ECLI:NL:PHR:2026:729

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
25/04840
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:255 lid 1 sub b BWArt. 1:260 BWArt. 1:261 lid 2 BWArt. 1:262b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing en toetsing perspectiefbesluit in jeugdbescherming

Deze zaak betreft de cassatie tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van een jaar, waarbij tevens het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI) ter beoordeling stond. De moeder betwistte de duur van de verlenging en het oordeel van het hof dat het perspectiefbesluit onderschreven moest worden.

De feiten betreffen een minderjarige die sinds kort na geboorte uit huis is geplaatst en bij pleegouders verblijft. De GI heeft het contact tussen moeder en kind stopgezet en besloten niet langer te werken aan terugplaatsing. De rechtbank en het hof verlengden de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar en onderschreven het perspectiefbesluit.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechter in een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zich slechts mag uitlaten over het tijdelijke opgroeiperspectief voor de duur van de verlenging. Het structurele perspectief, zoals vastgelegd in het perspectiefbesluit, mag niet definitief worden bekrachtigd in deze procedure. De verlenging van de machtiging voor een jaar is gerechtvaardigd gezien het belang van de minderjarige en de omstandigheden.

De cassatie wordt verworpen omdat het oordeel over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing standhoudt, ook al is het perspectiefbesluit ten onrechte onderschreven. De rechtsbescherming tegen het perspectiefbesluit zelf is beperkt en wordt in de praktijk vormgegeven via andere procedures. Een wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming is in voorbereiding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een jaar, waarbij het perspectiefbesluit slechts beperkt mag worden betrokken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04840
Zitting10 juli 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
verzoekster tot cassatie
tegen
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna: de GI,
verweerster in cassatie
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[pleegouder 1] en [pleegouder 2] ,
hierna: de pleegouders

1.Inleiding

1.1
Deze zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van een jaar (art. 1:265c lid 2 BW), in het bijzonder de betekenis die daarbij toekomt aan het perspectiefbesluit van de GI dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien. Net als de rechtbank heeft het hof de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar toegewezen, omdat dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Verder heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarige inmiddels is verstreken en dat het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven. Volgens het hof biedt de uitspraak in HR 1 september 2023 [1] ruimte om in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing het perspectiefbesluit te beoordelen.
1.2
In cassatie voert de moeder aan dat het hof de machtiging tot uithuisplaatsing had moeten verlengen voor een kortere duur dan door de GI verzocht, teneinde een vinger aan de pols te houden met het oog op het uit te voeren onderzoek naar de mogelijkheden om het contact tussen de minderjarige en de moeder te hervatten. De moeder bestrijdt als zodanig niet het oordeel van het hof dat aan de wettelijke gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Verder betoogt de moeder dat het hof in het kader van de onderhavige procedure ten onrechte het perspectiefbesluit van de GI heeft onderschreven. Volgens de moeder verzet art. 8 EVRM Pro zich ertegen dat in het kader van de verlengingsprocedure van de uithuisplaatsing een rechterlijke beoordeling plaatsvindt van het structurele opgroeiperspectief van de minderjarige.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [2]
2.2
Uit de moeder is op [geboortedatum] 2021 te [plaats] geboren [de minderjarige] (hierna: de minderjarige).
2.3
De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
2.4
Bij beschikking van 3 november 2021 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Ook is aan de GI een machtiging verleend om de minderjarige dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn hierna steeds verlengd, laatstelijk tot 3 februari 2025.
2.5
De minderjarige verblijft sinds december 2021 bij de pleegouders.
2.6
Op 31 januari 2024 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat het contact tussen de moeder en de minderjarige volledig wordt stopgezet (hierna: de schriftelijke aanwijzing).
2.7
Bij brief van 11 december 2024 heeft de GI de moeder medegedeeld dat de GI heeft besloten om niet langer te werken aan terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder (hierna: het perspectiefbesluit). [3]
2.8
In deze procedure heeft de GI verzocht om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar, tot 3 februari 2026. Tevens heeft de GI verzocht om het perspectiefbesluit te beoordelen. [4] De moeder heeft verweer gevoerd en op haar beurt verzocht om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, een deskundige te benoemen om onderzoek te doen naar de minderjarige en zijn mogelijkheden voor contact met de moeder, en een bezoekregeling tussen de moeder en de minderjarige vast te stellen.
2.9
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de rechtbank Den Haag de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 3 februari 2026. In het lichaam van de beschikking heeft de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI onderschreven. De verzoeken van de moeder zijn aangehouden.
2.1
In hoger beroep heeft de moeder verzocht om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen, althans deze machtiging te verkorten tot een zo kort mogelijke termijn. Verder heeft de moeder verzocht om te bepalen dat de rechtbank het perspectiefbesluit van de GI ten onrechte heeft bekrachtigd. De GI heeft verweer gevoerd.
2.11
Bij beschikking van 1 oktober 2025 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en het meer of anders verzochte afgewezen. In het lichaam van de beschikking heeft het hof het perspectiefbesluit van de GI onderschreven.
2.12
De moeder is (tijdig) in cassatie gekomen van de beschikking van het hof (hierna: de bestreden beschikking). De GI en de overige belanghebbenden zijn in cassatie niet verschenen.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Alvorens de klachten van het middel te bespreken geef ik weer hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.
3.1.1
In rov. 5.1 stelt het hof het volgende voorop:
‘(…) Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Over het perspectiefbesluit zal de rechter zich in dit kader een oordeel dienen te vormen op grond van de overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148). De rechter kan het perspectiefbesluit alleen toetsen voor zover dit noodzakelijk is in verband met de beslissingen en verzoeken die (mede) voortvloeien of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige, zoals in dit geval de beslissing op het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.’
3.1.2
In rov. 5.2 overweegt het hof:
‘5.2 Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de verlen[g]ing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. Alle partijen zijn het erover eens dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt sinds de minderjarige uit huis is geplaatst. Ook heeft zij zich steeds op positieve wijze ingezet in het traject dat aanvankelijk is ingezet om te komen tot terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. Ondanks deze positieve ontwikkelingen is er sinds november 2023 geen contact tussen de moeder en de minderjarige omdat de minderjarige zeer sterk ontregeld raakt van dit contact. Het traject bij Basic Trust, gericht op het geven van therapie aan de minderjarige en het bewerkstelligen van contactherstel met de moeder, moest vanwege de zeer extreme ontregeling van de minderjarige eind 2024 zelfs vroegtijdig geheel worden beëindigd. De onderliggende reden voor de zware ontregeling van de minderjarige is tot op heden niet met zekerheid achterhaald. In het kader van het contactherstel met de moeder zal hier nog nader onderzoek naar worden gedaan, zoals in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure is bevolen. Door Basic Trust is geadviseerd om de minderjarige eerst tot rust te laten komen en de tijd te geven om weer terug te komen in zijn ‘kalme brein’. Dit is ook de visie van het expertiseteam, waar de gecertificeerde instelling deze zaak heeft ingebracht. Inmiddels heeft de gecertificeerde instelling een andere hulpverleningsinstantie (Prodeba Delft) gevonden die de therapie voor de minderjarige opnieuw wil oppakken. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting echter naar voren gebracht dat de minderjarige deze maand ook begint op de basisschool en daar moet wennen, zodat het daarom op dit moment te belastend voor hem is om met deze therapie te beginnen. Wanneer dit wel kan is op dit moment nog niet te zeggen. Van belang hiervoor is in ieder geval dat de minderjarige voldoende ‘rust in zijn hoofd’ heeft, gewend is op school en toe kan komen aan zijn eigen ontwikkeling. Het verloop en de mogelijke uitbreiding van het contact met de moeder is steeds afhankelijk van de draagkracht van de minderjarige.
