ECLI:NL:PHR:2026:630

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
25/01078
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 552f SvArt. 33c lid 2 SrArt. 36b lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing klaagschrift teruggave auto met kilometerblokker wegens niet hoogst onwaarschijnlijke onttrekking aan verkeer

Op 4 november 2024 werd een auto van de klager in beslag genomen vanwege de aanwezigheid van een kilometerblokker, een apparaat dat de kilometerstand manipuleert. De klager verzocht op 18 december 2024 via een klaagschrift om teruggave van de auto, maar de rechtbank Noord-Nederland verklaarde dit verzoek ongegrond omdat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzette. De rechtbank oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de auto later aan het verkeer zou worden onttrokken.

De Hoge Raad heeft op 17 maart 2026 in een gerelateerde zaak geoordeeld dat een auto met een kilometerblokker niet zonder meer vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, maar dat dit onder bepaalde omstandigheden wel kan. Het openbaar ministerie moet daarvoor technische informatie aanleveren. In de onderhavige zaak ontbrak deze informatie nog, waardoor de klaagschriftprocedure volgens de Hoge Raad een summier karakter heeft en terughoudendheid bij toetsing vereist is.

De Hoge Raad bevestigt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto aan het verkeer zal worden onttrokken en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt. De klager had onvoldoende concreet onderbouwd dat zijn persoonlijke belangen zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang. Ook is geen aanleiding gezien voor een nadere toets of het geven van een bevel aan het openbaar ministerie om aanvullende stukken te overleggen.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het klaagschrift tot teruggave van de auto met kilometerblokker blijft ongegrond.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01078 B
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, heeft bij beschikking van 11 maart 2025 (parketnr. RK 24-031768) het klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave van een Audi ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. De advocaat S. Mabrouk heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in deze zaak om gaat

2.1
Op 4 november 2024 is onder de klager een auto in beslag genomen waarin een kilometerblokker bleek te zitten. Dat is een elektronisch apparaatje dat in een auto kan worden ingebouwd om de kilometerstand te manipuleren. De op het dashboard weergegeven kilometerstand komt dan niet meer overeen met het werkelijk aantal gereden kilometers. Op 18 december 2024 is namens de klager een klaagschrift ingediend waarin is verzocht om teruggave van de auto. De officier van justitie heeft daartegen aangevoerd dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet, omdat het openbaar ministerie zal vorderen dat het voorwerp wordt onttrokken aan het verkeer.
2.2
Op 17 maart 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de vraag of een personenauto waarin een kilometerblokker is aangetroffen die daaruit al is verwijderd of die daaruit – met niet meer dan redelijke van de daarbij betrokken functionarissen te vergen inspanningen – kan worden verwijderd (om die kilometerblokker te kunnen onttrekken aan het verkeer), kan worden onttrokken aan het verkeer. [1] De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke auto niet zonder meer van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Dat laat volgens de Hoge Raad evenwel onverlet dat auto’s waarin een kilometerblokker is aangetroffen, onder bepaalde omstandigheden wel degelijk vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Het is aan het openbaar ministerie om de hiervoor benodigde (technische) informatie over de auto aan te leveren.
2.3
Zolang die nadere informatie over de auto (nog) ontbreekt en een vordering tot onttrekking aan het verkeer om die reden nog op zich laat wachten, zal de juridische discussie over een auto met een kilometerblokker plaatsvinden binnen de kaders van de klaagschriftprocedure van art. 552a Sv. Een klaagschrift met een verzoek van de eigenaar om teruggave van de auto ligt in de periode tussen de inbeslagneming van de auto en de vordering tot onttrekking aan het verkeer te meer voor de hand, nu in het overgrote deel van de gevallen niet kan worden vastgesteld dat de eigenaar van de auto zelf degene is die de kilometerblokker heeft ingebouwd.
