Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
Onderdeel 1heeft betrekking op het door het hof in rov. 6.3 t/m 6.6 geschetste rechtskader voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen. De relevante overwegingen luiden als volgt (met weglating van voetnoten):
bismoet bij de uitleg daarvan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EG/EU over (de voorlopers van) die bepaling. Deze bepaling luidt als volgt:
bis.
bis.
bisvoorziet bij wijze van hoofdbeginsel in de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, en Verordening Brussel
Ibisvoorziet slechts bij wijze van uitzondering daarop in bijzondere bevoegdheidsregels voor limitatief opgesomde gevallen waarin de verweerder kan of moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat. Deze bijzondere bevoegdheidsregels, waaronder artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis, moeten daarom eng worden uitgelegd, waarbij niet verder mag worden gegaan dan de in die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.
subonderdeel 1.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2voert aan dat het hof in rov. 6.3 e.v. blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskent dat het vereiste van ‘een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’ in art. 7 lid 1 Rv Pro niet hetzelfde betekent als het vereiste van ‘een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’ in art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. De rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis is daarom niet in gelijke zin van toepassing op de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro. In het bijzonder geldt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv Pro niet het vereiste dat sprake is van een risico op onverenigbare beslissingen en/of dat bij vorderingen tegen verschillende gedaagden die op een verschillende rechtsgrondslag zijn gebaseerd het voor de gedaagden voorzienbaar is dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van hen zijn woonplaats heeft. Bovendien komt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv Pro mede betekenis toe aan de vraag of het (voorzienbaar is dat het) doelmatig is om de vorderingen gezamenlijk te behandelen.
bismoet bij de uitleg daarvan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EG/EU over (de voorlopers van) die bepaling.’) en in rov. 6.5 (‘Met “een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen” in artikel 7 lid 1 Rv Pro wordt daarom hetzelfde bedoeld als met “een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven” in artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis.’) geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De andersluidende klacht in subonderdeel 1.2 faalt. Voor zover de klacht betrekking heeft op de voorzienbaarheid van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro verwijs ik naar de bespreking van subonderdeel 1.3.
subonderdeel 1.3miskent het hof dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro de voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht voor de medegedaagde geen afzonderlijk criterium is waaraan zelfstandig moet worden getoetst, ongeacht of de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden zijn gebaseerd op dezelfde of een afwijkende rechtsgrondslag. De voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht is slechts een algemeen beginsel waaraan kan worden getoetst tezamen met de vereisten van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro. Het aangezochte gerecht kan hooguit nagaan of de uitkomst van de beoordeling van de bevoegdheid op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro strookt met het algemene beginsel van de voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht, maar mag niet zelfstandig zijn rechtsmacht afwijzen op grond van het ontbreken van voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht voor de medegedaagde.
Toepassing in deze zaak
Athenian Brewery en Heineken/MTB, waaruit volgt dat in een dergelijke situatie kan zijn voldaan het vereiste van een nauwe band.
persoonlijkeaansprakelijkheid. Ten tweede staat de hiervoor beschreven hoofdelijke aansprakelijkheid in civielrechtelijke verhoudingen binnen de Europese Unie vast, in ieder geval sinds de (…) arresten Skanska en Sumal, terwijl dat bij artikel 33 LBDC Pro juist niet het geval is. Om deze reden ziet het hof ook geen aanleiding om de onderhavige zaak aan te houden in afwachting van een uitspraak van het HvJEU in de zaak
Athenian Brewery en Heineken/MTB.
Board of Directorsvan Raízen een hoge functie hebben of hadden binnen Shell. Het hof vat dit op als een beroep van Stichting Claim GP op een eigen, door Shell Brazil en Shell plc jegens Gran Petro gepleegde onrechtmatige daad naar Braziliaans recht.
subonderdeel 2.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 2.2bevat een voortbouwklacht: bij het slagen van (een van) de klachten van onderdeel 1 kunnen rov. 6.9 t/m 6.15 niet in stand blijven, aangezien deze overwegingen volledig voortbouwen op de in onderdeel 1 bestreden overwegingen van het hof. Nu subonderdeel 1.3 terecht is voorgesteld, [33] slaagt ook deze voortbouwklacht. Anders dan het hof aan zijn onbevoegdheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, kan het aspect ‘dat het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht, als rechter van de woonplaats van Shell Brazil of Shell plc’ (rov. 6.11, slot), niet als afzonderlijke eis worden gesteld voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro. Deze onjuiste rechtsopvatting werkt door in rov. 6.12 t/m 6.17, waarin het hof, uitgaande van de – ten onrechte gestelde – zelfstandige eis van de voorzienbaarheid van rechtsmacht, heeft beoordeeld of, gelet op de twee afzonderlijke rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 33 LBDC Pro) anderzijds, het voor Raízen voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië.
