Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:820

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
24/03768
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302.1 SrArt. 303.1 SrArt. 45.1 SrArt. 157.1 SrArt. 157.2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring vuurwerkaanslag en stelt toetsingskader voor tegenonderzoek vast

De zaak betreft een vuurwerkaanslag op een woning in Achterberg op 14 november 2020, waarbij verdachte een vuurwerkbom (samengebonden Cobra 6) door de brievenbus gooide, die in de hal ontplofte. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en opzettelijk ontploffing met gemeen gevaar pleegde.

De verdediging stelde de betrouwbaarheid van het technisch onderzoek aan de Samsung-telefoon van verdachte ter discussie en verzocht om nader deskundigenonderzoek en tegenonderzoek. Het hof wees het verzoek tot een tweede tegenonderzoek af, wat in cassatie werd aangevochten. De Hoge Raad formuleerde het toetsingskader voor verzoeken tot tegenonderzoek na eerder uitgevoerd tegenonderzoek en oordeelde dat het hof niet onjuist handelde bij afwijzing van het tweede verzoek.

Verder werd de bewezenverklaring ten aanzien van een benadeelde partij (die niet aanwezig was tijdens de ontploffing) deels vernietigd wegens gebrek aan opzet, maar dit leidde niet tot cassatie wegens gebrek aan belang. Het cassatieberoep werd in zijn geheel verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt bewezenverklaring poging zware mishandeling en opzettelijke ontploffing met gevaar voor goederen en personen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03768
Datum2 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2024, nummer 21-001778-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot (i) vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de onder 3 subsidiair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling ten aanzien van [benadeelde 1] , de beslissing op de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] en de ten behoeve van hem toegewezen schadevergoedingsmaatregel, (ii) vrijspraak van het hiervoor bedoelde onderdeel van de tenlastelegging onder 3, (iii) niet-ontvankelijkverklaring van de vordering benadeelde partij van [benadeelde 1] en (iv) verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“3. subsidiair
hij op 14 november 2020 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, samengebonden stukken zwaar vuurwerk (te weten Cobra 6) heeft aangestoken en tot ontbranding heeft gebracht en vervolgens door de brievenbus van de woning aan [a-straat 1] heeft gedeponeerd waardoor deze in de hal van voornoemde woning is beland en aldaar tot ontploffing is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op 14 november 2020 te [plaats] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door samengebonden stukken zwaar vuurwerk (te weten Cobra 6) aan te steken en tot ontbranding te brengen en vervolgens door de brievenbus van de woning aan de [a-straat 1] te deponeren waardoor deze in de hal van voornoemde woning belandde en aldaar tot ontploffing kwam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en in de woning aanwezige goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , te duchten was.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , p. 518-519, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats delict: [a-straat 1] , [plaats]
Pleegdatum/tijd: 14 november 2020
Aangever
Achternaam: [benadeelde 2]
Voornamen: [benadeelde 2]
Mijn woning betreft een rijtjeswoning, gelegen aan [a-straat 1] in [plaats] . Op 14 november 2020 omstreeks 03:10 uur lag ik samen met mijn vrouw in bed. Onze slaapkamer bevindt zich aan de voorzijde van de woning. Ik had om 02:47 uur nog contact gehad met mijn zoon [benadeelde 1] .
Op 14 november 2020 omstreeks 03:15 uur hoorde ik buiten voetstappen. Ik hoorde dat een persoon buiten op straat zachtjes liep naar de voordeur van onze woning. Wij hoorden een sissend geluid, met direct daarop een hele harde knal.
Ik ben hierop naar beneden gelopen en zag dat de hal bij de voordeur van mijn woning compleet vernield was door het stuk zwaar vuurwerk dat naar binnen was gegooid. Ik zag dat onderaan de deur een zwarte plek zat. Op deze plek was het stuk vuurwerk, dat door de voordeur onze woning was ingegooid, ontploft. Ik zag dat de gehele vloer in de hal bezaaid lag met glas.
Ik zag dat de kracht van het stuk vuurwerk zodanig groot was dat ik zelfs schade heb in de keuken van onze woning. De keuken en de hal zijn middels een binnenmuur van elkaar gescheiden. Ik zag dat in de keuken zelf het marmeren keukenblad op twee plekken ter hoogte van het fornuis gescheurd was. Verder zag ik dat er meerdere wandtegeltjes in de keuken beschadigd en vernield waren.
