ECLI:NL:PHR:2026:615

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/02382
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 SrArt. 352 lid 2 SvArt. 9a SrArt. 37a lid 1 SrArt. 37a lid 3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over toepassing ontoerekenbaarheid en TBS bij poging tot doodslag ex-partner

De zaak betreft een poging tot doodslag op een ex-partner waarbij de verdachte meerdere keren met een sok met een jeu de boules-bal op het hoofd en gezicht sloeg, wat leidde tot zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank en het hof oordeelden dat de feiten niet aan de verdachte konden worden toegerekend wegens een waanstoornis, waardoor hij werd ontslagen van alle rechtsvervolging voor die feiten. Wel werd TBS met dwangverpleging opgelegd.

De verdediging stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte art. 39 Sr Pro toepaste, dat verzoeken om nieuw psychologisch onderzoek onterecht werden afgewezen en dat het hof onrechtmatig gebruik maakte van een rapport ouder dan een jaar bij de beslissing tot TBS. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de deskundigenrapporten terecht had overgenomen en dat de verdediging onvoldoende gemotiveerd had betwist dat sprake was van een volledige ontoerekenbaarheid. Ook was het verzoek om nieuw onderzoek te laat en onvoldoende onderbouwd, en het rapport was tijdig gebruikt omdat het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen binnen een jaar na de rapportdatum.

De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar vond geen reden tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep werd verworpen en het vonnis van het hof bleef in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof bevestigt het ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekenbaarheid en de oplegging van TBS met dwangverpleging.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02382
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 19 juni 2024 (parketnr. 23-002910-23) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2023 bevestigd met aanvulling van gronden. Bij dit vonnis zijn de bewezenverklaarde feiten strafbaar verklaard als (feit 1) “poging tot doodslag”, (feit 2) “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en (feit 3) “handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”. Ten aanzien van de feiten 1 en 3 is de verdachte in het bevestigde vonnis ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend; ten aanzien van feit 1 is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel dat hij van overheidswege wordt verpleegd. Ten aanzien van feit 2 is met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Verder zijn in het bevestigde vonnis beslissingen genomen over het beslag en de vordering van de benadeelde partij. Ook is aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen de beslissing van het hof om art. 39 Sr Pro toe te passen. Het tweede middel klaagt over de afwijzing van verzoeken om nieuw psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek. Het derde middel klaagt dat het hof bij de beslissing om TBS (met dwangverpleging) op te leggen gebruik heeft gemaakt van een rapport dat ouder was dan een jaar ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep.

2.De zaak die voorligt

2.1
De tenlastelegging en bewezenverklaring in deze zaak betreffen het feit dat de verdachte op 3 december 2022 in [plaats] op straat een ex-partner meerdere keren met een sok met daarin een jeu de boules-bal tegen het hoofd en in het gezicht heeft geslagen. Het slachtoffer is hierdoor zwaar lichamelijk letsel toegebracht, waaronder breuken in haar gezicht, een hersenkneuzing en oogletsel. Mede op grond van een Pro Justitia-dubbelrapportage, waarin is geconcludeerd dat bij de verdachte sprake was van een waanstoornis van het achtervolgingstype en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne, hebben de rechtbank en het hof geoordeeld dat de feiten 1 en 3 (in het geheel) niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend en hem ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van feit 1 is aan de verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd. Daarnaast droeg de verdachte ten tijde van het begaan van feiten 1 en 3 een katapult bij zich. Voor dit feit heeft het hof geen straf of maatregel opgelegd.
2.2
De volledige bewezenverklaring luidt dat de verdachte:
“1
op 3 december 2022 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een sok met daarin een jeu de boules bal, meermalen tegen het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 3 december 2022 te [plaats] , een wapen van categorie 1, onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten een katapult, voorhanden heeft gehad;
3
op 3 december 2022 te [plaats] , een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een sok, met daarin een verzwaard voorwerp zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.”

3.Het eerste cassatiemiddel

3.1
Het eerste middel klaagt dat de beslissing van het hof om (ten aanzien van de feiten 1 en 3) art. 39 Sr Pro toe te passen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zijn agressie werd versterkt door anabolengebruik. Dit zou meebrengen dat de verdachte zichzelf verwijtbaar in een situatie heeft gebracht waarin het geweld kon escaleren, wat aan toepassing van art. 39 Sr Pro in de weg zou moeten staan (culpa in causa). Verder zou het hof niet hebben gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat geen sprake was van ontoerekenbaarheid voortkomend uit een waanstoornis.
3.2
Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank te bevestigen, omtrent de strafbaarheid van de verdachte het volgende overwogen en beslist:

7. De strafbaarheid van verdachte
[…]
7.3.
Oordeel van de rechtbank
Deskundigen
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport van 17 en 20 april 2023, opgemaakt door [deskundige 1] , psychiater en [deskundige 2] , psycholoog.
[deskundige 2] concludeert dat bij verdachte sprake is van een waanstoornis (achtervolgingstype) en een stoornis in het gebruik van cannabis en cocaïne. Volgens [deskundige 2] was ten tijde van het tenlastegelegde bij verdachte sprake van een waan, welke er onder meer uit bestond dat hij ervan overtuigd was dat zijn ex-partner hem al jarenlang had geprobeerd te vergiftigen, dat er een prijs op zijn hoofd stond en dat een buurman hem wilde doodschieten. Deze waan heeft het denken en handelen van verdachte dusdanig beïnvloed dat sturingsmogelijkheden van zijn gedrag afwezig zijn geweest. Vanwege de volledige en rechtstreekse doorwerking van de waanstoornis in het denken, voelen en handelen van verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde, adviseert [deskundige 2] om verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen.
[deskundige 1] komt tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een waanstoornis van het achtervolgingstype. Daarnaast is sprake van middelengebruik, ten tijde van het onderzoek in remissie. Volgens [deskundige 1] waren deze stoornissen aanwezig tijdens het tenlastegelegde. [deskundige 1] is van oordeel dat het tenlastegelegde niet aan verdachte kan worden toegerekend, aangezien het gedrag van verdachte geheel werd bepaald door zijn waanstoornis.
Beoordeling
De rechtbank neemt voornoemde conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de zijne.
Feiten 1 en 3
Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt ook dit handelen van verdachte werd ingegeven door de door de deskundigen genoemde waan. De rechtbank zal daarom verdachte ten aanzien van deze feiten ontslaan van alle rechtsvervolging.
Feit 2
Met betrekking tot dit feit stelt de rechtbank vast dat verdachte heeft verklaard dat hij de katapult in Frankrijk heeft gekocht als cadeau voor de kinderen van zijn dochter. De rechtbank acht deze verklaring niet onaannemelijk en ziet dan ook geen reden om verdachte hierin niet te volgen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat bij dit feit reële motieven een rol speelden bij het handelen van verdachte, en dat dit feit aldus niet werd ingegeven door zijn stoornis. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit feit hem wel kan worden toegerekend.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van feit 2 volledig uitsluit. Verdachte is hiervoor dan ook strafbaar.”
3.3
Art. 39 Sr Pro luidt als volgt:
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”
3.4
De rechter die tot het oordeel komt dat deze strafuitsluitingsgrond aanwezig is en het feit (in het geheel) niet aan de verdachte kan worden toegerekend, zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging (art. 352 lid 2 Sv Pro), zoals ook het hof in de onderhavige zaak heeft gedaan ten aanzien van de feiten 1 en 3. Het hof heeft daartoe verwezen naar de rapportages van psychiater [deskundige 1] en psycholoog [deskundige 2] , die het hof heeft overgenomen en tot de zijne heeft gemaakt. Uit deze rapportages volgt – kort gezegd – dat “het gedrag van verdachte geheel werd bepaald door zijn waanstoornis”.
3.5
De kern van het eerste middel is dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de strafuitsluitingsgrond van art. 39 Sr Pro. Welk belang de verdachte bij dit middel heeft is niet zonder meer evident. Daarbij merk ik op dat de beslissing om een TBS-maatregel (met dwangverpleging) op te leggen niet afhankelijk is van de toepasselijkheid van art. 39 Sr Pro, zodat daarin niet zonder meer een belang bij het middel ligt besloten. Nu het belang bij cassatie in de schriftuur ook niet is toegelicht, meen ik dat het middel reeds op deze grond tevergeefs is voorgesteld.
3.6
Ten overvloede merk ik op dat de verdediging in hoger beroep geen standpunt heeft ingenomen over de toepasselijkheid van art. 39 Sr Pro. De in het middel aangeroerde vraag of het (gestelde) anabolengebruik maakt dat sprake is van ‘culpa in causa’ en daarom in de weg staat aan de volledige niet-toerekening van de feiten, is niet aan het hof voorgelegd. Nu deze kwestie is verweven met een beoordeling van feitelijke aard, kan deze vraag niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen. Bij gebrek aan een daarop toegesneden verweer behoefde ook het oordeel van het hof dat de geconstateerde waanstoornis (niet slechts de gedeeltelijke, maar) de volledige ontoerekenbaarheid met zich brengt, niet méér motivering dan reeds is gegeven. De verdediging heeft wel verweer gevoerd tegen de oplegging van de TBS-maatregel en in dat verband betwist dat sprake is van een stoornis bij de verdachte. Maar in zoverre is geen sprake van een standpunt dat was voorzien van een ondubbelzinnige conclusie over de (niet-)toepasselijkheid van art. 39 Sr Pro. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op dát punt kan dan ook niet worden gesproken - noch van een uitdrukkelijk voorgedragen verweer in de zin van art. 358 lid 3 Sv Pro.
3.7
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie.

4.Het tweede cassatiemiddel

4.1
Het tweede cassatiemiddel klaagt dat het hof “(telkens)” het verzoek van de verdediging om nieuw psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek heeft afgewezen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
4.2
Ik merk allereerst op dat, zoals hierna nog aan de orde komt, de verdediging op de regiezitting van 21 maart 2024 onderscheidenlijk de inhoudelijke behandeling op 5 juni 2024 verschillende verzoeken heeft gedaan, die het hof met verschillende motiveringen heeft afgewezen. In de toelichting op het cassatiemiddel is een klacht geformuleerd tegen motivering van de afwijzende beslissing op de verzoeken die tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 5 juni 2024 zijn gedaan, zodat ik ervan uitga dat het middel zich tegen die beslissing richt.
4.3
Het hof heeft – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank (met een enkele wijziging die ik heb weergegeven in navolgende citaat) – de oplegging van de TBS-maatregel als volgt gemotiveerd:

8.Oplegging van de TBS-maatregel ten aanzien van feit 1

[…]
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit en justitiële documentatie
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich met betrekking tot feit 1 heeft schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn ex-partner [slachtoffer] door haar meermaals met een door hem vervaardigd slagwapen, bestaande uit een sok met daarin een jeu de boules bal, tegen haar hoofd en gezicht te slaan. Dat [slachtoffer] de aanval heeft overleefd is niet te danken aan verdachte, maar aan de omstanders die hebben ingegrepen. [slachtoffer] heeft door dit feit zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de medische stukken in het dossier en de verklaring van [slachtoffer] ter zitting blijkt, dat sprake was van onder meer 23
[AG: het hof heeft in zijn arrest overwogen het getal ‘23’ te schrappen]breuken in haar gezicht, een gebroken pols, een scheefstaande neus en kaak, een hersenkneuzing, oogletsel, waaronder dubbelzien, en een afgebroken kies. Zij is in dit verband ook ruim een week opgenomen geweest in het ziekenhuis en meermaals geopereerd. Hetgeen haar door verdachte is aangedaan is bijzonder aangrijpend voor haar geweest en beïnvloedt nog dagelijks haar leven. Zo is zij nog steeds lichamelijk beperkt, dient nog minstens één operatie te ondergaan en heeft psychische klachten, waardoor zij op dit moment niet kan werken.
Daarnaast geldt dat een feit als dit bijdraagt aan algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. In dit geval gebeurde het feit op de openbare weg en zijn meerdere mensen getuige geweest van de gewelddadige aanval op [slachtoffer] . De omstanders die aangeefster hebben geholpen hebben ook verklaard dat het gebeuren grote impact op hen heeft gehad.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het uittreksel van justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 7 augustus 2023. Hieruit volgt dat verdachte weliswaar vanaf 2014 tot aan de onderhavige feiten niet met justitie in aanraking is geweest, maar in de periode voorafgaand aan 2014 voor geweldsdelicten is veroordeeld.
Deskundigen
Bij de beslissing of aan verdachte een maatregel dient te worden opgelegd, en zo ja welke, heeft de rechtbank acht geslagen op de eerder genoemde dubbelrapportage van 17 en 20 april 2023 die ten behoeve van verdachte is opgemaakt. Hieruit blijkt onder meer het volgende.
Psychiater [deskundige 1] acht het risico groot dat verdachte vanuit zijn psychotische stoornis tot een vergelijkbaar delict komt zonder adequate behandeling binnen een passende behandelsetting. Door de aanwezige waanstoornis, die zich sinds twee jaar heeft ontwikkeld, staat de impulsbeheersing van verdachte extra onder druk. Daarnaast heeft verdachte onvoldoende copingsvaardigheden en neigt hij ertoe bij oplopende spanning over te gaan tot middelengebruik en fysiek geweld. Gezien de voorgeschiedenis van verdachte is volgens [deskundige 1] sprake van een delictpatroon van meerdere agressiedelicten, met name in de relationele sfeer. Alles afwegend, acht [deskundige 1] een hoog risico op recidive aanwezig binnen korte termijn (binnen een halfjaar). Verdachte heeft volgens [deskundige 1] een langdurige klinische psychiatrische behandeling vanuit een gedwongen kader nodig. Binnen de behandeling dient ook middelengebruik aandacht te krijgen, nu het gebruik van middelen een paranoïde psychose kan verergeren. Tevens is actieve ondersteuning gericht op alle levensgebieden, zoals dagbesteding, huisvesting en financiën, van groot belang ter voorkoming van psychotische decompensatie, hetgeen het gevaar op recidive vergroot. Het gedwongen kader is noodzakelijk, omdat bij verdachte sprake is van een gebrek aan ziektebesef en inzicht en hij eerder weigerde de voorgeschreven medicatie in te nemen. Ook is langdurige behandeling van meerdere jaren nodig om het psychiatrische toestandsbeeld van verdachte in evenwicht te krijgen. Klinische behandeling binnen een Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) zoals bij Inforsa, heeft de voorkeur. Hier is intensieve begeleiding gedurende langere tijd mogelijk, waarbij standaard binnen de behandeling aandacht wordt gegeven aan vermindering van het recidiverisico. Gezien dit alles adviseert [deskundige 1] de rechtbank om aan verdachte de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
Psycholoog [deskundige 2] concludeert dat, zolang het waansysteem zoals dat bij verdachte bestaat niet adequaat wordt behandeld, het risico op recidive hoog zal blijven. Verdachte zou al op zeer korte termijn in herhaling kunnen vallen. [deskundige 2] acht ter beperking van dit hoge risico een langdurige gedwongen behandeling noodzakelijk. Binnen deze behandeling dient nadere diagnostiek plaats te vinden en kan tevens worden toegewerkt naar een op langere termijn stabiel blijvend functioneren van verdachte. Hierbij moet bijvoorbeeld ook worden gedacht aan het blijven innemen van antipyschotische maatregelen
[AG; het hof leest verbeterd: "antipsychotische medicijnen”]. Voornoemde behandeling dient plaats te vinden binnen de beveiligde omgeving van een forensische kliniek. [deskundige 2] adviseert de rechtbank om verdachte een TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
Beide deskundigen zijn op de zitting van 12 oktober 2023 gehoord en hebben hun advies bevestigd. Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij op dit moment wel bereid zou zijn om medicatie te slikken en mee te werken aan behandeling, maar hierin hebben de deskundigen geen aanleiding gezien om hun adviezen te herzien. Ter terechtzitting wordt door beide deskundigen (desgevraagd) benadrukt dat verdachte, vanwege het gebrek aan ziektebesef, niet, dan wel moeilijk, in staat zal zijn zich aan voorwaarden, waaronder de inname van medicatie, te kunnen houden.
