ECLI:NL:PHR:2026:688

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/00022
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 3:86 BWArt. 116 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen beslag op schilderijen na onherroepelijke teruggavebeschikking

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel die het klaagschrift van klaagster inzake het beslag op twee schilderijen ongegrond verklaarde. De schilderijen waren in juni 2024 in beslag genomen op grond van art. 94 Sv Pro. Zowel klaagster als een andere belanghebbende dienden afzonderlijk klaagschriften in tot opheffing van het beslag en teruggave van de schilderijen.

De rechtbank behandelde beide klaagschriften gelijktijdig maar niet gevoegd en wees twee afzonderlijke beschikkingen. De rechtbank verklaarde het klaagschrift van klaagster ongegrond en dat van de andere belanghebbende gegrond, waarna aan laatstgenoemde de teruggave van de schilderijen werd gelast. Deze beschikking is onherroepelijk geworden.

De Procureur-Generaal stelt dat het cassatieberoep van klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens gebrek aan belang, omdat het beslag op de schilderijen door de onherroepelijke teruggavebeschikking is beëindigd. De Hoge Raad volgt deze conclusie en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij onherroepelijke teruggavebeschikkingen het beslag eindigt en het cassatieberoep van een andere klager zonder belang is.

De conclusie benadrukt tevens het belang van het gelijktijdig en gevoegd behandelen van meerdere klaagschriften over hetzelfde voorwerp om een evenwichtige en doelmatige afdoening en cassatiemogelijkheid te waarborgen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang omdat het beslag op de schilderijen is beëindigd door een onherroepelijke teruggavebeschikking aan een andere belanghebbende.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00022 B
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,
hierna: de klaagster.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo (RK 24/021983), heeft bij beschikking van 11 december 2024 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het klassiek beslag ex art. 94 Sv Pro op twee schilderijen en tot een teruggave aan klaagster, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.H. Tonino, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het procesverloop

2.1
Op grond van de gedingstukken kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Op 28 juni 2024 zijn op grond van art. 94 Sv Pro twee schilderijen in beslag genomen. [1]
2.3
De klaagster heeft op 4 september 2024 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen aan klaagster. Op 10 oktober 2024 heeft vervolgens ook [betrokkene 1] een klaagschrift ingediend. In dit klaagschrift wordt eveneens verzocht om opheffing van het beslag en tot teruggave van de in beslag genomen schilderijen.
2.4
Op de zitting van 11 december 2024 zijn beide klaagschriften gelijktijdig, maar niet gevoegd door de rechtbank in openbare raadkamer behandeld.
2.5
Het beklag van klaagster is door de rechtbank ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in dat verband het volgende overwogen:

Overwegingen
In 1998 zijn van [klaagster] meerdere schilderijen gestolen, waaronder beide inbeslaggenomen schilderijen. In 2012 heeft belanghebbende [betrokkene 1] beide schilderijen gekocht op een veiling en van een zekere [betrokkene 2] . [betrokkene 1] wilde de schilderijen dit jaar zelf weer verkopen via [A] waar de schilderijen werden opgemerkt door een kenner. [klaagster] is hiervan in kennis gesteld. Vervolgens heeft [klaagster] een en ander kenbaar gemaakt bij de politie, waarna er strafvorderlijk beslag is gelegd op de schilderijen. Belanghebbende [betrokkene 1] stelt dat hij de schilderijen ooit te goeder trouw heeft gekocht op een veiling, hij derhalve eigenaar is geworden en dat [klaagster] geen revindicatierecht (meer) heeft.
In een geval als het onderhavige stelt artikel 116 Wetboek Pro van Strafvordering dat inbeslaggenomen goederen teruggegeven dienen te worden aan beslagene of aan de redelijkerwijs rechthebbende. Voor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW Pro van belang. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij, de verkrijger als natuurlijke persoon, heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.
Om te kunnen vaststellen wie als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, is artikel 3:86 eerste Pro lid BW in dit geval van doorslaggevend belang nu het eventuele revindicatierecht van de oorspronkelijke eigenaar, in dit geval [klaagster] , op grond van artikel 3:86 lid 3 BW Pro na het verstrijken van de periode van drie jaar na de diefstal niet meer ingeroepen kan worden, wat er overigens ook zij van de omstandigheden waaronder belanghebbende [betrokkene 1] als de latere verkrijger de litigieuze schilderijen heeft verkregen. Het recht van belanghebbende [betrokkene 1] blijft in deze dus het sterkere recht.
Conclusie
Het voorgaande heeft als gevolg dat klaagster niet als rechthebbende van de inbeslaggenomen schilderijen kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