In de hal zag ik dat er meerdere scheuren in de muur zaten. Ook zag ik dat de bovenlichtjes die van glas waren compleet vernield waren. Ook meerdere ramen bij de voordeur en naast de voordeur van de woning waren vernield. Zelfs voelde en zag ik dat het deurkozijn van de deur naar ons toilet ontzet was.
De vloer van onze woning betreft marmeren tegels. Ik zag ter hoogte van de voordeur van onze woning dat ook deze marmeren tegels kapot geslagen waren. Ik zag dat er meerdere stukjes zwart/grijs gekleurd papier, die ik herken als zijnde van het vuurwerk afkomstig, op de muren en deuren in de hal van onze woning zaten.
Door het ontploffen van het stuk vuurwerk in de hal van onze woning is er flinke schade ontstaan in onze woning.
4. Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [a-straat 1] [plaats] ), p. 661-663, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Omstreeks 03:15 uur was bij de politie een melding gedaan van een explosie in de woning aan [a-straat 1] te [plaats] . Ter plaatse gekomen collega’s hadden een ravage aangetroffen in de hal en hadden het vermoeden dat er zwaar vuurwerp tot ontploffing was gekomen in de hal.
Bevindingen
Bij het betreden van de voordeur zag ik dat alle aanwezige ruiten in de deur en in de ramen er rechts naast, verbroken waren. Ik zag de glasscherven voornamelijk aan de buitenzijde liggen, maar er lagen ook scherven in de hal.
Ik zag een krater in de vloer van de hal. De plavuizen vloer was daar gescheurd.
De krater bevond zich nagenoeg loodrecht onder de brievenbus. Ik zag dat de borstels van de brievenbus verschroeid waren.
Onderzoek explosief
In de gang vond ik diverse snippers met daarop teksten en opdrukken die ik ambtshalve herkende als de etiketten van zeer zwaar en illegaal knalvuurwerk van het type “Cobra 6”.
In de gang, op een traptrede en in de woonkamer Vond ik drie blauwe kunststof dopjes die ik ambtshalve herkende als onderdelen van de “Cobra 6”.
In de gang zag ik tegen alle wanden en het plafond vele kleine snippers van grijze tape (type ducttape). Het is mij ambtshalve bekend dat een “Cobra 6” normaliter niet is voorzien van dergelijke tape.
Het schadebeeld was passend bij dat van een explosie die in de woning heeft plaatsgevonden. De plaats van de explosie is op de vloer geweest vlak achter de voordeur. Het explosief, Cobra’s 6, zijn door de brievenbus gedaan en daar op de grond terecht gekomen. De verschroeiing van de borstels is veroorzaakt door de brandende lont.
Samenvatting
Ik vond drie snippers met dezelfde tekst. Dit kan een sterke aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van drie stuks Cobra 6.
De vele splinters tape zijn een zeer sterke aanwijzing dat er meerdere Cobra’s 6 aan elkaar vast getaped zijn geweest.
Gevaarzetting
Door de explosie was er gemeen gevaar voor goederen te duchten.
Indien zich personen in de nabijheid van de explosie hadden bevonden, dan hadden zij gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten, met name ten gevolge van secundaire scherfwerking, zoals rondvliegende (grote) glasscherven, maar ook door de drukgolf en de hoge decibellen van de knal.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, p. 1132, 1136 en 1140, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 17 februari 2021 wordt [verdachte] aangehouden. Er wordt (hof: onder hem) een Samsung telefoon in beslag genomen (PL0900-2021051320-2780665). Deze telefoon is vanwege barsten in het glas en aan de achterzijde niet meer bruikbaar. De telefoon is door het digitaal onderzoeksteam zodanig geprepareerd dat deze kan worden uitgelezen.
Filmpje vuurwerkbom 14-11-2020 (Snapchat- [nummer] .mp4)
Op de telefoon wordt een video aangetroffen van zeven seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. Degene die de vuurwerkbom met de linkerhand aansteekt, heeft in de rechterhand de telefoon en filmt. Voordat het vuurwerk wordt aangestoken, wordt het huisnummer van de woning: [nummer] , in beeld gebracht.