Naar aanleiding van de adviezen van de deskundigen heeft de reclassering op 19 september 2023 een rapport opgesteld. De reclassering heeft onder meer onderzoek gedaan naar de mogelijkheid en haalbaarheid van TBS met voorwaarden. De reclassering komt - kort samengevat - tot de conclusie dat bij verdachte geen sprake is van ziektebesef en dat de gesprekken met verdachte grotendeels in het teken staan van het overtuigen van rapporteur van verdachtes denkbeelden. Het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden wordt, zonder langdurige en intensieve behandeling, als hoog ingeschat. Doordat sprake is van onvoldoende ziekte-inzicht is de kans op een betrouwbare samenwerking, waarbij ruimte is om tot gedragsverandering te komen, nihil. Concluderend ziet de reclassering geen aanknopingspunten om met voorwaarden het hoge recidive risico te beperken en adviseert negatief over TBS met voorwaarden.
Op de zitting van 12 oktober 2023 heeft reclasseringsmedewerkster [betrokkene 1] de inhoud van dit rapport en het advies bevestigd. Zij heeft - net als bovengenoemde gedragsdeskundigen - in de verklaring van verdachte ter terechtzitting over zijn bereidheid tot behandeling en het nemen van medicatie, geen aanleiding gezien haar advies te herzien.
Conclusie
De rechtbank neemt voornoemde conclusies en adviezen van de deskundigen over en maakt die tot de zijne.
Mede op grond van de inhoud van het voornoemde reclasseringsrapport en de ter terechtzitting gegeven nadere toelichting door [betrokkene 1] , ziet de rechtbank - met de officier van justitie - geen andere mogelijkheid om het herhalingsgevaar te verminderen dan aan verdachte TBS met dwangverpleging op te leggen. TBS met voorwaarden acht de rechtbank - gezien de conclusies van de reclassering en de gedragsdeskundigen - niet toereikend. Mede gelet op de omstandigheid dat de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende dat hij op dit moment bereid zou zijn om medicatie te slikken en mee te werken aan behandeling, de deskundigen niet tot een ander advies heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de deskundigen nader te laten rapporteren. Het (voorwaardelijk gedane) verzoek hiertoe van de verdediging wijst de rechtbank dan ook af.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat in verband met de ernst van het feit en het gevaarlijke gedrag van verdachte, ter bescherming van de maatschappij de oplegging van TBS met dwangverpleging noodzakelijk is om het recidiverisico te verminderen. Na het plegen van de eerder genoemde poging tot doodslag dient de maatschappij tegen verdachte te worden beschermd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit doel alleen worden bereikt middels een langdurige klinische behandeling in een voldoende beveiligde omgeving van een forensische kliniek. Op die wijze kan verdachte tevens de zorg krijgen die hij nodig heeft.
De rechtbank stelt voorts vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging. Het onder 1 bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarvoor op grond van artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) oplegging van de TBS-maatregel mogelijk is. Voorts stelt de rechtbank vast (zie ook hiervoor onder overweging 7.3.) dat tijdens het begaan van dit feit bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Tevens vereist, gelet op al het voorgaande, de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het in onder 1 bewezen geachte feit een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.
De rechtbank adviseert de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege te laten beginnen zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van dit vonnis.”
4.4
In hoger beroep heeft de (toenmalige) raadsman van de verdachte op de regiezitting van 21 maart 2024 verzocht om de verdachte voor een second opinion te laten onderzoeken in het Pieter Baan Centrum. Subsidiair is door de (toenmalige) raadsman toen verzocht om een contra-expertise (triple-rapportage) door andere onafhankelijke rapporteurs. Het hof heef die verzoeken afgewezen “omdat het hof zich op basis van de reeds in het dossier aanwezige deskundigenrapportages voldoende voorgelicht acht, zodat de noodzaak tot de verzochte nadere onderzoeken ontbreekt.”
4.5
In aanloop naar de terechtzitting van 5 juni 2024 heeft de raadsvrouw van de verdachte bij e-mailberichten van 27 en 31 mei 2024 verzocht om aanhouding van de behandeling van de zaak, omdat de verdachte op eigen initiatief en kosten een aanvraag had gedaan een nieuw persoonlijkheidsonderzoek uit te laten voeren, althans – afhankelijk van de kosten – (zelf) een kritische screening van de bestaande dubbelrapportage wilde laten uitvoeren. Deze verzoeken zijn door het hof niet op voorhand toegewezen. Op de terechtzitting heeft de raadvrouw bij aanvang van de behandeling van de zaak en opnieuw bij pleidooi op dezelfde gronden opnieuw verzocht om aanhouding. De verzoeken zijn door het hof op de terechtzitting en nadien – met een gelijkluidende motivering – bij eindarrest afgewezen. Ik geef hier de overwegingen van het hof weer naar aanleiding van het in hoger beroep gevoerde verweer tegen de oplegging van de TBS-maatregel, alsmede de samenvatting van, en afwijzende beslissing op de verzoeken van verdediging door het hof bij eindarrest:

Bespreking verweren
[…]
Waanstoornis en gevaarscriterium
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging). Daartoe heeft zij ten eerste aangevoerd dat geen sprake is van een waanstoornis bij de verdachte, zodat niet is voldaan aan het gevaarscriterium, terwijl het recidivegevaar ook onvoldoende is onderbouwd gelet op het medisch verslag van de Penitentiaire Inrichting van 16 mei 2023. De stelling dat het geen waan is van de verdachte dat hij is vergiftigd, is onder meer onderbouwd met de uitslag van het toxicologisch onderzoek waarbij arsenicum in het haar van de verdachte is aangetroffen. Ook is in dit verband gewezen op de inhoud van een als bijlage bij de pleitnota gevoegde kopie van een ongedateerd huisartsjournaal dat volgens de raadsvrouw in (mei) 2022 is opgesteld door de huisarts van de verdachte dr. [deskundige 3] en op de brief van de Franse psychiater dr. [deskundige 4] van 29 oktober 2022.
Ten tweede heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dubbel persoonlijkheidsonderzoek onvolledig is. Daartoe heeft zij gesteld dat de twee laatstgenoemde stukken niet zijn meegenomen in het dubbel persoonlijkheidsonderzoek.
In het verlengde van deze verweren verzoekt de raadsvrouw om aan de verdachte geen TBS met dwangverpleging op te leggen. Volstaan zou kunnen worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en, voor het geval het hof het standpunt van de verdediging niet volgt, meer subsidiair verzocht om de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen.
Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
Het hof stelt voorop dat de verdediging de deskundigheid en de onpartijdigheid van de twee deskundigen die de dubbelrapportage hebben opgesteld, te weten psychiater [deskundige 1] en psycholoog [deskundige 2] , niet concreet in twijfel heeft getrokken.
De stelling dat de bedoelde informatie van de huisarts van de verdachte en van de Franse psychiater niet in het dubbel persoonlijkheidsonderzoek is meegenomen mist feitelijke grondslag. De inhoud van de betreffende stukken is weergegeven op pagina 20 van het rapport van psychiater [deskundige 1] en komt aan de orde op pagina 9 en 10 van het rapport van psycholoog [deskundige 2] . Bovendien heeft deze psycholoog daarnaast telefonisch op 24 maart 2023 van genoemde huisarts verkregen informatie in het rapport (pagina 15) betrokken. Psychiater [deskundige 1] heeft (pagina 5) geen contact meer gezocht met de huisarts en de psychiater in Frankrijk, omdat "ingeschat werd dat dit weinig aanvullende informatie zou opleveren". Het hof volgt die inschatting, gelet op de informatie over de verdachte waaruit de onderzoekers konden putten, zoals weergegeven op pagina 4 van zowel het rapport van de psycholoog als van de psychiater. Die informatie zag onder meer op de psychiatrische voorgeschiedenis van de verdachte waarbij de door psychiater geconstateerde paranoïde wanen in 2022 al tot een gedwongen opname hadden geleid. De psychiater en de psycholoog hebben alle hun ter beschikking staande informatie kunnen beschouwen in samenhang met de resultaten van hun eigen onderzoeken. Naar het oordeel van het hof is het onderzoek van de psychiater en de psycholoog toereikend om de daarin getrokken conclusies te kunnen dragen en worden deze conclusies niet in twijfel getrokken door de stukken waarop de verdediging de aandacht heeft gevestigd.
Daarbij heeft het hof ook in aanmerking genomen de observatie van de psychiater (pagina 31) dat de verdachte in eerste instantie een vriendelijke, innemende en openhartige indruk maakt. En dat dit ertoe kan leiden dat hulpverleners die hem kort spreken, kunnen denken dat verdachte geen psychische kwetsbaarheid heeft, maar dat gaandeweg het onderzoek pas blijkt dat de verdachte volledig gepreoccupeerd is door het door hem ervaren onrecht wat hem is aangedaan. Deze observatie brengt mee dat minder betekenis kan worden toegekend aan de informatie van de Franse psychiater en de Nederlandse huisarts waarnaar de verdediging verwijst.
Wat betreft het toxicologisch onderzoek verdient opmerking dat de in het haar van de verdachte vastgestelde hoeveelheid arsenicum volgens het rapport van de psychiater (pagina 20) precies de grenswaarde is die in het lichaam kan worden aangetroffen, omdat in elk lichaam (via voedsel of omgeving) tot een bepaalde waarde arsenicum aanwezig kan zijn. De overigens in de beide rapporten toereikend onderbouwde conclusie dat bij de verdachte sprake is van een waanstoornis, wordt door dit toxicologisch rapport dan ook niet geraakt.
Door de verdediging zijn bovendien in het verhoor van de deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg aan hen vragen gesteld die betrekking hadden op de (aanwezigheid van een) waanstoornis en op het recidivegevaar dat die stoornis in aanmerking genomen van de verdachte uitgaat, in samenhang met de door de verdachte ter zitting uitgesproken bereidheid medicatie te gebruiken. In hun antwoorden hebben de deskundigen gemotiveerd uiteengezet dat en waarom zij bleven bij hun conclusies en adviezen zoals neergelegd in hun rapporten van 17 april 2023 respectievelijk 20 april 2023. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de rechtbank ten aanzien van de noodzaak van oplegging van TBS met dwangverpleging.
