Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:63

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
25/00154
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 Sr (oud)Art. 241 SrArt. 1 lid 1 SrArt. 1 lid 2 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling feitelijke aanranding en toewijzing immateriële schadevergoeding

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gepleegd in februari 2023 in Duitsland. Het hof legde een taakstraf op en kende een schadevergoedingsmaatregel toe aan de benadeelde partij. De verdachte stelde cassatie in tegen de bewezenverklaring en de toewijzing van immateriële schadevergoeding.

De eerste klacht betrof de uitleg van het dwangbegrip in artikel 246 Sr Pro (oud). De verdachte stelde dat onverhoeds handelen niet als dwang kan worden aangemerkt en dat de nieuwe zedenwetgeving een gunstiger uitleg van dwang vereist. De Hoge Raad oordeelde dat de wetswijziging niet ten gunste van de verdachte uitpakt en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. De strafrechtelijke bescherming is verruimd en het bewijsvereiste voor dwang is juist verlaagd.

De tweede klacht betrof de motivering van de toewijzing van immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad bevestigde dat het hof voldoende heeft gemotiveerd dat de benadeelde door het bewezenverklaarde handelen geestelijk letsel heeft geleden, dat voldoende concreet en objectief is vastgesteld. De aard en ernst van het delict maken dat de nadelige gevolgen voor het slachtoffer voor de hand liggen, zodat toewijzing van smartengeld gerechtvaardigd is.

De Hoge Raad verwierp de middelen en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling en de schadevergoeding ongewijzigd blijven.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling en immateriële schadevergoeding worden bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00154 M
Zitting13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 januari 2025 door de militaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-005941-23), wegens "feitelijke aanranding van de eerbaarheid", veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 70 uren, te vervangen door 35 dagen hechtenis. Verder heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel bevat een rechtsklacht over het bestanddeel ‘dwang’. Het tweede middel klaagt over de toewijzing van immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 19 februari 2023 in Duitsland door een feitelijkheid een persoon, te weten [benadeelde] , meermalen heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, door onverhoeds en ongevraagd en onaangekondigd, op ontuchtige wijze, de borst(streek) en het linker bovenbeen van die [benadeelde] te betasten.”
2.2
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de aangeefster met collega’s was gaan stappen in Hamburg (Duitsland) en op de terugweg in de bus is betast door de verdachte, die achter haar zat. Na een gesprek dat steeds meer seksueel van aard werd, heeft hij haar over de stoelleuning heen aangeraakt. Hij wreef met zijn hand (over de kleding heen) over haar sleutelbeen en de bovenkant van haar borst. Nadat [getuige 1] , die naast de aangeefster zat, de hand van de verdachte had weggetikt ging de verdachte met zijn hand in de richting van haar bovenbeen en wreef over de binnenzijde van haar bovenbeen in de richting van haar lies. Na een plaspauze ging hij weer over haar been wrijven. Nadat zij had gevraagd of hij ermee op wilde houden omdat zij het vervelend vond, liet hij haar been los, maar liet zijn arm liggen en viel in slaap. [1]

