Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:383

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/02327
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:107 BWArt. 3:108 BWArt. 3:113 lid 1 BWArt. 3:113 lid 2 BWArt. 5:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt eigendom van litigieuze erfgrensstrook na verjaring

Deze zaak betreft een geschil over de eigendom van een strook grond nabij de kadastrale grens tussen twee percelen, eigendom van eiser en verweerder. Verweerder stelt dat zij door verjaring eigenaar is geworden van deze strook. De rechtbank en het hof hebben dit standpunt deels gevolgd en het bezit van de strook aan verweerder toegekend.

In cassatie betwist eiser dit oordeel en voert aan dat het hof onterecht heeft geoordeeld dat verweerder en haar rechtsvoorgangers onafgebroken, ondubbelzinnig en openbaar de feitelijke macht over de strook hebben uitgeoefend. De Hoge Raad bevestigt dat bezit moet worden beoordeeld aan de hand van verkeersopvattingen en een totaalbeeld van gedragingen, waarbij afzonderlijke gedragingen niet los van elkaar mogen worden gezien.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de feiten en omstandigheden voldoende heeft gewogen en dat de klachten van eiser onvoldoende zijn om het arrest te vernietigen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de rechtsvoorgangers van verweerder vanaf 1975 of 1977 bezit hebben genomen van het deel van de strook dat onderwerp van het geschil is, waardoor het bezit van eiser is komen te vervallen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd, waarmee het bezit van de litigieuze strook aan verweerder wordt toegekend.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02327
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[eiser]
tegen
[verweerster]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerster] .

1.Inleiding

Deze zaak betreft een erfgrenskwestie. Op het perceel op naam van [eiser] en langs het perceel op naam van [verweerster] ligt een strook van enkele meters breed, waarlangs aan de zijde van [eiser] over de volle lengte een hekwerk loopt. [verweerster] meent dat zij (althans één van haar rechtsvoorgangers) door verjaring eigenaar is geworden van die strook. Zij is in deze procedure door de rechtbank en het hof deels in het gelijk gesteld. [eiser] komt in cassatie daartegen op, mijns inziens zonder succes.

2.Feiten

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan, met enige verkortingen en redactionele aanpassingen ontleend aan r.o. 3.1 t/m 3.7 van het bestreden arrest van het hof Amsterdam van 1 april 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:820) (hierna: het hof en het arrest).
2.2
Sinds september 2021 staat op naam van [verweerster] een perceel met daarop een woning (hierna: perceel 1). Perceel 1 grenst aan een perceel dat sinds oktober 2006 op naam staat van [eiser] (hierna: perceel 2). Deze uitsnede uit de kadastrale kaart geeft de situatie weer: [1]
2.3
Partijen twisten over de eigendom van een strook nabij de kadastrale grens van hun percelen (hierna ook: de litigieuze strook). De strook ligt, gezien vanaf perceel 1, vóór een hekwerk dat bestaat uit paaltjes en ijzerdraad en dat zich bevindt op perceel 2, over de gehele lengte van de kadastrale grens, enkele meters daarvan af (hierna ook: het hekwerk).
2.4
In 2022 heeft het kadaster in opdracht van [eiser] een reconstructie uitgevoerd van de kadastrale grens tussen de percelen. Hieruit is gebleken dat de achtergevel van de woning van [verweerster] tegen de kadastrale grens ligt en dat de badkamer en de schoorsteen van de woning van [verweerster] over de kadastrale grens zijn gebouwd.
2.5
Op 19 mei 2022 heeft [eiser] palen geslagen op of nabij de kadastrale erfgrens. [verweerster] heeft [eiser] die dag per brief gesommeerd om de palen te verwijderen en mee te werken aan de aanpassing van de kadastrale grens aan de feitelijke situatie. [eiser] heeft hieraan geen gehoor gegeven en heeft zich op het standpunt gesteld dat de kadastrale grens de eigendomsgrens is.