Het hof heeft aldus geconstateerd dat er nog geen zicht op is op welke termijn de therapie kan starten en overweegt dat als dit nieuwe traject leidt tot contactherstel, dit met kleine stapjes zal moeten gaan. Het hof overweegt verder dat de minderjarige inmiddels bijna vier jaar is, uit huis is geplaatst toen hij een maand oud was, na twee maanden bij het huidige pleeggezin is geplaatst, daar goed is gehecht en er op dit moment nog geen zicht is op contactherstel, laat staan op een mogelijke terugplaatsing bij de moeder.
Gelet op dit alles is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken en dat het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit, dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven. Voor zover de moeder nog naar voren heeft gebracht dat de minderjarige op dit moment, vanwege zijn jonge leeftijd, geen last ervaart van de onduidelijkheid in zijn opvoedperspectief, zodat de gecertificeerde instelling het perspectiefbesluit te vroeg heeft genomen, overweegt het hof dat het desondanks in het belang van de minderjarige is dat er duidelijkheid en zekerheid komt over zijn opvoedsituatie. Ook voor de moeder en de pleegouders dient de onzekerheid over het perspectief van de minderjarige te eindigen. Onzekerheid bij hen kan bovendien ook leiden tot onrust bij de minderjarige.
Het hof begrijpt daarnaast dat het lange wachten voor de moeder enorm moeilijk is en dat zij zo snel mogelijk contactherstel wenst. Het hof begrijpt ook dat de moeder wenst dat de rechtbank een vinger aan de pols kan houden door het uitspreken van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur. Gelet op het voorgaande, en de nog resterende termijn van de verlenging van de uithuisplaatsing, ziet het hof hier echter onvoldoende redenen voor. Bovendien wordt in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure al een vinger aan de pols gehouden wat betreft het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige.’
3.1.3
In rov. 5.2 sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank in de beschikking van 24 januari 2025. De rechtbank overweegt in deze beschikking, voor zover van belang, als volgt (met weglating van voetnoten):

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing(…)
6.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarbij heeft de gecertificeerde instelling de rechtbank verzocht het door haar genomen perspectiefbesluit, inhoudende dat er niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige] , te beoordelen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 volgt dat er geen zelfstandige rechtsgang is waarin het opvoedbesluit (lees: perspectiefbesluit) als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd, maar dat de rechter een opvoedbesluit wel mag beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opvoedperspectief van de minderjarige(n). De rechtbank is dan ook bevoegd om zich in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing uit te laten over het door de gecertificeerde instelling geformuleerde perspectiefbesluit. Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de rechtbank van oordeel dat nog altijd wordt voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de gecertificeerde instelling het perspectiefbesluit op goede gronden heeft genomen en dat het perspectief van [de minderjarige] niet langer bij de moeder ligt.
6.2. (…)
De rechtbank vindt het daarom noodzakelijk dat er duidelijkheid komt over het opvoedperspectief van [de minderjarige] . (…) De rechtbank vindt het – gegeven het welbevinden van [de minderjarige] en het feit dat er al heel lang geen contact meer mogelijk is geweest tussen [de minderjarige] en de moeder – op dit moment niet langer in het belang van [de minderjarige] dat wordt gewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder.
(…) Het is echter niet in het belang van [de minderjarige] dat er langer onduidelijkheid is over waar hij zal opgroeien. Het standpunt van de moeder dat [de minderjarige] door zijn jonge leeftijd nog geen onduidelijkheid ervaart over zijn opvoedperspectief volgt de rechtbank niet. Juist bij jonge kinderen is de aanvaardbare termijn – de termijn waarin een kind onduidelijkheid kan ervaren over waar hij gaat opgroeien – korter en dient er sneller een beslissing te worden genomen over het opvoedperspectief. De aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is overschreden. De rechtbank kan de visie van de gecertificeerde instelling, dat niet meer aan terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder wordt gewerkt, dan ook onderschrijven. Gelet op dat oordeel zal de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de verzochte duur, te weten tot 3 februari 2026.’
3.1.4
In rov. 5.3 merkt het hof ten slotte nog op:
‘Ten overvloede overweegt het hof dat de moeder altijd de moeder van de minderjarige zal blijven en haar rol in het leven van de minderjarige van groot belang blijft. Het valt te prijzen dat de moeder enorm hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat zij een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Ter zitting is duidelijk geworden dat de gecertificeerde instelling zich in blijft zetten om zo spoedig mogelijk contactherstel te realiseren. Het hof gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich hiervoor dan ook zullen blijven inspannen.’
3.2
De klachten van het middel hebben betrekking op (i) de duur van een jaar waarmee het hof de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige heeft verlengd (onderdeel 1), en (ii) het oordeel van het hof dat het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven (onderdelen 1 en 2).
3.3
De
eerste klachtvan het middel komt erop neer dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het standpunt van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing, in geval van toewijzing van het verlengingsverzoek, voor een zo beperkt mogelijke duur te verlengen in plaats van de verzochte duur van een jaar, zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de oorsprong van de reactie van de minderjarige op (contact met) de moeder. Het middel beroept zich hiervoor op art. 8 EVRM Pro, de verplichting van de autoriteiten om zich in te spannen voor behoud van het recht op family life en de rechtspraak van het EHRM. [5] Het middel komt als zodanig niet op tegen het oordeel van het hof dat is voldaan aan de wettelijke gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b lid 1 jo. 1:265c lid 2 BW) (zie rov. 5.2, eerste volzin: ‘Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de verlen[g]ing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.’). Het middel klaagt uitsluitend over de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft de machtiging verlengd voor de duur van een jaar (tot 3 februari 2026), zoals door de GI verzocht.