Bespreking voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht om, als het hof overweegt de TBS-maatregel op te leggen, de zaak aan te houden, om de verdachte op eigen initiatief en kosten een nieuw persoonlijkheidsonderzoek te laten opstellen, althans een kritische screening van de bestaande dubbelrapportage. Dat tegenonderzoek is nodig met het oog op een eerlijke procesvoering in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aldus de raadsvrouw. Ook kan de verdediging zich voorstellen dat het hof opdracht geeft voor het doen opstellen van een nieuw maatregelenrapport teneinde de mogelijkheid van TBS met voorwaarden te onderzoeken.
Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek af en overweegt daartoe als volgt.
Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de eis van een eerlijke procesvoering meebrengen dat, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak, aan het verzoek om tegenonderzoek gevolg behoort te worden gegeven. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van - bijvoorbeeld - de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan (vgl. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228).
Wat betreft de laatste in de rechtspraak van de Hoge Raad genoemde omstandigheid stelt het hof vast dat de verdachte sinds het uitbrengen van de Pro Justitia onderzoeken in april 2023 in de gelegenheid is geweest het initiatief te nemen tot het bedoelde tegenonderzoek. Dat heeft de verdachte niet gedaan. Op de regiezitting van 21 maart 2024 zijn verzoeken strekkende tot het krijgen van een nieuw persoonlijkheidsonderzoek afgewezen. Ook dat had een aanleiding voor de verdachte kunnen zijn om direct initiatieven te ontplooien om te komen tot het bedoelde tegenonderzoek. Uit de door de verdediging ingebrachte mailcorrespondentie blijkt dat zij ook na 21 maart 2024 nog tijd verloren heeft laten gaan.
Wat betreft de gronden waarop het verzoek steunt en het belang van het gevraagd tegenonderzoek overweegt het hof dat het zich voldoende voorgelicht acht op grond van de inhoud van de volgende stukken van het dossier:
- een medische verklaring van [A] kliniek van 2 maart 2022, inhoudende de bevindingen en conclusies van psychiater [deskundige 5] ;
- een Pro Justitia rapportage van psychiater [deskundige 1] van 17 april 2023 en een Pro Justitia rapportage van psycholoog [deskundige 2] van 20 april 2023;
- het proces-verbaal van de zitting in eerste van 12 oktober 2023, waar psychiater [deskundige 1] en psycholoog [deskundige 2] als deskundigen zijn gehoord;
- de door de verdediging ingebrachte stukken, betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte;
- de door de verdachte gedane aangifte van 24 april 2023 met bijlagen.
Het hof volgt niet het standpunt van de verdediging, inhoudende dat voor een volledig persoonlijkheidsonderzoek belangrijke informatie ontbreekt. De informatie waar de verdediging op doelt, waaronder de verklaring van de Franse psychiater, is deels al betrokken bij de persoonlijkheidsonderzoeken. Verder gaat het om informatie tot de kennisneming waarvan de verdachte ten tijde van de persoonlijkheidsonderzoeken geen of gedeeltelijk toestemming had gegeven, zodat het aan de verdachte zelf te wijten is voor zover de rapporteurs daarover geen beschikking hadden, terwijl de rapporteurs daarin - naar het oordeel van het hof: op deugdelijke gronden - geen belemmering hebben gezien om tot conclusies te komen. Tot slot betreft de volgens de raadsvrouw ontbrekende informatie voor een deel informatie waar de verdediging zelf nog niet over beschikt.
Het hof ziet gelet op het voorgaande - het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro in aanmerking genomen - geen noodzaak tot toewijzing van het verzoek om een tegenonderzoek in de vorm van een kritische screening van de reeds beschikbare rapporten, noch in het doen van een nieuw persoonlijkheidsonderzoek.
Ook voor het laten opstellen van een nieuw maatregelenrapport ziet het hof geen aanleiding. Daarbij neemt het hof in aanmerking hetgeen door de deskundigen is geconcludeerd ten aanzien van de mogelijkheid van TBS met voorwaarden en hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg hieromtrent door de deskundigen, in reactie op vragen van de verdachte en zijn advocaat, is geantwoord. Ook de reclassering ziet in haar rapport van 19 september 2023 geen aanleiding om een positief advies te geven met betrekking tot een TBS met voorwaarden. Solide aanknopingspunten om te denken dat de situatie nu op een relevante manier is gewijzigd, ontbreken.”
4.6
Ook waar het verzoeken van de verdediging betreft die zien op nader deskundigenonderzoek (of tegenonderzoek) naar aanleiding van een rapport over de persoon van de verdachte en/of de vraag naar de oplegging van de TBS-maatregel, geldt dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een zodanig verzoek gevolg behoort te worden gegeven. [1] Of zich zo een geval voordoet is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer (a) de gronden waarop het verzoek steunt, (b) het belang van het gevraagde onderzoek in het licht van de resultaten van reeds verrichte onderzoeken, (c) de omstandigheid dat het verzoek is gedaan op een zodanig tijdstip dat een dergelijk onderzoek nog mogelijk is, en (d) de omstandigheid dat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan. Terzijde merk ik op dat zo’n verzoek mijns inziens niet een verzoek betreft als bedoeld in het recente arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:820), waarbij van de verdediging in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang bij het gevraagde onderzoek mag worden verlangd. De in dat arrest bedoelde categorie van deskundigenverklaringen en -verslagen die tot het verzoek om tegenonderzoek aanleiding kunnen geven, betreft verklaringen en verslagen met een voor de verdachte belastende strekking, in die zin dat zij (kunnen) bijdragen aan het bewijs dat de verdachte een tenlastegelegd strafbaar feit heeft begaan.
