Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
4.Bespreking van het cassatiemiddel
het deel van de strook dat zich bevindt tussen de woning en het hek” (r.o. 4.3). Dan nu de klachten.
eisen” voor het aannemen van bezit die het hof in r.o. 5.10 uiteenzet, “
voldoende concreet moeten komen vast te staan”, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het subonderdeel vervolgt dan dat dit zich in het bijzonder manifesteert in de overweging waarin het hof kennelijk 20 jaar onafgebroken bezit aanneemt ten aanzien van “
de gehele strook grond” (ik lees: deel 1), terwijl daarvoor onvoldoende uiterlijke kenmerken aanwezig waren/zijn en die bovendien hooguit enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen zijn die bovendien naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter niet tenietdoen. Daaraan wordt toegevoegd dat “
het navolgende” ter toelichting en nadere uitwerking dient.
eigendom het meest verstrekkende recht is en dat het verlies van eigendom niet te licht mag worden aangenomen”. Het is vanzelfsprekend juist dat eigendom en overigens ook andere rechtsposities niet te gemakkelijk verloren mogen gaan door gedragingen van anderen dan de gerechtigde. Eigendom is in dit opzicht eigenlijk niet bijzonder, ook al is het ‘het meest omvattende recht’. [5] Hoe dan ook, het aannemen van bezit van B van een grondstuk dat eigendom is van A brengt niet automatisch mee dat A haar eigendom verliest. A kan als eigenaar immers opkomen tegen de onrechtmatige toestand (art. 5:2 BW Pro) en heeft daarvoor in beginsel ruim de tijd. [6] Ik zie bij de toepassing van de in nrs. 4.2 en 4.3 hiervoor bedoelde maatstaven dan ook geen afzonderlijke rol weggelegd voor het argument dat verlies van eigendom – vanwege het verstrekkende karakter ervan – niet te licht mag worden aangenomen.
bezitsdaden” dat naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan. Daarop volgen dan onder i t/m viii specifieke opmerkingen met betrekking tot de bedoelde stellingen en deels ook klachten. De klachten vat ik als volgt samen:
een daad van inbezitname” is en dat zelfs als de tegels zichtbaar waren, wat wordt betwist, uit vaste rechtspraak volgt dat zelfs een volledig aangelegde tuin, met beplanting en tegels, onvoldoende is om een eigendomspretentie aan te nemen (nr. 3.11 van de appeldagvaarding).
op zichzelf geen bezitsdaad is” en dat met een kleine overschrijding van de erfgrens in verband met een overbouw in samenhang met de overige in r.o. 5.15 genoemde omstandigheden, zo deze al als “
bezitsdaden” kunnen worden aangemerkt, (slechts) sprake is van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen, die ook indien tezamen beschouwd krachtens verkeersopvattingen onvoldoende zijn voor bezit van de litigieuze strook, althans heeft het hof zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
dat zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] bij de kadastrale grenscontrole in 1979 aanwezig waren waardoor zij er allebei van op de hoogte waren hoe de juridische erfgrens loopt.” Het hof stelt in r.o. 5.15 niet vast dat er al vóór die datum sprake was van “
bezitsdaden” die tot verjaring konden leiden. In het feit dat [betrokkene 1] bekend was met de grenscontrole in 1979 ligt besloten, aldus de klacht, dat [betrokkene 1] dus heel goed wist dat de strook waarop enkele tegels werden geplaatst eigendom was van de rechtsvoorganger van [eiser] en dus niet van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2]. Indien en voor zover het plaatsen van enkele tegels al “
als bezitsdaad” kan worden gezien – hetgeen [eiser] betwist – dan volgt hieruit dat [betrokkene 1] ging houden voor de rechtsvoorganger van [eiser] . Dit is dus een essentiële stelling, zeker in het kader van de beoordeling van de verklaring van [betrokkene 1] zoals in r.o. 5.15 aangehaald, die het hof niet onbesproken had mogen laten, aldus de klacht. De klacht verwijst verder ook naar nrs. 2.10 en 3.25 van de conclusie van antwoord.