2.4
Deze zaak is de eerste in cassatie over een auto met een kilometerblokker waarin een op zichzelf staand klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv – daarmee bedoel ik: zonder een gelijktijdig behandelde vordering tot onttrekking aan het verkeer – ongegrond is verklaard omdat het volgens de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de onttrekking aan het verkeer zal bevelen. [2]
2.5
Gelet daarop zal ik in deze conclusie iets uitgebreider ingaan op de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv over een auto waarin een kilometerblokker is aangetroffen. De insteek van die bespreking is wat mij betreft vooral dat – niettegenstaande het summiere karakter van de klaagschriftprocedure en de daarmee samenhangende terughoudende toetsing door de beklagrechter – het niet zo kan zijn dat klaagschriften strekkende tot teruggave van auto’s waarin een kilometerblokker is aangetroffen, in afwachting van de door het openbaar ministerie aan te leveren nadere (technische) informatie over de auto, steeds ongegrond moeten worden verklaard (dan wel de behandeling daarvan steeds moet worden aangehouden), omdat het – bij gebrek aan die informatie – (vooralsnog) niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto zal worden onttrokken aan het verkeer.

3.Het procesverloop bij de rechtbank

3.1
In het klaagschrift van 18 december 2024 is het volgende aangevoerd:
“3. Bij het openbaar ministerie is door ondergetekende een verzoek tot teruggave ingediend. De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt niet tot teruggave over te willen gaan. Het standpunt van de officier van justitie is samengevat dat er niet meer kan worden vertrouwd op de kilometerstand van het voertuig, en het voertuig daarom vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.
Gronden van het klaagschrift
4. Ondergetekende heeft bij verschillende politie-eenheden de ervaring gehad dat kilometerstoppers worden verwijderd, maar dat daarna de teruggave kan worden gelast. Het probleem dat de officier van justitie beschrijft omtrent de onbetrouwbare kilometerstand, is in die gevallen ondervangen door het plaatsen van een WOK-melding.
5. Het beslag voldoet niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Klager stelt zich op het standpunt dat het plaatsen van de kilometerstopper niet aan hem te wijten is. Door het beslag en het eventueel verliezen van de auto wordt hij onevenredig in zijn belangen geschaad. Daarnaast bestaan er zoals zojuist benoemd andere mogelijkheden om de auto in de juiste staat te herstellen.”
3.2
De rechtbank heeft de verschillende standpunten als volgt samengevat:
“Door en namens klager is aangevoerd dat het voertuig zonder kilometer-blocker niet dusdanig gevaarzettend is voor de verkeersveiligheid dat dit een grond oplevert om de auto te onttrekken aan het verkeer. De raadsvrouw verwijst naar een beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 februari 2025 met kenmerk ECLI:NL:RBOVE:2025:807. Ook is niet voldaan aan de proportionaliteit en subsidiariteit. De nieuwwaarde van de auto van klager is € 40.000,- en er is geen enkele aanwijzing dat klager wetenschap had van de kilometer-blocker. Bij [A] worden auto’s te koop aangeboden waarbij de kilometerstand wordt aangeduid die volgens NAP onlogisch zijn, hetgeen volgens de raadsvrouw betekent dat de kilometerstand onbetrouwbaar is.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie zal vorderen dat het voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Het gebruik van een km-blocker kan leiden tot misleiding bij de verkoop of het onderhoud van een voertuig en wordt beschouwd als fraude. Voertuigen met gemanipuleerde kilometertellers kunnen onderhoudsintervallen missen, wat tot ernstige mechanische problemen kan leiden. Het is niet mogelijk om de mate waarin een eventuele manipulatie heeft plaatsgevonden te reconstrueren. Ook is het niet mogelijk om, na een eventuele manipulatie, de feitelijk werkelijk gereden kilometerstand te achterhalen.
Het wijzigen van de kilometerteller is strafbaar op grond van artikel 70m WVW94. Het gebruik van een kilometerblocker is strafbaar op grond van het Besluit Voertuigen.
Vanwege de diepgaande en onomkeerbare manipulatie, het ernstige risico voor de verkeersveiligheid en om toekomstige fraude te voorkomen, is de enige manier om te waarborgen dat een dergelijk voertuig niet meer op de weg komt, het voertuig volledig te vernietigen.”
3.3
De rechtbank heeft het klaagschrift, dat strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen auto aan de klager, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval als het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
Gelet op hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de onttrekking aan het verkeer van de auto zal bevelen. De rechtbank stelt vast dat klager het standpunt van de officier van justitie inhoudelijk bestrijdt. Het standpunt van de officier van justitie is naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet evident onjuist. Vanwege het summiere karakter van de onderhavige procedure is voor een nader onderzoek naar de juistheid van het standpunt van de officier van justitie geen plaats. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Nu het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de auto aan het verkeer zal worden onttrokken omdat het ongecontroleerde bezit hiervan is strijd is met de wet of het algemeen belang, is voor een belangenafweging geen plaats.
Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”

4.Juridisch kader

4.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat op grond van art. 94 Sv Pro onder de klager beslag is gelegd op de in het klaagschrift genoemde Audi. Bij de beoordeling van een beklag dat is gericht tegen een beslag op grond van art. 94 Sv Pro zal de rechter eerst moeten beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als het “niet hoogst onwaarschijnlijk” is dat de later oordelende strafrechter de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. [3]
4.2
De terughoudende beoordeling door de beklagrechter die volgt uit dit “niet hoogst onwaarschijnlijk”-criterium kan worden verklaard doordat het onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog gaande is. In het geval van een auto met een kilometerblokker is dat dus een moment waarop de auto al wel in beslag is genomen, maar waarin de officier van justitie nog geen vordering tot onttrekking aan het verkeer aanhangig heeft gemaakt. Het onderzoek in raadkamer heeft daarom een summier karakter en de beoordeling van het beklag vindt eerst en vooral plaats op grond van de (vaak dus beperkte) informatie die op dat moment voorhanden is. Op grond van dat summiere onderzoek in raadkamer zal de beklagrechter moeten beoordelen of de onttrekking aan het verkeer van een auto waarin een kilometerblokker is aangetroffen in het concrete geval daadwerkelijk al dan niet hoogst onwaarschijnlijk is. [4]
4.3
Die vraag zal de beklagrechter moeten beantwoorden tegen de achtergrond van het door de Hoge Raad geschetste kader in zijn beschikking van 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349. [5] Dat kader houdt het volgende in:
“3.5. Een personenauto is niet zonder meer van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang (vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2238). Dat wordt niet anders op de enkele grond dat in die auto door de politie een kilometerblokker is aangetroffen die daaruit al is verwijderd, of die – met niet meer dan redelijke van de daarbij betrokken functionarissen te vergen inspanningen – daaruit kan worden verwijderd (om die kilometerblokker te kunnen onttrekken aan het verkeer).
3.6.
Niettemin kan onder omstandigheden een personenauto waarin een kilometerblokker is aangetroffen, van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang, waardoor de auto alsnog in aanmerking komt voor onttrekking aan het verkeer.
3.7.
Een geval als bedoeld onder 3.6 kan zich voordoen als de rechter vaststelt dat de auto – ook na de verwijdering daaruit van de kilometerblokker – een concreet gevaar voor de verkeersveiligheid vormt terwijl het aan dat gevaar ten grondslag liggende gebrek niet met redelijke inspanningen kan worden hersteld. De enkele omstandigheid dat de kilometerstand van de auto (zoals deze wordt weergegeven op de kilometerteller) mogelijk niet juist is, brengt niet mee dat de auto daadwerkelijk een concreet gevaar voor de verkeersveiligheid vormt.
3.8.1.
Daarnaast kan zich een geval als bedoeld onder 3.6 voordoen als de rechter vaststelt dat – ook na de verwijdering van de kilometerblokker – het normale handelsverkeer ten aanzien van de auto onevenredig wordt belemmerd doordat de waarde van de auto onduidelijk of te hoog is als gevolg van de kans dat de kilometerstand van de auto (zoals deze wordt weergegeven op de kilometerteller) wezenlijk lager is dan het daadwerkelijk daarmee gereden aantal kilometers.
3.8.2.
Aangenomen mag worden dat zo’n belemmering van het handelsverkeer in voldoende mate wordt voorkomen als i) de correcte kilometerstand inmiddels is hersteld of in voldoende mate is benaderd op de kilometerteller, of ii) het gegeven dat de kilometerstand van de auto niet betrouwbaar is (omdat deze is gemanipuleerd door de kilometerblokker) op een eenvoudige manier – bijvoorbeeld door een registratie bij de Dienst Wegverkeer – voor derden kenbaar is gemaakt.
3.9.1.