Op basis van de naam van de video en de map waarin de video is opgenomen, is de video vermoedelijk met Snapchat gemaakt. Bij de video zijn de volgende tijden vastgelegd:
Created: 14-11-2020 03:17:36
Accessed: 14-11-2020 03:17:36
Modified: 14-11-2020 03:15:41
Dit is enkele minuten voordat bij 112 melding wordt gemaakt dat er een explosie heeft plaatsgevonden op [a-straat 1] in [plaats] . Naar wat later blijkt is de explosie veroorzaakt door een vuurwerkbom die in de brievenbus van [a-straat 1] in [plaats] is gegooid.
Het filmpje van het aansteken van de vuurwerkbom op [a-straat 1] op 14 november 2020 in [plaats] is op de telefoon van [verdachte] aangetroffen. Het is aannemelijk dat het filmpje is gemaakt met de Samsung telefoon in gebruik bij [verdachte] .
6. Een proces-verbaal van bevindingen, p. 1141 en 1144, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik kreeg het verzoek nader onderzoek te doen naar de herkomst van het videobestand ‘Snapchat- [nummer] .mp4’ dat was aangetroffen in de map ‘Root/media/0/Snapchat/’ van de bewijsbestanden van de Samsung S7 Edge telefoon die in beslag was genomen onder [verdachte] .
Het op de telefoon van [verdachte] aangetroffen videobestand ‘Snapchat- [nummer] .mp4’ heeft de bijzondere eigenschap dat het tijdstip van laatste wijziging van het bestand ligt vóór het tijdstip van aanmaak. Referentietests met Snapchat hebben uitgewezen dat deze eigenschap alleen voorkomt bij videobestanden die op het toestel zelf vanuit Snapchat zijn gefilmd, daarna naar ‘snaps’ zijn opgeslagen en van daaruit via ‘snap exporteren’ en ‘downloaden’ nogmaals zijn opgeslagen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat videobestand ‘Snapchat- [nummer] .mp4’ op de betreffende telefoon zelf is aangemaakt vanuit Snapchat en daarna op vermelde wijze is opgeslagen.
7. Het Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- [nummer] .mp4 naar aanleiding van brandstichting, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, zaaknummer 2020.11.27.110, opgemaakt door ir. [deskundige 1] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, gesloten en getekend op 9 februari 2024, p. 9 en 25, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijd op14-11-2020
Resultaat
Interpretatie
02:59:40
De toepassing Google Maps wordt gebruikt
02:59:42
Bestand met daarin het adres “ [a-straat 1] , [postcode] [plaats] ” en de geografische coördinaat van dit adres ( […] )
Zoekresultaat in Google Maps
03:13:19
Registratie van een basisstation. [b-straat 1] , [plaats] Antenne: Noord kijkend richting [plaats]
03:15:18
03:15:42
Binnen deze minuut worden zowel Google Maps als Snapchat gebruikt
03:15:41
03:17:36
Video met vuurwerkbom
1. Op de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte is een video aangetroffen van zeven seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. De naam van de video is Snapchat- [nummer] .mp4 en de map waarin de video is opgenomen is genaamd USERDATA (ExtX)/Root/Media/O/Snapchat/.
Is deze video met de (Samsung) telefoon van verdachte gemaakt?
Het verschil tussen creatietijd- en wijzigingstijdstempel en de aanwezigheid van de database-regel met de waarde ADD_SNAP_ENTRY_OPERATION zijn veel waarschijnlijker wanneer het videobestand Snapchat- [nummer] .mp4 de in beslaggenomen Samsung S7 Edge telefoon als bron heeft, dan wanneer het videobestand Snapchat- [nummer] .mp4 een andere telefoon als bron heeft.
2. Zo ja, kunt u aangeven hoe (met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video is gemaakt?
De gevonden sporen passen bij het scenario dat de video is gemaakt met Snapchat op de Samsung S7 Edge.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring verder overwogen:
“Op de telefoon van verdachte is een Snapchat filmpje aangetroffen waarop de aanslagpleger de aanslag op [a-straat 1] in [plaats] heeft gefilmd. Uit de videogegevens op de telefoon van verdachte blijkt dat het tijdstip van ‘created’ 03:17:36 uur is en het tijdstip van ‘modified’ 03:15:41 uur. Dat is kort voordat bij Operationeel Centrum melding is gedaan van het naar binnen gooien van vuurwerk in het perceel [a-straat 1] in [plaats] .
