Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van haar twee minderjarige kinderen, geboren in 2018 en 2019, die sinds 2023 verblijven bij gezinshuisouders. De moeder betwist het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI) dat het perspectief van de kinderen niet langer bij haar ligt en voert aan dat onvoldoende rekening is gehouden met culturele factoren, hechting en individuele behoeften.
De GI stelt dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is vanwege de verhoogde opvoedbehoefte van de kinderen, veroorzaakt door traumatische ervaringen en hechtingsproblematiek. De moeder toont weliswaar inzet en heeft haar traumabehandeling afgerond, maar haar draagkracht en opvoedvaardigheden zijn onvoldoende om aan de behoeften van de kinderen te voldoen. De gezinshuisouders bieden een stabiele en professionele omgeving waar de kinderen kunnen herstellen en verder behandeld worden.
Het hof oordeelt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. Het bevestigt dat de kinderen een verhoogde opvoedbehoefte hebben en dat het perspectief bij de gezinshuisouders ligt. De moeder blijft weliswaar hun moeder, maar kan hen momenteel niet het benodigde opvoedklimaat bieden. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het beroep van de moeder af.