3.Procesverloop

In eerste aanleg

3.1
Bij dagvaarding van 25 augustus 2022 heeft [verweerster] bij de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) een procedure tegen [eiser] aanhangig gemaakt. Zij heeft samengevat gevorderd een verklaring voor recht dat de betwiste litigieuze strook haar eigendom is geworden, met aanverwante vorderingen. Op 26 oktober 2022 heeft [eiser] een conclusie van antwoord ingediend. Op 8 mei 2023 is er een plaatsopneming geweest, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Die dag heeft ook een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Bij vonnis van 12 juli 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [verweerster] grotendeels toegewezen (hierna: het vonnis).
In hoger beroep
3.2
Bij dagvaarding van 28 september 2023 heeft [eiser] bij het hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De appeldagvaarding bevat ook grieven en wordt in de procesinleiding in zoverre “memorie van grieven” genoemd. Op 9 januari 2024 heeft [verweerster] een memorie van antwoord in principaal appel tevens inhoudende memorie van grieven in incidenteel appel (hierna: de memorie van antwoord) genomen. Op 20 februari 2024 heeft [eiser] een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen. Op 21 januari 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. In het arrest heeft het hof het vonnis bekrachtigd.
In cassatie
3.3
Bij procesinleiding van 26 juni 2025 heeft [eiser] – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. [verweerster] heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel is opgedeeld in ‘A’ en ‘B’. Onder A is een overzicht van stellingen te vinden, onder B klachten, ondergebracht in onderdelen I t/m III.
4.2
Voordat ik de klachten bespreek, eerst nog dit. Deze zaak gaat vooral over de vraag of (de rechtsvoorgangers van) [verweerster] bezitter(s) zijn geweest van de litigieuze strook en in hoeverre en vanaf wanneer. Het hof schetst in dit verband in r.o. 5.10 terecht en in cassatie onbestreden het volgende kader:
“Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW Pro). Of iemand een goed voor zichzelf houdt of voor een ander, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro). Er geldt dus een objectieve maatstaf. Voor de beantwoording van de vraag of een niet-rechthebbende een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). In het geval dat de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming niet voldoende (artikel 3:113 lid 2 BW Pro). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (vgl. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). De rol van de verkeersopvattingen brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bezit ‘niet dubbelzinnig’ en ‘openbaar’ moet zijn. Dit is het geval als de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Om die reden moet het bezit naar buiten toe kenbaar zijn geweest.”
4.3
Hieraan voeg ik nog de volgende opmerking toe. In deze zaak en ook in andere zaken wordt door partijen en door de rechter met regelmaat de term ‘bezitsdaad’ gebruikt, en dan vooral gekoppeld aan een ontkenning, bijvoorbeeld: ‘Het maaien van het gras is (nog) geen bezitsdaad.’ Ik meen dat deze woordkeuze niet alleen ongelukkig is maar dat bovendien de implicatie daarvan materieelrechtelijk onjuist is. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van bezit moeten volgens art. 3:108 BW Pro de omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang worden beschouwd, tegen de achtergrond van, onder andere, eventuele rechtsverhoudingen, een en ander beoordeeld naar de verkeersopvatting. [2] Niets is op zichzelf ‘een bezitsdaad’, [3] maar het draait erom hoe het samenstel van gedragingen van de partij die stelt bezitter te zijn in de gegeven context moest worden begrepen door anderen en in het bijzonder de rechthebbende. [4] De duiding van de gedragingen is contextafhankelijk. Dus een verzameling van gedragingen die elk op zichzelf ‘nog geen bezitsdaad’ zijn, kan in de gegeven context in haar totaliteit wel degelijk bezit indiceren. Wat mij betreft wordt de terminologie van, en het redeneren aan de hand van, ‘bezitsdaden’ zoveel mogelijk in de ban gedaan. Het gaat naar mijn indruk vaak om een retorische manoeuvre: getracht wordt afzonderlijke elementen buiten de vereiste ‘totaalbeschouwing’ te houden, door ze één-voor-één aan te merken als ‘geen bezitsdaad’.
4.4
Opmerking verdient verder nog dat het hof net als de rechtbank de litigieuze strook ten behoeve van de beoordeling heeft opgedeeld in de delen 1, 2 en 3 (zie r.o. 5.3). In cassatie gaat het debat uitsluitend nog om deel 1. Deel 1 betreft “
het deel van de strook dat zich bevindt tussen de woning en het hek” (r.o. 4.3). Dan nu de klachten.