Het openbaar ministerie dat op de onder 3.7 en/of 3.8.1 genoemde grond(en) de onttrekking aan het verkeer vordert van een personenauto waarin een kilometerblokker heeft gezeten, is ervoor verantwoordelijk dat de hiervoor benodigde (technische) informatie over de auto zich bij de (proces)stukken bevindt voordat de zaak op de terechtzitting of in raadkamer wordt behandeld en vult daartoe zo nodig tijdig het dossier aan. In voorkomende gevallen kan de rechter – desnoods door aanhouding van de behandeling van de zaak – bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over de gevolgen voor de verkeersveiligheid of over belemmeringen van het handelsverkeer als de auto weer in het verkeer zou worden gebracht, alsnog bij de processtukken worden gevoegd.
3.9.2.
Van de betrokkene die zich keert tegen een vordering van het openbaar ministerie tot onttrekking aan het verkeer of die zich op grond van Titel IX van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering beklaagt over de inbeslagneming of onttrekking aan het verkeer van de auto, mag in beginsel worden verwacht dat hij het nodige onderneemt om – na de ontdekking en verwijdering van de kilometerblokker – de belemmering (op zijn kosten) weg te (doen) nemen op een van de onder 3.8.2 bedoelde manieren. De omstandigheid dat hem daartoe van overheidswege niet (voldoende) gelegenheid is geboden, kan een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de auto aan het verkeer kan worden onttrokken en of in dat geval aanleiding bestaat voor de toekenning van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in artikel 36b lid 2 in samenhang met artikel 33c lid 2 Sr.” [6]
4.4
Kort samengevat heeft de Hoge Raad dus geoordeeld dat auto’s met een kilometerblokker niet zonder meer vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, bijvoorbeeld als kan worden vastgesteld dat de auto een concreet gevaar vormt voor de verkeersveiligheid of de auto het normale handelsverkeer onevenredig belemmert. Het openbaar ministerie moet in dit verband de hiervoor benodigde (technische) informatie over de auto bij de processtukken voegen.
4.5
De beschikking van de Hoge Raad biedt naar mijn idee een voor de feitenrechter goed hanteerbaar kader voor de beoordeling van een vordering tot onttrekking aan het verkeer van een auto waarin een kilometerblokker is aangetroffen. Er bestaat echter ook een fase na de inbeslagneming van de auto, waarin de vordering tot onttrekking aan het verkeer nog niet aan de orde is omdat het (technisch) onderzoek naar de auto nog gaande is, maar waarin het wel voor de hand ligt dat de eigenaar van de auto door middel van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv verzoekt om teruggave van zijn auto. Dan verplaatst de juridische discussie over de auto met een kilometerblokker zich naar de klaagschriftprocedure van art. 552a Sv. Het hiervoor beschreven summiere karakter van die procedure en de daarmee samenhangende terughoudende toetsing door de beklagrechter, kan – tegen de achtergrond van het door de Hoge Raad geschetste kader voor de onttrekking aan het verkeer – moeilijkheden opleveren voor de beklagrechter. Immers, zolang het dossier niet de benodigde (technische) informatie over de auto met betrekking tot de gevolgen voor de verkeersveiligheid en/of de belemmeringen van het handelsverkeer bevat, is de onttrekking aan het verkeer van de auto niet onvoorstelbaar. De Hoge Raad heeft de bal voor het aanleveren van die nadere informatie over de auto nadrukkelijk bij het openbaar ministerie gelegd. Totdat die informatie beschikbaar komt, kan de beklagrechter in mijn ogen eigenlijk niet anders dan oordelen dat de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen auto (vooralsnog) niet hoogst onwaarschijnlijk is.
4.6
Ik merk daarbij zekerheidshalve op dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 maart 2026 heeft overwogen dat het openbaar ministerie het dossier “tijdig” dient aan te vullen. [7] Van het openbaar ministerie mag dus enige voortvarendheid worden verwacht bij het verzamelen van de nadere technische informatie over de inbeslaggenomen auto. Dat is van belang, omdat de beklagrechter in de afwezigheid van die informatie zoals opgemerkt in beginsel niet veel anders kan dan oordelen dat onttrekking van de inbeslaggenomen auto niet hoogst onwaarschijnlijk is (of de behandeling van het klaagschrift (steeds) dient aan te houden in afwachting van die informatie), terwijl de eigenaar van de auto niet zonder hulp van het openbaar ministerie actie kan ondernemen ten aanzien van (het herstellen van) de (juiste) kilometerstand van de auto omdat die auto inbeslaggenomen is.