omdat em niet voor zichzelf hield.” (Wie “
em” is, weet ik niet.) De klacht vervolgt dat het hof ook onbesproken laat de stellingen dat ook het door de ouders van [betrokkene 1] gebruiken van de tegels als klein terras “
geen bezitsdaad” is en dat als het al gebruikt werd, wat wordt betwist, er ook geen sprake is van een bepaalde continuïteit in het uitoefenen van de feitelijke macht over de strook: van meubels en/of andere decoratie op de tegels is geen sprake (geweest) en daar is ook geen enkel bewijs van (nr. 3.12 appeldagvaarding).
al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, voldoende zijn voor het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [verweerster] vanaf 1975 dan wel 1977 onafgebroken, ondubbelzinnig en naar buiten toe kenbaar de macht hebben uitgeoefend over deel 1 van de strook, zodanig dat het bezit van [eiser] daardoor teniet is gegaan.” Het hof miskent volgens de klacht dat ook in samenhang bezien er geen sprake is van een zodanige “
bezitsdaden” dat daarmee is voldaan aan de ondubbelzinnigheidseis en aan de eis dat de machtsuitoefening zodanig is dat het bezit van de oorspronkelijke eigenaar daarmee teniet wordt gedaan.
alleaangevoerde stellingen en opmerkingen uitputtend en met zo veel worden te bespreken. Aan een en ander ziet het subonderdeel op verschillende plaatsen voorbij, namelijk waar het betoogt dat de ingeroepen feitelijkheden – die het hof niet in alle gevallen expliciet aan de orde heeft gesteld – tot een voor [eiser] gunstig oordeel
moestenleiden. Op het voorgaande stuit de
onder iiiaangevoerde rechtsklacht integraal af, net als de
onder viiiaangevoerde rechtsklacht. Voor de overige klachten geldt het volgende.
bezitsdaden” ten aanzien van de strook hebben uitgeoefend. In r.o. 5.15 gaat het hof uitgebreid in op de voors en tegens ten aanzien van het betoog van [verweerster] . En in r.o. 5.16 komt het hof tot de slotsom dat de in r.o. 5.15 bedoelde omstandigheden (in het verlengde van r.o. 5.12 en 5.13)
in onderlinge samenhang bezienvoldoende zijn voor het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [verweerster] vanaf 1975 dan wel 1977 onafgebroken, ondubbelzinnig en naar buiten toe kenbaar de macht hebben uitgeoefend over deel 1, zodanig dat het bezit van [eiser] daardoor teniet is gegaan, zodat grief 1 van [eiser] faalt.
onder ibedoelde stelling dat [eiser] nog steeds toegang had tot “
het perceel” heeft het hof klaarblijkelijk onvoldoende specifiek en onvoldoende gesubstantieerd geacht tegen de achtergrond van de door [verweerster] aangedragen feiten en omstandigheden zoals weergeven in r.o. 5.12. Het hof hoefde daarop dus ook niet met zo veel woorden in te gaan. [7]
onder iibedoelde “
stelling” komt er in de kern op neer dat op basis van de volgens [eiser] overwoekerde stenen geen eigendomspretentie mag worden aangenomen omdat zelfs een volledig aangelegde tuin, met beplanting en tegels, volgens “
vaste rechtspraak” daarvoor onvoldoende is. Nog daarvan afgezien dat het hof de door [verweerster] aangedragen feiten en omstandigheden in hun totaliteit heeft beschouwd, zoals het behoorde te doen (zie nr. 4.12 hiervoor), en nog daargelaten dat tegen een rechtsoordeel geen slagende motiveringsklachten kunnen worden gericht, bestaat die “
vaste rechtspraak” niet. In voetnoot 10 van de procesinleiding wordt op één uitspraak van de rechtbank Noord-Holland [8] gewezen die, wat er zij van die uitspraak, sterk verweven is met de daar aan de orde zijnde feiten. Het gaat altijd om de beoordeling van de relevante gedragingen in de gegeven context. [9]
onder ivaangevoerde klacht ziet er, voor zover zij niet afstuit op nr. 4.12 hiervoor, in de kern op dat [betrokkene 1] als rechtsvoorganger van [verweerster] volgens de stellingen van [eiser] in nr. 3.14 van de appeldagvaarding en nrs. 2.10 en 3.25 van de conclusie van antwoord slechts
houderwas van de litigieuze strook voor de rechtsvoorganger van [eiser] en dat het hof daarop moest ingaan. De klacht slaagt niet omdat op de genoemde vindplaatsen niet het betoog te vinden is dat [betrokkene 1] slechts houder was. Het gaat daar om de vraag of [betrokkene 1] te goeder trouw was.
