hof zijn oordeel betreffende dit punt niet verder heeft gemotiveerd. Onduidelijk is op welke ‘overige in het geding gebrachte’ foto’s het hof zijn oordeel heeft gebaseerd. In ieder geval heeft het hof de als productie 31 in het geding gebrachte foto’s niet kenbaar in zijn beslissing betrokken.
4.37
Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Ten eerste vergt de klacht een oordeel over wat al dan niet op door [eisers] . overlegde foto’s te zien is (dit zijn de op 23 juni 1997 afgedrukte foto’s [45] ). Voor een dergelijke feitelijke toets is in cassatie geen plaats. Bovendien moet de bestreden overweging worden gezien in het licht van de vraag of de beplanting
zodanigondoordringbaar was dat de strook grond ontoegankelijk was (gemaakt) voor [verweerders] Ik acht het oordeel van het hof op dit punt, gelet op de betreffende foto’s, niet onbegrijpelijk.
Met de overweging dat de ‘zodanige ondoordringbaarheid’ ook niet blijkt uit de overige foto’s die door [eisers] . in het geding zijn gebracht, doelt het hof kennelijk op de producties 29 tot en met 31 (bij MvA/MvG inc.), die [eisers] . hebben overgelegd ter ondersteuning van hun standpunt dat de achterzijde van het perceel volledig dicht was. [46] Het hof gaat daarna immers specifiek in op één van deze foto’s (de overzichtsfoto overgelegd als productie 29). Het hof mag standpunten groepsgewijs verwerpen, hetgeen het hier kennelijk heeft gedaan ten aanzien van de andere foto’s (waaronder de foto overgelegd als productie 31). Uit deze foto’s bleek volgens het hof kennelijk niet van een ondoordringbare afscheiding, hetgeen gelet op de foto’s geen onbegrijpelijk oordeel is, en ook niet per foto afzonderlijk gemotiveerd had moeten worden.
zodanigondoordringbaar was dat de strook grond ontoegankelijk was (gemaakt) voor [verweerders] Ik acht het oordeel van het hof op dit punt, gelet op de betreffende foto’s, niet onbegrijpelijk.
Met de overweging dat de ‘zodanige ondoordringbaarheid’ ook niet blijkt uit de overige foto’s die door [eisers] . in het geding zijn gebracht, doelt het hof kennelijk op de producties 29 tot en met 31 (bij MvA/MvG inc.), die [eisers] . hebben overgelegd ter ondersteuning van hun standpunt dat de achterzijde van het perceel volledig dicht was. [46] Het hof gaat daarna immers specifiek in op één van deze foto’s (de overzichtsfoto overgelegd als productie 29). Het hof mag standpunten groepsgewijs verwerpen, hetgeen het hier kennelijk heeft gedaan ten aanzien van de andere foto’s (waaronder de foto overgelegd als productie 31). Uit deze foto’s bleek volgens het hof kennelijk niet van een ondoordringbare afscheiding, hetgeen gelet op de foto’s geen onbegrijpelijk oordeel is, en ook niet per foto afzonderlijk gemotiveerd had moeten worden.
4.38
De
tweede klachtis gericht tegen de overweging van het hof dat uit de door [eisers] . als productie 29 overgelegde overzichtsfoto niet volgt dat de strook grond gedurende twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018 aan de achterzijde was afgesloten. [eisers] . voeren aan dat, zoals zij hebben gesteld [47] , op deze foto te zien is hoe de schutting en de coniferenhaag aansluiten op de tweede bollenschuur en de coniferenhaag duidelijk al veel langer aanwezig is. Ook als er vanuit moet worden gegaan dat de foto dateert van 2001/2002, blijkt hieruit – gelet op de grootte van de coniferen c.q. de dichtheid van de coniferenhaag – dat deze haag op dat moment al langere tijd (in ieder geval vóór 1997) aanwezig moet zijn gewest en het perceel van [eisers] . aan de achterzijde afsloot.
tweede klachtis gericht tegen de overweging van het hof dat uit de door [eisers] . als productie 29 overgelegde overzichtsfoto niet volgt dat de strook grond gedurende twintig jaren voorafgaand aan 13 maart 2018 aan de achterzijde was afgesloten. [eisers] . voeren aan dat, zoals zij hebben gesteld [47] , op deze foto te zien is hoe de schutting en de coniferenhaag aansluiten op de tweede bollenschuur en de coniferenhaag duidelijk al veel langer aanwezig is. Ook als er vanuit moet worden gegaan dat de foto dateert van 2001/2002, blijkt hieruit – gelet op de grootte van de coniferen c.q. de dichtheid van de coniferenhaag – dat deze haag op dat moment al langere tijd (in ieder geval vóór 1997) aanwezig moet zijn gewest en het perceel van [eisers] . aan de achterzijde afsloot.
4.39
Ook deze klacht vergt een feitelijke beoordeling. Daarnaast is het bestreden oordeel ook niet onbegrijpelijk. Aangezien de als productie 29 overgelegde foto volgens [eisers] . dateert van 1999 of 2001/2002, zou, zelfs indien uit die foto van een ondoordringbare coniferenhaag zou blijken, daarmee niet vaststaan dat die coniferenhaag ook al twintig jaar voor 13 maart 2018 ondoordringbaar was.
4.4
De slotsom luidt dat geen van de in het derde onderdeel voorgestelde klachten met succes is voorgesteld.
Onderdeel 4: voortbouwklacht
4.41
Onderdeel 4 klaagt voortbouwend dat gegrondbevinding van onderdelen 1 tot en met 3 ook het oordeel van het hof in rov. 3.10, 3.18-3.20 en het dictum treft. Deze klacht faalt in het voetspoor van de vorige klachten.
5.Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G