4.5
Onderdeel Ibestaat uit subonderdelen I.0 t/m I.2.
4.6
Subonderdeel I.0klaagt samengevat dat het hof in r.o. 5.14 t/m 5.16 hetzij heeft miskend dat de “
eisen” voor het aannemen van bezit die het hof in r.o. 5.10 uiteenzet, “
voldoende concreet moeten komen vast te staan”, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het subonderdeel vervolgt dan dat dit zich in het bijzonder manifesteert in de overweging waarin het hof kennelijk 20 jaar onafgebroken bezit aanneemt ten aanzien van “
de gehele strook grond” (ik lees: deel 1), terwijl daarvoor onvoldoende uiterlijke kenmerken aanwezig waren/zijn en die bovendien hooguit enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn die bovendien naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter niet tenietdoen. Daaraan wordt toegevoegd dat “
het navolgende” ter toelichting en nadere uitwerking dient.
4.7
Het subonderdeel slaagt mijns inziens niet.
4.8
Eerst ga ik in op de opmerking in het subonderdeel dat “
eigendom het meest verstrekkende recht is en dat het verlies van eigendom niet te licht mag worden aangenomen”. Het is vanzelfsprekend juist dat eigendom en overigens ook andere rechtsposities niet te gemakkelijk verloren mogen gaan door gedragingen van anderen dan de gerechtigde. Eigendom is in dit opzicht eigenlijk niet bijzonder, ook al is het ‘het meest omvattende recht’. [5] Hoe dan ook, het aannemen van bezit van B van een grondstuk dat eigendom is van A brengt niet automatisch mee dat A haar eigendom verliest. A kan als eigenaar immers opkomen tegen de onrechtmatige toestand (art. 5:2 BW Pro) en heeft daarvoor in beginsel ruim de tijd. [6] Ik zie bij de toepassing van de in nrs. 4.2 en 4.3 hiervoor bedoelde maatstaven dan ook geen afzonderlijke rol weggelegd voor het argument dat verlies van eigendom – vanwege het verstrekkende karakter ervan – niet te licht mag worden aangenomen.
4.9
Dan de klacht zelf. Zij voldoet zelfstandig, dus zonder de subonderdelen I.1 en I.2 in ogenschouw te nemen, niet aan de eisen van precisie en bepaaldheid.
4.1
Subonderdeel I.1klaagt samengevat dat uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij gemotiveerd heeft betwist dat ten aanzien van de gehele litigieuze strook grond aan de in subonderdeel I.0 gestelde eisen is voldaan omdat er geen sprake is van (zodanige) “
bezitsdaden” dat naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. Daarop volgen dan onder i t/m viii specifieke opmerkingen met betrekking tot de bedoelde stellingen en deels ook klachten. De klachten vat ik als volgt samen:
i. Het hof laat de essentiële stelling onbesproken dat het perceel nog steeds toegankelijk was voor [eiser] (nr. 3.9 van de appeldagvaarding).
ii. Het hof laat de essentiële stellingen onbesproken dat het plaatsen van enkele stenen die vervolgens overwoekerd waren niet “
een daad van inbezitname” is en dat zelfs als de tegels zichtbaar waren, wat wordt betwist, uit vaste rechtspraak volgt dat zelfs een volledig aangelegde tuin, met beplanting en tegels, onvoldoende is om een eigendomspretentie aan te nemen (nr. 3.11 van de appeldagvaarding).