4.7
Toch staan zowel de klager als de beklagrechter in de klaagschriftprocedure ook weer niet volkomen machteloos als de door de officier van justitie aan te leveren (technische) informatie over de auto (lang) op zich laat wachten. Ik zal hieronder een drietal manieren bespreken. Nu het gaat om een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is het uitgangspunt bij die bespreking steeds dat de auto met de kilometerblokker reeds inbeslaggenomen is en dat de kilometerblokker daaruit reeds is verwijderd of op korte termijn (met niet meer dan redelijke van de daarbij betrokken functionarissen te vergen inspanningen) zal (kunnen) worden verwijderd.
4.8
Uitgangspunt daarbij is ook dat de juiste kilometerstand van de auto in een groot deel van de gevallen kan worden achterhaald. Volgens de informatie afkomstig van een door de rechtbank Midden-Nederland geraadpleegde deskundige in de zaak die leidde tot de beschikking van 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349, is het bijna onmogelijk om alle regelapparaten in een auto te beïnvloeden. Dat betekent dat het in beginsel mogelijk is om de juiste kilometerstand van de auto te achterhalen (via regelapparatuur waarop geen kilometerblokker is aangebracht) en (daarmee) ook om de kilometerteller (al dan niet bij benadering) in de daadwerkelijke kilometerstand te brengen. Voor dat laatste is echter toegang tot de auto noodzakelijk, die klager niet heeft (omdat de auto inbeslaggenomen is). Hoewel een enkele rechtbank daarin aanleiding heeft gezien om het beklag ‘voorwaardelijk’ gegrond te verklaren en een voorwaardelijke last tot teruggave van de auto te geven (waarbij de voorwaarde luidde dat klaagster de kilometerblokker liet verwijderen en de kilometerstand door een gecertificeerde merkdealer in originele staat liet terugbrengen, een en ander naar genoegen van het openbaar ministerie en op eigen kosten), [8] voorziet de wet niet in een dergelijke beslissing en last, om welke reden daarop hier niet verder zal worden ingegaan.
4.9
Uitgangspunt bij onderstaande bespreking is ten slotte dat het in de regel voor het openbaar ministerie niet acceptabel zal zijn om het beslag op een personenauto op te heffen op basis van de (enkele) toezegging van klaagster dat de juiste kilometerstand zal worden hersteld en dat de politie in staat zal worden gesteld om dat te controleren. Het relatief vrijblijvende karakter van die toezegging verhoudt zich niet met de taak van het openbaar ministerie.
4.1
Tussen die beide uitersten – voortduring van het beslag totdat een vordering ex art. 552f Sv is ingediend (dan wel totdat de daarvoor benodigde informatie door het openbaar ministerie is verstrekt) versus opheffing van het beslag op basis van de toezegging dat de juiste kilometerstand zal worden hersteld – zal een evenwicht moeten worden gevonden.
1. De proactieve klager
4.11
De klager hoeft in de klaagschriftprocedure niet te wachten tot het openbaar ministerie in actie komt en de benodigde informatie aanlevert; de klager kan ook zelf daartoe het initiatief nemen. Niet voor niets overweegt de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 maart 2026 dat van de klager “in beginsel [mag] worden verwacht dat hij het nodige onderneemt om – na de ontdekking en verwijdering van de kilometerblokker – de belemmering (op zijn kosten) weg te (doen) nemen”. [9] Deze opmerking van de Hoge Raad staat in verband met de overweging dat aangenomen mag worden dat een belemmering van het handelsverkeer als gevolg van de te lage kilometerstand in voldoende mate kan worden voorkomen als bijvoorbeeld de correcte kilometerstand is hersteld of in voldoende mate is benaderd op de kilometerteller van de auto. Het ligt dus in de rede dat een klager zich inspant om een dergelijk herstel van de correcte kilometerstand te bewerkstelligen. [10] Als de klager bijvoorbeeld kan aantonen dat hij een afspraak bij een erkend garagebedrijf heeft om de correcte kilometerstand te herstellen, dan lijkt het openbaar ministerie me – gelet op de hiervoor besproken overweging van de Hoge Raad – in beginsel gehouden aan zo’n afspraak mee te werken, hetgeen overigens iets anders is dan het opheffen van het beslag vanwege (alleen) die afspraak. Gelet op de overwegingen van de Hoge Raad kan het niet (voldoende) bieden van de gelegenheid tot het herstellen van de correcte kilometerstand een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de auto aan het verkeer kan worden onttrokken en zo ja, of aanleiding bestaat voor toekenning van een geldelijke tegemoetkoming ex art. 33c lid 2 jo 36b lid 2 Sr. Als vervolgens die kilometerstand inderdaad is hersteld of in voldoende mate is benaderd op de kilometerteller, terwijl overigens niet uit het dossier kan worden afgeleid dat de auto enig gevaar voor de verkeersveiligheid vormt, ligt een gegrondverklaring van het klaagschrift voor de hand. Denkbaar is overigens zeker ook dat die gelegenheid wordt geboden alvorens een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv wordt ingediend, dan wel voordat een dergelijk klaagschrift in raadkamer wordt behandeld.