3.Het eerste middel

3.1
Met het eerste middel wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de onverhoedse handelingen van de verdachte dwang in de zin van art. 246 Sr Pro (oud) opleveren. Dat oordeel geeft volgens de steller van het middel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk. Daartoe wordt onder meer het standpunt ingenomen dat onder ‘dwingen’ als bedoeld in art. 246 (oud) Sr niet onverhoeds handelen kan worden gerekend. Vervolgens redeneert de steller van het middel als volgt. Onder de nieuwe zedenwetgeving kan onverhoeds handelen een (opzettelijke) ontuchtige handeling opleveren, maar is het niet langer voldoende voor dwang. Dwang is onder de huidige wetgeving een strafverzwarend bestanddeel waarvoor volgens de wetgever meer nodig is dan ‘enkel’ onverhoeds handelen. De opvatting van de steller van het middel is dat sprake is van een gewijzigd van inzicht van de wetgever wat betreft de strafwaardigheid van ‘dwingen’. De verandering van wetgeving die daarvan het gevolg is, zou ten voordele van de verdachte moeten werken. Dat zou erin moeten resulteren dat art. 246 (oud) Sr wordt toegepast, waarbij de nieuwe uitleg van dwang als bedoeld in art. 241 lid 2 Sr Pro wordt gehanteerd, zodat het hof niet tot een bewezenverklaring had kunnen komen.
3.2
Het beoordelingskader
3.3
Ik schets hier kort de achtergrond waartegen het eerste middel zich afspeelt. Ingevolge art. 1 lid 1 Sr Pro is geen feit strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. Hoofdregel is dus dat strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. In dit legaliteitsbeginsel ligt een verbod van terugwerkende kracht besloten. Dat verbod heeft alleen betrekking op regels die strafbaarheid vestigen of verzwaren, want op grond van art. 1 lid 2 Sr Pro, waarop de steller van het middel zich beroept, worden bij verandering in wetgeving na het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. Er wordt in dit verband ook wel gesproken van het lex mitior-beginsel of het mildheidsgebod. [2] De Hoge Raad spreekt van een ‘verandering’ als bedoeld in art. 1 lid 2 Sr Pro wanneer sprake is van ‘een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit’. [3] Als na het begaan van het straf de delictsomschrijving in voor de verdachte gunstige zin is gewijzigd en die wetswijziging is het gevolg van zo’n verandering van inzicht, dan moet ingevolge art. 1 lid 2 Sr Pro , de gunstigste bepaling worden toegepast . [4]
3.4
Het juridisch kader en de wetsgeschiedenis
3.5
Art. 246 (oud) Sr luidt:
“Hij die door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen, wordt, als schuldig aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.6
Art. 241 Sr Pro, dat op 1 juni 2024 in werking is getreden, [5] luidt:
“1. Als schuldig aan opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie, degene die met een persoon seksuele handelingen verricht terwijl diegene weet dat bij die persoon daartoe de wil ontbreekt.
2. Als schuldig aan gekwalificeerde opzetaanranding wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie, degene die zich schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in het eerste lid, voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld, of bedreiging.”
3.7
In de memorie van toelichting bij de Wet seksuele misdrijven zijn met betrekking tot het bestanddeel dwang de volgende relevante passages opgenomen: [6]

