Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3419

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
C/16/608143 / JE RK 26-326
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 19 mei 2026 uitspraak gedaan over het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds mei 2024 bij pleegouders verblijft.

De moeder van de minderjarige is belast met het ouderlijk gezag, maar de minderjarige verblijft niet bij haar vanwege ernstige bedreigingen van haar ontwikkeling en een onstabiele opvoedsituatie. De moeder heeft beperkte omgang met het kind en werkt onvoldoende mee aan hulpverlening. De GI heeft een perspectiefbesluit genomen dat de minderjarige bij de pleegouders zal blijven opgroeien, wat de rechtbank onderschrijft.

De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing tot 23 mei 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De moeder is niet verschenen bij de zitting en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank benadrukt het belang van duidelijkheid over het opgroeiperspectief en de rol van de moeder in het leven van de minderjarige.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 23 mei 2027 en onderschrijft het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608143 / JE RK 26-326
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd in [plaats] ,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [2022] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige (voornaam)] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[belanghebbende],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
De familie [achternaam],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.
De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • mevrouw [A] , namens de GI,
  • de pleegvader.
De moeder was ook opgeroepen voor de zitting, maar zij is niet verschenen.
1.3.
Daarna heeft de rechtbank op 19 mei 2026 nog de brief van 11 mei 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming ontvangen van de GI.
2.
De feiten
2.1.
[minderjarige]is geboren op [2022] in [geboorteplaats] .
Zij is op [2022] erkend door
[B].
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] .
2.3.
[minderjarige (voornaam)] verblijft sinds 16 mei 2024 bij de pleegouders.
2.4.
De moeder heeft eens per twee weken 1,5 uur omgang met [minderjarige (voornaam)] .
2.5.
In de beschikking van 23 februari 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige (voornaam)] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 23 mei 2026.
2.6.
In de beschikking van 16 mei 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een pleeggezin. Sindsdien heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] steeds verlengd, voor het laatst tot 23 mei 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad staat achter deze verzoeken van de GI, zo volgt uit de brief van 11 mei 2026.
3.2.
Daarnaast vraagt de GI om het besluit van 17 oktober 2025, dat op schrift is gesteld op 3 november 2025, over het opgroeiperspectief van [minderjarige (voornaam)] te onderschrijven.

4.De standpunten

De moeder heeft geen verweer gevoerd in deze procedure. Volgens de GI is de moeder het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] . Volgens de GI is de moeder het niet eens met het perspectiefbesluit en wil de moeder op termijn graag zelf voor [minderjarige (voornaam)] zorgen.

