ECLI:NL:PHR:2026:675

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/02753
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verkrijging eigendom betwiste strook grond door verjaring

Deze zaak betreft een geschil over de eigendomsgrens tussen twee naast elkaar gelegen percelen, ontstaan na splitsing van een kadastraal perceel in 1999. Eisers en verweerster zijn eigenaren van aangrenzende percelen, waarbij eisers zich beroepen op verkrijging van de betwiste strook grond door overdracht en subsidiair door verjaring. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het beroep op verjaring afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De kern van het geschil is de vraag waar de erfgrens ligt en of eisers of hun rechtsvoorganger bezit hebben gehad van de betwiste strook. Het hof oordeelde dat de kadastrale grens ook de juridische grens is en dat geen bezitsoverdracht heeft plaatsgevonden. Het hof stelde vast dat het oude hekwerk rond 1996 door de rechtsvoorgangers van verweerster is geplaatst en dat eisers onvoldoende hebben bewezen dat zij bezit hebben genomen van de strook. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep niet slaagt omdat het hof de bewijslast en het begrip bezit correct heeft toegepast.

Het debat over de aanwezigheid en ligging van het hekwerk, de uitleg van de leveringsakte van 1999 en de vraag of de feitelijke situatie overeenkomt met de kadastrale registratie, is uitvoerig besproken. De Hoge Raad bevestigt dat de kadastrale kaart een administratief instrument is en niet altijd de eigendomsgrenzen weerspiegelt. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het ontbreken van een bezitsoverdracht en het ontbreken van een bezitsdaad het beroep op verkrijging door verjaring faalt.

De Hoge Raad wijst ook het incidenteel cassatieberoep af, waarin werd betoogd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat het oude hekwerk reeds bij de levering aanwezig was. Het hof mocht op basis van het partijdebat en de processtukken tot zijn oordeel komen. De Hoge Raad benadrukt dat de bewijslast voor bezit bij eisers ligt en dat zij onvoldoende bewijs hebben geleverd van bezit of bezitsoverdracht van de betwiste strook.

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het goederenrechtelijke begrip bezit en de voorwaarden voor verkrijging door verjaring, waarbij feitelijke macht en zichtbare uitoefening van eigendom centraal staan. De kadastrale grens wordt als uitgangspunt genomen, tenzij overtuigend bewijs het tegendeel aantoont.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; eisers zijn niet eigenaar van de betwiste strook grond door verjaring.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02753
Zitting3 juli 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
1. [eiser 1]
2. [eiser 2]
tegen
[verweerster] B.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eisers] respectievelijk [verweerster] .

1.Inleiding

Deze zaak gaat over een erfgrens. Partijen zijn eigenaars van naast elkaar gelegen grondstukken die zij – via anderen – hebben verkregen van dezelfde rechtsvoorgangers, de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] . De discussie ziet in het bijzonder op twee kadastrale percelen die in 1999 door splitsing van een kadastraal perceel, dat op naam stond van de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] , tot stand zijn gekomen, waarvan één op naam staat van [eisers] en de ander op naam van [verweerster] . Er is ook nog een ander kadastraal perceel op naam van [eisers] relevant. Partijen zijn het niet erover eens waar de eigendomsgrens tussen hun grondstukken ligt. In feitelijke instanties beriepen [eisers] zich op verkrijging door, primair, overdracht en, subsidiair, verjaring. In cassatie draait het alleen nog om de verjaringskwestie. Het hof heeft op dat punt, net als de rechtbank, geoordeeld in het voordeel van [verweerster] . Daartegen komen [eisers] met het principaal cassatieberoep op. Ik kom tot de conclusie dat het principaal cassatieberoep niet slaagt. [verweerster] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, dat dus buiten behandeling kan blijven. Het zou mijns inziens overigens ook niet slagen als het zou worden behandeld.

2.Feiten

2.1
De feiten die in cassatie nog van belang zijn ontleen ik – met enige herschikking en op sommige punten met een neutraler formulering – aan r.o. 3.1 t/m 3.13 en 3.17 van het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 13 mei 2025 (hierna: het bestreden arrest). [1]
2.2
De volgende uitsnede uit de kadastrale kaart correspondeert met de uitsnede die in het bestreden arrest te vinden is, maar bevat geen nummers, namen en markeringen en bevat in plaats daarvan de aanduidingen A, B en C voor de relevante kadastrale percelen:
2.3
De gebroeders [betrokkenen 1 en 2] waren tot in 1999 eigenaars van de grond corresponderend met percelen A, B en C. Percelen B en C waren destijds nog één perceel, dat in 2000 is gesplitst ten gevolge van de hierna vermelde verkoop en levering (hierna ook: het gesplitste perceel).
2.4
Aan [eisers] is in 2015 een grondstuk verkocht en geleverd, corresponderend met in ieder geval percelen A en B. Deze percelen stonden eerder op naam van de vader van [eisers] (hierna: [sr.] ), die ze in 1999 heeft verkregen van de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] .
2.5
In de akte van levering van 14 september 1999 (productie 2 bij de conclusie van antwoord) is het aan [sr.] verkochte voor zover van belang als volgt omschreven:
“een gedeelte van een bedrijfspand met erf, industrieterrein, ondergrond en verdere toebehoren, gelegen nabij (…), plaatselijk bekend (…), uitmakende een ter plaatse duidelijk afgebakend gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente (…), sectie (…) nummer (…), ongeveer groot eenentwintig are achttien centiare, zoals schetsmatig met streeparceringen is aangegeven op de aan deze akte te hechten, niet voor inschrijving bestemde, aan partijen bekende, situatietekening, (…)”
2.6
In dezelfde akte van levering is in artikel 2 lid 2 ook Pro bepaald:
“de eigendom van het voormelde registergoed zal door koper worden verkregen overeenkomstig de begrenzing, zoals die na toepassing van de akte van levering in de kadastrale boekhouding zal zijn opgenomen, waarbij voor de uitmeting van de landmeetkundige dienst van het Kadaster uitsluitend de afbakening van het terrein bindend zal zijn.”
2.7
De situatietekening bedoeld in nr. 2.5 hiervoor, ziet er – voor zover van belang – als volgt uit (productie 13 bij de conclusie van antwoord in reconventie):
2.8
Nadien zijn door splitsing percelen B en C tot stand gekomen. De nieuwe situatie is ingemeten door een landmeetkundige van het kadaster en weergegeven in het relaas van bevindingen van 30 november 2000 en de daaraan gehechte situatieschets (productie 15 bij de conclusie van antwoord in reconventie). De nieuw aangewezen grens tussen die beide percelen wordt als volgt omschreven: “
van hoekpunt grens vw 428 naar punt 1m uit hoek perceel.” De aan het relaas van bevindingen gehechte situatieschets is de volgende:
2.9
Door de landmeetkundige is genoteerd dat bij de inmeting van de percelen twee van de drie gebroeders [betrokkenen 1 en 2] aanwezig waren alsmede “
[sr.] ( [geboortedatum] ) koper”. Verder is door de landmeetkundige onder “
4. Vermelding omtrent het al dan niet eensluidend zijn van de aanwijzingen” opgemerkt: “
Akte in eerste instantie op P. O. gezet omdat er geen overeenstemming was. Na telefonisch contact op 200202 gaat de heer [eiser 1] akkoord.
2.1
Aan [verweerster] is in februari 2018 een grondstuk verkocht en geleverd, bestaande uit perceel C (productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg).
2.11
In opdracht van [verweerster] heeft vervolgens in juni 2018 een grensreconstructie door het Kadaster plaatsgevonden, omdat bij haar onduidelijkheid bestond over de precieze locatie van de grens tussen de percelen A en B enerzijds en C anderzijds. [eisers] zijn bij deze grensreconstructie niet aanwezig geweest. Volgens het naar aanleiding van de grensreconstructie opgemaakte relaas van bevindingen uit 2018 (productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg) wijkt de “
feitelijke perceelgrens” (aldus het hof; ik lees: gebruiksgrens), met daarop een hekwerk tussen de percelen van [eisers] en [verweerster] , over de gehele breedte af van de kadastrale grens ten nadele van [verweerster] . [eisers] hadden daarmee een stuk grond (hierna: de betwiste strook) in gebruik dat volgens het kadaster deel uitmaakt van perceel C.
2.12
Hierop heeft [verweerster] in juni 2018 [eisers] verzocht om medewerking te verlenen aan verplaatsing van het hek tot op de kadastrale grens en containers die zich op de betwiste strook bevinden te verplaatsen. Daaraan hebben [eisers] geen gehoor gegeven.

