ECLI:NL:HR:2026:93

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/03825
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over verjaring en verrekening in geschil tussen stadsverwarming exploitant en belangenstichting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen Ennatuurlijk B.V. en Stichting Reeshofverzet (SRV). Het geschil betreft de verschuldigdheid van een periodieke aansluitbijdrage door Ennatuurlijk aan de bewoners van stadsverwarming in Tilburg. SRV vorderde een verklaring voor recht dat Ennatuurlijk zonder rechtsgrond een jaarlijks geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage in rekening brengt bij de bewoners die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben gehad op het warmtenet. De rechtbank Oost-Brabant heeft deze vordering toegewezen, waarna Ennatuurlijk in hoger beroep ging bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank, maar Ennatuurlijk stelde cassatie in. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had overwogen dat de verjaring van de vorderingen van de verbruikers niet in de weg staat aan de mogelijkheid van verrekening. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens werd SRV veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03825
Datum23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
ENNATUURLIJK B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
EISERES tot cassatie,
hierna: Ennatuurlijk,
advocaten: A. Knigge en D.A. van der Kooij,
tegen
STICHTING REESHOFVERZET,
gevestigd te Tilburg,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SRV,
advocaat: H.J.W. Alt.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/01/355077 / HA ZA 20-93 van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2022;
b. het arrest in de zaak 200.313.755/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2024.
Ennatuurlijk heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
SRV heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen mondeling en schriftelijk toegelicht door hun advocaten, en voor Ennatuurlijk schriftelijk mede toegelicht door L.A. Burwick en C.J.D. Warren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaten van Ennatuurlijk hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw voorziet Ennatuurlijk circa 24.650 woningen in Tilburg van warmte, waarvan er ongeveer 16.450 zijn gelegen in het stadsdeel Reeshof en 8.200 in andere delen van de stad. Voor de levering van warmte exploiteert Ennatuurlijk een warmtenet.
(ii) Voor het realiseren van een aansluiting op het warmtenet gaat een aanvrager een aansluitovereenkomst aan met Ennatuurlijk. De aansluitovereenkomst komt tot stand door het invullen en opsturen door de aanvrager van een daarvoor door Ennatuurlijk aan de aanvrager toegezonden offerte. Op deze offerte/opdrachtbevestiging staat direct boven de plaats waar de aanvrager zijn/haar gegevens invult de tekst “
De totale kosten voor de nieuwe aansluiting(en) bedragen EUR [bedrag] incl. BTW”.
(iii) De algemene praktijk bij de totstandkoming van een leveringsovereenkomst is dat een verbruiker zich bij Ennatuurlijk aanmeldt, waarna Ennatuurlijk een welkomstbrief met bijlagen stuurt. De bijlagen bestaan uit de Algemene Aansluitvoorwaarden en de Algemene Leveringsvoorwaarden en een informatiebrochure.
(iv) In de Algemene Aansluitvoorwaarden en in de Algemene Leveringsvoorwaarden staat de volgende definitie van vastrecht:
“de verschuldigde vergoeding voor het hebben en in stand (doen) houden van een aansluiting en het beschikbaar stellen van warmte – en/of warm tapwater – en/of koudevermogen”.
(v) De hoogte van het tarief voor de aansluiting op het warmtenet en de levering van warmte werd vanaf 1981 jaarlijks geadviseerd door de vereniging van stadsverwarmingsbedrijven in Nederland in zogenaamde Tariefadviezen. De Tariefadviezen gaan uit van het “niet-meer-dan-anders” beginsel (NMDA- beginsel). Dit NMDA-beginsel wordt toegepast voor de berekening van de aansluitbijdrage, het vastrecht en de warmteprijs en komt er op neer dat er een zodanig tarief voor de geleverde warmte wordt gevraagd dat het de warmteverbruiker gemiddeld niet meer kost dan bij gebruik van aardgas voor individuele centrale verwarming.
(vi) Volgens het Tariefadvies 2013 is de aansluitbijdrage een éénmalige vergoeding die verschuldigd is op het moment dat de woning op het warmtenet wordt aangesloten. Bij de vaststelling van de hoogte van de aansluitbijdrage wordt, aldus het Tariefadvies 2013, uitgegaan van de vermeden kosten van een gasaansluiting en het verschil tussen de specifieke investeringskosten voor enerzijds een centrale verwarmings- en anderzijds een stadsverwarmingsinstallatie.