5.De beslissing

De raadkamer verklaart het klaagschrift
ongegrond.”
2.6
Uit de door mij bij de rechtbank opgevraagde beschikking van (eveneens) 11 december 2024 blijkt dat de rechtbank het klaagschrift van belanghebbende [betrokkene 1] gegrond heeft verklaard en aan hem de teruggave van de twee schilderijen heeft gelast. Uit namens mij ingewonnen inlichtingen blijkt dat de daadwerkelijke teruggave nog niet heeft plaatsgevonden en de schilderijen bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ) zijn gedeponeerd.

3.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Uit het voorgaande blijkt dat de rechtbank ten aanzien van de schilderijen op 11 december 2024 twee beschikkingen heeft gewezen; één in de zaak van de klaagster en één in de zaak van [betrokkene 1] . Nu ten aanzien van de in beslag genomen schilderijen sprake is van een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave daarvan is gelast, kan de klaagster bij gebrek aan belang niet in het cassatieberoep worden ontvangen. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt immers dat een onherroepelijke beschikking waarin de teruggave van een in beslag genomen voorwerp is gelast, ertoe leidt dat het beslag op dat voorwerp is beëindigd. [2] De klaagster heeft dan ook geen belang bij vernietiging van de bestreden beschikking, nu de beklagrechter naar wie de zaak zou worden verwezen of teruggewezen vanwege het eindigen van het beslag enkel tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster kan komen. [3]
3.2
Ik wijs er hier op dat de Hoge Raad over situaties als de onderhavige op 27 maart 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BT8757) het volgende heeft opgemerkt: [4]
“2.4. Opmerking verdient nog het volgende. Het gaat in het onderhavige geval om een zaak waarin door verschillende partijen afzonderlijk klaagschriften zijn ingediend die betrekking hebben op hetzelfde inbeslaggenomen voorwerp. Voor een evenwichtige en doelmatige afdoening van zulke zaken verdient het aanbeveling dat de rechter - wanneer dat redelijkerwijs mogelijk is - bevordert dat dergelijke klaagschriften gevoegd worden behandeld en vervolgens in één beschikking worden beoordeeld, zodat een daartegen gericht beroep ook de beslissing kan betreffen ten aanzien van de andere klager.”
Alleen als op deze wijze wordt gehandeld kan door de klagers tegen het oordeel van de rechtbank op beide klaagschriften in cassatie worden opgekomen. [5]

4.Slotsom

Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik merk in dat verband op dat uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat [betrokkene 3] als beslagene is aangemerkt. [betrokkene 4] is werkzaam voor het veilinghuis dat de hier centraal staande schilderijen moest verkopen. Verder volgt uit deze kennisgeving dat [betrokkene 1] als eigenaar van beide schilderijen is aangemerkt. In een tevens tot de stukken behorend mutatierapport staan zowel [betrokkene 4] als [betrokkene 1] als beslagene vermeld.
2.HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8723, rov. 2.2-2.3 en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156, alsmede de aan laatstgenoemde uitspraak voorafgaande conclusie van AG Knigge, ECLI:NL:PHR:2018:1305, meer in het bijzonder randnummer 4.2.
3.Zie o.a. HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8215, rov. 2.2-2.3, HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8216, rov. 2.2-2.3, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8757, rov. 2.3, HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8723, rov. 2.3, HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2156, rov. 2 en HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1315, rov. 2.4.
4.De Hoge Raad heeft dit nadien meermaals herhaald, recentelijk in HR 23 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1315, rov. 2.5.
5.Zie HR 3 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO0610 en de conclusie van AG Knigge van 19 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW8723, randnrs. 5.4-5.18.