Uit het NFI Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- [nummer] .mp4, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, gedateerd 9 februari 2024, volgt dat het veel waarschijnlijker is dat het filmpje de Samsung S7 Edge van verdachte als bron heeft, dan wanneer het filmpje een andere telefoon als bron heeft. De gevonden sporen passen bij het scenario dat het filmpje is gemaakt met Snapchat op de telefoon van verdachte. Daarnaast is om 02:59:40 uur op de telefoon van verdachte in Google Maps gezocht, waarbij het antwoord “ [a-straat 1] , [plaats] ” is. Tussen 02:59:40 uur en 03:13:19 uur wordt gereisd naar [a-straat 1] in [plaats] . Deze sporen plaatsen de telefoon van verdachte in de omgeving van [plaats] op basis van mastgegevens op het moment van het maken van het filmpje.
Op basis van de conclusies die voortvloeien uit het NFI onderzoek van 9 februari 2024 constateert het hof dat verdachte midden in de nacht het adres van aangevers en de route daarnaartoe heeft opgezocht in zijn telefoon en zich daarheen heeft begeven. Vervolgens is met zijn telefoon gefilmd dat er een zware vuurwerkbom, bestaande uit twee à drie aan elkaar getapete illegale cobra’s, door de brievenbus van de woning aan [a-straat 1] is gegooid. Uit de wijze van filmen volgt dat de degene die de vuurwerkbom door de brievenbus gooit, ook degene is die dit met zijn telefoon filmt. Gelet op de bevindingen van het NFI acht het hof dan ook bewezen dat het verdachte is geweest die de vuurwerkbom door de brievenbus heeft geworpen. Deze vuurwerkbom is in de woning van de aangevers tot ontploffing gekomen en het mag een wonder heten dat het bij materiële schade aan de woning is gebleven. De impact van de enorme explosie in het midden van de nacht is voor aangevers enorm geweest.”

3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de afwijzing door het hof van het op 24 september 2024 gedane verzoek om (nader) deskundigenonderzoek te laten verrichten.
Procesverloop in hoger beroep
3.2.1
Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het hof verzocht om nader onderzoek door een deskundige te gelasten aan een Samsung-telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen (hierna: de Samsung-telefoon). Het verzoek strekte er in het bijzonder toe om de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van het technisch onderzoek dat al aan die telefoon was verricht door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt daarover in:
“De raadsvrouw licht haar onderzoekswensen toe:
(...)
- Verzoek nader onderzoek telefoon
Nadat de telefoon van verdachte in beslag is genomen, is daar onderzoek naar gedaan. Van dat onderzoek zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 3] . [verbalisant 3] heeft aangegeven dat het onwaarschijnlijk is dat het filmpje van een Samsung telefoon afkomstig is aangezien het de bestandsindeling van de originele videobestanden “.MOV” betreft. [verbalisant 2] en [verbalisant 1] verklaren echter dat het aannemelijk is dat het filmpje is opgenomen met de Samsung telefoon van verdachte. Deze bevindingen staan haaks op elkaar. Er zijn verschillende conclusies. Verdachte zegt dat hij niet degene is die het filmpje heeft opgenomen. De rechtbank heeft de processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] juist gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen. Het opgenomen filmpje wordt gebruikt als bewijs in de zaak. Daarnaast is er geen ander bewijs. Daarom is het noodzakelijk dat het hof nader onderzoek aan die telefoon gelast om te achterhalen met welke telefoon het filmpje is gemaakt of, met andere woorden, om te kunnen vaststellen dat het niet met de telefoon van mijn cliënt is gemaakt.
Hij heeft de inbeslaggenomen telefoon nog niet teruggekregen.
(...)
De advocaat-generaal vraagt hoe de raadsvrouw het onderzoek aan de telefoon voor zich ziet.
De raadsvrouw antwoordt dat een deskundige onderzoek kan doen naar het filmpje en telefoon. Dit zou een deskundige van het NFI kunnen zijn.”
3.2.2
Het hof heeft bij tussenarrest van 23 mei 2023 het verzoek van de raadsvrouw toegewezen en de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris. Het tussenarrest houdt onder meer in:
“Onderzoekswens verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat nader onderzoek naar de (Samsung) telefoon van verdachte nodig is. Daartoe heeft zij aangevoerd dat, nadat de telefoon van verdachte in een andere zaak in beslag is genomen, onderzoek naar/aan die telefoon is gedaan. Van dat onderzoek zijn twee processen-verbaal van bevindingen opgesteld door [verbalisant 3] . [verbalisant 3] heeft daarin gerelateerd dat het onwaarschijnlijk is dat het filmpje dat van de explosie is gemaakt van een Samsung telefoon afkomstig is, aangezien het de bestandsindeling van de originele videobestanden “.MOV” betreft.