2. Een beroep op de proportionaliteit en subsidiariteit van het (voortduren van het) beslag
4.12
De klager kan daarnaast – al dan niet ten vervolge op onderzoek dat op zijn eigen initiatief heeft plaatsgevonden – een onderzoek van de beklagrechter uitlokken naar de vraag of voortzetting van het beslag nog in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In zijn overzichtsbeschikking van 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 overwoog de Hoge Raad daar het volgende over:
“2.4.1. De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en Pro/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. (Vgl. bijvoorbeeld HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), overweging 103.)
[…]
2.4.2.
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.”
4.13
Bij voorwerpen waarvan het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat zij later zullen worden onttrokken aan het verkeer, ligt een beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van het beslag naar mijn oordeel als zodanig niet zonder meer voor de hand. Anders dan bij bijvoorbeeld de verbeurdverklaring gaat het bij de onttrekking aan het verkeer immers om voorwerpen die – kort gezegd – gevaarlijk zijn. Het gaat hier dus om voorwerpen die het openbaar ministerie vanwege die gevaarlijke aard uit de samenleving wil houden, zodat het persoonlijke belang bij teruggave van dat voorwerp bijna per definitie niet zal opwegen tegen het maatschappelijke belang bij voortduring van het beslag. In het specifieke geval van een auto met een kilometerblokker gaat het evenwel om een voorwerp dat volgens de Hoge Raad
niet zonder meervan zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. In zo’n geval is een beroep op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit naar mijn oordeel niet ondenkbaar.
4.14
Uit het hiervoor reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2026 blijkt voorts dat de omstandigheid dat klager van overheidswege niet (voldoende) gelegenheid is geboden om onttrekking aan het verkeer in situaties als de onderhavige te voorkomen, een rol kan spelen bij de beantwoording van de vraag of de auto aan het verkeer kan worden onttrokken en of in dat geval aanleiding bestaat voor de toekenning van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b lid 2 in samenhang met art. 33c lid 2 Sr. Ook dan kunnen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol spelen.
4.15
De beklagrechter toetst de proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag niet ambtshalve. Het is dus eerst en vooral aan de klager om hierover een standpunt in te nemen en zijn persoonlijke belang bij de opheffing van het beslag handen en voeten te geven. Hij zal voldoende concreet en indringend moeten beargumenteren dat en waarom zijn persoonlijke belang bij opheffing van het beslag in afwachting van de voor de beoordeling van eventuele onttrekking benodigde, door het openbaar ministerie aan te leveren, technische gegevens van de auto, zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. Nu het bij auto’s met kilometerblokkers vaak gaat om huurauto’s, zou het persoonlijk belang bijvoorbeeld kunnen worden onderbouwd doordat de auto voor de eigenaar – als verhuurder van de auto – van belang is om inkomsten te genereren. [11]
4.16
Tegenover dit door de klager in de concrete zaak nader in te vullen persoonlijk belang staat in dit soort zaken een – zoals hiervoor al opgemerkt – zwaarwegend strafvorderlijk belang, namelijk dat gevaarlijke voorwerpen niet terug in het maatschappelijk verkeer moeten komen. Het strafvorderlijke belang bij de niet hoogst onwaarschijnlijke latere onttrekking aan het verkeer van een voorwerp wordt – anders dan bij bijvoorbeeld de verbeurdverklaring of de ontnemingsmaatregel – daarmee ook ingekleurd door het bredere belang om de maatschappij te beschermen tegen het opnieuw in het verkeer komen van dit soort voorwerpen.