3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
(…)
3.2
Schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting
In de nieuwe Titel Seksuele misdrijven wordt de strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld verruimd. Deze verruiming is ingegeven door verschillende in hoofdstuk 2 van deze memorie beschreven maatschappelijke, juridische en technologische ontwikkelingen die noodzaken tot verlaging van de drempel voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting. De huidige delicten aanranding en verkrachting worden vervangen door nieuwe delicten. Het betreft vier delicten met zes verschillende kwalificaties: schuldaanranding, opzetaanranding, gekwalificeerde opzetaanranding, schuldverkrachting, opzetverkrachting en gekwalificeerde opzetverkrachting. De strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt aangescherpt. (…) Bij de opzetdelicten is iemand strafbaar als diegene seksuele handelingen verricht in de wetenschap dat de wil van de ander daartoe ontbreekt. Het gebruik van dwang, geweld of bedreiging is geen voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar een strafverzwarende delictsvorm van de opzetdelicten. (…)
De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten. De opzetvariant doet zich eveneens voor in situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Onder dergelijke omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de dader bewust handelt en de wilsonvrijheid bij de ander heeft gewild. Bij gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm (gekwalificeerde opzetaanranding of gekwalificeerde opzetverkrachting). Met deze gekwalificeerde delictsvormen wordt het ernstiger verwijt dat de schuldige wordt gemaakt vanwege deze extra strafwaardige begeleidende omstandigheden tot uitdrukking gebracht.
(…).
In de delictsvormen gekwalificeerde opzetaanranding (artikel 241, tweede lid) en gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243, tweede lid) wordt het gebruik van dwang, geweld of bedreiging als strafverzwarend aangemerkt. De aanwezigheid van een dwangsituatie is hiermee niet langer een voorwaarde voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, maar geldt als bijkomende omstandigheid die een ernstiger strafrechtelijk verwijt indiceert.
(…).
Artikel 241
In artikel 241 worden Pro opzetaanranding (eerste lid) en gekwalificeerde opzetaanranding (tweede lid) strafbaar gesteld. Het eerste lid is deels nieuw en deels de rechtsopvolger van de artikelen 247 Sr (ontucht met een geestelijk of lichamelijk onmachtige persoon) en 249, tweede lid, Sr (ontucht met een functioneel afhankelijke persoon). Als gevolg van de koppeling in het eerste lid van strafbaarheid aan een ontbrekende wil bij de ander en gelet op de invulling hiervan in artikel 244 vervalt Pro de huidige specifieke strafbepaling die bescherming biedt aan categorieën van personen die in een positie verkeren dat ze niet in staat zijn tot (vrije) wilsuiting. In extra strafrechtelijke bescherming tegen misbruik van een functionele afhankelijkheidspositie wordt voorzien door een nieuwe strafverzwaringsgrond (artikel 254). De huidige hierop betrekking hebbende strafbepaling vervalt eveneens. Het tweede lid stelt opzetaanranding voorafgegaan door, vergezeld van, of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging strafbaar onder de kwalificatie gekwalificeerde opzetaanranding. Dit is de rechtsopvolger van het huidige artikel 246 Sr Pro (aanranding).
(…)
In het tweede lid is de toepassing van dwang als een zelfstandig bestanddeel gepositioneerd naast geweld en bedreiging. Anders dan in de huidige delictsomschrijving van aanranding (artikel 246 Sr Pro) vormt het dwingen immers niet een centraal bestanddeel van het misdrijf. Als van dwingen bij ongewild seksueel contact sprake is geweest, is dat – als gezegd – een extra strafwaardige begeleidende omstandigheid. Tot de toepassing van dwang zal doorgaans aanleiding bestaan indien men weet dat de ander het gewenste niet wil. Dit betekent dat deze strafverzwaringsgrond pas in beeld komt wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet. Niet is vereist dat de dwang zodanig is dat de wil van de ander wordt doorbroken. Daarmee is niet van toepassing het (hoge) bewijsvereiste uit de huidige jurisprudentie met betrekking tot het dwangbestanddeel van artikel 246 Sr Pro, inhoudende dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest en dat hiervoor enige vorm van verzet nodig is of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart. Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang komt een wat lager bewijsvereiste te gelden: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelen of iemand meevoeren naar een verlaten plek. Bij het verminderen van de keuzemogelijkheden kan het bijvoorbeeld gaan om het creëren van een afhankelijkheidsrelatie. Hierbij valt te denken aan de situatie dat de dader het slachtoffer in sterke mate manipuleert, bijvoorbeeld door de uitoefening van emotionele chantage, of de situatie dat de dader een uitbuitingssituatie creëert. Of het gebruik van een dwangmiddel in een specifiek geval resulteert in dwang, hangt dus af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
(…)
Gekwalificeerde opzetaanranding is bewijstechnisch eenvoudiger van opzet dan het huidige delict aanranding. Uit de bewijsmiddelen hoeft niet te blijken dat het slachtoffer naar redelijke verwachting niets anders kon doen dan mee te werken. De strafverzwarende omstandigheid heeft
bovendien een breder bereik, omdat de uitgeoefende pressie ook betrekking kan hebben op andere gedragingen dan het verrichten van seksuele handelingen door het slachtoffer. (…) Op de gekwalificeerde variant van opzetaanranding komt een strafmaximum van acht jaren gevangenisstraf te staan (of geldboete van de vijfde categorie). Hiermee wordt aangesloten bij het strafmaximum voor het huidige delict aanranding.”