5.De beoordeling

Ondertoezichtstelling
5.1.
De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 23 mei 2027. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige (voornaam)] is kwetsbaar doordat zij in de eerste twee jaar van haar leven onrust en onveiligheid heeft ervaren. Ook woont [minderjarige (voornaam)] niet bij de moeder. Daarom is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 23 mei 2027. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] is noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [2] Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
5.4.
De GI is van mening dat [minderjarige (voornaam)] niet meer teruggeplaatst kan worden bij de moeder en dat het perspectief van [minderjarige (voornaam)] bij de pleegouders ligt. De GI heeft de rechtbank gevraagd om zich uit te laten over het opgroeiperspectief van [minderjarige (voornaam)] .
5.5.
De rechtbank stelt voorop dat de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling onder het bereik van de GI valt. Gedurende de uithuisplaatsing kan de GI tot de conclusie komen dat terugplaatsing bij de ouder(s) niet meer aan de orde is en dat het opgroei-perspectief van de kinderen ergens anders ligt. Deze conclusie van de GI wordt in de praktijk aangeduid als ‘perspectiefbesluit’. De bedoeling van de wetgever is dat de GI in dat geval overweegt om aan de Raad te vragen bij de rechter een verzoek te doen om over te gaan tot beëindiging van het gezag. In de praktijk komt het echter voor dat niet (meteen) om beëindiging van het gezag wordt verzocht, maar dat het perspectiefbesluit wel doorwerkt in de manier waarop de GI omgaat met de uithuisplaatsing. De hulpverlening is dan bijvoorbeeld niet meer gericht op een terugkeer van de kinderen naar de ouder(s).
5.6.
De ouders, de kinderen en de pleegouders hebben belang bij inzicht in en duidelijkheid over het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de kinderen. In dat opzicht vervult het perspectiefbesluit een belangrijke functie. Hoewel het perspectiefbesluit duidelijkheid kan bieden, heeft het als zodanig geen wettelijke grondslag. De wet verbindt aan zo’n besluit geen rechtsgevolgen en voorziet niet in een specifieke rechtsgang om het ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Wel zijn er verschillende procedures waarin het opgroeiperspectief van de minderjarige een rol speelt. Een verschil van mening tussen de ouder(s) en de GI over het opgroeiperspectief van het kind zal bijvoorbeeld aan de orde kunnen komen in het kader van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. [3] De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat een perspectiefbesluit in een rechterlijk oordeel kan worden betrokken voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. [4] De beslissing op het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] is een maatregel die (mede) samenhangt met het perspectiefbesluit, en daarom zal de rechtbank zich hierover uitlaten.
5.7.
Er zijn ernstige zorgen over de opvoedsituatie voor [minderjarige (voornaam)] in de leefomgeving van de moeder. Deze zorgen bestaan al jaren en zijn het afgelopen jaar nog verder toegenomen, omdat de moeder haar woning bij [instelling 1] is kwijtgeraakt omdat de moeder zich niet aan de afspraken hield. De moeder verblijft nu op wisselende plekken bij familie en er is weinig zicht op haar leefsituatie en contacten. Zij is wisselend bereikbaar voor hulpverlening. De moeder accepteert geen hulpverlening op het gebied van haar opvoedvaardigheden. Daarnaast heeft de moeder geen hulpverlening meer voor zichzelf. Het is de moeder de afgelopen jaren niet gelukt om een rustige en stabiele opvoedingssituatie voor [minderjarige (voornaam)] te creëren.
5.8.
De omgangsmomenten tussen [minderjarige (voornaam)] en de moeder verlopen wisselend. Als de omgang doorgaat, dan is de moeder liefdevol naar [minderjarige (voornaam)] en [minderjarige (voornaam)] is enthousiast om de moeder te zien. Wel toont de moeder weinig inzicht in de adviezen die zij van de hulpverlening krijgt bij de omgang, onder meer over haar telefoongebruik en verwachtingen die zij bij [minderjarige (voornaam)] wekt. De moeder komt regelmatig de omgangsmomenten niet na, wat teleurstelling veroorzaakt bij [minderjarige (voornaam)] . Daarom heeft de GI de omgang per mei 2025 terug gebracht van wekelijks anderhalf uur naar eenmaal per twee weken anderhalf uur. Ook wordt [minderjarige (voornaam)] pas geïnformeerd over de omgang als de moeder ’s morgens heeft bevestigd dat de omgang kan doorgaan. Meestal vindt de omgang eenmaal per maand plaats, omdat de moeder de andere keer afzegt of onbereikbaar is. De GI denkt er daarom over na om de frequentie van de omgang terug te gaan brengen naar eenmaal per drie of vier weken.