subonderdeel 2.4op de volgende stellingen van de Stichting uit de feitelijke instanties: (a) Raízen c.s. maken deel uit van dezelfde economische groep in de zin van art. 33 LBDC Pro, (b) Raízen heeft inbreuk gemaakt op het Braziliaanse mededingingsrecht (naar CADE ook heeft vastgesteld), (c) voor deze schade zijn op grond van art. 33 LBDC Pro naast de inbreukpleger ook de rechtspersonen binnen de economische groep waarvan Raízen deel uitmaakt hoofdelijk aansprakelijk, en (d) Shell Brazil en Shell plc hebben erkend dat zij onderdeel uitmaken van dezelfde economische groep voor de toepassing van het Braziliaanse mededingingsrecht. Gelet op deze stellingen zou het onbegrijpelijk zijn waarom het hof niet heeft geoordeeld dat is voldaan aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro, althans waarom het hof niet nader heeft onderzocht of vanwege de aan de vorderingen van de Stichting ten grondslag gelegde hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg van de schending van het Braziliaanse mededingingsrecht aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro is voldaan.
2.5 t/m 2.7 en 2.9hebben betrekking op het oordeel van het hof in rov. 6.10 en 6.11 dat de Stichting twee verschillende rechtsgrondslagen heeft aangevoerd voor haar vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid anderzijds. Volgens het hof behoeft dit op zichzelf nog niet te leiden tot de conclusie dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen: de Nederlandse rechter kan zich alsnog bevoegd verklaren, indien het voor Raízen voorspelbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht, als forum van de woonplaats van Shell Brazil of Shell plc.
subonderdeel 2.5)
subonderdeel 2.6)
subonderdeel 2.7)
subonderdeel 2.9)
Eigen handelen/nalaten van Shell Brazil en/of Shell plc
Board of Directorsvan Raízen een hoge functie hebben of hadden binnen Shell. Het hof vat dit op als een beroep van Stichting Claim GP op een eigen, door Shell Brazil en Shell plc jegens Gran Petro gepleegde onrechtmatige daad naar Braziliaans recht.
subonderdeel 3.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 3.2betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.17 miskent dat voor het antwoord op de vraag of het voor een gedaagde voorzienbaar is dat hij wordt opgeroepen voor de gerechten in het land van de woonplaats van een van de medegedaagden, niet relevant, althans niet doorslaggevend is of de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid op rust zich allemaal in het buitenland hebben afgespeeld. Het oordeel van het hof is bovendien onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat de Stichting steeds mede aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat Raízen samen met Shell Brazil en Shell plc onderdeel uitmaakt van dezelfde economische groep.
subonderdeel 3.3klaagt het middel dat het hof miskent dat voor de beoordeling van de rechtsmacht niet relevant is of de Stichting naar enige norm van Braziliaans recht heeft verwezen op grond waarvan het door de Stichting gestelde handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig zou zijn jegens Gran Petro. Voor de vraag of de rechter internationaal bevoegd is op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro, is niet vereist dat reeds wordt onderbouwd dat het verweten gedrag op grond van een norm uit het toepasselijke recht daadwerkelijk tot aansprakelijkheid leidt.
subonderdeel 4.1bevat geen klacht. In de
subonderdelen 4.2 en 4.3wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof in rov. 6.12 en 6.13 onbegrijpelijk is, omdat het hof geen aandacht besteedt aan (de in het subonderdeel onder (a) t/m (d) genoemde) essentiële stellingen van de Stichting met de strekking dat uit de tekst, structuur, systematiek en doelstelling van en literatuur over art. 33 LBDC Pro blijkt dat dit artikel ook betrekking heeft op de civielrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen die onderdeel uitmaken van dezelfde economische groep.