4.De bespreking van het eerste middel

4.1
Uit de hierboven aangehaalde wetshistorie komt naar voren dat de nieuwe Titel Seksuele misdrijven de drempels voor strafbaarheid wegens aanranding en verkrachting heeft verruimd. ‘Dwang’ is niet langer nodig om tot een bewezenverklaring te komen, maar is een strafverzwarende (‘gekwalificeerde’) delictsvorm geworden van opzetaanranding en opzetverkrachting. [7] Gebruik van dwang is volgens de wetgever onder de huidige wet een ‘extra strafwaardige omstandigheid’. [8] Wat betreft opzetaanranding geldt dat de gekwalificeerde vorm gezien wordt als de opvolger van art. 246 (oud) Sr. Het dwangbestanddeel wordt door de wetgever van een andere uitleg voorzien ten opzichte van de uitleg die was ontwikkeld in de jurisprudentie over art. 242 (oud) en 246 (oud) Sr, maar niet ten gunste van de verdachte. Er geldt nu een láger bewijsvereiste voor dwang.
4.2
Van ‘dwang’ - in de zin van de oude zedenwetgeving, waaronder art. 246 (oud) Sr – kan sprake zijn als de betrokkene zich door het onverhoedse van het handelen van de verdachte daartegen niet heeft kunnen verzetten. [9] De steller van het middel heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de memorie van toelichting bij de Wet seksuele misdrijven zou blijken dat onverhoedse gedragingen als gevolg van een nieuwe uitleg van het dwangbestanddeel niet langer als dwang aangemerkt kunnen worden, hetgeen zou getuigen van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van onverhoedse gedragingen, als gevolg waarvan het hof niet tot een bewezenverklaring had kunnen komen. Het middel kan om verschillende redenen niet slagen. In zijn algemeenheid is weliswaar sprake van een gewijzigd inzicht omtrent de strafwaardigheid van – kort gezegd – seksuele misdrijven, maar ten gunste van verdachten is dat niet. Wat betreft art. 246 (oud) Sr staat in de wetsgeschiedenis expliciet dat dit artikel is opgevolgd door art. 241 lid 2 Sr Pro, terwijl daaraan later bovendien wordt toegevoegd dat er een láger bewijsvereiste komt te gelden voor dwang. Een aanwijzing dat sprake is van een gewijzigd standpunt wat betreft dwang, in die zin dat onverhoedse handelingen daaronder niet meer vallen, is daarin mijns inziens niet te bespeuren. De bewezenverklaring van het hof getuigt aldus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neem ik nog in aanmerking dat in hoger beroep, dat plaatsvond na de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven, niet is betoogd dat geen sprake zou zijn van dwang en ook niet dat sprake is van de door de steller van het middel bepleite verandering van inzicht van de wetgever.
4.3
Als laatste merk ik nog iets op over de in de toelichting op het middel voorgestelde manier van afdoening van de zaak. Voor zover de steller van het middel de opvatting is toegedaan dat, al zou art. 1 lid 2 Sr Pro hier van toepassing zijn, het dwangbestanddeel uit art. 246 (oud) Sr conform het nieuwe art. 241 Sr Pro uitgelegd zou moeten worden en geen bewezenverklaring zou kunnen volgen, wordt miskend dat art. 1 lid 2 Sr Pro voorschrijft dat de gunstigste
bepalingwordt toegepast. De door de steller voorgestelde route wordt daarmee mijns inziens uitgesloten. In dat geval had een veroordeling voor art. 241 Sr Pro kunnen volgen.
4.4
Het eerste middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het tweede middel klaagt dat het hof de beslissing tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van immateriële schade en de in verband daarmee opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet toereikend heeft gemotiveerd. Volgens de steller van het middel heeft het hof niet kunnen volstaan met een verwijzing naar de rechtsgrond ‘aantasting in de persoon’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW, omdat uit de motivering niet blijkt op welke vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering heeft gebaseerd en evenmin dat de benadeelde partij als gevolg daarvan daadwerkelijk psychiatrische klachten of schade heeft opgelopen.