[verbalisant 2] en [verbalisant 1] verklaren echter dat het aannemelijk is dat het filmpje is opgenomen met de Samsung telefoon van verdachte. Deze bevindingen staan haaks op elkaar. Er zijn verschillende conclusies.
Verdachte heeft steeds ontkend dat hij degene is die het filmpje heeft opgenomen. De rechtbank heeft de processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] juist gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen. Het opgenomen filmpje is daarbij als bewijs gebruikt. Daarnaast is er geen ander bewijs. Daarom is het noodzakelijk dat het hof nader onderzoek aan die telefoon gelast om te achterhalen met welk telefoon het filmpje is gemaakt of, met andere woorden, om te kunnen vaststellen dat het niet met de telefoon van verdachte is gemaakt.
Verdachte heeft de telefoon niet teruggekregen.
(...)
Oordeel hof
Tijdens de beraadslaging na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het hof ziet redenen om het door de raadsvrouw gedane verzoek tot nader onderzoek van de telefoon toe te wijzen en acht voorts noodzakelijk dat gerapporteerd wordt omtrent de bevindingen en conclusies in/van de hierna te noemen processen-verbaal van bevindingen.
BESLISSING
Het hof:
(...)
Wijst toe het verzoek tot nader onderzoek aan de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte en tot nader onderzoek naar de bevindingen en conclusies omtrent een hierna te vermelden op die telefoon aangetroffen videofilmpje, waarbij het hof er – gelet op de mededeling van zowel de advocaat-generaal als de raadsvrouw als verdachte – van uitgaat dat de inbeslaggenomen telefoon nog steeds onder beslag ligt;
Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde de deskundige van het NFI de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte te laten onderzoeken en daarbij in elk geval de volgende vragen te laten beantwoorden:
1. Op de inbeslaggenomen (Samsung) telefoon van verdachte (KVI p. 1129) is een video aangetroffen van 7 seconden waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken. De naam van de video is Snapchat- [nummer] .mp4 en de map waarin de video is opgenomen is genaamd USERDATA (ExtX)/Root/media/0/Snapchat/.
Is deze video met de (Samsung) telefoon van verdachte gemaakt?
2. Zo ja, kunt u aangeven hoe (met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video is gemaakt?
Zo nee: kunt u aangeven op welke manier (en met gebruikmaking van welke app of welk programma) de video op de telefoon van verdachte is of kan zijn terechtgekomen?
3. Is vast te stellen of er op 14 november 2020 te omstreeks 03:15 uur beltegoed op voornoemde onder verdachte inbeslaggenomen Samsung telefoon stond? Is het al dan niet aanwezig zijn van een beltegoed relevant voor het (kunnen) versturen van een videofilmpje?
En voorts
4. De bevindingen en de conclusies in processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 8 januari 2021 (p. 701 t/m 704) en d.d. 31 maart 2021 (p. 923 t/m 926) enerzijds
en
het proces-verbaal van [verbalisant 2] d.d. 6 juli 2021 (p. 1131 t/m 1140) en het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 6 mei 2021 (p. 1141 t/m 1144) anderzijds betreffende voornoemde video te analyseren en van commentaar te voorzien, tegen de achtergrond van het feit dat de bevindingen en conclusies van [verbalisant 3] enerzijds en verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] anderzijds haaks op elkaar lijken te staan, althans lijken te verschillen.”