onder vaangevoerde klacht, voor zover zij niet al afstuit op nr. 4.12 hiervoor, mist feitelijke grondslag omdat het hof in r.o. 5.15 met zo veel woorden ingaat op het bedoelde betoog van [eiser] met betrekking tot de tegels:
onder viaangevoerde klachten slagen ook niet, omdat zij feitelijke grondslag missen. Het hof legt de stelplicht en bewijslast in r.o. 5.11 met zo veel woorden bij [verweerster] en de toepassing in r.o. 5.12 en 5.15 strookt daarmee. De klacht dat het hof (zonder afdoende motivering) heeft voorbijgezien aan de gemotiveerde betwisting van de “
verklaring van [betrokkene 1]” slaagt ook niet. Mij is onduidelijk wat wordt bedoeld met de betwisting van een verklaring. Art. 149 lid 1 Rv Pro ziet (mede) op de betwisting van gestelde feiten. Feiten die (voldoende concreet) zijn gesteld én voldoende zijn betwist, komen in aanmerking voor bewijslevering. Het hof is, daarmee in overeenstemming, blijkens r.o. 5.15, toegekomen aan waardering van de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] als door [verweerster] aangedragen bewijs. Voor zover de klacht eigenlijk op het oog heeft dat [eiser] zich heeft uitgelaten over de bewijswaarde van die schriftelijke verklaring geldt dat het hof dat blijkens r.o. 5.15 heeft onderkend. Het hof oordeelt daar immers onder andere: “
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard.” Bovendien geldt dat bewijswaardering bij uitstek is voorbehouden aan de feitenrechter (vgl. art. 152 lid 2 Rv Pro) en in cassatie slechts met terughoudendheid op begrijpelijkheid wordt getoetst. De klacht voert niet aan waarom die bewijswaardering onbegrijpelijk zou zijn.
onder viiaangevoerde voortbouwklacht slaagt gelet op het voorgaande ook niet.
miskent” het hof de stelling dat de litigieuze strook een oppervlakte heeft van in totaal 70 m2, de betegelde strook slechts 7,5 m2 is, terwijl de overige delen dat niet zijn en (ook) nooit door de (rechtsvoorgangers) van [verweerster] zijn gebruikt (nr. 3.21 van de appeldagvaarding).
het oordeel” rechtens onjuist dan wel niet toereikend gemotiveerd indien en voor zover “
het oordeel [van het] hof” aldus moet worden begrepen “
dat door het leggen en gebruik van 7,5 m2 aan tegels”, zo wordt geklaagd, “
dit volgens verkeersopvattingen in samenhang met een geringe overbouw, regenpijp, kelderkoekoek en een openslaande deur zou betekenen dat daarmee de gehele strook van 70m2, in bezit zou zijn genomen.” Immers, noch een openslaande deur, noch een geringe overbouw, noch het plaatsen van enkele tegels “
geven blijk van een zodanige inbezitneming” dat zij het bezit van de oorspronkelijke bezitter te niet doet en evenmin is daarmee voor de eigenaar en derden onmiddellijk en ondubbelzinnig kenbaar dat die inbezitneming de gehele 70m2 betreft. De vraag wat de verkeersopvattingen meebrengen is een rechtsvraag, waarover de rechter ambtshalve kan oordelen en is vatbaar voor toetsing in cassatie, zo wordt geklaagd.