iii. Het hof miskent dat het hebben van een openslaande deur “
op zichzelf geen bezitsdaad is” en dat met een kleine overschrijding van de erfgrens in verband met een overbouw in samenhang met de overige in r.o. 5.15 genoemde omstandigheden, zo deze al als “
bezitsdaden” kunnen worden aangemerkt, (slechts) sprake is van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen, die ook indien tezamen beschouwd krachtens verkeersopvattingen onvoldoende zijn voor bezit van de litigieuze strook, althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
iv. Het hof laat onbesproken de in nr. 3.14 van de appeldagvaarding aangevoerde stelling “
dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] bij de kadastrale grenscontrole in 1979 aanwezig waren waardoor zij er allebei van op de hoogte waren hoe de juridische erfgrens loopt.” Het hof stelt in r.o. 5.15 niet vast dat er al vóór die datum sprake was van “
bezitsdaden” die tot verjaring konden leiden. In het feit dat [betrokkene 1] bekend was met de grenscontrole in 1979 ligt besloten, aldus de klacht, dat [betrokkene 1] dus heel goed wist dat de strook waarop enkele tegels werden geplaatst eigendom was van de rechtsvoorganger van [eiser] en dus niet van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. Indien en voor zover het plaatsen van enkele tegels al “
als bezitsdaad” kan worden gezien – hetgeen [eiser] betwist – dan volgt hieruit dat [betrokkene 1] ging houden voor de rechtsvoorganger van [eiser] . Dit is dus een essentiële stelling, zeker in het kader van de beoordeling van de verklaring van [betrokkene 1] zoals in r.o. 5.15 aangehaald, die het hof niet onbesproken had mogen laten, aldus de klacht. De klacht verwijst verder ook naar nrs. 2.10 en 3.25 van de conclusie van antwoord.
v. Het hof laat in het midden de stelling dat de tegels sinds de jaren ’90 niet meer worden gebruikt (nr. 3.12 van de appeldagvaarding). Het hof miskent dat die stelling aan een gerechtvaardigd beroep op extinctieve verjaring in de weg staat, nu daarin besloten ligt dat er geen sprake is geweest van een duurzame ingebruikname als ware men eigenaar: men heeft slechts enkele tegels neergelegd en daar kennelijk te eniger tijd wat meubilair op geplaatst, maar dat ook weer prijsgegeven, kennelijk “
omdat em niet voor zichzelf hield.” (Wie “
em” is, weet ik niet.) De klacht vervolgt dat het hof ook onbesproken laat de stellingen dat ook het door de ouders van [betrokkene 1] gebruiken van de tegels als klein terras “
geen bezitsdaad” is en dat als het al gebruikt werd, wat wordt betwist, er ook geen sprake is van een bepaalde continuïteit in het uitoefenen van de feitelijke macht over de strook: van meubels en/of andere decoratie op de tegels is geen sprake (geweest) en daar is ook geen enkel bewijs van (nr. 3.12 appeldagvaarding).
vi. Het hof miskent in r.o. 5.15 en 5.16 dat de stelplicht en bewijslast van het onafgebroken bezit op [verweerster] rusten. Nu uit r.o. 5.15 blijkt dat [eiser] de verklaring van [betrokkene 1] gemotiveerd betwist, miskent het hof art. 149 Rv Pro door het door [betrokkene 1] verklaarde toch als vaststaand aan te nemen, althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt ontoereikend gemotiveerd.
vii. Het slagen van één of meer van de klachten in i t/m vi betekent dat ook de overige overwegingen en oordelen in r.o. 5.15 en 5.16 niet in stand kunnen blijven.
viii. Het hof oordeelt in r.o. 5.16 ten onrechte dat “
al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn voor het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [verweerster] vanaf 1975 dan wel 1977 onafgebroken, ondubbelzinnig en naar buiten toe kenbaar de macht hebben uitgeoefend over deel 1 van de strook, zodanig dat het bezit van [eiser] daardoor teniet is gegaan.” Het hof miskent volgens de klacht dat ook in samenhang bezien er geen sprake is van een zodanige “
bezitsdaden” dat daarmee is voldaan aan de ondubbelzinnigheidseis en aan de eis dat de machtsuitoefening zodanig is dat het bezit van de oorspronkelijke eigenaar daarmee teniet wordt gedaan.
4.11
Het subonderdeel slaagt mijns inziens niet.