3.2.3
Nadat de [deskundige 1] van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) het onder 3.2.2 bedoelde deskundigenonderzoek had verricht en daarover op 9 februari 2024 een rapport had uitgebracht, heeft de raadsvrouw op de terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2024 het verzoek gedaan om, als het hof tot een bewezenverklaring komt, een onderzoeker van het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) te benoemen als deskundige. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt hierover in:
“De raadsvrouw houdt haar pleidooi:
(...) Verdachte heeft vanaf het eerste moment stellig ontkend dat zijn telefoon is gebruikt voor het maken van het filmpje. Verdachte zegt dat het onmogelijk is en dat het filmpje absoluut niet is gemaakt met zijn telefoon, meer in het bijzonder niet door hemzelf. De verdediging deelt de conclusie van het NFI dan ook niet. Verdachte had geen beltegoed en geen internet op zijn telefoon. Hij kon alleen gebruik maken van Wifi. De bevindingen van het NFI zijn onjuist. Verdachte is de bewuste dag niet in de buurt van [plaats] en [plaats] geweest. Er zijn ook geen camerabeelden of gegevens die hem in [plaats] plaatsen. Forensisch onderzoek heeft geen belastend materiaal opgeleverd met DNA van verdachte. Er is alleen een NFI rapport waar de verdediging zich niet in kan vinden. Ik heb contact opgenomen met het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (hierna: NFO) en ik heb het rapport van het NFI aan hen toegezonden. De [deskundige 2] , een gecertificeerd deskundige op het gebied van digitaal forensisch onderzoek, heeft zich bereid verklaard het rapport van het NFI nader te onderzoeken en zijn bevindingen op papier te zetten. Ik doe daartoe het volgende voorwaardelijk verzoek: in het geval het hof gebruik maakt van het rapport van het NFI en zo tot een bewezenverklaring komt, wordt verzocht om de [deskundige 2] te benoemen als deskundige voor een second opinion om te kijken of het NFI op de juiste manier tot zijn conclusie is gekomen en of deze conclusie ook de juiste conclusie is. Het is een behoorlijk ernstig verwijt en verdachte ontkent stellig vanaf het eerste moment.”
3.2.4
Het hof heeft bij eindarrest van 8 oktober 2024 het onder 3.2.3 bedoelde verzoek afgewezen en daartoe overwogen:
“Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het voorwaardelijke verzoek gedaan om door de [deskundige 2] van het Nederlands Forensisch Onderzoeksbureau (NFO) het onderzoek van het NFI nader te laten onderzoeken, indien het hof tot een bewezenverklaring komt van hetgeen verdachte is tenlastegelegd. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft zij aangevoerd dat verdachte vanaf het eerste moment stellig heeft ontkend. Het NFO kan onderzoeken of het NFI op de juiste manier tot de hiervoor vermelde conclusie is gekomen en of deze conclusie ook de juiste conclusie is.
(...)
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij tussenarrest van 23 mei 2023 beslist dat het NFI onderzoek moest doen naar de onder verdachte in beslag genomen telefoon. Het hof heeft daarbij enkele onderzoeksvragen opgesteld.
Het NFI heeft de bevindingen van het onderzoek en de beantwoording van de vragen opgeschreven in het Herkomstonderzoek naar videobestand Snapchat- [nummer] .mp4, explosies te [plaats] ; [plaats] op 14 november 2020, gedateerd 9 februari 2024. Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan het rapport van het NFI en de uitkomsten daarvan. Het hof is van oordeel dat de noodzaak tot nader onderzoek door het NFO niet is gebleken. Het enkele feit dat verdachte het daarmee niet eens is, vormt onvoldoende onderbouwing voor dit verzoek. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.”
3.2.5
Het hof heeft een deel van het rapport van het NFI voor het bewijs gebruikt, waaronder de bevindingen over de vraag of de video waarop is te zien dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken, is gemaakt met de Samsung-telefoon.
3.3.1
Uit het onder 3.2 weergeven procesverloop volgt dat de verdediging verschillende verzoeken heeft gedaan tot een deskundigenonderzoek. Aanleiding tot die verzoeken was een technisch onderzoek dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in het kader van het opsporingsonderzoek hadden gedaan. Vraagstelling van dat technisch onderzoek was onder meer of de video waarop te zien is dat een vuurwerkbom in een brievenbus wordt aangestoken, met de Samsung-telefoon is gemaakt.
De verdediging heeft op 9 mei 2023 het verzoek gedaan tot een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin hun onderzoeksbevindingen over die video zijn neergelegd. Het hof heeft dat verzoek toegewezen. Dit leidde tot een rapport van de [deskundige 1] van het NFI van 9 februari 2024.
De verdediging heeft vervolgens op 24 september 2024 het verzoek gedaan tot een nader onderzoek naar het door het NFI gedane deskundigenonderzoek, door een medewerker van het NFO te benoemen als deskundige voor een “second opinion”. Het hof heeft dat verzoek afgewezen.