6.De relevante stukken en de overwegingen van het hof

6.1
Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van 28 november 2023, met drie bijlagen, dat inhoudt:
“3. Strafbaar feit
Hoe is uw schade ontstaan?
Benadeelde is slachtoffer geworden van aanranding door een voor haar bekend persoon. Benadeelde is onzedelijk betast op haar linkerborst en linkerbovenbeen. Benadeelde heeft hierdoor immateriële schade geleden.
(…)
Immateriële schade (smartengeld)
zie schadeonderbouwingsformulier Bijlage 1
Totaal immateriële schade: € 1.100,00.”
6.2
Het in dit verzoek van 28 november 2023 genoemde schadeonderbouwingsformulier houdt onder meer in:
“Korte situatieschets
Benadeelde is slachtoffer geworden van aanranding door een voor haar bekende verdachte. Benadeelde is onzedelijk betast op haar linkerborst en linkerbovenbeen. Benadeelde heeft hierdoor immateriële schade geleden.
(…)
Psychische gevolgen
Benadeelde voelde dat haar lichaam bevroor toen zij door verdachte werd betast. Benadeelde vond de aanrakingen niet prettig. Zij durfde niets te zeggen omdat zij bang was voor de gevolgen die dit zou hebben op haar werk. Doordat zij niets durfde te zeggen, kreeg zij een verstikkend gevoel. Nadat verdachte de tweede keer begon met betasten had benadeelde een gevoel van machteloosheid. Zij had het idee dat wanneer zij er iets van zou zeggen, dit geen garantie zou zijn dat verdachte zou stoppen. Voor benadeelde voelde het alsof zij niet meer de [naam 4] was over haar eigen lichaam. Toen het aanraken stopte, zat zij verstijfd op haar stoel.
Nadat benadeelde terugkwam op de kazerne, wilde zij direct slapen en met rust worden gelaten. Daarnaast had zij tijd voor zichzelf nodig om te verwerken wat er was gebeurd. Benadeelde twijfelde of zij een melding moest maken, omdat zij bang was voor consequenties. Uiteindelijk heeft benadeelde de volgende dag besloten om wel melding te maken van het incident. Zij wilde op deze manier haar grens kenbaar maken. Nadat benadeelde melding had gemaakt, heeft zij een gesprek gehad samen met verdachte en de kapitein van haar groep. Tijdens dit gesprek vond zij het moeilijk om weer met verdachte te worden geconfronteerd.
Na het misdrijf heeft benadeelde een paar dagen niet goed kunnen slapen. Zij durfde ook niet meer alleen naar de wc of te douchen. Er was telkens iemand bij haar, zodat zij toch de dagelijkse dingen kon uitvoeren, Benadeelde had veel last van nachtmerries en paniekaanvallen. Zij had het gevoel dat zij haar diepste punt had bereikt. Zij voelde zich schuldig en schaamde zich voor wat er was gebeurd. Benadeelde was tevens continu alert en keek veel over haar schouder. Zij had het idee dat iedereen slechte bedoelingen had en zij vertrouwde niemand meer. Benadeelde vond het moeilijk om het misdrijf tegen haar ouders te vertellen. Zij had het gevoel dat niemand begreep wat zij had meegemaakt en voelde zich erg eenzaam.
Benadeelde is na het misdrijf blijven werken. Zij wilde niet dat de stap om weer naar haar werk te gaan te groot zou worden, zodat zij uiteindelijk zou moeten stoppen. Benadeelde vond de confrontatie met andere militairen lastig omdat er veel werd gepraat op de groep. Het voelde voor haar niet fijn dat zij werd buitengesloten. Benadeelde heeft nagedacht of zij nog wel wilde werken als militair, deze gedachte deed haar veel verdriet omdat in het leger werken altijd haar grote droom is geweest.
Op 25 april 2023 heeft benadeelde een intake gesprek gehad met Bedrijfsmaatschappelijk werk Defensie (DBWF). Via de bedrijfsarts is zij vervolgens doorgestuurd naar de POH-GGZ (zie bijlage 2, verklaring DBWF). Op 21 augustus heeft benadeelde een intake gehad bij een psycholoog waarbij zij is gediagnostiseerd met een ander gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Benadeelde heeft twee EMDR-behandeling gehad die haar klachten enorm hebben gereduceerd. Op dit moment is benadeelde nog steeds in behandeling en zullen er nog een aantal gesprekken en een module gaan volgen in 2024 (zie bijlage 3, verklaring psycholoog).
Op dit moment, november 2023, heeft benadeelde langzamerhand het plezier in haar werk teruggekregen. Zij voelt dat zij steeds weer meer deel neemt aan de groep en dit geeft haar een fijn gevoel. Benadeelde had voorafgaand aan het misdrijf het idee dat slachtoffers van zedendelicten altijd wel een mogelijkheid zouden hebben om iets tegen hun belager te zeggen. Nu zij het zelf heeft meegemaakt, weet zij dat dit niet klopt. Zij hoopt dat met haar strafzaak het taboe dat hierom heerst, wordt doorbroken en dat andere ook de moed hebben om voor zichzelf op te komen. Benadeelde hoopt na afloop van de strafzaak het misdrijf achter haar te kunnen laten zodat zij zich kan focussen op haar toekomst als militair.