4.12
De klachten berusten in belangrijke mate op de in nr. 4.3 hiervoor besproken misvatting dat in een kwestie als deze moet worden beoordeeld of afzonderlijke gedragingen zijn aan te merken als ‘bezitsdaden’. In werkelijkheid moet worden beoordeeld of het samenstel van gedragingen in combinatie met een mogelijke rechtsverhouding een kenbare eigendomspretentie behelst van degene die beweert bezitter te zijn. Bovendien is die beoordeling sterk verweven met feitelijke waarderingen die in cassatie slechts beperkt toetsbaar zijn. De feitenrechter is in dat verband overigens niet gehouden
alleaangevoerde stellingen en opmerkingen uitputtend en met zo veel worden te bespreken. Aan een en ander ziet het subonderdeel op verschillende plaatsen voorbij, namelijk waar het betoogt dat de ingeroepen feitelijkheden – die het hof niet in alle gevallen expliciet aan de orde heeft gesteld – tot een voor [eiser] gunstig oordeel
moestenleiden. Op het voorgaande stuit de
onder iiiaangevoerde rechtsklacht integraal af, net als de
onder viiiaangevoerde rechtsklacht. Voor de overige klachten geldt het volgende.
4.13
Het hof heeft, nadat het in r.o. 5.11 overwoog dat het aan [verweerster] is om te stellen en onderbouwen dat aan het bezitsvereiste is voldaan, in r.o. 5.12 vijftien feiten en omstandigheden opgesomd die [verweerster] ten grondslag heeft gelegd aan haar betoog dat haar rechtsvoorgangers vanaf 1933, 1971 of 1977 onafgebroken, ondubbelzinnig en naar buiten toe kenbaar de macht hebben uitgeoefend over de litigieuze strook, te weten:
“1. De bouwvergunningen uit 1933, 1971, 1975 en 1977 waaruit blijkt dat ook vergunning werd gevraagd voor bouwwerken op of in de strook;
2. De bouwwerken zijn gerealiseerd zoals deze zijn vergund;
3. Er is over de kadastrale erfgrens gebouwd;
4. In het verleden zijn bijgebouwen gebouwd op de strook;
5. Uit overgelegde verklaringen van omwonenden volgt dat zij ook in de veronderstelling waren dat de strook behoorde tot het perceel van de rechtsvoorgangers van [verweerster] ;
6. Er werd onderhoud aan de strook verricht, zoals het verwijderen van onkruid en klimop;
7. Een buitendeur in de woning van [verweerster] draait naar buiten toe open, over de kadastrale erfgrens;
8. De strook werd gebruikt om onderhoud te verrichten aan de woning;
9. De regenafvoer van de woning van [verweerster] is over de kadastrale erfgrens geplaatst;
10. [eiser] heeft een laurierhaag geplant op vijftig centimeter afstand van het hek, hetgeen in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 5:42 lid 2 BW Pro;
11. Het hek is als erfafscheiding geplaatst;
12. Er is een terras van stoeptegels aangelegd op de strook. Dit gedeelte is daadwerkelijk als terras met daarop tuinmeubilair gebruikt tot eind jaren negentig, zoals verklaard door [betrokkene 1];
13. In de strook bevinden zich een ondergrondse waterput en een septic tank;
14. Het keukenwater van Westerweg 22 werd tot 2016 nog op de strook geloosd;
15. Al deze handelingen werden niet gerechtvaardigd door een gevestigde erfdienstbaarheid.”
4.14
Het hof oordeelt in r.o. 5.13 dat de feiten en omstandigheden onder 1, 5, 10 en 11 in ieder geval niet kunnen leiden tot de conclusie dat (de rechtsvoorgangers van) [verweerster] (delen van) de strook in bezit hebben genomen. In r.o. 5.14 en 5.15 gaat het hof vervolgens in op (onder meer) grief 1 van [eiser] , die aldus door het hof wordt samengevat dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deel 1 van de strook door verjaring door [verweerster] is verkregen en dat [eiser] bestrijdt dat [verweerster] en haar rechtsvoorgangers “
bezitsdaden” ten aanzien van de strook hebben uitgeoefend. In r.o. 5.15 gaat het hof uitgebreid in op de voors en tegens ten aanzien van het betoog van [verweerster] . En in r.o. 5.16 komt het hof tot de slotsom dat de in r.o. 5.15 bedoelde omstandigheden (in het verlengde van r.o. 5.12 en 5.13)
in onderlinge samenhang bezienvoldoende zijn voor het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [verweerster] vanaf 1975 dan wel 1977 onafgebroken, ondubbelzinnig en naar buiten toe kenbaar de macht hebben uitgeoefend over deel 1, zodanig dat het bezit van [eiser] daardoor teniet is gegaan, zodat grief 1 van [eiser] faalt.