4.7
In de toelichting op het middel wordt geklaagd over de overwegingen van het hof bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek met betrekking tot de wegingsfactor dat “het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen worden gedaan”. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdachte sinds het uitbrengen van de Pro Justitia-onderzoeken in april 2023 in de gelegenheid is geweest initiatief te nemen tot het beoogde tegenonderzoek maar dat niet heeft gedaan, en ook na het afwijzen van de verzoeken op de regiezitting daartoe initiatieven had kunnen ontplooien maar dat heeft nagelaten.
4.8
Het cassatiemiddel brengt daar tegenin dat de verdediging “telkens” (waarmee kennelijk is bedoeld: ook reeds op de regiezitting) heeft verzocht om nieuw onderzoek. Dat zij niet (eerder) zelf deskundigen heeft benaderd mag volgens de steller van het middel niet worden tegengeworpen nu de verdachte in detentie verbleef, de verdediging zelf niet de opdracht kan geven tot klinische observatie in het Pieter Baan Centrum en niet over de financiële middelen zou beschikken om multidisciplinair ambulant onderzoek te laten verrichten.
4.9
De overweging van het hof moet evenwel worden begrepen tegen de achtergrond van het feit dat het ter zitting van 5 juni 2024 gedane verzoek inhield de verdachte in de gelegenheid te stellen om “op eigen initiatief en kosten een nieuw persoonlijkheidsonderzoek te laten opstellen.” Over dat verzoek heeft het hof geoordeeld – kort gezegd – dat de verdediging dit onderzoek ook eerder had kunnen laten uitvoeren. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte volgens de steller van het cassatiemiddel niet over de financiële middelen zou beschikken dit onderzoek te laten verrichten is in hoger beroep niet aangevoerd en lijkt strijdig met het door de verdediging in hoger beroep gedane verzoek.
4.1
Opmerking verdient ook dat deze in cassatie bestreden overweging van het hof de afwijzende beslissing van het hof niet zelfstandig draagt. Het hof heeft daarnaast onder meer de inhoudelijke gronden voor de verzoeken betrokken bij zijn oordeel dat er geen noodzaak was tot nader onderzoek. Aan die verzoeken lag naar de kern genomen ten grondslag dat de verdachte bestrijdt dat hij lijdt aan (waan)stoornissen en in de dubbelrapportage in dat verband bepaalde (omgevings-)informatie niet zou zijn meegenomen door de rapporteurs. Ik licht er hier uit dat het hof in dat verband onder meer heeft overwogen dat het zich (kennelijk: omtrent de aanwezigheid van de stoornis) voldoende voorgelicht achtte door de reeds in het dossier gevoegde stukken en (deskundigen-)verklaringen en stukken die de verdediging heeft ingebracht. Daarbij heeft het hof overwogen dat de informatie van de huisarts en de Franse psychiater die volgens de verdediging bij de totstandkoming van de dubbelrapportage niet is meegewogen, gedeeltelijk wel degelijk bekend was bij de opstellers van de dubbelrapportage (zo volgt uit die rapportage), terwijl het hof tevens heeft uiteengezet waarom aan de observaties van de huisarts en de Franse psychiater minder betekenis kan worden toegekend bij de vraag of de verdachte lijdt aan (waan)stoornissen. De kennisneming door de deskundigen van andere informatie is eerder tegengehouden doordat de verdachte daarvoor geen of (slechts) gedeeltelijk toestemming gaf, terwijl de rapporteurs daarin – naar het oordeel van het hof, op deugdelijke gronden – geen belemmering hebben gezien om tot conclusies te komen. Tot slot betreft de volgens de raadsvrouw ontbrekende informatie voor een deel informatie waarover de verdediging zelf nog niet beschikt. Ook heeft het hof uiteengezet waarom het toxicologisch onderzoek dat de verdachte heeft aangedragen ter onderbouwing van zijn stelling dat het geen waan betreft dat hij vergiftigd is, geen afbreuk doet aan de conclusies van de dubbelrapportage. Deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden.
4.11
Gezien het geheel van overwegingen van het hof, meen ik dat het oordeel van het hof dat er – mede vanuit het oogpunt van een eerlijke procesvoering – geen noodzaak was tot toewijzing van het verzoek niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Daarbij wijs ik er ook op dat de verdediging op de terechtzitting in eerste aanleg in de gelegenheid is geweest de psychiater en psycholoog die de Pro Justitia-dubbelrapportage hebben opgesteld te horen en het hof niet onbegrijpelijk heeft overwogen dat de verdediging de deskundigheid en de onpartijdigheid van die twee deskundigen niet concreet in twijfel heeft getrokken.
4.12
Het middel faalt.