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Primair: Benadeelde is door het handelen van verdachte op 'andere wijze in de persoon aangetast', zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro. Een aantasting in de persoon kan worden aangenomen indien er sprake is van geestelijk letsel dat voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld (zie: r.o. 4.2.1. in ECLI:NL:HR:2019:376).
Benadeelde stelt zich op het standpunt dat er sprake is van geestelijk letsel dat voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In onderhavig geval is benadeelde immers na het feit onder behandeling geweest van een psycholoog die heeft benadeelde gediagnosticeerd met 'een ander gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis' welke is ontstaan als direct gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde feit.
Subsidiair: Benadeelde is door het handelen van verdachte op 'andere wijze in de persoon aangetast', zoals bedoeld in artikel 6:106 sub b BW Pro.
Juridisch kader: Een aantasting in de persoon kan in de eerste plaats worden aangenomen indien er sprake is van geestelijk letsel dat voldoende concreet en naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Volgens de Hoge Raad is hiervan niet alleen sprake indien het gaat om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin is vereist dat het letsel door een psychiater of psycholoog is vastgesteld (zie r.o. 2.6.1 in ECLI:NL:HR:2021:1024). De Hoge Raad heeft verder geoordeeld dat een huisarts een ter zake bevoegde en bekwame deskundige is, op basis van wiens rapportage de rechter tot het oordeel kan komen dat sprake is van geestelijk letsel (ECLI:NL:HR:2022:958). Ook als er geen sprake is van objectief vastgesteld geestelijk letsel, kan een aantasting in de persoon worden aangenomen, namelijk indien de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor benadeelde die conclusie rechtvaardigen. In beide gevallen dient de benadeelde voldoende gegevens aan te voeren om de conclusie te kunnen trekken. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengt dat de nadelige gevolgen voor de hand liggen, ook zonder onderbouwing met concrete gegevens (zie: ECLI:NL:HR:2019:376, r.o. 4.2.1).
Aanranding: nadelige gevolgen liggen voor de hand. Bij aanranding gaat het om een ernstig delict waarbij een inbreuk wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van het slachtoffer. Bij dit misdrijf liggen de nadelige gevolgen dan ook zo voor de hand, dat ook zonder onderbouwing met concrete gegevens en/of objectief vastgesteld geestelijk letsel een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, hetgeen toewijzing van een vergoeding voor immateriële schade rechtvaardigt.
Deze lijn is ook terug te vinden in de rechtspraak. In ECLI:NL:RBMNE:2019:2212 kneep verdachte fietssters in het voorbijgaan in hun bil. In ECLI:NL:RBROT:2022:5592 werd het slachtoffer door 2 verdachten in een portiek geduwd en betast, en in ECLI:NL:RBAMS:2022:561 betaste de verdachte meerdere vrouwen aan de billen. In al deze gevallen oordeelden de rechtbanken dat er sprake was van een ernstige inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht en de lichamelijke integriteit, en dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op andere wijze diende te worden beschouwd.
In dit geval wordt, wellicht ten overvloede, nog gewezen op de nadelige gevolgen voor het slachtoffer die hierboven zijn beschreven. Op basis hiervan in combinatie met de aard en de ernst van de normschending kan uw Rechtbank in ieder geval komen tot een aantasting in de persoon, hetgeen toewijzing van immateriële schade rechtvaardigt.”
6.3
De in het schadeonderbouwingsformulier genoemde bijlage 2 en 3 houden in:
“BIJLAGE 2
Datum: 10/11/2023
(…)
Onderwerp: verslaglegging DBMW met betrekking tot [benadeelde]
Op 25 april 2023 heeft [benadeelde] een intake gesprek gehad met Bedrijfsmaatschappelijk werk Defensie (DBMW). [benadeelde] had zich aangemeld bij DBMW omdat ze last had van diverse stressklachten nadat ze slachtoffer is geweest van een misdrijf. Gezien de ernst van de klachten heeft DBMW [benadeelde] doorverwezen naar een bedrijfsarts waar zij op 26 april 2023 een afspraak heeft gehad. De bedrijfsarts heeft haar destijds verwezen naar de POH-GGZ. Op 10 juli 2023 heeft er een vervolggesprek tussen BMW en [benadeelde] plaatsgevonden waaruit bleek dat ze nog steeds ernstige stressklachten had en de gesprekken bij POH- GGZ waren gestagneerd. DBMW heeft [benadeelde] opnieuw naar de arts verwezen met een begeleidende mail naar de arts (zie bijlage).
Officier Bedrijfsmaatschappelijk werker
Kapitein [naam 1]
Bijlage: begeleidende mail arts
Bijlage: email naar arts verstuurd op 10/07/2023
Goedemiddag dokter [naam 2] ,
Morgen ochtend om 10:30 heeft u een afspraak met [benadeelde] (geboortedatum [geboortedatum] 2004).
[benadeelde] is al geruime tijd bij mij bekend. Dat komt omdat [benadeelde] afgelopen februari tijdens de SOB is aangerand door een PC, niet haar eigen PC maar wel een PC binnen de compagnie.
Ze heeft hier aangifte voor gedaan en de onderzoeken lopen nog. De PC in kwestie is geschorst. A.s. woensdag wordt haar verhaal aangehoord door de BC nadat de Kmar het onderzoek heeft overgedragen aan het OM.