3.Procesverloop

Eerste aanleg

3.1
Bij dagvaarding van 4 november 2022 heeft [verweerster] bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank) een procedure tegen [eisers] aanhangig gemaakt en vorderingen ingesteld die ertoe strekken dat [eisers] de betwiste strook afstaan aan [verweerster] en dat het hekwerk wordt verplaatst.
3.2
Op 4 januari 2023 hebben [eisers] een conclusie van antwoord genomen. [2]
3.3
Op 24 maart 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Door partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd.
3.4
Bij vonnis van 12 juli 2023 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerster] goeddeels toegewezen.
3.5
[verweerster] heeft gevolg gegeven aan het vonnis en het oude hek op de betwiste strook grond tussen de percelen A en B enerzijds en C anderzijds verwijderd en een nieuw hek geplaatst op de kadastrale grens. [3]
Hoger beroep
3.6
Bij dagvaarding van 10 oktober 2023 hebben [eisers] bij het hof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
3.7
Op 20 februari 2024 hebben [eisers] een memorie van grieven genomen.
3.8
Op 21 mei 2024 heeft [verweerster] een memorie van antwoord genomen.
3.9
Op 27 februari 2025 heeft een plaatsopneming en mondelinge behandeling ter plaatse plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.
3.1
In het bestreden arrest heeft het hof het vonnis bekrachtigd. Daaraan heeft het hof onder andere het volgende ten grondslag gelegd.
3.11
In r.o. 4.5 t/m 4.8 is het hof onder het opschrift “
De erfgrens en de eigendom van de strook grond” ingegaan op de ligging van de kadastrale grens en de eigendomsgrens. Het hof komt tot het oordeel dat de kadastrale grens en de eigendomsgrens tussen enerzijds percelen A en B en anderzijds perceel C overeenstemmen. Het hof overweegt en oordeel onder andere als volgt:
“4.5 De kern van het geschil is de vraag waar zich de erfgrens bevindt tussen de percelen [B] en [A] enerzijds en [C] anderzijds. [eisers] bepleiten allereerst dat de kadastrale en juridische erfgrens niet overeenkomen. De kadastrale inmeting van 30 november 2000 is onjuist. Het nieuwe, door [verweerster] geplaatste hek moet in de visie van [eisers] circa één meter naar rechts worden verplaatst. De bewijslast van de stelling dat de kadastrale erfgrens afwijkt van de juridische grens rust op [eisers] , nu dit een bevrijdend verweer is.
4.6
Het hof stelt het volgende voorop. De overeenkomst tussen [sr.] en [betrokkenen 1 en 2] van 14 september 1999 had alleen betrekking op [het gesplitste perceel] en niet ook op perceel [A]. Een gedeelte van [het gesplitste perceel] werd aan [sr.] verkocht, als gevolg waarvan de percelen [B] en [C] zijn ontstaan. Op de bij deze overeenkomst behorende situatieschets is ook alleen het nieuwe perceel [B] gearceerd. Overeengekomen is dat het gearceerde gedeelte aan [sr.] zou worden verkocht. Perceel [A] is in een andere akte overgedragen aan [sr.] en die akte bevindt zich niet bij de stukken. Dat brengt mee dat, anders dan [eisers] betogen, de betwiste strook tussen perceel [A] en [C] niet bij perceel [B] kan horen. Immers, die strook grond is niet in de situatietekening gearceerd en was daarmee ook geen onderdeel van de overeenkomst. Verder kan niet worden aangenomen dat sprake is geweest van bezitsoverdracht van de strook behorend bij perceel [C] langs perceel [A], nu redengevende feiten voor die conclusie ontbreken.
4.7
Verder betwisten [eisers] dat de inmeting op 30 november 2000 van de nieuwe percelen [B] en [C] door het Kadaster op correcte wijze is gebeurd. Allereerst betwist [sr.] dat hij [
ik lees: betwisten [eisers] dat [sr.] , A-G] bij de inmeting aanwezig was en eveneens dat hij naderhand alsnog akkoord is gegaan met de inmeting. Dit [
ik lees: dat [sr.] daar afwezig was, A-G] acht het hof niet aannemelijk. De landmeetkundige heeft op het ‘Relaas van bevindingen’ als aanwezigen (met naam en geboortedatum) genoteerd twee van de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] en [sr.] De naam en geboortedatum van [sr.] komen overeen met die uit de akte van levering. Daarbij heeft de landmeetkundige onder punt 4 van het ‘Relaas van bevindingen’, dat door hem is ondertekend, de uitdrukkelijke vermelding gedaan dat partijen eerst geen overeenstemming hadden maar dat [sr.] op “200202” alsnog telefonisch akkoord is gegaan met de inmeting. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat de landmeetkundige dit ten onrechte zou hebben genoteerd. [eisers] geven daarvoor ook geen plausibele verklaring. Dat [sr.] geen herinnering meer heeft van zijn aanwezigheid bij de inmeting of van zijn telefonisch gegeven instemming, is daarvoor onvoldoende. Het hof heeft op basis van wat is aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het ‘Relaas van bevindingen’. Het hof neemt daarmee tot uitgangspunt dat [sr.] in 2002 akkoord is gegaan met de door het Kadaster ingemeten erfgrens. Daarmee is die erfgrens definitief vastgesteld, zoals in de leveringsakte van 14 september 1999 is overeengekomen, vergelijk rechtsoverweging 3.6. Daarmee staat vast dat de kadastrale grens in beginsel ook de juridische grens is. De discussie tussen partijen over wat de in de leveringsakte uit 1999 bedoelde “afbakening van het terrein” is geweest, is met de door [sr.] in 2002 gegeven instemming met de inmeting niet meer ter zake doend en kan daarmee verder onbesproken blijven.
4.8
Dat [sr.] en [betrokkenen 1 en 2] deze erfgrens voor ogen hadden, wordt ook verder ondersteund door de door het Kadaster ingemeten erfgrens. In de akte van levering van 14 september 1999 zijn [sr.] en [betrokkenen 1 en 2] een omvang van perceel [B] overeengekomen van “ongeveer 21 are en 18 centiare”. Het Kadaster is bij de inmeting in 2000 uitgekomen op een omvang van het perceel van 21 are en 50 centiare. Het hof kan [eisers] dan ook niet volgen in hun stelling dat zij alsnog 125 m2 aan grond missen, welke stelling erop neer komt dat het perceel een overeengekomen omvang van 22 are en 75 centiare zou hebben. Dat is een substantiële afwijking van wat aan zowel [sr.] als vervolgens aan [eisers] is geleverd waar het perceel [B] betreft. De stellingen van [eisers] rechtvaardigen ook niet de conclusie dat desalniettemin sprake is geweest van bezitsoverdracht van de strook behorend bij perceel [C] ter hoogte van perceel [B], nu redengevende feiten voor die conclusie eveneens ontbreken. [4]
3.12
In r.o. 4.9 t/m 4.11 is het hof onder het opschrift “
Verkrijgende verjaring” ingegaan op het betoog van [eisers] dat zij als gevolg van verjaring (als bedoeld in art. 3:99 BW Pro althans art. 3:105 BW Pro) eigenaars zijn geworden van de betwiste strook. Dat betoog heeft het hof verworpen:
“4.9 Verder hebben [eisers] een beroep gedaan op artikel 3:99 BW Pro en artikel 3:105 BW Pro. Voor beide vormen van verkrijgende verjaring is onder meer nodig dat [eisers] , dan wel [sr.] , het bezit van de strook grond tussen het oude hekwerk en de kadastrale grens hebben respectievelijk heeft (gehad).
4.1
Op grond van artikel 3:108 BW Pro en verder wordt het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, bepaald naar verkeersopvatting, met inachtneming van de op die bepaling volgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. [5] Dat wil zeggen dat nodig is dat sprake is van een voor anderen zichtbare uitoefening van macht over de onroerende zaak waaruit de pretentie van eigendom blijkt. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van bezit, rusten op [eisers]
4.11
Het hof neemt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bezit van de strook grond waar het geschil over gaat, het volgende in aanmerking. Nu van bezitsoverdracht geen sprake is geweest, zie rechtsoverwegingen 4.6 en 4.8, doet zich de vraag voor of [eisers] dan wel hun rechtsvoorganger de stook grond in bezit hebben respectievelijk heeft genomen. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Van belang is in dit geval onder meer of [eisers] dan wel [sr.] een bezitsdaad heeft verricht ten aanzien van de strook grond tussen het oude hekwerk en de kadastrale erfgrens. Vaststaat dat [betrokkenen 1 en 2] rond 1996 - en dus nog voordat [het gesplitste perceel] in 1999 is gesplitst [
in percelen B en C, A-G] en deels is overgedragen aan [sr.] - het oude hekwerk hebben geplaatst. De stelling dat [sr.] hierbij betrokken zou zijn geweest en dit hek zou hebben betaald, is niet onderbouwd en acht het hof zonder onderbouwing ook niet aannemelijk, met name omdat [sr.] in 1996 nog geen eigenaar van het perceel was. Ook is niet gesteld of gebleken dat [sr.] , nadat hij eigenaar van de perceel [B] (en [A]) is geworden, uitdrukkelijk bij [betrokkenen 1 en 2] heeft aangegeven dat hij ervan uitging dat de strook grond aan zijn zijde van het hek van hem zou zijn. Dat [sr.] zelf altijd heeft gedacht dat de strook grond tot aan het oude hek bij perceel [C] hoorde, is niet relevant omdat het bij bezit om een naar buiten toe blijkende intentie gaat de strook grond voor zichzelf te houden. Er bestaat ook geen rechtsregel dat een eigenaar van een perceel verplicht om een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens aan te brengen. Als in dit geval [betrokkenen 1 en 2] een erfafscheiding op hun eigen perceel aanbrengen, brengt dat niet direct mee dat daarmee de grond tussen de kadastrale erfgrens en het hek aan [sr.] - en daarmee nu mogelijkerwijs aan [eisers] - toekomt. Dat [eisers] dan wel [sr.] enkele containers en andere spullen op (delen van) de betreffende strook grond hadden staan, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van inbezitneming. Van een door [sr.] of [eisers] verrichtte bezitsdaad is het hof dan ook niet gebleken. De hiervoor beschreven omstandigheden maakten [sr.] en [eisers] hooguit houder(s) van de strook grond. Een houder kan zichzelf niet zomaar tot bezitter maken, zo volgt uit artikel 3:111 BW Pro. Aan voorwaarden waarmee een houder tot bezitter kan worden, is niet voldaan. Het voorgaande brengt mee dat het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond al afstuit op het ontbreken van het daarvoor vereiste bezit.
Cassatieberoep
3.13
Bij procesinleiding van 13 augustus 2025 hebben [eisers] cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. [verweerster] heeft verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [eisers] hebben gerepliceerd, [verweerster] heeft gedupliceerd.