3.4
Bij de behandeling van de klacht stel ik het volgende voorop. Op verzoek van de gecertificeerde instelling kan de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen (art. 1:265c lid 2 BW). Een gangbare praktijk is dat, indien het belang van de minderjarige hierom vraagt, de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegewezen voor een kortere duur (bijvoorbeeld voor drie of zes maanden) dan door de gecertificeerde instelling verzocht (doorgaans voor een jaar), en het verzoek voor het overige wordt aangehouden. [6] Het doel hiervan is om een rechterlijke vinger aan de pols te houden, teneinde zicht te kunnen houden op bijvoorbeeld de start, het verloop of de uitkomst van diagnostisch onderzoek of hulpverlening met het oog op een eventuele terugplaatsing van de minderjarige bij de ouders. De gecertificeerde instelling wordt in dat geval opgedragen om kort voor de behandeling van het aangehouden deel de rechter te informeren over de actuele stand van zaken. Op deze manier kan de rechter op basis van actuele informatie een effectievere beslissing nemen over het aangehouden deel van het verlengingsverzoek. Ook stelt deze werkwijze de rechter in staat om, voor zover mogelijk, mee te denken over en bij te sturen in de verdere vormgeving en uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. De vraag of, en zo ja, onder welke omstandigheden de rechter een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode dan verzocht kan/zal toewijzen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. De beantwoording van deze vraag zal afhankelijk zijn van de feiten en omstandigheden van het geval. [7] Hierbij komt de rechter de nodige beoordelingsvrijheid toe, waarbij het belang van de minderjarige leidend zal zijn. De rechter zal zijn beslissing zodanig moeten motiveren dat zijn gedachtegang hieromtrent voldoende inzichtelijk wordt gemaakt, mede in het licht van het partijdebat.
3.5
In deze zaak ziet het partijdebat met betrekking tot de verlengingsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing er als volgt uit.
3.5.1
In eerste aanleg heeft de GI verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een jaar. [8] Volgens de moeder is een verlenging van drie maanden aangewezen en moet het verzoek voor het overige worden aangehouden, in het licht van haar standpunt over de schriftelijke aanwijzing en haar verzoek tot contactherstel. [9] De rechtbank heeft de moeder hierin niet gevolgd, omdat ‘(…) het – gegeven het welbevinden van [de minderjarige] en het feit dat er al heel lang geen contact meer mogelijk is geweest tussen [de minderjarige] en de moeder – op dit moment niet langer in het belang van [de minderjarige] [is] dat wordt gewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder.’ [10]
3.5.2
In hoger beroep heeft de moeder haar standpunt over de verlengingsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing herhaald. Het appelschrift van de moeder vermeldt hierover:
‘Ten onrechte heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar afgegeven.
De moeder meent dat het uitgangspunt is dat een kind opgroeit bij een biologische ouder. De moeder vindt dat zij in de afgelopen jaren positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en dat zij in staat is [de minderjarige] een stabiele en veilige leefomgeving te bieden als haar die kans wordt geboden.
Een verdere uithuisplaatsing van [de minderjarige] is niet in het belang van [de minderjarige] , reden waarom in de ogen van de moeder de machtiging uithuisplaatsing zou moeten worden afgewezen.
Als dit, gelet op het zorgelijke gedrag dat [de minderjarige] vertoont, nu nog niet mogelijk is dan meent de moeder dat de rechtbank alsnog ten onrechte een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van 1 jaar heeft afgegeven.
De moeder wijst er op dat in alle beschikkingen van de rechtbank het afgelopen jaar de kinderrechter reden zag om vinger aan de pols te houden en de machtiging uithuisplaatsing maar voor een zeer korte periode (meestal 3 maanden) af te geven. De beschikkingen van de rechtbank van 30 januari 2024 (…), 30 april 2024 (…), 23 augustus 2024 (…) en 25 november 2024 (…) kunnen hierop worden nagelezen.
Onduidelijk is waarom op dit moment in tijd – terwijl er nog altijd geen contactherstel is tussen [de minderjarige] en de moeder, er geen uitzicht is op therapie voor [de minderjarige] en alle partijen aangeven dat er ernstige zorgen zijn en dat er iets moet gebeuren – gekozen wordt voor een machtiging uithuisplaatsing voor de duur van 1 jaar.
Nu verzoek II [het verzoek van de moeder strekkende tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, A-G] door de rechtbank is aangehouden voor 6 maanden begrijpt de moeder niet waarom er bijvoorbeeld niet voor is gekozen ook de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van 6 maanden af te geven en aan te houden voor het overige. Door de langere duur van de machtiging uithuisplaatsing valt immers ook de toetsende taak van de rechtbank weg, alsmede de mogelijkheid voor de rechtbank om nog invloed te kunnen uitoefenen op de weg die door WSJ wordt ingeslagen.
De moeder verzoekt om die reden de uithuisplaatsing af te wijzen, althans te bekorten in tijd.’ [11]
3.5.3
Het petitum van het appelschrift van de moeder luidt op dit punt:
‘Appellante zich wendt tot Uw Gerechtshof met het eerbiedig verzoek bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 24 januari 2025 van de rechtbank Den Haag te vernietigen en opnieuw rechtdoende
- Te bepalen dat het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans dat de machtiging uithuisplaatsing wordt bekort tot een zo kort mogelijke termijn.
(…).’
3.5.4
De GI heeft hiertegen als volgt verweer gevoerd:
‘De Stichting is van mening dat de machtiging voor de duur van een jaar noodzakelijk is in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft rust en duidelijkheid nodig om tot ontwikkeling te komen en daarvoor is het noodzakelijk dat hij in het pleeggezin blijft wonen zoals ook benoemd in de onderbouwing van het perspectiefbesluit. In de afgelopen jaren is de machtiging uithuisplaatsing met regelmaat uitgesproken voor kortere duur om vinger aan de pols te houden en om met elkaar te zien waar we staan en hoe het met [de minderjarige] gaat. Op het moment dat er duidelijkheid is over het perspectief is het gebruikelijk om de machtiging uit te spreken voor langere duur.
(…) Gezien het zorgelijke gedrag van [de minderjarige] is opgroeien bij moeder niet mogelijk.