[benadeelde] heeft na het incident last gehad van veel klachten. Ze had last van paniekaanvallen, agressie, emotionele buien, hyperalert, herbelevingen en ze voelt zich constant onveilig. Daarnaast kwamen er veel jeugdtrauma's naar boven van haar verleden (huiselijk geweld). Gezien de klachten heb ik haar doorverwezen naar de arts (Dokter [naam 4] ) en zij heeft haar doorverwezen naar de POH-GGZ. [benadeelde] heeft daar een aantal gesprekken gehad, maar er is geen vervolg meer gekomen. In het laatste gesprek heeft de POH wel aangegeven dat hij eraan zat te denken om haar door te verwijzen voor trauma therapie.
Vanochtend heb ik [benadeelde] weer persoonlijk gesproken. [benadeelde] is een sterke vrouw die een masker op zet en snel zegt dat het goed gaat, dit was vanochtend ook het geval. Bij het doorvragen werd ze emotioneel en gaf ze aan dat ze nog steeds slecht slaapt en zich onveilig voelt op de legering. Ze vermijdt plekken waar veel mensen zijn en is erg alert. Daarbij geeft ze aan dat ze het lastig vindt om grenzen aan te geven, wat volgens haar gekomen is door jeugdtrauma's. Ook heeft [benadeelde] een bepaald schuldgevoel naar de dader toe.
Gezien de klachten en er geen verdere actie is ondernomen betreft therapie heb ik haar naar u verwezen. Mogelijk dat u met haar kan kijken met welke hulp zij het beste tot haar recht komt gezien haar klachten.
Ik hou [benadeelde] in de gaten, en volg haar zolang dat nodig is.
Met vriendelijke groet,
Kapitein [naam 1]
Officier Bedrijfsmaatschappelijk Werker.
BIJLAGE 3
Datum: 22-11-2023
Kenmerk: [...]
Onderwerp: informatieopvraag Slachtofferhulp
Geachte [benadeelde] ,
Hierbij wil ik u antwoord geven op de gestelde vragen in het kader van de informatie opvraag van Slachtofferhulp. U kunt zelf bepalen of u de informatie beschikbaar stelt aan Slachtofferhulp. Zij stellen een aantal vragen, waarop ik hieronder antwoord zal geven.
1) Van wanneer tot wanneer bent u in behandeling (geweest) bij de MGGz?
U heeft op 21 augustus 2023 een intakegesprek gehad. In dit gesprek is direct een behandelplan opgesteld en zijn de behandelafspraken gepland.
Behandeling met betrekking tot de aanmeldklacht liep tot 29 september 2023. Vervolgbehandeling op andere klachten is nog lopend.
2) Hoeveel afspraken heeft u gehad?
U heeft 1 intakegesprek gehad, 2 maal een EMDR sessie, 1 maal een tussentijdse evaluatie, 3 gesprekken (1 heeft reeds plaats gevonden, twee volgen nog) in het kader van emotie herkenning en - hantering en in januari zult u starten met de Zelfbeeldmodule. Dit betekent dat u op moment van schrijven (6 november 2023) 5 gesprekken heeft gehad, dat er nog 2 gepland staan en dat de Zelfbeeldmodule nog gevolgd gaat worden in het nieuwe jaar.
3) Wat was de (werk)diagnose van de gegeven behandeling?
Er is een 'andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis' vastgesteld. Hierop is behandeling ingezet. Behandeling bestond uit 2 sessies EMDR. Dit bleek voldoende voor sterke klachtenreductie. Omdat mevrouw nog andere klachten ervoer met betrekking tot haar zelfbeeld, is hier vervolgbehandeling op ingesteld.
Ik hoop u zo voldoende te hebben geïnformeerd,
Met vriendelijke groet,
[naam 3]
Gezondheidspsycholoog”
6.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2024 houdt onder meer in:
“ [betrokkene 1] deelt namens de benadeelde partij [benadeelde] mede, zakelijk weergegeven:
De vordering van € 1.100.00 is eerder al voldoende toegelicht. De therapie is afgerond. [benadeelde] hoopt het voorval achter zich te kunnen laten en door te kunnen met haar leven.”
6.5
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen:
“Verdachte heeft zich als officier van de Koninklijke Landmacht schuldig gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een vrouwelijke soldaat. Hij heeft daarbij inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en ook een onveilige situatie gecreëerd voor het slachtoffer dat geconfronteerd werd met handtastelijkheden door een officier en daarmee een meerdere in rang. Dat acht de militaire kamer van het hof zeer kwalijk. Bovendien was de verdachte ook nog eens twintig jaar ouder. Verdachte had een voorbeeldfunctie en heeft het vertrouwen dat de aangeefster in hem als officier en militair meerdere had, geschonden.”
6.6
Het hof heeft met betrekking tot zijn beslissing om de vordering tot vergoeding van immateriële schade toe te wijzen als volgt overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.100,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De aard en de ernst van de normschending brengen in een geval als dit mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Gelet op de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegewezen en de omstandigheid dat de hoogte van het gevorderde bedrag door de verdediging niet, is betwist, is verdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”