4.Enkele overkoepelende opmerkingen

Algemeen

4.1
De structuur, systematiek en terminologie in deze zaak heeft mij voor wat uitdagingen gesteld. Ik zie recht (mede) als een referentiekader op basis waarvan betrokkenen duidelijk kunnen maken wat zij bedoelen, daargelaten of zij het met elkaar eens zijn. In dat verband zijn in dit dossier voorkomende begrippen als “juridische grens”, “kadastrale erfgrens”, “feitelijke perceelsgrens” niet steeds even behulpzaam. Om op dat punt maar meteen mijn visie te geven: er zijn
enerzijdsgrondstukken als zaken (art. 3:2 i.v.m. art. 5:1 en Pro 5:20 lid 1 BW), dus als voorwerpen van eigendom en andere rechtsposities, en
anderzijds‘percelen’ op de kadastrale kaart, berustend op de Kadasterwet, die erop gericht zijn – oorspronkelijk vooral voor publiekrechtelijke doeleinden – die rechtsposities te registreren. Dus: grondstukken enerzijds, percelen anderzijds. De eerste zijn rechtsobjecten, de tweede administratieve eenheden. Zoals zo meteen nader aandacht krijgt, zal de kadastrale kaart de eigendomssituatie van een grondstuk niet altijd goed weerspiegelen, en is die kadastrale kaart ook niet het vertrekpunt voor de vaststelling van de eigendomsgrenzen indien daarover een geschil bestaat. Tot zover een punt van juridische systematiek en terminologie. Misschien nog wel belangrijker is dat het bestreden arrest– tegen de achtergrond van die systematiek en terminologie – niet geheel duidelijk maakt wat de structuur van het debat is, in het licht van de vorderingen, de daarvoor aangevoerde grondslagen, de verweren, de stellingen en de bewijslastverdeling, enzovoort. Het kostte mij in deze zaak behoorlijk veel moeite om die structuur helder te krijgen.
Waar het in deze zaak om draait
4.2
Uiteindelijk draait het in deze zaak om de vraag of [verweerster] dan wel [eisers] eigenaar(s) zijn van de betwiste strook. De actie van [verweerster] betreft in essentie een revindicatie (art. 5:2 BW Pro) ten aanzien van die strook. Het is een voorwaarde voor honorering daarvan dat [verweerster] en niet [eisers] eigenaar is van de betwiste strook. Dit is een vraag die te onderscheiden is van de vraag waar de kadastrale grenzen van de betrokken percelen liggen. Op dat onderscheid, waarmee in de praktijk nog wel eens wordt geworsteld, ben ik in een recente conclusie uitgebreider ingegaan. [6] Ik herhaal hier niet wat ik daar allemaal heb uiteengezet en zal in het navolgende slechts op cruciale punten aandacht besteden aan het bedoelde onderscheid, voor zover nodig.
4.3
Ook in het bestreden arrest, en in het bijzonder in r.o. 4.5, lijkt het onderscheid tussen kadastrale grenzen en eigendomsgrenzen, die het hof “
juridische grenzen” noemt, enigszins vervaagd. Het moge duidelijk zijn dat zowel de kadastrale grenzen als de eigendomsgrenzen hartstikke
juridischzijn, zij het dat hun werkingen en functies niet samenvallen. [7] De kadastrale kaart berust op een uitgewerkt (publiekrechtelijk) regelgevend kader waarvan de basis is gelegen in de Kadasterwet; de eigendomsgrenzen zijn als zodanig niet in de wet geregeld en berusten op de toepassing van goederenrechtelijke leerstukken, die de gedragingen van burgers – vooral in het kader van overdracht en verjaring (zie art. 3:80 lid 3 BW Pro) – centraal stelt. [8]
4.4
Hoe dan ook, het hof neemt in r.o. 4.5 in cassatie onbestreden tot vertrekpunt dat [eisers] de bewijslast hebben van de stelling dat de “
juridische grens” (ik lees dus: eigendomsgrens) afwijkt van de kadastrale erfgrens . [9] Van die (stelplicht- en) bewijslastverdeling moet in cassatie dus worden uitgegaan. Bijgevolg komt het erop aan of [eisers] hebben gesteld en kunnen bewijzen dat zij, dan wel [sr.] als hun rechtsvoorganger, de eigendom van de betwiste strook hebben/heeft verkregen. In de eerste plaats moet dan worden gedacht aan verkrijging door overdracht, en in de tweede plaats – voor het geval de verkrijging door overdracht niet komt vast te staan, doordat zij niet heeft plaatsgevonden of (te) onzeker is – aan verkrijging als gevolg van verjaring.
4.5
In r.o. 4.7 en 4.8 ligt het oordeel besloten dat [sr.] en – in het verlengde daarvan – [eisers] niet door overdracht eigenaar(s) zijn geworden van de betwiste strook. Hoewel tegen die rechtsoverwegingen in de klachten van subonderdeel 1.2 wordt geklaagd voor zover deze een oordeel omvatten met betrekking tot de vraag of [eisers] als gevolg van bezitsoverdracht
bezitterszijn van de betwiste strook, wordt in cassatie niet geklaagd over bedoeld oordeel over eigendomsverkrijging door overdracht als zodanig. [10] Het debat in cassatie spitst zich daarentegen toe op het oordeel van het hof, blijkend uit r.o. 4.11, dat [eisers] (ook) niet ten gevolge van verjaring eigenaars zijn geworden van de betwiste strook. Kortom, het gaat in cassatie in zoverre dus uitsluitend nog om die verjaringskwestie.
4.6
Voor de verjaringskwestie is (mede) cruciaal of [eisers] en/of hun rechtsvoorganger bezitter(s) waren en vanaf wanneer (en/of wanneer [verweerster] en/of haar rechtsvoorganger het bezit is verloren). De criteria voor bezit van een stuk grond zijn veelvuldig aan de orde gekomen in de rechtspraak van de Hoge Raad [11] en de conclusies van het Parket [12] en zijn als zodanig eigenlijk geen onderwerp van debat in cassatie. Samengevat draait het om het volgende. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (art. 3:107 BW Pro). Of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW Pro). Voor de beantwoording van de vraag of een niet-rechthebbende een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij (voor zichzelf) de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW Pro). Het komt daarbij primair aan op uiterlijke omstandigheden waaruit de wil om een goed voor zichzelf te houden kan worden afgeleid. In het geval dat de zaak in het bezit van een ander is, zijn daartoe enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming niet voldoende (art. 3:113 lid 2 BW Pro). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Niet vereist is echter dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis heeft gedragen van de machtsuitoefening van de niet-rechthebbende; voldoende is dat deze naar buiten toe kenbaar was. Tot slot is van belang dat indien iemand heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor de eigenaar – en dus niet voor zichzelf – te houden (art. 3:110 BW Pro), dit voortduurt zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van de eigenaar, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (art. 3:111 BW Pro).
4.7
Dat is dus het kader, waaraan hierna overigens maar mondjesmaat hoeft te worden toegekomen. Ik zet mij nu aan een cruciaal discussiepunt in cassatie: de aanwezigheid en ligging van een/het hekwerk in de periode vanaf 1996 tot na het vonnis.
De discussie over het (oude) hekwerk
4.8
Een niet onbelangrijk aspect in de voorliggende zaak is de vraag of, wanneer en waar een hekwerk stond op of nabij de kadastrale grens tussen enerzijds percelen A en B en anderzijds perceel C. Ik noteer op basis van het dossier puntsgewijs het volgende. Waarschuwing: dat neemt enige ruimte in beslag.
a. In de dagvaarding in eerste aanleg maakt [verweerster] in nrs. 2.1 en 2.2 melding van een hekwerk (“
de ogenschijnlijke erfafscheiding”) met “
knikken en bochten” in de buurt van de grens tussen enerzijds percelen A en B en anderzijds C. Daarbij wordt verwezen naar de foto in productie 6.
b. In nr. 2.5 van de dagvaarding in eerste aanleg wordt onder verwijzing naar productie 8 geschreven dat [eisers] zich op het standpunt hebben gesteld dat zij van één van de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] “
toestemming” hebben gekregen om het hekwerk op deze wijze te plaatsen. Hierbij passen kanttekeningen. Productie 8 betreft een brief namens [verweerster] gericht aan [sr.] , niet aan [eisers] In die brief wordt onder andere het standpunt van [sr.] samengevat. Daarin wordt melding gemaakt van de stellingname van [sr.] (dus niet [eisers] ) “
dat het hekwerk destijds is geplaatst op basis van de uitkomst van het gevoerde overleg tussen u en wijlen [betrokkene 1].” Daar staat dus niet dat [eisers] een hekwerk hebben geplaatst en ook niet dat dat is gebeurd met “
toestemming” van die laatste. Rechtbank en hof hebben dat dus ook niet als feit vastgesteld.
c. In nr. 2.7 van de dagvaarding in eerste aanleg wordt ingegaan op de ligging van het hekwerk in 2018 op basis van het relaas van bevindingen van dat jaar. In nr. 2.8 wordt vervolgens opgemerkt: “
Het heeft er alle schijn van dat het hekwerk destijds ‘op de rooi’ is geplaatst, echter dat is ten koste gegaan van een aanzienlijk gedeelte van perceel [C].” Wanneer “
destijds” is, blijft in het midden.