De Stichting is van mening dat behandeling voor trauma’s en contactherstel met moeder als dat mogelijk is, los staat van waar [de minderjarige] woont en gaat opgroeien. Het klopt dat deze behandeling op dit moment nog niet gestart is omdat het eerst belangrijk is dat [de minderjarige] de rust en veiligheid ervaart om te kunnen ontwikkelen en om te zien dat hij veilig is. (…)
Op 10 februari heeft de Stichting zoals afgesproken de casus ingebracht in het expertiseteam met onafhankelijke professionals. Hun visie is, net als die van de Stichting, dat er op termijn breed onderzoek (contra-expertise) noodzakelijk is om te kijken wanneer en of [de minderjarige] klaar is voor contact met moeder en wat daarvoor nodig is. Zij geven nadrukkelijk aan dat het belangrijk is om met dit onderzoek te wachten totdat [de minderjarige] naar de basisschool gaat. (…).’ [12]
3.5.5
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de moeder het volgende opgemerkt:
‘Over de uithuisplaatsing. Cliënte vindt dat deze voor een te lange periode is uitgesproken. Het is een zeer zorgelijke situatie. Zij heeft [de minderjarige] de laatste keer gezien in november 2023. Dat komt niet omdat cliënte iets niet goed doet, maar door onverklaarbare gedrag van [de minderjarige] . Eerst moest zij wachten op therapie, toen weer andere therapie en nu is het gewoon handelsverlegenheid. We moeten wachten totdat [de minderjarige] in zijn kalme brein komt, maar hoelang dat gaat duren is onbekend. Dat maakt de zaak anders. Dat heeft ook gemaakt dat rechtbank het nodig heeft gevonden om vinger aan de pols te houden en steeds een machtiging te verlenen voor een kortere termijn. Dat was denk ik niet zozeer omdat de minderjarige dan op de korte termijn zou terugkeren, maar wel omdat deze zaak buikpijn geeft. Het onbevredigende gevoel wat beklijft. De rechtbank heeft altijd willen meedenken en meesturen waar mogelijk. Dat nu gekozen wordt de machtigingen voor de duur van één jaar uit te spreken, terwijl de zaak verder werd aangehouden, is moeilijk geweest voor cliënte om te accepteren. Met name aangezien duidelijk is dat [de minderjarige] uithuisgeplaatst blijft. Ik vraag u om er goed over na te denken. Niet omdat ik denk dat hij morgen naar huis komt, maar wel zodat er een vinger aan de pols wordt houden.’ [13]
3.6
Naar mijn mening voldoet het oordeel van het hof over de verlengingsduur van de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing aan de daaraan te stellen eisen. Ik leg dit als volgt uit. Uit de laatste alinea van rov. 5.2 blijkt dat het hof rekening heeft gehouden met het standpunt van de moeder over de verlengingsduur van de verzochte machtiging: ‘Het hof begrijpt daarnaast dat het lange wachten voor de moeder enorm moeilijk is en dat zij zo snel mogelijk contactherstel wenst. Het hof begrijpt ook dat de moeder wenst dat de rechtbank een vinger aan de pols kan houden door het uitspreken van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere periode.’ In het vervolg van deze alinea motiveert het hof waarom dit standpunt van de moeder niet wordt gevolgd: ‘Gelet op het voorgaande, en de nog resterende termijn van de verlenging van de uithuisplaatsing, ziet het hof hier echter onvoldoende redenen voor. Bovendien wordt in het aangehouden deel van de in eerste aanleg aanhangige procedure al een vinger aan de pols gehouden wat betreft het contactherstel tussen de moeder en de minderjarige.’ Dit oordeel van het hof is, evenals de motivering, goed te volgen. Zoals het hof ook opmerkt, is het contactherstel tussen de minderjarige en de moeder onderwerp van het aangehouden deel van de procedure in eerste aanleg. [14] Wat dat betreft wordt reeds een vinger aan de pols gehouden. Verder geldt dat het hof in staat was om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de verzochte duur van een jaar te beoordelen, zonder de ontwikkelingen inzake het contactherstel af te wachten. Voor het hof was immers duidelijk dat de minderjarige voorlopig niet teruggeplaatst zou kunnen worden bij de moeder: ‘Het hof overweegt (…) dat de minderjarige inmiddels bijna vier jaar is, uit huis is geplaatst toen hij een maand oud was, na twee maanden bij het huidige pleeggezin is geplaatst, daar goed is gehecht en er op dit moment nog geen zicht is op contactherstel, laat staan op een mogelijke terugplaatsing bij de moeder.’ (rov. 5.2, tweede alinea) Bovendien heeft het hof overwogen (onbestreden in cassatie) dat voor contactherstel nodig is dat de minderjarige eerst hulpverlening krijgt, maar dat nog niet duidelijk is wanneer de benodigde hulpverlening kan starten. Hiervoor is volgens het hof vereist ‘dat de minderjarige voldoende ‘rust in zijn hoofd’ heeft, gewend is op school en toe kan komen aan zijn eigen ontwikkeling.’ (rov. 5.2, eerste alinea) Het hof heeft geconstateerd ‘dat er nog geen zicht is op welke termijn de therapie kan starten’. (rov. 5.2, tweede alinea) Tegen deze achtergrond zou een aanhouding van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing geen toegevoegde waarde hebben, omdat de hulpverlening niet op korte termijn zou starten en in hoger beroep (gerekend vanaf de datum van de uitspraak van het hof op 1 oktober 2025) nog een periode van ruim vier maanden resteerde voor afloop van de verzochte verlengingsduur van een jaar (tot 3 februari 2026). [15]
3.7
Op grond van het voorgaande zal de eerste klacht van het middel niet tot cassatie kunnen leiden.
3.8
De
tweede klachtvan het middel betoogt, kort gezegd, het volgende. Het hof heeft in strijd gehandeld met de positieve verplichting tot gezinshereniging op grond van art. 8 EVRM Pro, door te oordelen dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarige is verstreken en het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven, terwijl de onderzoeksmogelijkheden naar een eventuele hereniging van de minderjarige en de moeder nog niet zijn uitgeput. Althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, omdat het belang van de minderjarige bij duidelijkheid over zijn opvoedsituatie geen rechtvaardiging biedt voor het oordeel van het hof dat de aanvaardbare termijn is verstreken. (onderdeel 1) Bovendien is het oordeel van het hof onjuist, omdat een kinderbeschermingsmaatregel tijdelijk van aard is. Hiermee verhoudt zich niet het oordeel van het hof dat het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven. Nu de uithuisplaatsing van de minderjarige nog loopt, geldt een positieve verplichting tot gezinshereniging. Ten slotte is het perspectiefbesluit in strijd met art. 6, 8 lid 2 en 13 EVRM, omdat een wettelijke grondslag voor het perspectiefbesluit ontbreekt en geen mogelijkheid bestaat voor een zelfstandige rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit. (onderdeel 2)
3.9
Bij de behandeling van de klacht stel ik het volgende voorop. In HR 1 september 2023 is over de rechtsbescherming tegen het perspectiefbesluit het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; opgroeiperspectief van een minderjarige
3.2.1
Op grond van art. 1:255 lid 1 BW Pro kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld van een gecertificeerde instelling indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. De ondertoezichtstelling laat het ouderlijk gezag in stand, maar beperkt dit gezag. Ingevolge art. 1:255 lid Pro 1, aanhef en onder b, BW is voor ondertoezichtstelling alleen plaats als de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding in staat zijn te dragen.
3.2.2
De ondertoezichtstelling kan gepaard gaan met een machtiging tot uithuisplaatsing. Een machtiging tot uithuisplaatsing kan alleen worden verleend als de minderjarige onder toezicht is gesteld van een gecertificeerde instelling en de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding of tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige (art. 1:265b lid 1 BW).