4.17
Bij de afweging van het persoonlijk belang van de klager bij opheffing van het beslag enerzijds en het strafvorderlijk belang bij het voortduren ervan anderzijds komt daarentegen wel gewicht toe aan de tijd die sinds de beslaglegging verstreken is. [12] Hoe langer het beslag voortduurt, hoe meer gewicht toekomt aan het persoonlijk belang van de klager bij de opheffing van het beslag, zeker in situaties waarin de klager zelf het nodige initiatief heeft getoond om de gevolgen van de kilometerblokker ongedaan te (laten) maken. In de zaken over auto’s met een kilometerblokker biedt de proportionaliteits- en subsidiariteitstoets daarmee vooral een waarborg tegen de situatie waarin de door het openbaar ministerie aan te leveren (technische) informatie over de auto met betrekking tot de gevolgen voor de verkeersveiligheid of de belemmeringen van het handelsverkeer (te) lang op zich laat wachten.
3. Een bevel van de beklagrechter aan het openbaar ministerie
4.18
In eerste instantie is het in de klaagschriftprocedure dus vooral aan de klager zelf. Hij kan – zoals hiervoor beschreven – zelf het initiatief nemen om te onderbouwen dat de auto niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en/of (voldoende concreet) te beargumenteren waarom zijn persoonlijk belang bij de opheffing van het beslag (inmiddels) zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren ervan.
4.19
Dat neemt niet weg dat de beklagrechter zelf ook een bevoegdheid kan aanwenden om de nadere informatie over de auto te verkrijgen. De beklagrechter heeft op grond van art. 23 lid 1 jo Pro. lid 5 Sv de mogelijkheid een bevel te geven aan het openbaar ministerie om – bijvoorbeeld binnen een nader te stellen termijn – nadere stukken te overleggen. [13] Hij kan het onderzoek in raadkamer met het oog daarop aanhouden. Als het openbaar ministerie vervolgens nalaat om de stukken te overleggen, dan kan de beklagrechter die omstandigheid betrekken bij de beoordeling van het klaagschrift. [14]
4.2
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de onderzoekstaak van de beklagrechter meebrengt dat zo’n bevel in ieder geval aan het openbaar ministerie wordt gegevens als de beklagrechter van mening is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van het klaagschrift. [15] Die onderzoekstaak van de beklagrechter brengt naar mijn oordeel echter ook mee dat de beklagrechter zo’n bevel aan het openbaar ministerie geeft indien zich een geval voordoet als het onderhavige, waarin de beklagrechter op zichzelf voldoende gegevens heeft om het klaagschrift te beoordelen, maar het openbaar ministerie naar het oordeel van de beklagrechter onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het aanleveren van de in de beschikking van de Hoge Raad van 17 maart 2026 bedoelde nadere (technische) informatie over de auto, zodat door de beklagrechter kan worden beoordeeld of zich een geval voordoet dat de personenauto waarin een kilometerblokker is aangetroffen, van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, waardoor de auto in aanmerking komt voor onttrekking aan het verkeer.
4.21
Bij de vraag of het openbaar ministerie onvoldoende voortvarendheid heeft betracht bij het aanleveren van die informatie, speelt in de eerste plaats het tijdsverloop sinds de inbeslagneming een rol. Daarnaast lijkt me van belang wat in de klaagschriftprocedure door klager en het openbaar ministerie is aangevoerd.

5.De bespreking van de middelen

Het eerste middel

5.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank met de overweging dat het standpunt van de officier van justitie “niet evident onjuist is”, een te strenge maatstaf heeft gebruikt.
5.2
Dat zie ik anders. Met de overweging dat het standpunt van de officier van justitie niet evident onjuist is, heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat op basis van het huidige dossier niet kan worden gezegd dat de onttrekking aan het verkeer van de auto “hoogst onwaarschijnlijk” is. Dat oordeel geeft geen blijk van toepassing van een te strenge en/of onjuiste maatstaf en is – tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt – niet onbegrijpelijk.