d. In de conclusie van antwoord van [eisers] is onder andere het volgende te vinden, waaruit blijkt dat [eisers] hebben gesteld dat het in 2018 (nog) aanwezige hekwerk in 1996 is geplaatst naar aanleiding van overleg tussen [sr.] en de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] (met behoud van de originele opmaak):
“3. Voorafgaande aan de verkrijging van de percelen [B] en [C] door de vorige eigenaar, zijnde [sr.] zijn er door [sr.] en de toenmalige verkopers, zijnde de Gebr. [betrokkenen 1 en 2] , in 1995 gesprekken gestart over de verdeling van de erfgrens tussen [sr.] en de Gebr. [betrokkenen 1 en 2] . Het betreffen afspraken over de erfgrens tussen de percelen [B] en [C]. Dat hierover is gesproken blijkt onder andere uit tekeningen die door [betrokkenen 1 en 2] aan [sr.] in 1995 zijn gefaxt (
productie 1).
4. Op basis van de gesprekken en aan de hand van de tekeningen hebben de Gebr. [betrokkenen 1 en 2] vervolgens in 1996 ook daadwerkelijk het huidige hekwerk geplaatst.
(…)
11. Vervolgens vindt de levering plaats van de percelen [B] en [C] op 14 september 1999. Uit de leveringsakte blijkt dat geleverd wordt “
een gedeelte van een bedrijfspand met erf, industrieterrein, ondergrond en verdere toebehoren, gelegen nabij(…)
, plaatselijk bekend(…)
,uitmakende een ter plaatse afgebakend gedeelte van het perceel, kadastraal bekend(…),
ongeveer groot eenentwintig are achttien centiare, zoals schetsmatig met streeparceringen is aangegeven op de aan deze akte te hechten, niet voor inschrijving bestemde, aan partijen bekende, situatietekening(…).”
(…)
13. (…). In september 1999 beschrijft de notaris dat gedeeltelijke perceel [C] aangegeven wordt of afgebakend wordt door een duidelijk afgebakend gedeelte. Dat is het huidige hekwerk; het hekwerk dat [betrokkenen 1 en 2] zelf in 1996 heeft geplaatst.
14. Van belang is dat dit hekwerk er dus ook reeds stond ten tijde van het vonnis van 24 oktober 1997. (…)”
e. In de pleitaantekeningen van [eisers] voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 maart 2023 is vervolgens bij nr. 7 te vinden:
“ [eisers] herhaalt dat het hekwerk er bovendien ook staat sinds 1996 en er dus ook reeds ten tijde van de levering van perceel [B] aan [eisers] stond. De plaatsing van het hek is gebaseerd op afspraken met de Gebr. [betrokkenen 1 en 2] uit 1995 waarvan de tekeningen een illustratie zijn. Destijds heeft [betrokkenen 1 en 2] het hekwerk zelf geplaatst.”
f. In nr. 1.2 van de spreekaantekeningen van [verweerster] voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 24 maart 2023 staat (met behoud van de originele opmaak):
“In deze akte [van 14 september 1999, A-G] is opgenomen dat het geleverde perceel
ter plaatse duidelijk is afgebakend. [eiser 1] bedoelt hier mee te zeggen dat het hek dat er nu staat er toen ook al stond. Daarvoor is echter op geen enkele wijze bewijs aangeleverd – bijvoorbeeld door een oude luchtfoto – en dit wordt ook betwist door [verweerster] .”
g. En in nr. 1.4 van die spreekaantekeningen:
“Als er ten tijde van de koop en levering al een duidelijke afbakening aanwezig was, was dat niet het huidige hek. In dat geval zou het immers niet te verklaren zijn dat het Kadaster een grens heeft vastgesteld die anders is dan de afbakening.”
h. In nr. 2.2 en 2.3 van die spreekaantekeningen staat vervolgens (met behoud van de originele opmaak):
“2.2 (…) Het plaatsen van het hek dat er nu staat kan onder omstandigheden kwalificeren als inbezitname. Echter, [eiser 1] zal als partij die zich beroept op de verjaring moeten stellen, en zo nodig bewijzen, wanneer de verjaringstermijn is begonnen. Met andere woorden [eiser 1] moet aantonen
wanneerhet hek is geplaatst.
2.3
[eiser 1] stelt enkel, zonder nadere onderbouwing, dat de afbakening waarover wordt gesproken in de akte van levering, hetzelfde hek is waarover nu wordt geprocedeerd. Hierdoor is de verjaringstermijn op 14 september 1999 aangevangen. [verweerster] betwist deze stelling en wijst daarvoor naar het relaas van bevindingen en de situatieschets. Het is onaannemelijk en onbegrijpelijk dat de notaris en de landmeter ondanks een duidelijke afbakening, onafhankelijk van elkaar komen tot een andere grens, die dan wel weer exact met elkaar overeenstemt (zie Productie 14). [eiser 1] heeft dus niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond dat het betreffende hek reeds tien jaar, laat staan twintig, op de huidige plek staat.”
i. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 maart 2023 heeft [sr.] daar onder andere het volgende opgemerkt:
“Volgens mij zou de grens worden bepaald vanaf een punt gelegen 1 meter vanuit de hoek gelegen aan de noordelijke zijde van het perceel, bij welke hoek een meerpaal is geplaatst. Volgens mij is de erfafscheiding op dit moment ook op die locatie (dus een meter vanaf de hoek) gesitueerd. Het bewuste hek stond er al vanaf 1996.”
j. En namens [verweerster] is daar opgemerkt:
“ [verweerster] betwist dat het hekwerk toen al op de door [eisers] bedoelde plek heeft gestaan. Het kadaster heeft de uitmeting verricht.”
k. Waarna door de advocaat van [eisers] is opgemerkt:
“De locatie is mij bekend. In 1996 ben ik ter plaatse geweest. Ik verrichte toen ook al werkzaamheden voor [sr.] Het hekwerk stond er toen ook al.”
l. En later weer namens [verweerster] :
“Medio 1999 stond het hekwerk niet op die plek, althans dat is niet aannemelijk geworden gezien het veldwerk dat in 1999 door het kadaster is verricht. Het ligt op de weg van [eisers] te bewijzen dat het hek er heeft gestaan. Zij heeft nagelaten die stelling met relevante stukken te onderbouwen (bijvoorbeeld met luchtfoto’s).”
m. En:
“ [eisers] heeft een foto van 2005 beschikbaar maar toen stond het hek er niet.”
n. In haar vonnis van 12 juli 2023 heeft de rechtbank in r.o. 4.8 met zo veel woorden in het midden gelaten “
in hoeverre de huidige feitelijke erfafscheiding in 1999 al op dezelfde plaats aanwezig was (zoals [eisers] stelt maar [verweerster] betwist).
o. In de memorie van grieven hebben [eisers] (onder andere) het volgende betoogd met betrekking tot het hekwerk:
“6. (…) Het hekwerk zoals dat in de woorden van [verweerster] ‘destijds’ is neergezet, betreft de duidelijke afbakening op het terrein waarvan de leveringsakte spreekt. Daartoe heeft [eisers] naar voren gebracht dat reeds in 1995 [sr.] met [betrokkenen 1 en 2] destijds is overeengekomen welk deel van het [gesplitste perceel] aan [sr.] in eigendom zal worden overgedragen. [eisers] heeft in dat kader ook faxen uit 1995 overgelegd met situatietekeningen waaruit blijkt dat [sr.] en [betrokkenen 1 en 2] daarover inderdaad hebben gesproken.
7. Voorts heeft [eisers] onbetwist gesteld dat, op basis van de in 1995 gemaakte afspraken, door [betrokkenen 1 en 2] , medio 1996 ter afscheiding een hekwerk is geplaatst op de plek waar het zich thans nog bevindt. [verweerster] heeft deze feiten niet betwist, althans niet gemotiveerd betwist. Zij heeft immers in haar pleitnota enkel gesteld dat door [eisers] op geen enkele wijze bewijs is geleverd van het feit dat het hekwerk er al staat sedert de levering van de eigendom in september 1999. Echter, [eisers] wijst erop dat het verweer van [eisers] volledig aansluit bij de eigen stellingen van [verweerster] voor zover dat erop ziet dat er ‘destijds’ een hekwerk is geplaatst. (…)
(…)
9. Overigens komt het hekwerk wat [verweerster] inmiddels heeft verwijderd overeen met de partijbedoeling; [sr.] legt een verklaring over [
zie productie 1 bij de memorie van grieven, A-G]. In deze schriftelijke verklaring zet hij het feitelijke verloop van de gang van zaken uiteen met betrekking tot de verkrijging van de percelen in eigendom. (…)
p. De bedoelde schriftelijke verklaring in productie 1 bij de memorie van grieven bevat onder andere het volgende:
“Inmiddels [
op een moment vanaf 1993, A-G] was ik erachter dat vanaf het braakliggende terrein (oostzijde) van [betrokkene 1] regelmatig ongewenste personen het terrein betraden gepaard gaande met veel inbraak, vandalisme en diefstal tot gevolg. De afspraak was dan ook om het door mij reeds aangeschafte hekwerk zo spoedig mogelijk geplaatst zou worden door gebroeders [betrokkenen 1 en 2] zodat de kosten redelijk verdeeld waren. Wat ook gebeurd is op de afgesproken plek.
Aanvankelijk wilde [betrokkene 1] de strook grond +/-430 m2 aan de voorzijde van de loods (zuidzijde) aan mij verkopen en niet aan de zijkant zijnde de oude grens recht naar het water. Maar ik had toch recht van overpad aan de voorzijde, dus ik had meer belang bij de zijkant (wat breder, en dus meer ruimte) en meer kade aan de waterkant, wat toen zo besloten is en de oppervlakte aan vierkante meter kwam min of meer met elkaar overeen.