5.9.
De GI heeft [instelling 2] gevraagd om een perspectiefonderzoek te doen. [instelling 2] heeft dit onderzoek niet opgestart, omdat de moeder in eerste instantie niet wilde meewerken en er daarna voorliggende problematiek bij de moeder was. De GI heeft in mei 2025 besloten om de moeder nog tot oktober 2025 de kans te geven om te laten zien dat ze meewerkt aan de voorwaarden voor een eventuele terugplaatsing. Deze voorwaarden zagen onder meer op de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige (voornaam)] , het accepteren van begeleiding vanuit [instelling 1] voor haar leefsituatie en het nakomen van afspraken rondom de omgang. De moeder heeft onvoldoende aan die voorwaarden voldaan, waarna de GI op 17 oktober 2025 het perspectiefbesluit heeft genomen, namelijk dat [minderjarige (voornaam)] zal blijven opgroeien in het pleegezin.
5.10.
De rechtbank onderschrijft het perspectiefbesluit van de GI. De rechtbank vindt dat door de GI goed is onderbouwd waarom het perspectief van [minderjarige (voornaam)] niet meer bij de moeder, maar bij de pleegouders, ligt en dat daarom niet meer wordt gewerkt aan terugplaatsing. Hoewel de moeder inziet dat [minderjarige (voornaam)] momenteel niet bij haar kan gaan wonen, heeft zij nog de hoop dat [minderjarige (voornaam)] op termijn bij haar teruggeplaatst kan worden. De rechtbank vindt dat de leefsituatie van de moeder daarvoor te onrustig en instabiel is. Er is ook geen zicht op verbetering omdat de moeder geen hulpverlening (meer) heeft. [minderjarige (voornaam)] verblijft inmiddels twee jaar bij de pleegouders en zij ontwikkelt zich daar goed. De pleegouders bieden [minderjarige (voornaam)] de rust, stabiliteit en structuur die zij nodig heeft en [minderjarige (voornaam)] is gehecht aan de pleegouders. Sinds [minderjarige (voornaam)] bij de pleegouders verblijft, heeft zij de achterstand in haar spraak- en taalontwikkeling volledig ingelopen. De pleegouders zijn bereid om voor [minderjarige (voornaam)] te blijven zorgen tot aan haar volwassenheid. Net als de GI vindt ook de rechtbank dat het voor [minderjarige (voornaam)] belangrijk is dat zij duidelijkheid krijgt over haar opgroeiperspectief. Ook de moeder en de pleegouders zijn gebaat bij duidelijkheid.
5.11.
De rechtbank begrijpt dat het moeilijk en verdrietig is voor de moeder om niet zelf voor [minderjarige (voornaam)] te kunnen zorgen. De moeder zal wel altijd een belangrijke rol in het leven van [minderjarige (voornaam)] blijven vervullen. De rechtbank hoopt dat de moeder inziet dat zij heel belangrijk voor [minderjarige (voornaam)] is en dat zij via het goed nakomen van de omgangsregeling met [minderjarige (voornaam)] een goede band met haar kan blijven onderhouden. Dat is heel belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige (voornaam)] .
5.12.
De GI heeft tijdens de zitting gezegd dat de moeder goed meewerkt als gezagsbeslissingen over [minderjarige (voornaam)] genomen moeten worden, zoals de aanmelding voor een basisschool en de inschrijving bij een tandarts. Omdat de moeder goed meewerkt aan gezagsbeslissingen, overweegt de GI op dit moment niet om een verzoek tot gezagsbeëindiging in te dienen. Verder heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat de moeder het afgelopen jaar meer acceptatie heeft laten zien ten aanzien van het verblijf van [minderjarige (voornaam)] in het pleeggezin. De moeder kan overleggen met de pleegouders en zij kan uitspreken dat [minderjarige (voornaam)] het goed heeft bij hen. Dat is een positieve ontwikkeling. Gelet op de acceptatie bij de moeder zijn de GI en [instelling 2] van plan om de moeder meer te betrekken bij de pleegzorgplaatsing. De moeder heeft laatst een evaluatie van de hulpverlening en de GI bijgewoond en de GI zal de moeder uitnodigen voor de intake op de basisschool van [minderjarige (voornaam)] .
Gezagsregister
5.13.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [5]
Uitvoerbaar bij voorraad
5.14.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige (voornaam)] tot 23 mei 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige (voornaam)] in het pleeggezin tot 23 mei 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. D. Riani el Achhab, mr. A.G. Bakker en mr. F.D.M. Osinga, kinderrechters, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.
4.Zie in dat kader ook bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 12 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2882 en Gerechtshof Den Haag, 28 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1583.
5.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.