4.15
Ik bezie nu, tegen deze achtergrond, nog eens de klachten onder i t/m vii, voor zover zij niet al afstuiten op wat ik in nr. 4.12 hiervoor constateerde.
4.16
De
onder ibedoelde stelling dat [eiser] nog steeds toegang had tot “
het perceel” heeft het hof klaarblijkelijk onvoldoende specifiek en onvoldoende gesubstantieerd geacht tegen de achtergrond van de door [verweerster] aangedragen feiten en omstandigheden zoals weergeven in r.o. 5.12. Het hof hoefde daarop dus ook niet met zo veel woorden in te gaan. [7]
4.17
De
onder iibedoelde “
stelling” komt er in de kern op neer dat op basis van de volgens [eiser] overwoekerde stenen geen eigendomspretentie mag worden aangenomen omdat zelfs een volledig aangelegde tuin, met beplanting en tegels, volgens “
vaste rechtspraak” daarvoor onvoldoende is. Nog daarvan afgezien dat het hof de door [verweerster] aangedragen feiten en omstandigheden in hun totaliteit heeft beschouwd, zoals het behoorde te doen (zie nr. 4.12 hiervoor), en nog daargelaten dat tegen een rechtsoordeel geen slagende motiveringsklachten kunnen worden gericht, bestaat die “
vaste rechtspraak” niet. In voetnoot 10 van de procesinleiding wordt op één uitspraak van de rechtbank Noord-Holland [8] gewezen die, wat er zij van die uitspraak, sterk verweven is met de daar aan de orde zijnde feiten. Het gaat altijd om de beoordeling van de relevante gedragingen in de gegeven context. [9]
4.18
De
onder ivaangevoerde klacht ziet er, voor zover zij niet afstuit op nr. 4.12 hiervoor, in de kern op dat [betrokkene 1] als rechtsvoorganger van [verweerster] volgens de stellingen van [eiser] in nr. 3.14 van de appeldagvaarding en nrs. 2.10 en 3.25 van de conclusie van antwoord slechts
houderwas van de litigieuze strook voor de rechtsvoorganger van [eiser] en dat het hof daarop moest ingaan. De klacht slaagt niet omdat op de genoemde vindplaatsen niet het betoog te vinden is dat [betrokkene 1] slechts houder was. Het gaat daar om de vraag of [betrokkene 1] te goeder trouw was.
4.19
De
onder vaangevoerde klacht, voor zover zij niet al afstuit op nr. 4.12 hiervoor, mist feitelijke grondslag omdat het hof in r.o. 5.15 met zo veel woorden ingaat op het bedoelde betoog van [eiser] met betrekking tot de tegels:
“Voorts is deel 1 van de strook gedeeltelijk bestraat met stoeptegels, ter hoogte van de openslaande deur bij de slaapkamer. [eiser] stelt dat dit niet als bezitsdaad kan worden gezien. De tegels zijn volgens [eiser] overwoekerd en hij betwist daarom het gebruik daarvan als terras. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. [eiser] is in 2006 eigenaar geworden. Indien en voor zover er sindsdien weinig of geen gebruik van het terras is gemaakt, zegt dat nog niets over de jaren daarvoor.”
4.2
De
onder viaangevoerde klachten slagen ook niet, omdat zij feitelijke grondslag missen. Het hof legt de stelplicht en bewijslast in r.o. 5.11 met zo veel woorden bij [verweerster] en de toepassing in r.o. 5.12 en 5.15 strookt daarmee. De klacht dat het hof (zonder afdoende motivering) heeft voorbijgezien aan de gemotiveerde betwisting van de “
verklaring van [betrokkene 1]” slaagt ook niet. Mij is onduidelijk wat wordt bedoeld met de betwisting van een verklaring. Art. 149 lid 1 Rv Pro ziet (mede) op de betwisting van gestelde feiten. Feiten die (voldoende concreet) zijn gesteld én voldoende zijn betwist, komen in aanmerking voor bewijslevering. Het hof is, daarmee in overeenstemming, blijkens r.o. 5.15, toegekomen aan waardering van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] als door [verweerster] aangedragen bewijs. Voor zover de klacht eigenlijk op het oog heeft dat [eiser] zich heeft uitgelaten over de bewijswaarde van die schriftelijke verklaring geldt dat het hof dat blijkens r.o. 5.15 heeft onderkend. Het hof oordeelt daar immers onder andere: “
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard.” Bovendien geldt dat bewijswaardering bij uitstek is voorbehouden aan de feitenrechter (vgl. art. 152 lid 2 Rv Pro) en in cassatie slechts met terughoudendheid op begrijpelijkheid wordt getoetst. De klacht voert niet aan waarom die bewijswaardering onbegrijpelijk zou zijn.