Grens 1 meter vanuit de meerpaal schuin naar het knikpunt (+/- halverwege), en zijnde 24 meter vanuit de betonnen funderings- stiep en dan lopend evenwijdig aan de loods naar de voorzijde. Dat was de afspraak die gemaakt is. 24 meter van uit de beton stiep was echter cruciaal want ik wilde de mogelijkheid hebben om er nog een loods gelijk aan de bestaande loodsen erbij te bouwen. De helft van de fundering was al aanwezig zijnde de funderings-stieppen langs de loods (zie de foto).
(…)
Gelukkig daarvoor afgaand [
aan onenigheid met [betrokkene 1] en een derde, A-G] stond het hekwerk er al op de hiervoor afgesproken plaats, zodat de overlast wel afnam. De notaris heeft vele jaren later dat hekwerk ook beschreven als maatgevende afbakening. Wat het kadaster helaas nooit op locatie heeft ingemeten.
(…)
Hekwerk wat er stond was bepalend (volgens akte), dus ik hoefde mij daar geen zorgen om te maken, ik dacht dat dat goed zat. (…)
(…)
Als het kadaster het toentertijd volgens de akte op locatie had ingemeten hadden we nu geen verschil of geschil met de nieuwe eigenaar gehad, die ook op locatie visueel had kunnen zien wat hij kocht want het hekwerk stond daar al meer dan 25 jaar.”
q. In de memorie van antwoord heeft [verweerster] onder andere het volgende naar voren gebracht (met behoud van de originele opmaak):
“2.1 (…) [verweerster] stelt dat het hek [13] niet op de juridische erfgrens staat en zij motiveert dat onder verwijzing naar de grensreconstructie van het Kadaster. [eisers] brengt daar tegenin dat de kadastrale grens en de juridische grens niet gelijklopen en dat het hek op de (juiste) juridische grens staat. [eisers] meent dat zij hiermee voldoende de (gemotiveerde) stelling van [verweerster] heeft betwist, zodat de bewijslast wederom op [verweerster] rust om aannemelijk te maken dat de juridische en kadastrale grens
welgelijklopen.
2.2
[verweerster] stelt dat de bewijslast als volgt is. [verweerster] heeft gemotiveerd gesteld dat het hek op haar perceel (…) staat. [eisers] bestrijdt deze stelling door een nieuwe stelling in te nemen. Zij stelt namelijk dat het hek weliswaar niet op de kadastrale grens staat, maar wel op de juridische grens. Zijn stelling – dat de juridische grens anders loopt – is een bevrijdend verweer. (…)
(…)
2.6 (…)
Uit productie 16 [14] blijkt dat het hek over deze (oranje) grens staat [
bedoeld is de grens tussen perceel A en perceel C, A-G]. Het standpunt van [eisers] dat het hek deels op de kadastrale grond van [verweerster] staat, doordat [het gesplitste perceel] onjuist is gesplitst, gaat hier niet op. Immers, Perceel [A] is nooit betrokken geweest bij een splitsing en toch staat het hek ook hier over de erfgrens.
2.7
Daarnaast betrof het gedeelte van [het gesplitste perceel] dat door de heren [betrokkenen 1 en 2] aan [sr.] werd geleverd – een stuk van ongeveer 21 are en 18 centiare. Uit het Kadaster blijkt dat Perceel [B] 2.150 m2 bedraagt. Dit is 21 are en 50 centiare. Als uitgegaan wordt van het hek en de visie van [eisers] bedraagt het perceel in werkelijkheid 125 m2 meer en dus 22 are en 75 centiare. Dat wijkt dusdanig af van hetgeen partijen hebben bedoeld te leveren, dat er van uit moet worden gegaan dat het standpunt van [eisers] onjuist is.
2.7
Beide feiten wijzen er volgens [verweerster] ontegenzeggelijk op dat het hek niet de afscheiding is waarop wordt gedoeld in de akte met de zinssnede
ter plaatse duidelijk afgebakend. Deze visie wordt enkel versterkt door het feit dat [sr.] akkoord is gegaan met de wijze waarop het Kadaster de grenzen heeft ingetekend. [15] Dit alles maakt dat de blote stelling van [eisers] – dat het hek de in de akte bedoelde afbakening is – zonder nadere motivering of bewijs niet als vaststaand kan worden aangenomen.
(…)
5.6
[verweerster] heeft betwist dat het hek de afbakening is waarop wordt gedoeld in de leveringsakte, waardoor het op de weg lag van [eisers] om haar stelling nader te onderbouwen. Overigens, wellicht ten overvloede, heeft [verweerster] in deze memorie omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het hek reeds was geplaatst ten tijde van de levering van het stuk grond. Voor zover de stelling – dat [eisers] onbetwist heeft gesteld dat het hek de bedoelde afbakening is – wordt dat hierbij nogmaals uitdrukkelijk betwist.”
r. Blijkens het proces-verbaal van de plaatsopneming en mondelinge behandeling van 27 februari 2025 is door de advocaat van [eisers] opgemerkt:
“Ik weet uit eigen ervaring dat hier altijd een hek heeft gestaan. Dezerzijds wordt betwist dat het Kadaster hier is geweest en hier de situatie heeft ingemeten.”
s. En:
“Het hek heeft er altijd gestaan. Dat kan ik uit eigen wetenschap verklaren. Dat is de afbakening op het terrein waarnaar wordt verwezen. Dat is ook altijd de juridische grens geweest. Ik werkte hier vroeger bij [sr.] in het aannemingsbedrijf. Wij waren vroeger buren. Ik ben hier veel geweest.”
t. En door [sr.] :
“Ik heb dat oude hek daar niet geplaatst. Dat hebben de voorgangers van [verweerster] gedaan de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] .
(…)
Toen [ [verweerster] ] het perceel kocht, stond er nog een keurig hek. Pas toen ik er per ongeluk een keer met de shovel tegenaan gebotst ben, lag het hek eruit.”
u. En door de dga van [verweerster] :
“Ook ik heb een kennis die hier vroeger veel is geweest. Hij zegt dat hier geen hek heeft gestaan. Ik heb ook luchtfoto’s opgevraagd en daar zie je ook geen hek op staan. Wat er wel stond waren restanten van een hek. Het was vergaan en daarom wilde ik een nieuw hek hebben.”
v. In het bestreden arrest heeft het hof in r.o. 3.12 geoordeeld:
“Uit het naar aanleiding van die grensreconstructie [van 5 juni 2018] opgemaakte ‘Relaas van bevindingen’ van 3 juli 2018 volgt dat de feitelijke perceelsgrens, met daarop een hekwerk tussen de percelen van [eisers] en [verweerster] , over de gehele breedte afwijkt van de kadastrale erfgrens ten nadele van [verweerster] . [eisers] hadden daarmee een stuk grond in gebruik dat volgens het kadastrale register deel uitmaakt van perceel [C].”
w. En in r.o. 3.17 is overwogen (cursivering door mij):
“ [verweerster] heeft inmiddels gevolg gegeven aan het vonnis en
het oude hekop de betwiste strook grond tussen de percelen [A] en [B] enerzijds en [C] anderzijds verwijderd en een nieuw hek geplaatst op de kadastrale grens. (…)”
x. Waarna het in r.o. 4.11 heeft geoordeeld:
“Vaststaat dat [betrokkenen 1 en 2] rond 1996 – en dus nog voordat [het gesplitste perceel] in 1999 is gesplitst en deels is overgedragen aan [sr.] – het oude hekwerk hebben geplaatst.”
4.9
Het voorgaande onder a t/m x laat zich mijns inziens, in onderlinge samenhang, niet anders begrijpen dan dat het hof in r.o. 4.11, tegen de achtergrond van het partijdebat, heeft geoordeeld dat het hekwerk dat in 2018 is aangetroffen, en later door [verweerster] is verwijderd, rond 1996 is geplaatst. [eisers] hebben dat immers consequent betoogd en zij hebben, mede aan de hand van verklaringen van [sr.] , uiteengezet hoe dat hekwerk tot stand is gekomen (zie bij d, e, i, k, o, p, r, s en t). Dit narratief strookt met het in productie 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg van [verweerster] weergegeven standpunt van [sr.] , dat in die inleidende dagvaarding echter niet geheel getrouw lijkt te zijn weergegeven (zie bij b). Ook de advocaat van [eisers] heeft, naar eigen zeggen op basis van zijn persoonlijke bekendheid met het terrein sinds de jaren ‘90, dienovereenkomstig verklaard (zie bij k, r en s). [verweerster] heeft het betoog van [eisers] weersproken en erop gewezen dat zij geen bewijs hebben geleverd voor de aanwezigheid van het hekwerk vanaf 1996 (zie bij f en h). [verweerster] heeft er ook op gewezen dat de aanwezigheid van het hekwerk in 1999 moeilijk te rijmen is met de inmeting die in 2000 heeft plaatsgevonden (zie bij g, j en l). Verder heeft [verweerster] gesteld een luchtfoto te hebben opgevraagd waarop geen hekwerk
maar wel restanten daarvante zien zijn (zie bij u). Als ik het goed zie, is die luchtfoto niet overgelegd. De luchtfoto die [verweerster] als productie 17 bij de memorie van antwoord heeft overgelegd, stamt kennelijk uit 2008 en laat niet zien of er een hekwerk dan wel restanten aanwezig zijn.
4.1
Gelet op het aldus geschetste partijdebat is de vaststelling van het hof in r.o. 4.11 dat het bedoelde hekwerk rond 1996 is geplaatst mijns inziens niet verrassend. Aan de daartegen gerichte klachten van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep kom ik verderop onder nrs. 6.4 t/m 6.9 toe. Bij de bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep neem ik de bewuste vaststelling, voor zover relevant, tot vertrekpunt.

