Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een klaagschrift tegen beslag op een gehuurde graafmachine die in beslag was genomen onder verdenking van verduistering. Zowel klager als het verhuurbedrijf hadden afzonderlijk klaagschriften ingediend. Het hof verklaarde het klaagschrift van klager ongegrond en dat van het verhuurbedrijf gegrond, waarna de graafmachine aan het verhuurbedrijf werd teruggegeven.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 134 lid 2 Sv Pro het beslag met de onherroepelijke beschikking tot teruggave is beëindigd, waardoor klager geen belang meer heeft bij vernietiging van de bestreden beschikking. Hierdoor is klager niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Daarnaast benadrukte de Hoge Raad dat bij meerdere klaagschriften over hetzelfde voorwerp het bevorderlijk is dat de rechter deze samenvoegt en in één beschikking beoordeelt, om zo een evenwichtige en doelmatige afdoening te waarborgen en te voorkomen dat belanghebbenden tegen verschillende beslissingen afzonderlijk beroep moeten instellen.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens gebrek aan belang na onherroepelijke teruggave van het beslag.