3.2.3
Als er geen zicht is op terugkeer van de minderjarige naar de ouder(s) omdat de ouder(s) niet binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen, kan het gezag van de ouder(s) worden beëindigd (art. 1:266 lid 1 BW Pro).
3.2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.1-3.2.3 is overwogen, is zowel bij de beslissing tot ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing als bij de beslissing of het gezag moet worden beëindigd, mede bepalend wat voor de minderjarige een aanvaardbare termijn is waarbinnen de ouder(s) de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen.
3.2.5
Gedurende de uithuisplaatsing kan de gecertificeerde instelling tot het standpunt komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroeiperspectief van de minderjarige elders ligt. Dit standpunt van de gecertificeerde instelling wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. De bedoeling van de wetgever is dat de gecertificeerde instelling in dat geval overweegt om de rechter te verzoeken over te gaan tot beëindiging van het gezag.
3.2.6
In de praktijk komt het voor dat niet om beëindiging van het gezag wordt verzocht, ook al wordt wel voldaan aan de gronden daarvoor (…). Het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige kan ook dan in de praktijk doorwerken, namelijk in de manier waarop de ondertoezichtstelling verder wordt uitgevoerd, onder meer doordat de hulpverlening niet meer gericht wordt op een terugkeer van de minderjarige naar de ouder(s) en doordat in dat geval de gecertificeerde instelling veelal besluit het contact tussen de minderjarige en de ouder(s) te verminderen (art. 1:265f BW).
3.2.7
De ouder(s), de minderjarige en de pleegouders zijn gediend met inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Het perspectiefbesluit heeft evenwel als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt daaraan geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het perspectiefbesluit als zodanig ter beoordeling aan de rechter voor te leggen.
Enige specifieke procedures betreffende aan een perspectiefbesluit gegeven gevolgen
3.3.1
In de wet is wel voorzien in procedures waarin bepaalde gevolgen die de gecertificeerde instelling verbindt aan haar standpunt inzake het opgroeiperspectief van de minderjarige, aan de rechter kunnen worden voorgelegd.
3.3.2
De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven aan de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige (art. 1:263 lid 1 BW Pro). Die aanwijzing kan (mede) voortvloeien uit een perspectiefbesluit. De kinderrechter kan op grond van art. 1:264 BW Pro op verzoek van onder meer de met het gezag belaste ouder(s) een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren.
3.3.3
Het standpunt van de gecertificeerde instelling dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is, kan ertoe leiden dat de gecertificeerde instelling de contactmomenten tussen de ouder(s) en de minderjarige terugbrengt. Een dergelijke beslissing geldt ingevolge art. 1:265f lid 2 BW als een schriftelijke aanwijzing, waartegen op grond van art. 1:264 BW Pro bij de kinderrechter kan worden opgekomen. Indien reeds eerder bij rechterlijke uitspraak een omgangsregeling is vastgesteld, kan de gecertificeerde instelling op grond van art. 1:265g lid 2 BW de kinderrechter om wijziging daarvan verzoeken. In deze gevallen zal de kinderrechter een verschil van mening tussen de ouder(s) en de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige in de beoordeling dienen te betrekken voor zover dat nodig is om op het verzoek te beslissen.
3.3.4
Een verschil van mening tussen de ouder(s) en de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige zal ook aan de orde kunnen komen in het kader van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (art. 1:260 en Pro 1:265c lid 2 BW). Het verlengen van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is immers in beginsel alleen toelaatbaar indien er zicht is op terugkeer naar de ouder(s). In dit kader zal de kinderrechter zich dus een oordeel moeten vormen over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Hetzelfde geldt in het geval van een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling (art. 1:261 lid 2 BW Pro) of een verzoek tot beëindiging of bekorting van de duur van de uithuisplaatsing (art. 1:265d lid 4 BW).
3.3.5
Als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn, kan de rechtbank het gezag van een ouder over de minderjarige beëindigen (art. 1:266 lid Pro 1, aanhef en onder a, BW (…). Ook in het kader van een verzoek tot gezagsbeëindiging op deze grond zal de rechter zich een oordeel moeten vormen over het opgroeiperspectief van de minderjarige en het standpunt van de gecertificeerde instelling hierover.
Andere aan een perspectiefbesluit gegeven gevolgen; geschillenregeling
3.4.1
Een perspectiefbesluit kan ook gevolgen hebben voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zonder dat sprake is van een schriftelijke aanwijzing zoals bedoeld in art. 1:263 BW Pro (waartegen op grond van art. 1:264 BW Pro kan worden opgekomen), of zonder dat anderszins een specifieke procedure openstaat. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige leidt tot wijzigingen in de hulpverlening in die zin dat deze niet meer wordt gericht op een terugkeer van de minderjarige naar de ouder(s).
(…)
3.4.5
Als op grond van de geschillenregeling een geschil over de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter wordt voorgelegd, zal deze zich ook over het perspectiefbesluit een oordeel moeten vormen voor zover dat nodig is om op het geschil te kunnen beslissen. Het oordeel over het in het perspectiefbesluit vervatte standpunt van de gecertificeerde instelling is dan voorlopig van aard.
Rechtsbescherming tegen een perspectiefbesluit en de daaraan gegeven gevolgen
3.5.1
Uit het wettelijk stelsel zoals hiervoor in 3.2.1-3.4.5 weergegeven, volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. De tekst van art. 1:262b BW en de toelichting daarbij geven onvoldoende grond voor de rechtsopvatting dat een perspectiefbesluit via de geschillenregeling zelfstandig ter beoordeling, goedkeuring of bekrachtiging aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. Dit laat onverlet dat de rechter een perspectiefbesluit in voorkomend geval zal moeten beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige.
3.5.2
Indien de wetgever het wenselijk acht dat het perspectiefbesluit als zodanig door de rechter kan worden getoetst, is het aan de wetgever om daarvoor binnen het stelsel van Boek 1 BW in een rechtsgang te voorzien.
Slotsom
3.6.1
Het middel faalt voor zover het uitgaat van de opvatting dat een perspectiefbesluit als zodanig via de geschillenregeling van art. 1:262b BW ter beoordeling, goedkeuring of bekrachtiging aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. Art. 1:262b BW voorziet immers niet in een afzonderlijke rechtsgang voor een zelfstandige beoordeling van een perspectiefbesluit.