5.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep

5.1
Het middel in het principaal cassatieberoep bestaat uit twee onderdelen, die elk bestaan uit meerdere subonderdelen.
5.2
Onderdeel 1draagt het opschrift “
Stuit het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar geworden zijn al af op het ontbreken van het daarvoor vereiste bezit? (rov. 4.11)”. Het onderdeel bevat – enigszins samengevat – de overkoepelende klacht dat rechtens onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd zijn de oordelen in r.o. 4.11 dat (i) niet is gebleken van een door [sr.] of [eisers] verrichte “
bezitsdaad” en (ii) het verweer van [eisers] dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond al af zou stuiten op het volgens het hof ontbreken van het daarvoor vereiste bezit (hierna gezamenlijk ook: ‘geen bezit’-oordelen). De overkoepelende klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in subonderdelen 1.1 en 1.2.
5.3
Subonderdeel 1.1draagt het opschrift “
[sr.] verkreeg het bezit van de litigieuze grondstrook door inschrijving van de leveringsakte in de daartoe bestemde openbare registers” en valt uiteen in klachten 1.1.1 en 1.1.2.
5.4
Klacht 1.1.1bestaat uit de volgende subklachten, die ik op punten enigszins samenvat, zonder overneming van voetnoten:
a. Het hof miskent dat [sr.] zich op grond van de akte van de levering van 14 september 1999 kon legitimeren als eigenaar van de betwiste strook en door overdracht van het bezit (art. 3:114 BW Pro) daadwerkelijk het bezit daarvan heeft verkregen ogenblikkelijk nadat de leveringsakte was ingeschreven. Reeds vanaf dat moment was duidelijk sprake van een naar buiten toe blijkende toestand waarin [sr.] en later [eisers] de grond voor zichzelf gebruikten, met uitsluiting van zowel [betrokkenen 1 en 2] als hun latere rechtsopvolger [verweerster] . Het hof heeft eraan voorbijgezien dat een derde die na de levering de feitelijke toestand gadesloeg en vervolgens aan de hand van de leveringsakte en de daarin opgenomen feitelijke omschrijving vast kon stellen dat bij de leveringsakte de grond tot aan het hekwerk aan [sr.] geleverd was. Door de aanwezigheid van het hekwerk en (het daadwerkelijk gebruik door [sr.] van de betwiste strook tezamen met) de feitelijke omschrijving in deze leveringsakte ging een duidelijk signaal uit naar derden: [sr.] houdt de grond tot aan het hek voor zichzelf. Hierbij is van belang dat het hof in r.o. 4.11 heeft vastgesteld dat het hekwerk er reeds stond ten tijde van het passeren van de leveringsakte. Indien het hof met de woordjes ‘het oude hekwerk’ niet tot uiting beoogt te brengen dat het hekwerk al bijna dertig jaar oud is, maar dat het hekwerk ooit vervangen zou zijn door een ander hekwerk, is dit onbegrijpelijk, nu geen van partijen een stelling van die strekking heeft betrokken. De klacht gaat vervolgens in op verschillende vindplaatsen, die hierna nog aan bod zullen komen. Het slot bevat de klacht dat zonder (nadere) motivering, die ontbreekt, niet valt te begrijpen waarom het hof, ondanks het voorgaande, is gekomen tot de ‘geen bezit’-oordelen en/of het hof niet toereikend heeft gerespondeerd op hetgeen [eisers] aldus gesteld hebben.
b. Uit het voorgaande volgt dat onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is het oordeel in r.o. 4.11 dat “
van bezitsoverdracht geen sprake is geweest”.
c. Van een onjuiste rechtsopvatting geeft blijk althans, gezien de onder a vermelde essentiële stellingen van [eisers] , ontoereikend gemotiveerd is het oordeel in r.o. 4.11 dat niet gebleken is van een door [sr.] of [eisers] verrichte “
bezitsdaad”, een term die niet vervat is in de hier relevante wetsbepalingen. Met dit oordeel miskent het hof dat aan [sr.] het bezit van de betwiste strook is overgedragen en dat daarom wel sprake is van een ‘bezitsdaad’ van [sr.] , namelijk een gedraging van [sr.] die bestaat in het zich door [betrokkenen 1 en 2] laten overdragen van dit bezit (door medewerking aan het passeren van de leveringsakte en inschrijving daarvan). In elk geval miskent het hof met dit oordeel dat het er niet om gaat of sprake is van een ‘bezitsdaad’, doch dat bepalend is dat [sr.] door overdracht het bezit van de betwiste strook heeft verkregen.
d. Het oordeel in r.o. 4.6 dat niet aangenomen kan worden dat sprake is geweest van bezitsoverdracht van de strook grond behorend bij perceel C langs perceel A, nu redengevende feiten voor die conclusie zouden ontbreken, is onbegrijpelijk, omdat het hof in r.o. 4.11 vaststelt dat perceel A bij een andere akte is overgedragen aan [sr.] Dat [sr.] al eerder eigenaar was van perceel A is niet relevant. Dit geschil gaat blijkens de processtukken over het bezit van de grondstrook die behoorde tot het gesplitste perceel, waarvan door het kadaster, na overdracht van de eigendom van een gedeelte van dit perceel aan [sr.] , de percelen B en C zijn gemaakt. Uit de in hoger beroep onbestreden r.o. 2.4 van het eindvonnis volgt dat de perceelnummers B en C in de basisregistratie kadaster zijn opgenomen naar aanleiding en op basis van de meting door de landmeter. Het hof ziet eraan voorbij dat juist de uitkomst van die meting vele jaren later de aanleiding vormde voor dit geschil. [sr.] was ten tijde van de levering aan hem van het betreffende gedeelte van het gesplitste perceel, in september 1999, reeds eigenaar van perceel A. Het geschil gaat echter over het feit dat aan hem het bezit is overgedragen tot aan het bestaande hekwerk, waarbij het niet relevant is of het daarbij gaat om een strook die grenst aan perceel A dan wel om de strook die volgens de meting niet behoort tot het kadastrale perceel B, dat het resultaat van meting is. Wat in de akte van levering aan [sr.] betreffende perceel A is vermeld, is niet van enig belang voor het huidige geschil. Het gaat slechts om het bezit van de betwiste strook door [eisers] en de rechtsgevolgen daarvan.
5.5
De subklachten lenen zich grotendeels voor gezamenlijke bespreking. Zij slagen naar mijn mening niet.
5.6
De vraag waar het in de kern om gaat, is of [eisers] en/of hun rechtsvoorganger, [sr.] , bezitters zijn geweest van de betwiste strook, die de grond omvat tot aan het hekwerk dat naar aanleiding van het vonnis is verwijderd. Gelet op wat ik hiervoor in nrs. 4.8 en 4.9 opmerkte over de vaststelling van het hof in r.o. 4.11, geldt dat daarbij ervan moet worden uitgegaan dat dit hekwerk vanaf 1996 aanwezig was. In het bestreden arrest lees ik niet dat het hof heeft vastgesteld dat het hekwerk ooit is vervangen door een ander hekwerk. [16] De subklacht onder a mist in zoverre feitelijke grondslag.
5.7
Ongelukkig is de door het hof in r.o. 4.11 gehanteerde notie van een ‘bezitsdaad’. [17] Ik heb al eerder opgemerkt dat deze woordkeuze op het verkeerde been zet ten aanzien van de inhoud van de toets zoals beschreven in nr. 4.6 hiervoor. [18] Het gaat er namelijk niet om of iemand eenduidig een gedraging verricht die behoort tot een catalogus van typische ‘bezitsdaden’, maar of in de gegeven omstandigheden, in onderling verband bezien, naar verkeersopvatting kan worden geoordeeld dat iemand een goed voor zichzelf houdt. Contextafhankelijkheid is hier het sleutelwoord. Het voorgaande betekent echter nog niet dat de aangevallen oordelen in r.o. 4.11 niet kunnen standhouden tegen de achtergrond van de subklachten.
5.8
De subklachten betogen in de kern dat de levering door de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] aan [sr.] van de percelen A en B op 14 september 1999 bezitsoverdracht van de betwiste strook heeft teweeggebracht. Dat bezit zou dan ten grondslag liggen aan verkrijging door verjaring. Dat zou het hof hebben miskend en het hof zou tegen die achtergrond essentiële stellingen hebben gepasseerd.
5.9
Dit betoog overtuigt mij niet. Ik licht toe waarom.
5.1
In de eerste plaats: dat dit betoog over een bezitsoverdracht als bedoeld in art. 3:114 BW Pro wordt vooropgesteld, geeft te denken. Men zou zo maar de indruk kunnen krijgen – ik schrijf het maar gewoon op – dat [eisers] eigenlijk onderkennen dat, zoals het hof in r.o. 4.11 in essentie heeft geoordeeld, het door hen gestelde bezit van de betwiste strook, als een bezitsoverdracht wordt weggedacht, te weinig ‘uiterlijke substantie’ heeft (in mijn woorden).
5.11
Op dat oordeel valt op sommige punten wel iets aan te merken, maar ik constateer dat uit het procesdossier noch uit het bestreden arrest blijkt dat [eisers] het gestelde bezit ten aanzien van de (gehele) betwiste strook al te veel kleur hebben gegeven. De aanwezigheid van het hekwerk acht het hof onvoldoende. Verder oordeelt het hof dat het feit “
dat [eisers] dan wel [sr.] enkele containers en andere spullen op (delen van) de betreffende strook grond hadden staan(…)