4.21
De
onder viiaangevoerde voortbouwklacht slaagt gelet op het voorgaande ook niet.
4.22
Subonderdeel I.2klaagt samengevat als volgt:
i. In r.o. 5.14 “
miskent” het hof de stelling dat de litigieuze strook een oppervlakte heeft van in totaal 70 m2, de betegelde strook slechts 7,5 m2 is, terwijl de overige delen dat niet zijn en (ook) nooit door de (rechtsvoorgangers) van [verweerster] zijn gebruikt (nr. 3.21 van de appeldagvaarding).
ii. In r.o. 5.14 t/m 5.16 miskent het hof dat naar objectieve maatstaven het gebruik zodanig moet zijn dat het bezit ondubbelzinnig en openbaar is en daarmee het oorspronkelijke bezit teniet wordt gedaan. Daarvan is in elk geval geen sprake voor de overige 62,5 m2. Indien het hof dat niet heeft miskend dan is het oordeel niet toereikend gemotiveerd.
iii. In r.o. 5.14 t/m 5.16 miskent het hof dat extinctieve verjaring uitsluitend ziet op dat gedeelte waarvan daadwerkelijk bezit is genomen. Indien het hof dat niet heeft miskend dan is het oordeel niet toereikend gemotiveerd.
iv. Althans is “
het oordeel” rechtens onjuist dan wel niet toereikend gemotiveerd indien en voor zover “
het oordeel [van het] hof” aldus moet worden begrepen “
dat door het leggen en gebruik van 7,5 m2 aan tegels”, zo wordt geklaagd, “
dit volgens verkeersopvattingen in samenhang met een geringe overbouw, regenpijp, kelderkoekoek en een openslaande deur zou betekenen dat daarmee de gehele strook van 70m2, in bezit zou zijn genomen.” Immers, noch een openslaande deur, noch een geringe overbouw, noch het plaatsen van enkele tegels “
geven blijk van een zodanige inbezitneming” dat zij het bezit van de oorspronkelijke bezitter te niet doet en evenmin is daarmee voor de eigenaar en derden onmiddellijk en ondubbelzinnig kenbaar dat die inbezitneming de gehele 70m2 betreft. De vraag wat de verkeersopvattingen meebrengen is een rechtsvraag, waarover de rechter ambtshalve kan oordelen en is vatbaar voor toetsing in cassatie, zo wordt geklaagd.
4.23
Het subonderdeel slaagt mijns inziens niet.
4.24
De klachten onder i t/m iv lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Vooropgesteld: de oppervlakte van deel 1 en het betegelde deel daarvan staan, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet vast. [10] Hoe dan ook, het oordeel van het hof in r.o. 5.16 dat – samengevat – de rechtsvoorgangers van [verweerster] bezitters zijn geworden van deel 1 en (de rechtsvoorganger van) [eiser] (dientengevolge) het bezit daarvan is verloren kan mijns inziens wel degelijk rechtens en begrijpelijkerwijs worden gedragen door de aanwezigheid van de betegeling, de overbouw, de regenpijp, de kelderkoekoek en de openslaande deur, klaarblijkelijk in onderlinge samenhang en in het verlengde van r.o. 5.12 en 5.13. In overeenstemming met wat het hof in r.o. 5.10 terecht heeft overwogen, draait het immers erom of de rechtsvoorgangers van [verweerster] voor hunzelf uiterlijk kenbare macht hebben uitgeoefend over deel 1, in welk verband overigens ook de optische situatie ter plaatse relevant is (reden waarom in eerste aanleg een plaatsopneming werd gelast). Het is niet zo dat ten aanzien van een grondstuk slechts bezit kan worden aangenomen als elke centimeter daarvan wordt gebruikt en zelfs niet slechts als het grootste deel daarvan wordt gebruikt. Het hof heeft kennelijk oog gehad voor de optische suggestie die uitgaat van de aanwezigheid van het terras voor wat betreft het gebruik van de ruimte tot aan het hekwerk (terwijl niet is vastgesteld dat de rechtsvoorgangers van [eiser] deel 1 hebben gebruikt na plaatsing van het hekwerk). De beoordeling van de totaliteit aan feiten en omstandigheden is sterk verweven met feitelijke waarderingen, betreft dus geen zuiver rechtsoordeel, en is niet onjuist of onbegrijpelijk.