7.Het beoordelingskader

7.1
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
(...)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
7.2
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad voor zover hier relevant onder meer overwogen:
“Van (...) aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.” [10]

8.De bespreking van het tweede middel

8.1
Het hof heeft geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending in een geval als dit meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Wat betreft de aard en de ernst van de normschending heeft het hof kennelijk het oog gehad op de seksuele aard van het delict, gepleegd door een twintig jaar oudere meerdere in rang, waarbij de lichamelijke integriteit van de aangeefster is geschonden en een voor haar onveilige situatie is gecreëerd. De nadelige gevolgen hiervan blijken niet alleen uit de onderbouwing van de vordering, maar liggen volgens het hof voor de hand. In aanmerking genomen dat de verdediging in eerste aanleg noch in hoger beroep iets heeft aangevoerd omtrent de (ook reeds door de rechtbank toegewezen) vordering van de benadeelde partij, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
8.2
Het tweede middel faalt.

9.Slotsom

9.1
De middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
9.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. de voor het bewijs gebezigde verklaringen van de aangeefster en de getuige [getuige 1] , weergegeven op p. 2 en 3 van het bestreden arrest.
2.J.G.H. Altena,
3.HR 2 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:509, rov. 2.4 en HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878,
4.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
9.HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842,
10.Zie verder ook N.A. Schipper & L.A.J. Kock,