onvoldoende [is] om aan te nemen dat sprake is geweest van inbezitneming.” De subklachten lijken dit te omzeilen met een beroep op bezitsoverdracht.
5.12
In de tweede plaats: het betoog over de bezitsoverdracht door de levering in 1999 veroorzaakt bij mij, als ik zo openhartig mag zijn, juridische kortsluiting. Als de leveringsakte van 14 september 1999 zo moet worden uitgelegd dat het daarmee geleverde grondstuk de betwiste strook omvat, dan rijst de vraag waarom [sr.] niet op grond van
overdrachteigenaar van de betwiste strook is geworden en waarom [eisers] een beroep moeten doen op verjaring. Het hof heeft het beroep op verkrijging door overdracht echter verworpen in r.o. 4.7 en 4.8, na uitleg van de bedoelde leveringsakte. Daartegen worden als zodanig geen klachten gericht. Zie al in nr. 4.5 hiervoor.
5.13
Het middel maakt niet duidelijk hoe met elkaar te rijmen is dat de leveringsakte uit 1999 wél bezitsoverdracht teweeg zou hebben gebracht en géén eigendomsoverdracht, zoals in cassatie vaststaat. In het algemeen geldt dat met de levering ook het bezit wordt overgedragen, en in beginsel kan de eigenaar – dit is cruciaal – juist niet het bezit overdragen zonder eigendomsoverdracht. [19] Veelvoorkomende gevallen die als uitzonderingen hierop kunnen worden begrepen, zoals sleuteloverdracht voorafgaande aan de formele finalisering van de levering van een onroerende zaak, [20] raken niet aan de hier voorliggende casus. In deze zaak dient dus ook tot vertrekpunt dat er in 1999 geen bezitsoverdracht ten aanzien van de betwiste strook is geweest.
5.14
Ik kan vervolgens, vertrekkend vanaf dat punt, alleen maar speculeren hoe er in het voorliggende geval ten aanzien van de betwiste strook in 1999 toch een bezitsoverdracht zonder eigendomsoverdracht kan zijn geweest. Een mogelijkheid is dat er een titeltekort was: de aan de eigendomsoverdracht tussen de gebroeders [betrokkenen 1 en 2] en [sr.] ten grondslag liggende koopovereenkomst omvat niet de betwiste strook, terwijl – hypothetisch, volgens het betoog van de subklachten – de naar objectieve maatstaven uit te leggen leveringsakte die strook wel bestrijkt. [21] Over zo’n titeltekort hebben [eisers] echter, als ik het goed zie, niets gesteld. Zij hebben, behoudens de passages daarover in de leveringsakte, bij mijn weten ook geen documentatie van de koop als zodanig overgelegd. Niet is dus gebleken van enig aanknopingspunt op grond waarvan het hof, ook los van de eigendomsoverdracht, die het afwezig heeft geoordeeld, tot het oordeel kon (laat staan: moest) komen dat op 14 september 1999 het bezit van de betwiste strook aan [sr.] is overgedragen.
5.15
Tegen deze achtergrond meen ik dat de onduidelijkheid rondom de door [eisers] gestelde bezitsoverdracht voor hun rekening moet blijven, zodat de subklachten niet ertoe leiden dat het oordeel van het hof in r.o. 4.11 over de afwezigheid van bezit van de betwiste strook rechtens onjuist of onbegrijpelijk is.
5.16
Klacht 1.1.2houdt in dat het hof miskent dat indien de feitelijke omschrijving in de leveringsakte en de kadastrale aanduiding niet overeenstemmen, de feitelijke omschrijving prevaleert, althans in beginsel respectievelijk in het algemeen prevaleert. Het hof ziet eraan voorbij dat door het gepasseerd zijn van de leveringsakte met de hierin vervatte omschrijving van hetgeen geleverd werd (“(...)
een ter plaatse duidelijk afgebakend gedeelte van het perceel(...)”) en de inschrijving ervan in de daartoe bestemde openbare registers, een overdracht van het bezit plaatsvond van de betwiste strook (art. 3:114 BW Pro), nu [eisers] aldus door [betrokkenen 1 en 2] in staat gesteld werden om die macht over de betwiste strook tot aan het hekwerk uit te oefenen die zijzelf konden uitoefenen. Ook daarom kunnen de ‘geen bezit’-oordelen niet standhouden, zo wordt geklaagd.
5.17
Ook deze klacht staat in het teken van het betoog van [eisers] dat de levering van 14 september 1999 bezitsoverdracht heeft teweeggebracht. Zij slaagt mijns inziens niet, gelet op wat ik hiervoor in nrs. 5.9 t/m 5.15 heb vermeld.
5.18
Overigens moest het kadastrale perceel waaruit percelen B en C zijn ontstaan, nog worden gesplitst, en deed zich niet de situatie voor dat er een discrepantie is tussen enerzijds de perceelsgrenzen en anderzijds de door zo’n ‘feitelijke omschrijving’ aangewezen grenzen, in welk geval volgens de rechtspraak in beginsel die feitelijke omschrijving prevaleert. [22]
5.19
Subonderdeel 1.2draagt het opschrift “
De leveringsakte moet uitgelegd worden naar objectieve maatstaven (rov. 4.7 en 4.8)” en valt uiteen in klachten 1.2.1 en 1.2.2, die zich lenen voor gezamenlijk bespreking. De klachten komen kort samengevat erop neer dat ’s hofs uitleg van de leveringsakte van 14 september 1999 in r.o. 4.7 en 4.8 rechtens onjuist althans onvoldoende is gemotiveerd.
5.2
Uit de klachten blijkt met zo veel woorden dat ook zij in het teken staan van het in nrs. 5.9 t/m 5.15 hiervoor bedoelde betoog over de overdracht van het bezit van de betwiste strook, die het gevolg zou zijn van de bedoelde levering in 1999. Bijgevolg kunnen ook de klachten van subonderdeel 1.2 niet tot cassatie leiden, gelet op wat in nrs. 5.9 t/m 5.15 werd vermeld. Of de uitleg die het hof aan de leveringsakte heeft gegeven, rechtens juist en begrijpelijk is, kan in het midden blijven.
5.21
Onderdeel 2draagt het opschrift “
Het hof heeft miskend dat de rechtsvordering van [verweerster] al verjaard was”. Het is gericht tegen het dictum van het bestreden arrest en bevat – samengevat – de klacht dat het rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is dat het hof het vonnis heeft bekrachtigd voor zover het gaat om de veroordeling van [eisers] om te gehengen en te gedogen dat [verweerster] het (meergenoemde) hekwerk verwijdert, voor zover dit zich op haar perceel bevindt. Het hof zou hebben miskend dat de daarmee corresponderende vordering van [verweerster] niet toewijsbaar is indien [verweerster] door verjaring de desbetreffende rechtsvordering niet meer heeft. Het hof zou althans ten onrechte niet hebben onderzocht of deze rechtsvordering al verjaard is, dan wel ten onrechte hebben nagelaten te motiveren waarom het zulks niet had moeten onderzoeken. Daaraan voegt het onderdeel – kort gezegd – toe dat [eisers] hebben gesteld dat de rechtsvordering is verjaard tegen de achtergrond van art. 3:314 lid 2 BW Pro. Zij verwijzen naar nr. 29 van de memorie van grieven.
5.22
Het onderdeel slaagt mijns inziens niet.
5.23
Ik begrijp het onderdeel zo dat daarin niet wordt betoogd of verondersteld dat het hof ambtshalve onderzoek moest doen naar de aanwezigheid van een verjaringsgrond. In wezen komt het onderdeel, welbegrepen, dus erop neer dat het hof is voorbijgegaan aan een beroep op verjaring in relatie tot de hiervoor bedoelde rechtsvordering van [verweerster] , te vinden in nr. 29 van de memorie van grieven.
5.24
Dit betoog slaagt niet. Het in nr. 29 van de memorie van grieven opgenomen betoog is volledig erop gebaseerd dat [sr.] en vervolgens [eisers] bezitters zijn (geweest) van de betwiste strook en op die basis, als gevolg van verjaring, de eigendom daarvan hebben verkregen. De door het onderdeel bedoelde rechtsvordering zoals omschreven in art. 3:314 lid 2 BW Pro ziet op de beëindiging van het bezit door een niet-rechthebbende. Het hof heeft het bezit van de betwiste strook door [sr.] en [eisers] echter niet aanwezig geoordeeld, zo blijkt uit r.o. 4.11. De daartegen gerichte klachten van onderdeel 1 slagen mijns inziens niet, zo bleek hiervoor. Bijgevolg kan onderdeel 2 geen vruchten afwerpen.
5.25
Dat wordt niet anders door de opmerking dat de rechtsvordering in art. 3:314 lid 2 BW Pro een
speciesis van het
genusdat wordt gevormd door de in art. 3:314 lid 1 BW Pro vermelde rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand. Dit overtuigt niet omdat niet valt in te zien waarom, zoals het onderdeel vervolgens betoogt, “
het beroep op verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende naar zijn aard een (voldoende duidelijk) beroep op verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand behelst of impliceert”. De uitleg van de stellingen van [eisers] was voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Het hof was niet gehouden tot de bedoelde ‘generalisering’ van een beroep op – kort gezegd – verkrijging door verjaring omdat dit gepaard gaat met toepassingsvoorwaarden en rechtsgevolgen die niet gelijk zijn aan een beroep op verjaring van een rechtsvordering tot beëindiging van een onrechtmatige toestand die niet in bezit is gelegen.
5.26
Mijns inziens slaagt het middel in het principaal cassatieberoep dus niet.

