Conclusie
vrouw)
man)
1.Inleiding
2.Feiten
arrest). [1]
huis).
rechtbank).
CvA i.r.).
vonnis). [3] Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie nog van belang:
hof).
MvG).
MvA).
MvA inc.).
p-v).
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
regresvordering van de man) niet meer voldoet aan een van de vereisten uit art. 6:127 lid 2 BW Pro: dienaangaande is de man niet langer bevoegd tot “het afdwingen van de betaling van de vordering”. De man kan de regresvordering dus niet zonder meer in een verrekening betrekken.
Grief 6:
subonderdeel II.1, ten eerste dat het hof in rov. 2.15 van het arrest art. 23 Rv Pro miskent. Want ondanks de - volgens de vrouw terechte [27] - vooropstelling in rov. 2.15, eerste twee zinnen, [28] beslist het hof dat de man het bedrag van € 50.809,35 mag verrekenen met de vordering die de vrouw alsdan op de man heeft in verband met de verrekening van de overwaarde. Uit art. 23 Rv Pro volgt immers ook
a contrariodat de rechter niets mag toewijzen dat niet gevorderd is, het is de rechter verboden
ultra petitate gaan. Voor zover het hof van oordeel is dat deze beslissing in de vordering besloten ligt, is dit oordeel onbegrijpelijk, nu enige toelichting ontbreekt.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
geen tijd voor de nakoming is bepaald” in de zin van art. 6:38 BW Pro, niet hetzelfde als een “
verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd” als bedoeld in art. 3:307 lid 2 BW Pro. Voor de toepasselijkheid van de verjaringsregel uit art. 3:307 lid 2 BW Pro is het enkele feit dat partijen geen tijd voor de nakoming zijn overeengekomen in de zin van art. 6:38 BW Pro onvoldoende. De toepasselijkheid van art. 3:307 lid 2 BW Pro is afhankelijk van de uitleg van de betreffende overeenkomst. In dat verband is bepalend of partijen beoogden dat de vordering op een onbepaald moment in de toekomst, in elk geval niet direct, zal worden opgeëist. [39] Anders gezegd: ligt in de overeenkomst besloten dat opeising, indien mogelijk (geworden), niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden? [40]
rechtstreeksvan toepassing op hun vorderingsrechten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verjaringstermijn een aanvang kan nemen gedurende het informele samenleven. [42] Uitzonderingen op dat uitgangspunt zijn echter denkbaar, zoals blijkt uit de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis van art. 3:307 BW Pro (…) (met onderstreping door mij):
A-G] [43] is evenwel niet voor alle gevallen redelijk. Er zijn immers gevallen waarin in de overeenkomst zelf al opgesloten ligt dat de opeising niet binnen afzienbare tijd zal plaatsvinden. Men denke aan (…).
Ook kan gedacht worden aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich bij voorbeeld verplichten bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning, terwijl, zolang de samenleving duurt, geen reden wordt gezien om deze bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen.(…) Met het oog op dit een en ander is in artikel 3.11.11 [3:307 BW,
A-G] lid 2 een bijzondere regel opgenomen voor het geval van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. (…) In al deze gevallen begint de in lid 1 bedoelde termijn van vijf jaren pas met de aanvang van de dag waartegen de schuldeiser aan de schuldenaar heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Zolang dit niet is geschied, begint derhalve de voormelde termijn niet te lopen”. [44] ” [45]
van samenlevenden(zie rov. 2.1 en 2.3 over de man en de vrouw, die een affectieve relatie hadden, hebben samengewoond in het huis en samen een kind hebben),
die zich hebben verplicht bij te dragen in de kosten van de aankoop van de gemeenschappelijke woning(zie rov. 2.8-2.9 over de financiering van de aankoop van het gemeenschappelijke huis, specifiek de door de man betaalde hoofdelijke schuld die de vrouw voor de helft aangaat, wat zich vertaalt in de regresvordering van de man),
terwijl door hen, zolang de samenleving duurde, geen reden werd gezien om de desbetreffende bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen(zie rov. 2.1 en 2.10-2.11, waaruit volgt dat de man zijn regresvordering eerst heeft opgeëist op 22 augustus 2022, de maand waarvan zeker is dat daarin de affectieve relatie tussen de man en de vrouw beëindigd was). [46] , [47]
lid 1-regime van de bepaling, derhalve niet voor toepassing van het lid 2-regime daarvan. Zie onder 5.8.4 hiervoor.