3.6.2
Het middel slaagt voor zover het klaagt over het oordeel van het hof dat de kinderrechter geen oordeel kan geven over een perspectiefbesluit in het kader van de geschillenregeling en dat een perspectiefbesluit slechts aan de orde kan komen bij de beoordeling door de rechtbank van een maatregel tot gezagsbeëindiging. Een perspectiefbesluit kan immers ook aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit.’ [16]
3.1
Welke ruimte bestaat nu voor een rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW)? Hiervoor is het volgende van belang. In een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW ligt
uitsluitendde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor. Dit is naar zijn aard een tijdelijke maatregel, voor ten hoogste een jaar. In dat kader zal de rechter zich een oordeel moeten vormen over de voor de minderjarige aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen (art. 1:265c lid 2 jo. art. 1:255 lid 1 sub b BW Pro). Dit vraagt om een beoordeling van het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige, voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vraag is dan of de minderjarige uithuisgeplaatst moet blijven of dat zicht bestaat op terugplaatsing bij de ouders. Het rechterlijke oordeel over het opgroeiperspectief van de minderjarige beperkt zich in dat geval tot de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zegt nog niets over de vraag waar de minderjarige
structureelzal opgroeien. In dit verband zal de rechter de inhoud van het perspectiefbesluit
hooguitkunnen betrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van en uitsluitend met het oog op het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing. Zo moet rov. 3.3.4 van de uitspraak in HR 1 september 2023 in mijn optiek ook worden begrepen. Waar in rov. 3.3.4 van die uitspraak wordt verwezen naar ‘het opgroeiperspectief van de minderjarige’, zal daarmee bedoeld zijn het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing. De vraag naar het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige hoort niet thuis in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, maar in een procedure tot gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro. [17] In een procedure op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro zal de rechter zich eveneens een oordeel moeten vormen over de voor de minderjarige aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen. Anders dan in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, vraagt dit om een rechterlijke beoordeling van het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. Zo moet rov. 3.3.5 van de uitspraak in HR 1 september 2023 in mijn optiek ook worden begrepen. Waar in rov. 3.3.5 van die uitspraak wordt verwezen naar ‘het opgroeiperspectief van de minderjarige’, zal daarmee bedoeld zijn het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. Immers, de gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro betreft naar haar aard een structurele maatregel die, anders dan (de verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing, niet is beperkt in tijd, behoudens de mogelijkheid van herstel in het gezag (art. 1:277 BW Pro).
3.11
Dit betekent het volgende. In het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal de rechter in verband met het vereiste van de aanvaardbare termijn (art. 1:265c lid 2 jo. art. 1:255 lid 1 sub b BW Pro) zich een oordeel moeten vormen over het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige voor de duur van en met het oog op de verzochte verlenging. Hierbij dient de rechter zich te onthouden van een oordeel over het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. [18] Het rechterlijke oordeel over het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan geen betrekking hebben op het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige met het oog op een eventuele procedure tot gezagsbeëindiging (art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro). Naar mijn mening verdraagt zich hiermee niet dat de rechter in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing het perspectiefbesluit onderschrijft, bekrachtigt of in welke andere bewoordingen dan ook tot uitdrukking brengt dat hij het eens is met het standpunt van de gecertificeerde instelling dat de minderjarige niet bij de ouders zal opgroeien en zijn structurele opgroeiperspectief elders ligt. [19] Hierover wordt in de feitenrechtspraak ook wel anders gedacht; [20] zo ook (de rechtbank en het hof) in de onderhavige zaak. Het lijkt mij aangewezen dat de Hoge Raad op dit punt duidelijkheid verschaft.
3.12
Terug naar de onderhavige zaak. In de derde alinea van rov. 5.2 overweegt het hof: ‘Gelet op dit alles is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken en dat het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven.’ Ik wil nog wel aannemen dat de overweging die het hof wijdt aan het verstrijken van de aanvaardbare termijn zou kunnen slaan op de beoordeling van de aanvaardbare termijn in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 jo. art. 1:255 lid 1 sub b BW Pro). [21] Dat geldt echter niet voor het vervolg van deze overweging, dat ‘(…) het door de gecertificeerde instelling genomen perspectiefbesluit dat inhoudt dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien, dient te worden onderschreven.’ Ik heb niet de indruk dat het hof hiermee het perspectiefbesluit slechts heeft willen onderschrijven met het oog op en voor de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Sterker nog, blijkens de eerste twee alinea’s van rov. 5.2 heeft het hof het perspectiefbesluit helemaal niet ten grondslag gelegd aan zijn verlengingsbeslissing. Dit duidt erop dat het hof in de derde alinea van rov. 5.2 het perspectiefbesluit zelfstandig heeft beoordeeld en onderschreven. Evenals de rechtbank schaart het hof zich in de derde alinea van rov. 5.2 uitdrukkelijk achter het standpunt van de GI ‘(…) dat de minderjarige niet bij de moeder zal opgroeien’. Dit standpunt van de GI heeft onmiskenbaar betrekking op het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige.
3.13
Dit brengt mij tot de conclusie dat het hof het (structurele opgroeiperspectief van de minderjarige in het) perspectiefbesluit in het kader van deze procedure (over een tijdelijke kinderbeschermingsmaatregel) niet had mogen onderschrijven op de manier zoals het hof dat in de derde alinea van rov. 5.2 heeft gedaan. Hiermee heeft het hof de ruimte miskend die op grond van rov. 3.3.4 van de uitspraak in HR 1 september 2023 bestaat om het tijdelijke opgroeiperspectief van de minderjarige te beoordelen in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Anders dan het middel betoogt, zal dit echter niet tot vernietiging van de bestreden beschikking moeten leiden. Inzet van de procedure in hoger beroep is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het oordeel van het hof dat de rechtbank het verlengingsverzoek van de GI terecht heeft toegewezen, wordt zelfstandig gedragen door de overwegingen in de eerste twee alinea’s van rov. 5.2, waarin het hof uiteenzet waarom ‘de verlen[g]ing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding’. Aan dit oordeel heeft het hof het perspectiefbesluit, dat pas aan de orde komt in de derde alinea van rov. 5.2, niet ten grondslag gelegd. Anders gezegd, blijft het oordeel van het hof over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in stand, ook als het hof het perspectiefbesluit ten onrechte heeft onderschreven. De klacht met betrekking tot het perspectiefbesluit zal, hoewel terecht voorgesteld, dus niet tot cassatie kunnen leiden.
3.14
Ten slotte voert het middel weliswaar terecht aan dat het perspectiefbesluit geen wettelijke grondslag heeft en als zodanig niet ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd, maar dit levert op zichzelf genomen nog geen strijd op met art. 6, 8 lid 2 en 13 EVRM. De wet verbindt aan het perspectiefbesluit als zodanig geen rechtsgevolg, zodat de minderjarige en de moeder door het perspectiefbesluit als zodanig nog niet in hun rechten worden aangetast. Dit wordt anders zodra de gecertificeerde instelling aan haar standpunt over het structurele opgroeiperspectief van de minderjarige in het perspectiefbesluit, gevolgen verbindt in het kader van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor geldt dat de wet voorziet in procedures waarin bepaalde gevolgen die de gecertificeerde instelling verbindt aan haar standpunt over het opgroeiperspectief van de minderjarige in het perspectiefbesluit, aan de rechter ter beoordeling kunnen worden voorgelegd. Ik verwijs hiervoor naar rov. 3.3.1 e.v. van de uitspraak in HR 1 september 2023. Hiermee bestaat een effectieve rechterlijke toetsing van de gevolgen die de gecertificeerde instelling verbindt aan het perspectiefbesluit.