6.Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep

6.1
Het incidenteel cassatieberoep is ingesteld onder de voorwaarde dat ten minste een van de klachten in het principaal cassatieberoep doel treft. Gelet op wat hiervoor aan de orde is gekomen, treedt die voorwaarde mijns inziens niet in. Het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep hoeft dus niet te worden behandeld. Ik ga volledigheidshalve wel in op de klachten.
6.2
Het middel in het incidenteel cassatieberoep bestaat uit één onderdeel, waarin klachten worden gericht tegen r.o. 4.11. Ik vat deze enigszins samen. Voor zover r.o. 4.11 zo moet worden begrepen dat het hof daarin heeft beslist (1) dat het “
oude hekwerk” de afbakening vormde als bedoeld in de akte van levering van 14 september 1999 en (2) dat het oude hekwerk reeds aanwezig was ten tijde van het passeren van de leveringsakte van 14 september 1999 en dat dit het hek is dat op grond van het vonnis van de rechtbank is verwijderd, [23] zijn die beslissingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. [verweerster] heeft gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het hek reeds was geplaatst ten tijde van de hiervoor bedoelde levering en betwist dat het hek de in de leveringsakte bedoelde afbakening betrof. [24] [verweerster] heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat een kennis van de dga van [verweerster] heeft verklaard dat er geen hek heeft gestaan en dat de dga van [verweerster] luchtfoto’s heeft opgevraagd waarop ook geen hek staat, maar slechts restanten van een hek. [25] In het licht daarvan kon het hof volgens het onderdeel, mede in het licht van het feit dat de bewijslast voor het beroep op verjaring op [eisers] rust en dus ook de bewijslast ten aanzien van de vraag of het ‘oude hek' hetzelfde hek is dat al bij de levering aanwezig was en [eisers] hun stelling omtrent de aanwezigheid van het oude hek niet met stukken hebben onderbouwd, niet zonder nadere motivering beslissen dat het oude hekwerk reeds ten tijde van de leveringsakte aanwezig was. [verweerster] , zo vervolgt het onderdeel, heeft er ook op gewezen dat uit de schets bij de leveringsakte blijkt dat de erfgrens zou worden getrokken vanuit 1 meter uit de hoek (waarmee de hoek in het noorden werd bedoeld) en dat er dus maar één mogelijkheid was om de grens te trekken, namelijk een rechte lijn van de hoek naar het begin van de grens tussen perceel A en het gesplitste perceel. [26] Voorts heeft [verweerster] gewezen op de vermelding in de “
koopakte” (bedoeld zal zijn de leveringsakte) dat het gedeelte van het gesplitste perceel dat door [betrokkenen 1 en 2] aan [sr.] werd geleverd een stuk van ongeveer 21 are en 18 centiare betrof. [27] Daarvan gaat het hof blijkens r.o. 4.8 zelf ook uit. Het onderdeel stelt dat [verweerster] aan die omstandigheden de gevolgtrekking heeft verbonden dat het hek niet de afscheiding is waarop wordt gedoeld in de leveringsakte. [28] Voor zover het hof in r.o. 4.11 (en bij diens verdere beoordeling) wel ervan uit is gegaan dat het hek de afscheiding vormt, is die beslissing in het licht van deze stellingen en omstandigheden zonder nadere motivering, onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.
6.3
Mijns inziens faalt het onderdeel.
6.4
In het arrest valt niet te lezen dat het “
oude hekwerk” de afbakening vormde als bedoeld in de akte van levering van 14 september 1999. Integendeel, het hof heeft aan het slot van r.o. 4.7 in het midden gelaten wat de in die akte bedoelde “
afbakening van het terrein” is geweest. Het onderdeel mist in zoverre dus feitelijke grondslag.
6.5
Blijft over de klacht tegen de door het onderdeel bedoelde vaststelling van het hof in r.o. 4.11 dat – in de woorden van het onderdeel – het oude hekwerk reeds aanwezig was ten tijde van het passeren van de leveringsakte op 14 september 1999 en dat dit het hek is dat op grond van het vonnis van de rechtbank is verwijderd. Ik lees dat, met het onderdeel, inderdaad zo in r.o. 4.11.
6.6
Vooropgesteld: of er in 1996/1999 een hekwerk stond op de plek waar in 2018, toen [verweerster] de grond verkreeg, ook dat hekwerk stond, is een feitelijk beslispunt. Het oordeel daarover van het hof kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Bovendien gaat het niet om een logische/geometrische vraag. Dat het hof in dat verband geen betekenis heeft toegekend aan wat blijkt uit de leveringsakte en de schets daarbij, onder andere wat betreft de oppervlakte van het daarmee te leveren grondstuk, is goed te begrijpen. Het kwam aan op de voorhanden zijnde gegevens met betrekking tot de feitelijke aanwezigheid en ligging van een hekwerk.
6.7
Zoals ik constateerde in nrs. 4.9 en 4.10, hebben [eisers] consequent betoogd dat het in 2018 aanwezige hekwerk in 1996 is geplaatst. Zij hebben dat, zoals ik daar noteerde, onder meer onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [sr.] over hoe het hekwerk tot stand is gekomen, die strookt met een bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde brief van [verweerster] aan [sr.] waarin het standpunt van die laatste wordt samengevat (productie 8). Ook de advocaat van [eisers] heeft, zoals opgemerkt, op basis van persoonlijke bekendheid met het terrein dienovereenkomstig verklaard.
6.8
Aan het onderdeel kan worden toegegeven dat [eisers] geen hard ‘bewijs’ hebben geleverd van hun stelling omtrent het hekwerk, maar daarbij merk ik meteen op dat het hof ook helemaal niet aan bewijslevering lijkt te zijn toegekomen. Het hof heeft klaarblijkelijk gemeend dat [verweerster] die stelling onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist (als bedoeld in art. 149 lid 1 Rv Pro). Ik meen dat dit oordeel in r.o. 4.11, ondanks de karige motivering, houdbaar is. Ik verwijs naar nrs. 4.8 t/m 4.10 hiervoor. Waar [verweerster] heeft aangevoerd dat [eisers] geen luchtfoto hebben overgelegd, heeft zij in hoger beroep zelf slechts melding gemaakt van een bij mijn weten niet-overgelegde luchtfoto van een niet-vermelde datum waarop geen hek maar wel restanten daarvan zouden staan. Het hof kon aan deze vermelding weinig tot niets ontlenen ten gunste van het standpunt van [verweerster] , als het daarin al geen steun heeft gezien voor het standpunt van [eisers] De nogal algemene opmerking dat een kennis van de dga van [verweerster] heeft verklaard dat er geen hek heeft gestaan, heeft tegen deze achtergrond geen meerwaarde. Verder berust de betwisting van [verweerster] op de redenering dat de aanwezigheid van het hekwerk in 1999 moeilijk te rijmen is met de inmeting die in 2000 heeft plaatsgevonden: waarom zou die inmeting niet aanknopen bij een reeds aanwezig hekwerk als – conform het betoog van [eisers] – dat hekwerk bepalend was voor wat er in 1999 werd geleverd? Op zichzelf heeft dit argument zeggingskracht, maar per saldo wordt daarmee slechts een vraag opgeworpen zonder dat daarmee additionele gegevens beschikbaar komen over de feitelijke aanwezigheid van het hekwerk. Het is niet onmogelijk dat er een hekwerk stond en bij de inmeting toch geen acht is geslagen op de ligging daarvan, bijvoorbeeld – ik speculeer – omdat de landmeter een ander begrip heeft gehad van wat volgens de leveringsakte moest worden ingemeten.
6.9
Het hof moest omtrent de aanwezigheid en ligging van een hekwerk sinds 1996 een knoop doorhakken en heeft in het betoog van [verweerster] eenvoudigweg onvoldoende aanknopingspunten gezien om niet mee te gaan in de stelling van [eisers] of om daarvan bewijs op te dragen. Onbegrijpelijk is dat mijns inziens niet, gelet op het voorgaande.

7.Slotsom

Het principaal cassatieberoep slaagt mijns inziens niet. Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, dat onbehandeld kan blijven, zou mijns inziens niet slagen als het zou worden behandeld.

8.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

2.Waarin zij tevens een vordering in reconventie hebben ingesteld in verband met een geschilpunt dat in cassatie niet meer aan de orde is.
3.R.o. 3.17.
4.In voetnoot 3 vermeldt het hof: “
5.In voetnoot 4 vermeldt het hof: “
6.Zie nrs. 4.2 t/m 4.39 van mijn conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:285).
7.Zie nrs. 4.2 t/m 4.39 van mijn conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:285).
8.Zoals ik in wezen schetste in nrs. 4.2 t/m 4.39 van mijn conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:285), zullen de eigendomsgrenzen vaker dan de kadastrale grenzen stroken met de percepties van burgers, omdat de eigendomsgrenzen in belangrijke mate zijn gebaseerd op de (unilaterale en bilaterale) bedoelingen van burgers. De kadastrale kaart berust daarentegen op een administratief systeem dat niet automatisch aansluit op wat burgers percipiëren en bedoelen. De NBW-gever heeft welbewust niet de kadastrale kaart beslissend willen laten zijn voor de eigendomsgrenzen. Zie Parl. Gesch. Inv. Kadasterwet (1990), p. 124 (MvA II) en ook W. Snijders, ‘Het Kadaster en de vervlechting van privaatrecht en publiekrecht’, in E. Bauw e.a. (red.),
9.Voor de volledigheid: de grondslag van dat vertrekpunt is mij onbekend. [verweerster] vordert, ultrakort samengevat, dat [eisers] zich verwijderd houden van de betwiste strook. Dat is een revindicatie als bedoeld in art. 5:2 BW Pro. Daaraan legt [verweerster] ten grondslag dat zij eigenaar is van de betwiste strook. Gelet op art. 150 Rv Pro zou zij dus de stelplicht en bewijslast hebben van die eigendom of, preciezer gezegd, eigendomsverkrijging. De kadastrale kaart maakt dat niet anders. Vgl. nrs. 4.2, 4.5, 4.8, 4.10, 4.17, 4.18, 4.19, 4.29, 4.30, 4.32, 4.33, 4.34 van mijn conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:285). Het betoog van [eisers] dat zij (op een bepaald moment) eigenaars zijn geworden, is vervolgens een (bevrijdend) verweer, want zij doen een beroep op een rechtsgevolg, te weten het bestaan van een eigendomsrecht dat aan [verweerster] kan worden tegengeworpen. Daarbij kan vervolgens weer relevantie toekomen aan de vermoedens van art. 3:109 en Pro 3:119 lid 1 BW. Vgl.
10.Zie ook nr. 7 van de schriftelijke toelichting van [verweerster] . De schriftelijke toelichting van [eisers] wijst niet op iets anders.
11.Zie o.a. HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606,
12.Zie o.a. de conclusies van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2025:1238), nrs. 3.4 t/m 3.14, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2024:804), nrs. 2.7 t/m 2.16, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2023:380), nrs. 2.6 t/m 2.11, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2023:295), nrs. 2.4-2.7, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2022:876), nrs. 4.24 en 4.25, A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2022:980), nrs. 3.6 t/m 3.11 en A-G Rank-Berenschot (ECLI:NL:PHR:2020:617), nrs. 2.59.
13.Voetnoot 1 van de memorie van antwoord bevat: “
14.Voetnoot 6 van de memorie van antwoord bevat: “
15.Voetnoot 8 van de memorie van antwoord bevat: “
16.Ik herhaal dat het hof in randnummer 3.17 heeft vastgesteld dat [verweerster] ná het vonnis van de rechtbank het oude hek op de betwiste strook grond tussen de percelen A en B enerzijds en C anderzijds heeft verwijderd en een nieuw hek heeft geplaatst
17.
18.Zie bijv. nr. 4.3 van mijn conclusie 10 april 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:383).
19.Zie vooral Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 436. Zie A.C. Van Schaick,
20.Zie vooral Parl. Gesch. Boek 3 BW (1981), p. 450. In dat geval is natuurlijk wel eigendomsoverdracht beoogd, maar wordt de koper bezitter op praktische gronden voorafgaand aan de afronding van de voor de eigendomsoverdracht vereiste formaliteiten (in het bijzonder inschrijving van de leveringsakte in de openbare registers).
21.Zie over koop en levering en de uitlegperikelen in dat verband nrs. 4.2 t/m 4.39 van mijn conclusie van 20 maart 2026 (ECLI:NL:PHR:2026:285).
22.Zie HR 2 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8205,
23.In voetnoot 2 van het verweerschrift wordt verwezen naar r.o. 3.17 van het bestreden arrest.
24.In voetnoot 3 van het verweerschrift wordt verwezen naar nrs. 2.2 en 5.6 van de memorie van antwoord en nrs. 1.2 en 2.3 van de spreekaantekeningen in eerste aanleg.
25.In voetnoot 4 van het verweerschrift wordt verwezen naar p. 4 van het proces-verbaal van bezichtiging en mondelinge behandeling ter plaatse van 27 februari 2025.
26.In voetnoot 5 van het verweerschrift wordt verwezen naar nr. 2.6 van de memorie van antwoord.
27.In voetnoot 6 van het verweerschrift wordt verwezen naar nr. 2.7 van de memorie van antwoord.
28.In voetnoot 7 van het verweerschrift wordt verwezen naar nr. 2.8 van de memorie van antwoord.