(vii) Vanaf 2012 heeft Ennatuurlijk op haar facturen naast de variabele kosten voor verbruik en het vastrecht ook een separate post ‘bijdrage aansluitkosten’ of ‘aansluitbijdrage’ opgenomen (hierna beide aan te duiden als: aansluitbijdrage). Voordien bracht Ennatuurlijk deze post (voor verbruikers op de factuur niet zichtbaar) als onderdeel van het vastrecht in rekening. Bij brief van juni 2011 heeft Ennatuurlijk haar verbruikers hierover geïnformeerd. Deze brief vermeldt:
“Bijdrage aansluitkosten
Binnen de component vastrecht betaalt u momenteel een bijdrage voor de aansluitkosten van de warmteaansluiting. Deze ‘aansluitbijdrage’ bedraagt voor [jaartal en bedrag]. De aansluitbijdrage heeft een looptijd van 30 jaar en eindigt voor bovengenoemd verbruiksadres in «Eindjaar». (...)
Wat betekent dit voor u?
Voor u als klant betekent dit dat u vanaf 1 januari «Eindjaar» jaarlijks minder betaalt voor het vastrecht warmte. Indien de looptijd in uw situatie nog niet is verstreken, ziet u vanaf 2012 de bijdrage die u moet betalen voor aansluitkosten afzonderlijk vermeld op uw jaarafrekening.”
(viii) SRV is in 2017 opgericht en behartigt de belangen van een aantal verbruikers van stadsverwarming in de gemeente Tilburg.
2.2
In dit geding vordert SRV onder meer een verklaring voor recht dat Ennatuurlijk zonder rechtsgrond een jaarlijks geïndexeerde en rentedragende aansluitbijdrage in rekening brengt dan wel heeft gebracht bij SRV-bewoners (bestaande uit de bewoners van de Reeshof en andere gedeelten van Tilburg) die voor 1 januari 2014 een aansluiting hebben (gehad) op het warmtenet. De rechtbank [1] heeft deze vordering toegewezen.
2.3
Het hof [2] heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het, eveneens voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Het door Ennatuurlijk gedane beroep op verjaring van de vorderingen van de verbruikers gaat alleen al hierom niet op, omdat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat een schuldeiser een verjaarde vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt. Dat Ennatuurlijk op geen van de door SRV vertegenwoordigde verbruikers een tegenvordering heeft of kan krijgen, is niet gesteld of gebleken en is ook niet aannemelijk, gelet op de aard van de overeenkomst tussen Ennatuurlijk en haar verbruikers: een duurovereenkomst tot voortdurende levering van warmte, tegen betaling van periodieke voorschotten op een in beginsel jaarlijks vast te stellen jaarafrekening. Vanwege de mogelijkheid van verrekening houden de verbruikers die SRV vertegenwoordigt (en daarmee SRV) dus een belang bij de vaststelling van een rechtsgrond voor het bestaan van een vordering op Ennatuurlijk. (rov. 5.7)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de verwerping door het hof van het betoog van Ennatuurlijk dat SRV gelet op de verjaring van de vorderingen van de verbruikers van wie zij de belangen behartigt, geen belang heeft bij de vaststelling dat voor die vorderingen een rechtsgrond bestaat. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof, door te overwegen dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt, heeft miskend dat een schuldenaar alleen bevoegd is tot verrekening van zijn schuld met een verjaarde vordering, indien deze bevoegdheid al bestond vóórdat zijn vordering verjaarde.
3.2
Deze klacht treft doel. Art. 6:131 lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet eindigt door verjaring van de rechtsvordering. De ratio van deze bepaling is dat degene die tot verrekening bevoegd is, zich veelal reeds als bevrijd zal beschouwen en pas aan het afleggen van de in art. 6:127 lid 1 BW bedoelde verrekeningsverklaring zal denken wanneer de schuldeiser hem aanspreekt tot nakoming van de verbintenis. [3] De bepaling laat een bestaande verrekeningsbevoegdheid dus voortbestaan na het moment waarop de in verrekening te brengen vordering verjaart, maar schept niet een bevoegdheid tot verrekening van een reeds verjaarde vordering met een na de voltooiing van de verjaring ontstane schuld. Voor laatstbedoeld geval geldt onverkort het vereiste, opgenomen in art. 6:127 lid 2 BW, dat degene die zich op verrekening wil beroepen, bevoegd is tot het afdwingen van de betaling van de vordering waarmee hij zijn schuld wil verrekenen.
Het oordeel van het hof dat op grond van art. 6:131 BW de verjaring van een vordering er niet aan in de weg staat dat de schuldeiser die vordering verrekent met een tegenvordering die zijn wederpartij op hem heeft of krijgt, is derhalve in zijn algemeenheid onjuist.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). [4]

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt SRV in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ennatuurlijk begroot op € 985,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SRV deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Oost-Brabant 26 januari 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:207.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 juli 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2262.
3.Parl. Gesch. Boek 6, p. 503.
4.Zie het vandaag uitgesproken arrest in de zaak 24/03826, ECLI:NL:HR:2026:94.