3.3.2
Deze zaak wordt erdoor gekenmerkt dat de verdediging de betrouwbaarheid van (het voor de verdachte belastende resultaat van) technisch onderzoek ter discussie heeft gesteld, dat zij een verzoek heeft gedaan tot het doen verrichten van tegenonderzoek, dat dat verzoek is toegewezen en heeft geresulteerd in een opnieuw voor de verdachte belastende deskundigenverklaring, en dat de verdediging vervolgens andermaal een verzoek heeft gedaan tot het doen verrichten van tegenonderzoek. Met dit laatste verzoek beoogde de verdediging de betrouwbaarheid van de resultaten van het tijdens het opsporingsonderzoek verrichte technisch onderzoek en het naar aanleiding daarvan door het NFI verrichte tegenonderzoek ter discussie te stellen.
3.4
Het cassatiemiddel komt op tegen de afwijzing van dat laatste verzoek (tot een “second opinion” door het NFO). Het stelt daarmee de vraag aan de orde naar het beoordelingskader dat de rechter moet hanteren bij de beoordeling van een verzoek om tegenonderzoek nadat een eerder verzoek om tegenonderzoek al is toegewezen en dat onderzoek ook is uitgevoerd.
Juridisch kader
3.5
De eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat gevolg moet worden gegeven aan een verzoek tot nieuw of nader deskundigenonderzoek (hierna kortheidshalve: tegenonderzoek), ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de resultaten van een onderzoek dat eerder door een andere deskundige is verricht. Of zich zo’n geval voordoet, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn in het bijzonder de volgende beoordelingsfactoren van belang: (a) de gronden waarop het verzoek steunt en (b) het belang van het gevraagde tegenonderzoek in het licht van – bijvoorbeeld – de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal dan wel de overtuigende kracht die pleegt te worden toegekend aan het bestreden onderzoeksresultaat. (Vgl. HR 8 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7228.)
3.6.1
Met het oog op die beide beoordelingsfactoren is het volgende van belang. De verdachte heeft op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) het recht in de gelegenheid te worden gesteld om de “truthfulness and reliability” (hierna ook: betrouwbaarheid) te (doen) onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen een door de deskundige uitgebracht schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. In dit opzicht bestaat er geen verschil met het recht dat aan de verdachte in relatie tot getuigenverklaringen op grond van artikel 6 EVRM Pro toekomt “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”. Dit betekent dat, als de verdachte kenbaar maakt dat hij de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring wil (doen) onderzoeken, van de verdediging in beginsel geen nadere onderbouwing van het belang bij zo’n onderzoek mag worden verlangd. (Vgl. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, rechtsoverweging 2.3.3.)
3.6.2
Evenals bij een verzoek van de verdediging tot het oproepen en horen van een deskundige, geldt bij een verzoek tot een tegenonderzoek, zoals bedoeld onder 3.5, dat de verdediging moet aanduiden welke onderdelen van de belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan een nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast mag een toelichting worden verlangd over de reden waarom dit onderzoek bij voorkeur in de vorm van een tegenonderzoek zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen. Tot die andere manieren kunnen worden gerekend het horen van de deskundige van wie het onderzoek heeft geleid tot een belastende deskundigenverklaring, het laten opstellen van een nader rapport door die deskundige waarin vragen van de verdediging worden beantwoord of het laten uitvoeren van aanvullend onderzoek door die deskundige. (Vgl., over verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van een deskundige, HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, rechtsoverweging 2.3.4 en 2.3.5.)
3.6.3
Is een verzoek tot tegenonderzoek gedaan, dan kan de rechter – met inachtneming van wat onder 3.6.1 is overwogen over het veronderstelde belang bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een belastende deskundigenverklaring – bij zijn beslissing op het verzoek meewegen of het doen verrichten van het verzochte tegenonderzoek de (meest) aangewezen manier is om dat betrouwbaarheidsonderzoek te doen, of dat die toetsing beter op een andere manier kan plaatsvinden (bijvoorbeeld door het laten opstellen van een nader rapport door de deskundige die de belastende deskundigenverklaring heeft afgelegd of het horen van die deskundige).
3.6.4
Wat onder 3.6.1 tot en met 3.6.3 is overwogen heeft betrekking op gevallen waarin nog niet op verzoek van de verdediging een tegenonderzoek is verricht.