3.15
In dit verband verdient nog vermelding dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een concept wetsvoorstel ter versterking van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming heeft opgesteld. [22] Op 26 juni 2026 heeft de ministerraad ermee ingestemd om het concept wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te sturen. [23] Het concept wetsvoorstel versterkt de rechtsbescherming en rechtspositie van minderjarigen en ouders bij kinderbeschermingsmaatregelen, onder andere door kosteloze rechtsbijstand voor ouders, het bevorderen van terugplaatsing van minderjarigen na uithuisplaatsing en betere toezicht op minderjarigen die niet thuis opgroeien. Ook wordt aandacht besteed aan de rechtsbescherming tegen het perspectiefbesluit. De concept memorie van toelichting vermeldt hierover:
‘Ten slotte wordt de beslissing over het opvoedperspectief van de minderjarige (ook wel perspectiefbesluit genoemd) in het wetsvoorstel expliciet bij de kinderrechter neergelegd. Vanaf het eerste verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing moet expliciet worden gemaakt wat het opvoedperspectief van de minderjarige is, in ieder geval voor de nabije toekomst, waarbij het uitgangspunt is dat wordt gewerkt aan thuisplaatsing. Bij elke verlenging van de machtiging wordt het opvoedperspectief opnieuw expliciet gemaakt. Hierdoor kan de kinderrechter sneller bijsturen als naar de visie van de gecertificeerde instelling het opvoedperspectief elders dan thuis ligt maar bijvoorbeeld blijkt dat de mogelijkheden voor thuisplaatsing nog onvoldoende zijn onderzocht. Bovendien wordt het mogelijk in hoger beroep te gaan tegen de beslissingen van de kinderrechter over het opvoedperspectief, bijvoorbeeld wanneer is bepaald dat dit perspectief elders dan thuis ligt. Dit waarborgt een goede, tijdige rechtsbescherming tegen beslissingen over het opvoedperspectief van de minderjarige.’ [24]
Zie ook:
‘In lijn met het advies van de Adviescommissie is voor de wettelijke verankering van het perspectiefbesluit gekozen voor een integrale verankering en voortdurende beoordeling van het perspectief van de minderjarige door de kinderrechter binnen de machtiging tot uithuisplaatsing. Indien de GI of de RvdK van oordeel is dat bij de uitvoering van de uithuisplaatsing voorlopig niet (meer) gewerkt zou moeten worden aan thuisplaatsing van de minderjarige, dan dient dit te leiden tot een gemotiveerd verzoek aan de kinderrechter, als onderdeel van het verzoek tot (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing. Totdat de kinderrechter hierover heeft geoordeeld, kan en mag de GI geen gevolgen verbinden aan deze eigen inschatting. Om te voorkomen dat dit een spanningsveld oplevert met artikel 262 en Pro artikel 3.5 Jeugdwet op grond waarvan de GI bepaalt welke jeugdhulp dient te worden ingezet, dient de GI in zo’n geval zo spoedig mogelijk een verzoek in te dienen tot wijziging van het eerder door de kinderrechter bepaalde perspectief van de minderjarige. Dat betekent ook dat de GI, als de (verlenging van de) lopende machtiging tot uithuisplaatsing niet zeer binnenkort aan de rechter wordt voorgelegd, een (nieuw) verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing met wijziging van het opvoedperspectief moet doen. Bij de nog lopende machtiging tot uithuisplaatsing is immers nog vastgesteld dat de inspanning van de GI gericht is op thuisplaatsing.
De kinderrechter kan vervolgens bepalen dat de inspanning van de GI niet langer gericht is op thuisplaatsing. De kinderrechter zal de minderjarige van acht jaar en ouder de gelegenheid geven om te worden gehoord voordat een beslissing wordt genomen. Als de kinderrechter bepaalt dat het perspectief niet langer thuis ligt, geldt de machtiging uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling tot de meerderjarigheid. Doordat niet jaarlijks hoeft te worden verlengd, wordt onrust bij de minderjarige, de ouders en pleeg- en gezinshuisouders voorkomen en wordt duidelijkheid verschaft over het opvoedperspectief van de minderjarige.
Hiermee wijzigt de wettelijke verankering van het opvoedperspectief zo min mogelijk aan de bestaande wettelijke systematiek. Wat wel wezenlijk wijzigt ten opzichte van het huidige wettelijk stelsel is dat in het vervolg ook een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zonder direct perspectief op thuisplaatsing bij de ouders mogelijk wordt. Hiermee komen de beslissingen dat de minderjarige voor een bepaalde periode ergens anders dan in het eigen gezin zal opgroeien en de beslissing tot beëindiging van het ouderlijk gezag meer los van elkaar te staan.
In het kader van de uitvoering van een uithuisplaatsing waarbij het opvoedperspectief niet meer bij de ouder(s) met gezag ligt zijn de inspanningen van de GI in beginsel nog steeds gericht op het bevorderen van contact en omgang tussen de minderjarige en zijn ouders en andere belangrijke hechtingsfiguren, zoals zijn broers en zussen en grootouders.
De GI wordt verantwoordelijk voor de evaluatie van het welzijn en de veiligheid van minderjarigen waarvan de kinderrechter heeft bepaald dat het opvoedperspectief niet meer bij de ouder(s) ligt. Over deze evaluatie rapporteert zij aan de raad voor de kinderbescherming. Op deze wijze wordt voorzien in een periodieke evaluatie van de minderjarige waarvoor het perspectief elders is bepaald en dus geen jaarlijkse toetsing door de kinderrechter plaatsvindt.’ [25]
3.16
Zolang het wetsvoorstel geen kracht van wet heeft, is de praktijk aangewezen op de mogelijkheden van rechtsbescherming tegen het perspectiefbesluit die zijn beschreven in de uitspraak van HR 1 september 2023.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148, NJ 2023/324, m.nt. S.F.M. Wortmann; JPF 2023/101, m.nt. J.H. de Graaf.
2.Zie rov. 3.2 e.v. van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2793. Vgl. ook de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025.
3.Het perspectiefbesluit is te vinden als bijlage bij de brief van 14 april 2025 van de moeder in hoger beroep. Het perspectiefbesluit vermeldt op p. 1: ‘De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering vindt dat [de minderjarige] niet bij u kan opgroeien. Dit betekent dat de Willem Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering vindt dat er niet meer kan of moet worden gewerkt aan thuisplaatsing van [de minderjarige] .’ En op p. 4: ‘Wat betekent deze brief van de GI? Naar aanleiding van deze beslissing zal de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering: de kinderrechter informeren over deze beslissing bij het eerstkomende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.’
