Conclusie
1.Inleiding
2.Het verloop van de zaak
3.De onherroepelijke veroordelingen
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 1, sub 3, blz. 22, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 2, sub 5, blz. 36, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisant:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 2, sub 4, blz. 35, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 5, sub 2, blz. 112, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[getuige 2]aan de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 5, sub 4, blz. 121, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[getuige 3]aan de desbetreffende verbalisant:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 6, sub 1, blz. 182, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[getuige 1]aan de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 2, sub 6, blz. 38, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als eigen waarneming of ondervinding van de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 8, sub 2, blz. 299, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[getuige 4]aan de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan technisch onderzoek van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, zaaknr. 040793 1200 9104, als dossier 3, sub 1, blz. 41, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 19, sub 10, blz. 669, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[medeveroordeelde 2]aan de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 19, sub 11, blz. 00675, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[medeveroordeelde 2]aan de desbetreffende verbalisanten:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 19, sub 12, blz. 679, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt:
verklaring van[medeveroordeelde 2]voornoemd aan de desbetreffende verbalisanten:
getuige[medeveroordeelde 1]ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 13, sub 26, blz. 449, deel uitmakend van het “moeder'”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[medeveroordeelde 1]aan de desbetreffende verbalisanten:
de getuige[medeveroordeelde 3]ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze – zakelijk weergegeven – inhoudt:
proces-verbaalvan de gemeentepolitie te Breda, nr. 04/07/93-44, als dossier 15, sub 26, blz. 573, deel uitmakend van het “moeder”proces-verbaal nr. 07/04/93-44, in de wettelijke vorm opgemaakt, voor zover dit – zakelijk weergegeven – inhoudt als
verklaring van[medeveroordeelde 3]aan de desbetreffende verbalisanten:
De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De aard van hetnovum
novumals de grond voor herziening in deze zaken betreft een feitelijke omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat twee getuigen verklaringen hebben afgelegd, die – kort en zakelijk weergegeven – inhouden dat zij vanuit het bushokje waar zij zich bevonden, zicht hadden op de plaats delict en in de betreffende nacht van 3 op 4 juli 1993 niets bijzonders hadden gezien. Deze verklaringen van de zogenoemde “bushokjesgetuigen” [getuige 5] en [getuige 6] werden in 1993 opgenomen tijdens een zogenaamd buurtonderzoek dat deel uitmaakte van het eerste opsporingsonderzoek ( [onderzoek 1] ), en behoorden tot stukken die – zoals blijkt uit het rapport van het evaluatieteam CEAS – wel te vinden waren in het bij de politie behouden dossier (het “politiedossier”) doch die niet door de politie aan het Openbaar Ministerie waren gezonden (het “justitiedossier”) en mitsdien ook niet aan de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waren voorgelegd.
(A-G: van bevindingen)te twijfelen.
a priori) bepaalde bevindingen (bijvoorbeeld de resultaten van verricht onderzoek naar DNA-sporen) bekend zijn, of erna (
a posteriori). De regel van Bayes geeft derhalve aan hoe de verhouding van de waarschijnlijkheden van de betreffende hypotheses verandert door de bevinding.
a posteriorikansverhouding met betrekking tot het door hem opgestelde schuldscenario (inhoudende dat één of meer van de verdachten bij het misdrijf is of zijn betrokken) 532 tegen 1 is. De kans op het onschuldscenario (inhoudende dat geen van de verdachten bij het misdrijf is betrokken) is volgens dr. Alkemade maximaal 0,2%.
NJ1998, 404, “Schoenmakersarrest”).
a priori) kansen van de bevindingen (betrouwbaar) kunnen worden vastgesteld dan wel ingeschat en welke expertise voor die vaststelling dan wel inschatting noodzakelijk is. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van voormelde methode en daarmee van de uit het gebruik van de methode voortvloeiende uitkomsten, naar de huidige stand van de wetenschap te onzeker is voor daadwerkelijke toepassing in een complexe strafzaak als de onderhavige.
eersteverhoor als verdachte op 11 april 1994 om 08.10 uur heeft [medeveroordeelde 1] belastend verklaard over [aanvrager 2] , [aanvrager 3] en [aanvrager 1] op de plaats delict en geeft zij aan dat zij hen op 5 juli 1993 in het pand aan de [d-straat 1] te Breda heeft gezien, bij welke gelegenheid haar is gevraagd wat zij wist van de moord op [slachtoffer] en wat zij had gezien. Zij is toen door [aanvrager 3] bedreigd en haar is gezegd dat zij tegenover de politie een verhaal moest ophangen. Zij herkent op de haar getoonde foto’s [aanvrager 2] en [aanvrager 3] .
tweedeverhoor op 28 april 1994 verklaart zij dat zij wel iets weet, namelijk dat zij op de avond van het ten laste gelegde feit bij [getuige 8] aan de [d-straat 1] te Breda was en dat daar ook waren [aanvrager 2] en [aanvrager 1] die later in die nacht thuis kwamen en zeiden dat een overval op een Chinees mislukt was.
gemiddeldis vanwege “compliance”, en zelfs
laagvanwege suggestibiliteit.
nadit tijdstip begaan.
geenDNA- of ander biologisch materiaal op de kleding of het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Hieruit volgt dat, nu genoemde gewelddadige dood buiten discussie staat, het als gegeven moet worden beschouwd dat de dader of daders kennelijk grof geweld hebben kunnen uitoefenen op het slachtoffer, zonder dat zij daarbij voor de politie vindbare (dactyloscopische, DNA- of haar-) sporen hebben achtergelaten. Aldus bezien kunnen de uitkomsten van het dactyloscopische, DNA- en haaronderzoek met betrekking tot de kleding van het slachtoffer als belastend noch als ontlastend voor de verdachten worden geduid.
4.Het feitenonderzoek als bedoeld in art. 463 Sv Pro en de contra-expertise
lijktte gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd en die afkomstig
kanzijn van een bebloede (gewonde) persoon of bebloed object (
cursivering door mij, A-G). Op grond van de getoonde foto viel niet te zeggen of de bloedspat delictgerelateerd is. Een in te stellen onderzoek op het gebied van bloedspoorpatronen leek volgens Van der Scheer destijds niet opportuun. [25]
lijkthet een passieve bloedspat te zijn. Daarbij geeft het lichtrode egale bloedspoor de optische indruk dat het bloed nog niet is ingedroogd. Met andere woorden: het spoor
lijktnog niet te zijn ingedroogd. Uit de gekozen bewoordingen over het bloedspoor spreekt onzekerheid; een nadere duiding ten aanzien van de gradatie van onzekerheid is niet mogelijk, aldus Van der Scheer.
5.De aanvragen tot herziening
NJ2009/44, m.nt. P.A.M. Mevis – op het standpunt dat ook als moet worden aangenomen dat het hof bij het onderzoek ter terechtzitting bekend is geweest met de bovengenoemde stukken, deze nog steeds een novum vormen aangezien de resultaten van het aanvullend DNA-onderzoek een nieuw licht werpen op het alternatief scenario.
6.Het juridisch kader
7.De beoordeling van de aanvragen tot herziening
rigor mortis(lijkstijfheid) en het tijdstip van overlijden. Volgens Alkemade levert de door de gemeentelijke lijkschouwer op 4 juli 1993 om 12.15 uur waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen een aanwijzing op voor een tijdstip van overlijden vóór 08.15 uur. [57]
rigor mortis(de met betrekking tot de eventuele relatie tot de in dat kader gedane observaties en het vermoedelijke tijdstip van overlijden daaronder begrepen) uit de rapportage van Alkemade te onderzoeken en beoordelen. [58] In dat verband heeft Van de Goot wel een afschrift van de rapportage van Alkemade ontvangen, maar niet (ook) een afschrift van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en het rapport van de gerechtelijke sectie. [59]
in het geheelgeen uitspraken kunnen worden gedaan over de ouderdom van de aangetroffen bloeddruppel. Dit oordeel van het hof is moeilijk te rijmen met de overwegingen van het hof over de indroogtijd en daarmee de delictgerelateerdheid van de bloeddruppel. Verder weeg ik mee dat blijkens het aanvullend rapport van Van der Scheer op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technieken geen nadere duiding kan worden gegeven over de mate waarin de bloeddruppel kan zijn ingedroogd en dat, zoals eerder aangegeven bij de bespreking van de rapporten van het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek zal blijken, de thans uit die rapporten bekend geworden gegevens maken dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aangetroffen (DNA-)sporen van de onbekende Zuidoost-Aziatische man, waaronder de bloeddruppel (en bloedveeg), dadersporen zijn.
NJ2009/44, m.nt. P.A.M. Mevis, gaat mank. Uit die conclusie en het daaropvolgende arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat als het bewijsmateriaal al eerder aan de rechter is voorgelegd, ervan mag worden uitgegaan dat de rechter met de daaruit af te leiden gegevens bekend is geweest. Dat kan anders zijn als voor de waardering van de portee van het bewijsmateriaal specialistische kennis nodig is en er aanwijzingen zijn dat de rechter de werkelijke betekenis die aan dat bewijsmateriaal moet worden gehecht, niet heeft doorgrond. [67]