In een geval als in deze zaak aan de orde – waarin de verdediging al in de gelegenheid is gesteld om aan de hand van een tegenonderzoek de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van een deskundigenverklaring, en waarin de verdediging vervolgens het verzoek heeft gedaan om door middel van een nieuw deskundigenonderzoekde betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van de eerste deskundigenverklaring en van de resultaten van het tegenonderzoek – mag wel een nadere onderbouwing van het belang bij dat nieuwe deskundigenonderzoek worden verlangd. Uit de motivering van dat verzoek zal moeten blijken dat sprake is van voldoende belang bij een nieuw onderzoek in het licht van de betrouwbaarheid van het onderzoek dat al is verricht. Het komt er daarbij onder meer op aan dat de verdediging motiveert dat en waarom zij met het eerdere onderzoek (dat heeft geleid tot de tweede deskundigenverklaring) niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om de betrouwbaarheid van de eerste deskundigenverklaring te toetsen. In de regel zal aan de betreffende motiveringseis zijn voldaan als voldoende is onderbouwd dat en waarom er concrete aanwijzingen bestaan dat ook na het verrichte tegenonderzoek geen betrouwbaar onderzoeksresultaat beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat het verrichte onderzoek niet voldoet aan de (methodologische) vakinhoudelijke eisen.
3.7
De onder 3.5 en 3.6 vooropgestelde uitgangspunten gelden ook als door een opsporingsambtenaar technisch opsporingsonderzoek is verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist (vgl. HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1711, rechtsoverweging 2.3.3).
Het oordeel van de Hoge Raad
3.8.1
Het cassatiemiddel steunt op de opvatting dat in deze zaak – waarin een deskundige van het NFI het door de verdediging verzochte tegenonderzoek heeft verricht en van dat onderzoek een schriftelijk verslag in het dossier is gevoegd, terwijl dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft – het belang van de verdachte bij het doen verrichten van een nader onderzoek, dit keer door het NFO, moest worden voorondersteld en niet hoefde te worden onderbouwd. Gelet op wat onder 3.6.4 is overwogen, vindt die opvatting geen steun in het recht.
3.8.2
Het oordeel van het hof dat de noodzaak van een nader onderzoek door het NFO niet is gebleken en dat het enkele feit dat de verdachte het niet eens is met het NFI-rapport onvoldoende onderbouwing vormt voor het verzoek, getuigt in het licht van wat onder 3.5 en 3.6 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd.
3.9
Het cassatiemiddel faalt.

4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat de onder 3 bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad van [benadeelde 1] wat betreft het opzet ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zwaar vuurwerk door de brievenbus van de woning aan [a-straat 1] in [plaats] heeft gegooid en dat dit vuurwerk daar in de hal tot ontploffing is gekomen. Op grond hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen tot zwaar lichamelijk letsel bij de in de bewezenverklaring genoemde personen zouden leiden. Dat oordeel is, voor zover het betrekking heeft op [benadeelde 1] , niet zonder meer begrijpelijk omdat uit de bewijsvoering volgt dat [benadeelde 1] ten tijde van de ontploffing niet in de woning aanwezig was.
4.3
De klacht is terecht voorgesteld, maar leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Als de bewezenverklaring van feit 3 ten aanzien van [benadeelde 1] vervalt, worden de aard en de ernst van wat verder ten laste van de verdachte is bewezenverklaard in hun geheel beschouwd niet wezenlijk aangetast, terwijl ook de kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde ongewijzigd blijft.
4.4
Naar aanleiding van het gestelde in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6.22 en 6.23 merkt de Hoge Raad nog op dat ook de omstandigheid dat het hof de vordering van [benadeelde 1] als benadeelde partij (deels) heeft toegewezen en ten behoeve van [benadeelde 1] voor een gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, niet met zich brengt dat de verdachte voldoende belang heeft bij cassatie. Daarbij is onder meer van belang dat, blijkens de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:6216, de toewijzing door het hof van die vordering niet alleen verband houdt met het onder 3 bewezenverklaarde, maar ook met het onder 4 bewezenverklaarde (kort gezegd het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, met gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] ). Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde, door het hof gekwalificeerd als eendaadse samenloop, betreft naar de kern genomen hetzelfde feitencomplex, terwijl het toegewezen bedrag van de vordering ziet op schade die door dit feitencomplex, en dus ook door het onder 4 bewezenverklaarde feit, is veroorzaakt. Verder is van belang dat het hof blijkens zijn overwegingen bij de (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] onder ogen heeft gezien dat hij op het moment van de ontploffing niet in de woning aanwezig was.

5.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De beoordeling door de Hoge Raad van het tweede cassatiemiddel, het derde cassatiemiddel voor zover dat klaagt over de bewezenverklaring onder 3 ten aanzien van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] , het vierde cassatiemiddel en het vijfde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

6.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, C. Caminada, T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 juni 2026.