4.Zie rov. 3.1 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025: ‘(…) De gecertificeerde instelling verzoekt ook om het perspectiefbesluit te beoordelen. Dat besluit houdt in dat de gecertificeerde instelling niet meer werkt aan terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. (…).’ Zie ook het appelschrift van de moeder, onder 2: ‘WSJ heeft – tegelijk met haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing – de rechtbank verzocht het door de WSJ genomen perspectiefbesluit, inhoudende dat er niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige] , te beoordelen.’ Mij is niet duidelijk geworden in welk processtuk de GI het verzoek met betrekking tot het perspectiefbesluit heeft gedaan. In ieder geval blijkt dit niet uit het inleidende verzoekschrift.
5.Het middel verwijst naar EHRM 15 april 2025, zaaknr. 45644/18, ECLI:CE:ECHR:2025:0415JUD004564418, AB 2025/236, m.nt. M.R. Bruning (Van Slooten/Nederland).
6.Vgl. M.R. Bruning e.a., Eindevaluatie Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen, WODC 2022, p. 233 e.v. en p. 301. Zo is het ook gegaan in de onderhavige zaak in eerste aanleg. Ik wijs op de beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2024, waarin het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden is toegewezen en voor het overige is aangehouden ‘(…) zodat de evaluatie van Basic Trust en het daaropvolgende traject gemonitord kan worden met het oog op contactherstel met de moeder en uiteindelijk de vraag naar het perspectief van [de minderjarige] .’ (rov. 5.2) Zie ook de beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2024, rov. 5.2: ‘(…) De kinderrechter ziet in dit alles aanleiding om het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor drie maanden en voor het overige aan te houden om een vinger aan de pols te houden.’
7.Vanzelfsprekend geldt hierbij steeds dat voldaan zal moeten zijn aan de wettelijke gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b lid 1 jo. art. 1:165c lid 2 BW).
8.Zie rov. 3.1 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025.
9.Zie rov. 4.2 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025.
10.Zie rov. 6.2 van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 24 januari 2025.
11.Appelschrift, onder 3, p. 3.
12.Verweerschrift, p. 1-2.
13.Proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof op 2 september 2025, p. 2.
14.Vgl. 2.9 van mijn conclusie.
15.Mij is ambtshalve gebleken dat de rechtbank inmiddels uitspraak heeft gedaan in het aangehouden deel van de zaak. Zie Rb. Den Haag 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27350, waarin een tijdelijke contactregeling is vastgesteld: ‘(…) De rechtbank beschikt nog niet over voldoende informatie om – nu al – een eindoordeel te geven over het verzoek om een contactregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen. Het is nog onduidelijk wat het behandelplan van Prodeba zal zijn en hoe [de minderjarige] tijdens het traject dat door Prodeba wordt ingezet, zal gaan reageren. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] wel noodzakelijk is om een contactregeling tussen hem en de moeder vast te stellen. Het is van belang dat er tijdens het traject bij Prodeba contact tussen de moeder en [de minderjarige] direct mogelijk is zodra de behandelaren dit passend achten. Daarom zal de rechtbank een tijdelijke contactregeling vaststellen voor de duur van (ongeveer) een half jaar, tot 30 juni 2026, die inhoudt dat er alleen contact zal plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de moeder indien en voor zover de behandelaren (van Prodeba of een soortgelijke instelling) bepalen dat en in welke vorm dat mogelijk is. Dit contact zal alleen plaatsvinden op de wijze die de behandelaren passend achten en onder regie van de gecertificeerde instelling. De behandeling van het verzoek van de moeder, dat verder strekt dan wat de rechtbank nu zal vaststellen, zal voor het overige worden aangehouden.’ (rov. 5.10)
16.HR 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148. Deze uitspraak is in de literatuur veelal kritisch ontvangen; zie J. Huijer, De Hoge Raad over het perspectiefbesluit in jeugdbeschermingszaken, AA 2024, p. 254-261; M.F.G.H. Beckers, Perspectief of luchtspiegeling? Overdenkingen bij rechtsbescherming in civiele jeugdzaken, EB 2024/60, p. 156-160; J.C.E. Ackermans-Wijn, Kroniek Familieprocesrecht, TCR 2024/2, p. 52; J.H. de Graaf, noot in JPF 2023/101; S.F.M. Wortmann, noot in NJ 2023/324. De feitenrechtspraak die is verschenen na HR 1 september 2023 laat een gevarieerd beeld zien over de wijze waarop, de mate waarin en de intensiteit waarmee het perspectiefbesluit inhoudelijk wordt getoetst in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zie voor een overzicht van de rechtspraak I.J. Pieters, FJR 2025/24, p. 133 e.v. en FJR 2026/28, p. 177 e.v.
17.Een uitzondering hierop vormt de situatie dat, hoewel het opgroeiperspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt en daarmee is voldaan aan de grond voor gezagsbeëindiging (art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro), in het belang van de minderjarige toch wordt gekozen voor een verlenging van de uithuisplaatsing. Zie HR 1 september 2023, rov. 3.2.6 en de conclusie van A-G Lückers, onder 3.17. In de onderhavige zaak heeft de GI ook gehint op deze situatie. Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 2 september 2025, p. 5: ‘U vraagt mij of er door de gecertificeerde instelling vanwege het perspectiefbesluit ook is gedacht aan gezagsbeëindiging. De gecertificeerde instelling in de vorige regio heeft hier toen wel aan gedacht, maar dat is toen ingetrokken. Ik vind het niet in het belang van [de minderjarige] en niet in het belang van moeder.’ Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat dit ook de achtergrond is van het verzoek van de GI om het perspectiefbesluit door de rechter te laten beoordelen in het kader van de onderhavige procedure. Ik heb dan ook niet de indruk dat het hof deze situatie voor ogen heeft gehad bij de beoordeling van het perspectiefbesluit in de bestreden beschikking.
18.Daargelaten de uitzondering die is genoemd in de vorige noot.
19.Dit lijkt ook de vaste lijn te zijn van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; zie bijvoorbeeld de uitspraken van 5 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1612; 28 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2191; 23 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3562; 23 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:339; 29 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:496.
20.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 6 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:9; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3035; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2882; Rb. Midden-Nederland 19 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3419; Rb. Noord-Holland 22 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:599; Rb. Overijssel 5 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:318.
21.Vgl. 3.10 van mijn conclusie.
22.Zie https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK025903 en
23.Zie https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2026/06/26/wetsvoorstel-versterking-rechtsbescherming-in-de-jeugdbescherming-voor-advies-naar-de-raad-van-state
24.Concept memorie van toelichting, p. 4.-5.
25.Concept memorie van toelichting, p. 9-10.