5.3
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
5.4
Het tweede middel bevat de klacht dat de overweging van de rechtbank dat er voor nader onderzoek naar de juistheid van het standpunt van de officier van justitie geen plaats is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In dat verband wordt aangevoerd dat het summiere karakter van de klaagschriftprocedure niet wegneemt “dat het beoordelingskader soms vergt dat de rechter blijk geeft van een nadere toets”.
5.5
Die opmerking is in zijn algemeenheid niet onjuist, maar de vraag is of dat enige consequentie heeft of zou moeten hebben voor de beslissing op het klaagschrift. In het middel zelf wordt niet uitgelegd waarom de rechtbank in de onderhavige zaak blijk had moeten geven van zo’n nadere toets.
5.6
Voor zover dat als zodanig niet reeds met zich brengt dat het middel faalt, geldt het volgende. Zoals ik hiervoor heb opgemerkt, staan zowel de klager als de beklagrechter in de klaagschriftprocedure zeker niet geheel machteloos. Zo kan de klager zelf het initiatief nemen om concreet te onderbouwen dat de auto niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en kan de beklagrechter op grond van hetgeen door of namens de klager is aangevoerd gehouden zijn tot een belangenafweging tussen het persoonlijk belang van de klager bij opheffing van het beslag en het strafvorderlijk belang bij het voortduren ervan. Ook kan de onderzoekstaak van de beklagrechter met zich brengen dat hij een bevel geeft aan het openbaar ministerie om binnen een nader te stellen termijn nadere stukken over de auto te overleggen. Het summiere karakter van de klaagschriftprocedure staat in die zin niet aan een nadere toetsing van het beslag in de weg.
5.7
In de onderhavige zaak heeft de klager zelf geen initiatief genomen. Zo blijkt uit hetgeen door of namens de klager is aangevoerd bijvoorbeeld niet dat hij zich heeft ingespannen om de correcte kilometerstand op de kilometerteller te laten herstellen. Daarnaast is in het klaagschrift wel gesteld dat het beslag niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, maar is dat standpunt – net als het daarvoor relevante persoonlijke belang van de klager bij opheffing van het beslag – niet onderbouwd. Voorts is mijns inziens in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk dat de beklagrechter (nog) geen aanleiding heeft gezien om een bevel te geven aan het openbaar ministerie om nadere stukken omtrent de technische staat van de auto te overleggen. In dat verband neem ik in aanmerking dat door of namens de klager niet is verzocht om nader onderzoek aan de auto, terwijl het tijdsverloop tussen de inbeslagneming van de auto op 4 november 2024 en het klaagschrift van 18 december 2024 beperkt is.
5.8
Het tweede middel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349.
2.In de vijf zaken waarin de Hoge Raad op 17 maart 2026 deed, ging het om twee beschikkingen op een 552f-vordering van de officier van justitie en twee gelijktijdig behandelde klaagschriften. In de andere zaak werd een op zichzelf klaagschrift door de rechtbank gegrond verklaard (en volgde teruggave van de auto), welke beslissing in cassatie in stand bleef.
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,
4.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
5.Vgl. in die zin HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:353, rov. 2.3 en 2.4.
6.HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349.
7.HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349, rov. 3.9.1.
8.Rb Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12674.
9.HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:349, rov. 3.9.2.
10.Vgl. HR 17 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:353, In die zaak had de rechtbank een klaagschrift tegen de inbeslagneming van een auto met een kilometerblokker gegrond verklaard en bleef die gegrondverklaring in cassatie in stand. De klaagster had in de procedure bij de rechtbank zelf een deskundige uit de mobiliteitssector als gemachtigde meegenomen, die betoogde dat de werkelijke kilometerstand was opgeslagen in de sleutels van de auto en dat de kilometerstand na het uitlezen van de sleutels probleemloos in de oorspronkelijke toestand kon worden teruggebracht. Het uitlezen van de autosleutels kwam naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet aan de belangen van de eerlijkheid van handelstransacties en de bescherming van consumenten. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat het op grond hiervan hoogst onwaarschijnlijk was dat de later oordelende strafrechter de auto zal onttrekken aan het verkeer getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.
11.Vgl. bijvoorbeeld HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1071, rov. 2.4.1, waarin de klager aanvoerde dat hij zijn in beslag genomen chauffeurspas nodig heeft om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin.
12.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
13.HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376,
14.HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128,
15.Vgl. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:376,