4.25
Onderdeel IIklaagt samengevat als volgt. In r.o. 5.2 oordeelt het hof dat beide partijen zich in hoger beroep op het standpunt stellen dat de rechtbank de strook ten onrechte heeft verdeeld in drie delen. Dit oordeel is voor zover het gaat om het standpunt van [eiser] rechtens onjuist (gelet op art. 24 en Pro 149 Rv) en onbegrijpelijk. In de appelstukken van [eiser] valt nergens te lezen dat er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de situatie op deel 1 van de strook en de situatie op deel 2 en 3 daarvan. Dit raakt ook r.o. 5.4.
4.26
Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Of [eiser] nu wel of niet heeft betoogd dat de rechtbank de strook ten onrechte heeft verdeeld in drie delen, het hof heeft in r.o. 5.3 en 5.4 geoordeeld dat de rechtbank dat zo kon doen. Mij ontgaat tegen die achtergrond dan ook wat het onderdeel beoogt te bereiken. Voor zover het onderdeel op het oog heeft dat [eiser] ook specifiek met betrekking tot deel 1 stellingen heeft betrokken, [11] geldt dat uit niets blijkt dat het hof dat is ontgaan.
4.27
Onderdeel IIIbevat een voortbouwklacht. Het slagen van één of meer van de bovengenoemde klachten raakt ook r.o. 1, 5.21, 5.22 en het dictum.
4.28
Het onderdeel slaagt niet als, zoals ik meen, geen van de bovengenoemde klachten slaagt.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Ik heb een ander aan (overbodige) nummers en tekst verwijderd en “perceel 1” en “perceel 2” toegevoegd.
2.Zie nader nr. 4.4 van mijn conclusie van 13 maart 2026 in de zaak 25/02214 (ECLI:NL:PHR:2026:255).
3.Maar evenmin is iets op zichzelf ‘een eigendomsdaad’. Net als eigendom is bezit tamelijk onbepaald, nu bezit de pretentie van eigendom is. Het is dus niet reëel om gedragingen geïsoleerd te beoordelen op overeenstemming met ‘typische bezitsdaden’.
4.Zie nader nrs. 4.4 en 4.14 van mijn conclusie van 13 maart 2026 in de zaak 25/02214 (ECLI:NL:PHR:2026:255).
5.Volgens mij appelleert het subonderdeel aan de bepaling dat eigendom het “
6.Zie art. 3:99 lid 1 BW Pro (10 jaar; in het geval van bezit te goeder trouw) en art. 3:105 lid 1 in Pro verbinding met art. 3:314 lid 2 en Pro 3:306 BW (20 jaar; waarbij goede trouw niet is vereist).
7.Volgens nr. 5.1 van de schriftelijke toelichting van [verweerster] is de stelling zelfs irrelevant gelet op art. 5:22 BW Pro. Dat lijkt mij niet: op zichzelf kan het argument dat de eigenaar nog steeds toegang heeft tot het litigieuze grondstuk wel meewegen, mits het voldoende concreet is gemaakt.
8.Rb. Noord-Holland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:868, r.o. 4.5, 4.6 en 4.8.
9.Zie bijvoorbeeld HR 30 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:1010, r.o. 3.2.2 en 3.2.3.
10.In het vonnis noch in het arrest worden deze vastgesteld. Zie voorts voetnoot 9 van de schriftelijke toelichting van [verweerster] .
11.Als ik nr. 2.1 van de repliek goed begrijp, draait het per saldo daarom.