5.Het derde cassatiemiddel

5.1
Het derde cassatiemiddel klaagt dat het gebruik door het hof van de Pro Justitia-rapportage van 17 en 20 april 2023 bij de beslissing om TBS op te leggen niet in overeenstemming is met art. 37a lid 3 Sr. Gesteld wordt dat bij de voorwaarde in die bepaling dat de rapportage bij “de aanvang van de terechtzitting” niet ouder mag zijn dan een jaar, moet worden uitgegaan van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak toen de rapportages door de voorzitter van het hof aan de verdachte werden voorgehouden. Die inhoudelijke behandeling in hoger beroep vond plaats op 5 juni 2024.
5.2
Art. 37a leden 1 en 3 Sr luiden als volgt:
“1. Indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechter gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld indien hij tot het oordeel komt dat:
1°. bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond; en
2°. het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel behoort tot een van de misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet.
3. Ten behoeve van het oordeel, bedoeld in het eerste lid, doet de rechter een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over dit advies.”
5.3
De Hoge Raad heeft over het begin- en eindpunt van de in art. 37a lid 3 Sr genoemde termijn van een jaar het volgende overwogen:
- Als aanvang van de termijn geldt de dagtekening van het daar bedoelde advies, respectievelijk van het eerst uitgebrachte van de daar bedoelde adviezen.
- Als eindpunt van de termijn geldt de dag waarop het onderzoek ter terechtzitting dat tot oplegging van de maatregel heeft geleid, overeenkomstig het bepaalde in art. 270 Sv Pro is aangevangen, onderscheidenlijk opnieuw is aangevangen. [2]
5.4
Het hof heeft arrest gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 maart 2024 en 5 juni 2024. Volgens de processen-verbaal van die terechtzittingen is op de eerstgenoemde zitting van 21 maart 2024 het onderzoek opnieuw aangevangen. Deze zitting van 21 maart 2024 betrof een regiezitting waarop het hof het onderzoek heeft geschorst tot de terechtzitting van 5 juni 2024. Op de terechtzitting van 5 juni 2024 is het onderzoek door het hof (dat zitting hield in dezelfde samenstelling als op de terechtzitting van 21 maart 2024) hervat in de stand waarin het zich bevond en heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
5.5
De steller van het middel onderkent dat met deze gang van zaken het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 21 maart 2024 en daarmee dus binnen een jaar na de dagtekening van de rapportage(s) van 17 en 20 april 2023 heeft plaatsgevonden. Hij meent als opgemerkt echter dat moet worden uitgegaan van de datum van de inhoudelijke behandeling van de zaak.
5.6
Die stelling is eerder aan de Hoge Raad voorgelegd, in de zaak die ten grondslag lag aan HR 22 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:736). Mijn ambtgenoot Keulen wees er zijn voorafgaande conclusie bij dat arrest op dat (ook) in die zaak het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep door eerdere (pro forma/regie-) zittingen formeel was aangevangen voordat het rapport een jaar oud was, zodat van strijd met voormelde rechtspraak van de Hoge Raad geen sprake was. [3] De inhoudelijke behandeling had wel meer dan een jaar na de dagtekening van het rapport plaatsgevonden. Keulen schreef hierover:
“24. Ik kan mij omstandigheden voorstellen waaronder de ratio van art. 37, tweede lid, Sr, van toepassing verklaard in art. 37a, derde lid, Sr meebrengt dat de rechter, ook al is aan de letter van de bepaling voldaan, een nieuw rapport dient te laten opstellen. Zulke omstandigheden doen zich naar het mij voorkomt in deze strafzaak evenwel niet voor. De inhoudelijke behandeling vond plaats toen het rapport 19 maanden oud was. De norm van een jaar is gekoppeld aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. In die norm ligt besloten dat de inhoudelijke behandeling later dan een jaar na het uitbrengen van het rapport kan plaatsvinden. Een overschrijding met ruim zeven maanden komt dan niet zo excessief voor dat een nieuwe behandeling reeds om die reden aangewezen is. Daarbij stelt het hof vast dat er een aanvullend rapport lag van 11 maart (bedoeld is 1 maart) 2016, en dat de deskundigen ter terechtzitting in eerste aanleg ‘hierop’ zijn bevraagd als getuige-deskundigen. Er was derhalve ook recentere informatie.”
5.7
Keulen concludeerde dat het middel tevergeefs was voorgesteld, waarbij hij overigens ook nog wees op feitelijke vaststellingen van het hof over het duurzame karakter van de stoornis van de verdachte in die zaak. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO Pro.
5.8
Zoals opgemerkt is het onderzoek in hoger beroep in de onderhavige zaak (opnieuw) aangevangen voordat het rapport een jaar oud was. De inhoudelijke behandeling vond – anders dan de hiervoor genoemde zaak – niet plaats 19 maanden na de dagtekening van het rapport, maar nog geen 14 maanden na die dagtekening. Daarnaast had het hof de beschikking over de informatie die de opstellers van de dubbelrapportage hebben verschaft op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 oktober 2023, toen zij als deskundigen werden gehoord. Tegen die achtergrond kan niet gezegd worden dat het gebruik van de rapportage door het hof in dit geval niet in overeenstemming is met art. 37a lid 3 Sr of met de ratio daarvan.
5.9
Het cassatiemiddel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in cassatie is overschreden, nu meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds op 21 juni 2024 cassatieberoep is ingesteld namens de zich in voorlopige hechtenis bevindende verdachte. Nu aan de verdachte geen straf is opgelegd die zich leent voor vermindering, zal moeten worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4] Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2104,
2.Vgl. HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6742.
4.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.