subonderdeel 4.4is het oordeel van het hof in rov. 6.12 en 6.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof enkel betekenis toekent aan (het ontbreken van) Braziliaanse rechtspraak op het gebied van schade als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels. Als het hof daaruit heeft afgeleid dat in Brazilië geen rechtspraak over art. 33 LBDC Pro bestaat, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De Stichting heeft zich namelijk beroepen op een uitspraak van de Braziliaanse rechter van 9 oktober 2019 in een andere kwestie dan het mededingingsrecht, waarin art. 33 LBDC Pro wordt genoemd als grondslag voor civiele hoofdelijke aansprakelijkheid. [deskundige 1] heeft de door de Stichting gegeven uitleg van die uitspraak onderschreven. Ook heeft deze deskundige zelf nog gewezen op uitspraken van Braziliaanse rechters in civiele zaken, waaruit volgt dat in zaken betreffende de economische orde sprake is van civiele hoofdelijke aansprakelijkheid van leden van de economische groep. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom aan de uitspraak van de Braziliaanse rechter van 9 oktober 2019, die weliswaar niet direct ziet op schending van het mededingingsrecht maar wel ingaat op de betekenis van art. 33 LBDC Pro, en/of aan de door de deskundige genoemde uitspraken geen betekenis zou toekomen.
subonderdelen 4.6 t/m 4.8hebben betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 6.13, dat partijen deskundigenverklaringen in het geding hebben gebracht die elkaar over en weer tegenspreken over de uitleg van art. 33 LBDC Pro, zonder dat de door de Stichting in het geding gebrachte deskundigenverklaringen duidelijk overtuigender worden onderbouwd dan die van Raízen c.s., en dat hetzelfde geldt voor de uitleg van het in art. 33 LBDC Pro gestelde vereiste van het deel uitmaken van dezelfde economische groep. Volgens het middel zijn deze overwegingen onbegrijpelijk, omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan de in
subonderdeel 4.6onder (i) t/m (xiv) genoemde stellingen van de Stichting met betrekking tot de waardering van de overgelegde deskundigenverklaringen. Kort gezegd gaan die stellingen over de mate van expertise, deskundigheid, (on)afhankelijkheid en (on)partijdigheid van de door beide partijen geraadpleegde deskundigen en de inhoud en argumentatie van de deskundigenverklaringen. In de
subonderdelen 4.7 en 4.8wordt betoogd dat, in het licht van deze stellingen, zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het hof geen verschil ziet in overtuigingskracht tussen de overgelegde deskundigenverklaringen en tot de conclusie komt dat de door de Stichting in het geding gebrachte deskundigenverklaringen niet duidelijk overtuigender zijn dan die van Raízen c.s.
onderbouwddan die van Raízen c.s.’; rov. 6.13; mijn onderstreping). Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof op grond van een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de deskundigenverklaringen, in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, tot de conclusie gekomen dat niet duidelijk is geworden of de door de Stichting bepleite uitleg van art. 33 LBDC Pro juist is. De klachten nodigen in feite uit tot een nieuwe beoordeling van de stellingen van de Stichting over de waardering van de deskundigenverklaringen, maar daarvoor is in cassatie geen plaats.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
subonderdeel 2.1zijn deze overwegingen onjuist, voor zover daarin besloten ligt dat alleen als de vorderingen tegen de verschillende verweerders op verschillende rechtsgrondslagen zijn gebaseerd, voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro nodig is dat het voor een buitenlandse verweerder voorzienbaar was dat hij voor een Nederlands gerecht kon worden opgeroepen. Voor een buitenlandse verweerder moet steeds voorzienbaar zijn dat hij voor een Nederlands gerecht kan worden opgeroepen.
subonderdeel 3.1wordt betoogd dat het hof zijn verplichting om ambtshalve de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht vast te stellen heeft miskend, evenals de verplichting dat de rechter daarbij moet uitgaan van de heersende leer voor zover die samenvalt met het geldende recht binnen het toepasselijke rechtsstelsel en blijkt uit met name uitspraken van rechterlijke instanties. Volgens het middel heeft het hof in strijd gehandeld met art. 10:2 BW Pro en art. 25 Rv Pro.
subonderdeel 3.2dat het oordeel van het hof in rov. 6.12 dat onzeker is of art. 33 LBDC Pro een grondslag biedt voor civielrechtelijke hoofdelijke aansprakelijkheid, onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in het subonderdeel onder (i) t/m (vi) genoemde stellingen van Raízen c.s. die worden ondersteund door in het geding gebrachte deskundigenverklaringen. Uit deze stellingen en de daaraan ten grondslag liggende deskundigenverklaringen zou blijken dat in de relevante rechtsbronnen geen aanknopingspunten te vinden zijn voor civiele hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro.