Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:610

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
25/01508
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 RvArt. 8 sub 1 Brussel I-bisArt. 33 LBDCArt. 942 CCBArt. 4 lid 1 Brussel I-bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter bij mededingingsinbreuk Brazilië en hoofdelijke aansprakelijkheid

De Stichting Claim Gran Petro vordert een verklaring voor recht dat Raízen c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens een Braziliaanse concurrent door een mededingingsinbreuk in Brazilië en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Raízen wordt aangesproken als inbreukpleger, Shell Brazil en Shell plc als deel van dezelfde economische groep. De Braziliaanse mededingingsautoriteit CADE heeft een schending vastgesteld en boetes opgelegd, maar dit besluit is later vernietigd door een Braziliaanse rechtbank.

De kern van het geschil is of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen, waarbij Shell Brazil en Shell plc als ankergedaagden in Nederland worden betrokken. Het hof Den Haag oordeelde dat de Nederlandse rechter onbevoegd is omdat het voor Raízen niet voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard, en stelde een zelfstandige voorzienbaarheidseis voor rechtsmacht.

De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Hij stelt dat art. 7 lid 1 Rv Pro moet worden uitgelegd in aansluiting op de rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, waarbij een zelfstandige voorzienbaarheidseis niet geldt. De voorzienbaarheid is slechts een algemeen beginsel dat wordt betrokken bij de beoordeling van samenhang en doelmatigheid van gezamenlijke behandeling. Het hof heeft ten onrechte de voorzienbaarheid als zelfstandige eis gesteld en is niet toegekomen aan de beoordeling of tussen de vorderingen voldoende samenhang bestaat.

De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling van de samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, waarbij ook het beroep op misbruik van procesrecht door Raízen c.s. moet worden betrokken. De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van rechtsmacht een prima facie toets is, waarbij niet vooruitgelopen mag worden op de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen of de uitleg van Braziliaans recht. De onzekerheid over de uitleg van art. 33 LBDC Pro en de hoofdelijke aansprakelijkheid mag niet leiden tot afwijzing van rechtsmacht zonder nadere beoordeling.

De conclusie van de A-G is dat de Nederlandse rechter onder voorwaarden bevoegd kan zijn, maar dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de samenhang ontbreekt en de voorzienbaarheid als zelfstandige eis heeft gehanteerd. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter en de samenhang tussen de vorderingen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01508
Zitting19 juni 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
Stichting Claim Gran Petro,
gevestigd te Den Haag,
eiseres tot cassatie,
verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
tegen
(1) de rechtspersoon naar buitenlands recht Raízen S.A.,
gevestigd te Rio de Janeiro, Brazilië,
(2) Shell Brazil Holding B.V.,
gevestigd te Den Haag,
(3) de rechtspersoon naar buitenlands recht Shell plc,
gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,
verweersters in cassatie,
eiseressen in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de Stichting respectievelijk Raízen, Shell Brazil en Shell plc. Verweersters in cassatie worden gezamenlijk aangeduid als Raízen c.s.

1.Inleiding

1.1
In deze zaak vordert de Stichting een verklaring voor recht dat Raízen c.s. wegens een inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht onrechtmatig hebben gehandeld jegens een Braziliaanse concurrent voor wiens belangen de Stichting opkomt, en dat Raízen c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die deze concurrent als gevolg van die inbreuk heeft geleden. Raízen wordt aangesproken als inbreukpleger; Shell Brazil en Shell plc worden aangesproken omdat zij deel uitmaken van dezelfde economische groep als Raízen. De vermeende mededingingsinbreuk heeft betrekking op de toegang tot de infrastructuur voor de distributie van luchtvaartkerosine op een internationale luchthaven in Brazilië. De Braziliaanse mededingingsautoriteit heeft in een administratieve procedure een schending van de Braziliaanse mededingingswet vastgesteld en boetes opgelegd. In Brazilië loopt een gerechtelijke procedure om de rechtsgeldigheid van het besluit van de Braziliaanse mededingingsautoriteit aan te tasten.
1.2
Inzet van het geding is de vraag of de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de gevorderde verklaringen voor recht ten aanzien van Raízen. Daarbij komt aan bod of voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro aansluiting dient te worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. Verder rijst de vraag of voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro als afzonderlijke eis kan worden gesteld dat het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden gedagvaard in het thuisforum van ankergedaagden Shell Brazil en Shell plc in Nederland. In dat verband komt aan bod of, en zo ja, welke betekenis moet worden toegekend aan de hoofdelijke aansprakelijkheid die aan de vorderingen ten grondslag is gelegd, de plaats van de litigieuze gebeurtenissen, het verschil in rechtsgrondslagen van de vorderingen en de onzekerheid c.q. onduidelijkheid over de uitleg van het op de vorderingen toepasselijke Braziliaanse recht.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie zijn de relevante feiten als volgt. [1]
2.2
Raízen en de Braziliaanse onderneming Gran Petro Distribuidora de Combustíveis Ltda (hierna: Gran Petro) distribueren beide luchtvaartkerosine op Braziliaanse luchthavens.
2.3
De Stichting heeft (onder meer) als statutair doel om in eigen naam, doch voor rekening van Gran Petro, gerechtelijke procedures met betrekking tot schadeclaims te voeren.
2.4
Shell plc is de tophoudstervennootschap van het wereldwijde Shell-concern en houdt alle aandelen in Shell Brazil. Shell Brazil is een houdstervennootschap binnen het Shell-concern en heeft sinds de oprichting van Raízen in 2011 tot aan het einde van de door de Stichting gestelde inbreukperiode minimaal 50% van de aandelen in Raízen gehouden.
2.5
Op 30 april 2013 hebben de beheerder van de internationale luchthaven Guarulhos Airport te São Paolo, Brazilië (hierna: de luchthaven) en een aantal distributeurs van luchtvaartkerosine, waaronder Raízen, een overeenkomst gesloten met betrekking tot het gebruik van de infrastructuur op de luchthaven voor de distributie van luchtvaartkerosine. In deze overeenkomst is een instemmingsbeding opgenomen, inhoudende dat de zittende distributeurs toestemming moeten geven voor toetreding van een nieuwe distributeur.
2.6
Gran Petro heeft in 2013 en 2014 verzocht om toetreding als nieuwe distributeur van luchtvaartkerosine op de luchthaven. Gedurende lange tijd hebben de zittende distributeurs deze toestemming niet gegeven. Op 30 januari 2014 heeft Gran Petro hierover een klacht ingediend bij de Braziliaanse mededingingsautoriteit Conselho Administrativo de Defesa Econômica (hierna: CADE). Het tribunaal van CADE beoordeelt in een administratieve procedure of sprake is van schending van het Braziliaanse mededingingsrecht.
2.7
Gran Petro is per augustus 2022 toegelaten als nieuwe distributeur van luchtvaartkerosine op de luchthaven.
2.8
Bij besluit van 9 november 2022 heeft het tribunaal van CADE diverse vennootschappen, waaronder Raízen, schuldig bevonden aan schending van het Braziliaanse mededingingsrecht wegens, kort gezegd, het op oneigenlijke gronden weigeren van toegang aan derden tot de gezamenlijke infrastructuur voor de distributie van luchtvaartkerosine op de luchthaven (hierna: de mededingingsinbreuk). CADE heeft aan deze vennootschappen boetes opgelegd.
2.9
In de onderhavige procedure, ingeleid bij dagvaardingen van 9 en 14 december 2021, [2] vordert de Stichting, samengevat, verklaringen voor recht dat Raízen c.s. naar het toepasselijke Braziliaanse recht onrechtmatig hebben gehandeld jegens Gran Petro en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Gran Petro daardoor heeft geleden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ten aanzien van Raízen heeft de Stichting deze vorderingen gebaseerd op art. 942 Braziliaans Pro BW (hierna: CCB), [3] waaruit voortvloeit dat Raízen de schade aan Gran Petro moet vergoeden die het gevolg is van de (door CADE vastgestelde) mededingingsinbreuk. Ten aanzien van Shell Brazil en Shell plc heeft de Stichting gesteld dat zij op grond van art. 33 Braziliaanse Pro mededingingswet (hierna: LBDC) [4] hoofdelijk met Raízen aansprakelijk zijn voor de schade, aangezien zij met Raízen deel uitmaken van dezelfde economische groep in de zin van die bepaling. Verder kan volgens de Stichting worden vermoed dat Shell Brazil en Shell plc hebben deelgenomen in de besluitvorming, dan wel niets hebben gedaan om de mededingingsinbreuk te voorkomen. [5] De Stichting stelt dat Gran Petro haar rechtsgeldig de betrokken vorderingen heeft gecedeerd.
2.1
Raízen c.s. hebben bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen, omdat de Stichting misbruik van procesrecht maakt door Shell Brazil en Shell plc alleen in deze procedure te betrekken om op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen te scheppen en om Raízen daarmee als gedaagde te onttrekken aan de rechtsmacht van de Braziliaanse rechter. Daarnaast hebben Raízen c.s. aangevoerd dat ten aanzien van Raízen niet is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro.
2.11
Bij vonnis in incident van 17 mei 2023 heeft de rechtbank Den Haag zich op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro onbevoegd verklaard om van de vorderingen tegen Raízen kennis te nemen. Kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van misbruik van procesrecht. In de hoofdzaak heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord aan de zijde van Shell Brazil en Shell plc.
2.12
De Stichting is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis in incident van 17 mei 2023 bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank ter verdere behandeling van de hoofdzaak. Kort gezegd heeft het hof geoordeeld dat het voor Raízen niet voorzienbaar was dat zij in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië zou worden opgeroepen voor de Nederlandse rechter.
2.13
De Stichting heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 21 januari 2025 (hierna: het bestreden arrest); Raízen c.s. hebben hiertegen verweer gevoerd. Op hun beurt hebben Raízen c.s. voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld; de Stichting heeft hiertegen verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep

3.1
Het cassatiemiddel van de Stichting bestaat uit vier onderdelen. Het middel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 6.3 e.v. van het bestreden arrest dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen.
3.2
Volgens Raízen c.s. heeft de Stichting geen belang bij cassatie, omdat het besluit van 9 november 2022 van CADE waarin de mededingingsinbreuk door Raízen is vastgesteld inmiddels is vernietigd door een beslissing van een Braziliaanse rechtbank van 15 augustus 2025. Raízen c.s. onderbouwen dit als volgt. [6] De Braziliaanse rechter heeft geoordeeld dat CADE, bij gebreke van regulering door de bevoegde autoriteit, niet bevoegd was om te oordelen over de praktijk waarmee toegang werd verleend tot de gezamenlijke infrastructuur van de luchthaven voor de distributie van luchtvaartkerosine. Met de vernietiging van het besluit van CADE is de mededingingsinbreuk die de Stichting aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd komen te vervallen. Het beroep van de Stichting op art. 33 LBDC Pro kan dan ook niet slagen, zelfs als dit artikel een grondslag zou bieden om Raízen c.s. in civielrechtelijke zin hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de mededingingsinbreuk.
3.3
Ik kan dit preliminaire verweer van Raízen c.s. niet goed volgen. Nog daargelaten dat Grand Petro en CADE, blijkens de (in dupliek in cassatie) onweersproken stelling van de Stichting (in repliek in cassatie), in Brazilië een rechtsmiddel hebben aangewend tegen de beslissing van 15 augustus 2025, [7] zodat van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing nog geen sprake is, gaan Raízen c.s. met dit preliminaire verweer eraan voorbij dat Raízen c.s. volgens het op de vorderingen toepasselijke Braziliaanse recht ook zonder een (rechtsgeldig) besluit van CADE civielrechtelijk (hoofdelijk) aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens de inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht. [8] Dit betekent dat de Stichting belang heeft bij het ingestelde cassatieberoep.
3.4
Ik kom nu toe aan een bespreking van de klachten.
Onderdeel 1heeft betrekking op het door het hof in rov. 6.3 t/m 6.6 geschetste rechtskader voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen. De relevante overwegingen luiden als volgt (met weglating van voetnoten):

Artikel 7 lid 1 Rv Pro
6.3
Artikel 7 lid 1 Rv Pro bepaalt dat, indien de Nederlandse rechter ten aanzien van één van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
6.4
Omdat deze bepaling is gebaseerd op (een voorloper van) artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bismoet bij de uitleg daarvan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EG/EU over (de voorlopers van) die bepaling. Deze bepaling luidt als volgt:
“Een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft, kan (...) worden opgeroepen:I. indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven;”
6.5
Met “een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen” in artikel 7 lid 1 Rv Pro wordt daarom hetzelfde bedoeld als met “een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven” in artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis.
6.6
Het HvJEU heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen over (de uitleg van) artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis.
- Artikel 4 Brussel Pro I
bisvoorziet bij wijze van hoofdbeginsel in de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan de verweerder zijn woonplaats heeft, en Verordening Brussel
Ibisvoorziet slechts bij wijze van uitzondering daarop in bijzondere bevoegdheidsregels voor limitatief opgesomde gevallen waarin de verweerder kan of moet worden opgeroepen voor de rechter van een andere lidstaat. Deze bijzondere bevoegdheidsregels, waaronder artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis, moeten daarom eng worden uitgelegd, waarbij niet verder mag worden gegaan dan de in die verordening uitdrukkelijk voorziene gevallen.
- Het doel van deze laatste bepaling is te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
- Beslissingen kunnen niet reeds onverenigbaar worden geacht op grond van een divergentie in de beslechting van het geschil: daartoe is bovendien vereist dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.
- Hoofdelijke aansprakelijkheid is een voorbeeld van de in de bepaling bedoelde nauwe band tussen de vorderingen tegen de afzonderlijke gedaagden.
- De tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen hoeven niet dezelfde rechtsgrondslag te hebben, mits voor gedaagden voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van hen zijn woonplaats heeft.’
3.5
Onderdeel 1valt uiteen in drie subonderdelen;
subonderdeel 1.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 1.2voert aan dat het hof in rov. 6.3 e.v. blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof miskent dat het vereiste van ‘een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’ in art. 7 lid 1 Rv Pro niet hetzelfde betekent als het vereiste van ‘een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’ in art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. De rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis is daarom niet in gelijke zin van toepassing op de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro. In het bijzonder geldt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv Pro niet het vereiste dat sprake is van een risico op onverenigbare beslissingen en/of dat bij vorderingen tegen verschillende gedaagden die op een verschillende rechtsgrondslag zijn gebaseerd het voor de gedaagden voorzienbaar is dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van hen zijn woonplaats heeft. Bovendien komt voor de toepassing van art. 7 lid 1 Rv Pro mede betekenis toe aan de vraag of het (voorzienbaar is dat het) doelmatig is om de vorderingen gezamenlijk te behandelen.
3.6
Bij de behandeling van de klacht stel ik het volgende voorop. In deze zaak rijst de vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is, oftewel rechtsmacht heeft, om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen, die haar plaats van vestiging in Brazilië heeft. In dit geval mist de bevoegdheidsregeling van de Verordening Brussel I-bis [9] toepassing, omdat Raízen als gedaagde geen woonplaats heeft op het grondgebied van een EU-lidstaat (art. 6 lid 1 jo Pro. art. 63 Brussel Pro I-bis). Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de bevoegdheidsregeling van het EVEX II-Verdrag [10] (art. 4 lid Pro 1). In de verhouding tussen Nederland en Brazilië ontbreekt een verdrag waarin de internationale bevoegdheid van de rechter in burgerlijke en handelszaken wordt geregeld. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlands rechter ten aanzien van Raízen moet plaatsvinden volgens de Nederlandse commune bevoegdheidsregeling in art. 1 t/m 14 Rv.
3.7
Bij de invoering van deze commune bevoegdheidsregeling op 1 januari 2002 heeft de wetgever zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de destijds voor Nederland geldende verdragen, in het bijzonder het EEX-Verdrag (ook wel Verdrag van Brussel), [11] als een van de voorlopers van de Verordening Brussel I-bis, en het EVEX I-Verdrag (ook wel Verdrag van Lugano), [12] de voorloper van het EVEX II-Verdrag. In de parlementaire geschiedenis wordt hierover het volgende vermeld:
‘AFD. 1.1 – RECHTSMACHT
Opzet van de voorgestelde afdeling
In de voorgestelde bepalingen is acht geslagen op de genoemde verdragen [Verdrag van Brussel en Verdrag van Lugano, A-G] en op buitenlandse regelingen, alsmede op Nederlandse opvattingen en rechtspraak. Bij elkaar leveren deze bouwstenen een systeem op dat aansluit bij internationale ontwikkelingen en in zijn uitwerking niet fundamenteel afwijkt van wat voorheen in Nederland gold. Zo is deels ook sprake van codificatie van Nederlandse rechtspraak. De bepalingen die nu nog geen geldend recht zijn, zijn doorgaans in hun essentie ontleend aan het Verdrag van Brussel/het Verdrag van Lugano. Bij dit laatste is telkens nagegaan of invoering van die regels en invoering in die vorm wel zinvol is voor de onderhavige Nederlandse regeling: die regeling moet niet zonder goede reden moeilijker worden gemaakt dan het huidige stelsel. Er kunnen overwegingen zijn (…) om een bepaalde voorziening die in de genoemde verdragen is opgenomen, in de Nederlandse regeling achterwege te laten of eenvoudiger op te zetten. Ook moest worden verdisconteerd dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een andere functie heeft dan deze verdragen. Onder deze verdragen is er sprake van een intern-regionale relatieve bevoegdheidsregeling, en dus soms ook ontzegging van de rechtsmacht van de rechters van de betrokken staten. De Nederlandse bepalingen hoeven zich niet met ontzegging van rechtsmacht bezig te houden, behalve in het geval van forumkeuze voor een buitenlandse rechter (…).
Al met al kan worden gesteld dat de hoofdlijnen van deze afdeling overeenstemmen met de hoofdlijnen van titel II van de beide genoemde verdragen. Ook is in grote lijnen dezelfde volgorde, en dus tevens dezelfde systematiek aangehouden als in die verdragen. Wel is de nationale regeling ten aanzien van de verlening van rechtsmacht in het algemeen iets ruimer uitgevallen, hetgeen door de genoemde verdragen ook geenszins wordt verboden. De nationale wetgever moet in dit opzicht niet te zuinig zijn: wanneer de verdragen niet van toepassing zijn, dan moet in Nederland in beginsel een titel kunnen worden verkregen. (…).’ [13]
3.8
Op grond van deze parlementaire geschiedenis kan als uitgangspunt worden genomen dat bij de uitleg van commune bevoegdheidsregels in art. 1 t/m 14 Rv die zijn ontleend aan het EEX-Verdrag en het EVEX I-Verdrag (of een van de opvolgende bevoegdheidsregelingen in de Verordening Brussel I, [14] de Verordening Brussel I-bis en het EVEX II-Verdrag), zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot deze verdragen (of verordeningen). Hierop geldt een uitzondering wanneer een commune bevoegdheidsregel afwijkt van een verdragsregeling (of een verordeningsregeling). In deze zin ook HR 29 maart 2019, rov. 4.1.3:
‘Bij de invoering en latere wijzigingen van de art. 1-14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij, onder meer, de voorlopers van de huidige Verordening Brussel I-bis (zie Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 80; Kamerstukken II 2002/03, 28863, nr. 3, p. 1). Bij de uitleg van de commune regels voor internationale rechtsmacht moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJEU over (de voorlopers van) de Verordening Brussel I-bis. Dit is uiteraard anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU.’ [15]
3.9
In cassatie staat vast dat art. 7 lid 1 Rv Pro de enige in aanmerking komende bepaling uit de commune bevoegdheidsregeling is waarop de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht kan baseren ten aanzien van Raízen. Art. 7 lid 1 Rv Pro bepaalt dat, indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is ten aanzien van een van de gedaagden (ook wel ankergedaagde genoemd), hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden (ook wel medegedaagden genoemd), mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. De rechtsmacht ten aanzien van de ankergedaagde kan zijn gebaseerd op de woonplaats van de ankergedaagde in Nederland of op een andere bevoegdheidsgrond (uit de commune bevoegdheidsregeling, een verordening of een verdrag).
3.1
In deze zaak geldt Raízen als medegedaagde; Shell Brazil en Shell plc gelden als ankergedaagden. De Stichting heeft haar vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc gebaseerd op dezelfde grondslag, namelijk primair hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro en subsidiair onrechtmatige daad naar Braziliaans recht op grond van een eigen handelen/nalaten. De rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Shell Brazil en Shell plc is gebaseerd op art. 4 lid 1 Brussel Pro I-bis. Op het moment van het inleiden van de procedure in eerste aanleg hadden Shell Brazil en Shell plc beide in Nederland hun woonplaats in de zin van art. 63 lid 1 Brussel Pro I-bis. [16] De rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Shell Brazil en Shell plc is tussen partijen niet in geschil. Nu de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen ankergedaagden Shell Brazil en Shell plc, kan de rechter eveneens rechtsmacht aannemen ten aanzien van de vorderingen tegen medegedaagde Raízen, indien is voldaan aan het vereiste van art. 7 lid 1 Rv Pro dat tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling bij de Nederlandse rechter rechtvaardigen.
3.11
Zoals hierna zal blijken, heeft de wetgever bij het opstellen van art. 7 lid 1 Rv Pro uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij het destijds voor Nederland geldende art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag en het gelijkluidende art. 6 sub Pro 1 EVEX I-Verdrag. Ik beperk mij hierna tot art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag. Dit artikel vormt een uitzondering op de hoofdregel van rechtsmacht die inhoudt dat internationale bevoegdheid toekomt aan de gerechten in de verdragsstaat van de woonplaats van de gedaagde (art. 2 lid 1 EEX Pro-Verdrag). Op grond van art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag geldt dat een verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsstaat, ook kan worden opgeroepen, indien er meer dan één verweerder is, voor het gerecht (in een andere verdragsstaat) van de woonplaats van een hunner. Het HvJ EU heeft art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag aldus uitgelegd dat tussen de vorderingen die door de eiser tegen verschillende verweerders zijn ingesteld, een zodanig verband moet bestaan, dat het van belang is deze tezamen te berechten, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven door gerechten in verschillende verdragsstaten. [17] Deze rechtspraak is gecodificeerd in art. 6 sub Pro 1 van de Verordening Brussel I, de opvolger van het EEX-Verdrag, en in art. 6 sub Pro 1 van het EVEX II-Verdrag, de opvolger van het EVEX I-Verdrag. Art. 6 sub Pro 1 Brussel I is in ongewijzigde vorm teruggekeerd in art. 8 sub Pro 1 van de Verordening Brussel I-bis, de opvolger van de Verordening Brussel I.
3.12
De parlementaire geschiedenis van art. 7 lid 1 Rv Pro vermeldt het volgende:
‘Voor het eerste lid van artikel 1.1.6 [art. 7 Rv Pro, A-G], voorgesteld om redenen van doelmatigheid en proceseconomie, vergelijke men het huidige artikel 126, zevende lid, Rv, alsmede artikel 6, onderdeel 1, EEX/EVEX. Artikel 1.1.6 is echter beperkter geredigeerd (zie het slot), omdat rechtsmacht op de grond dat ook andere verweerders in het geding betrokken zijn, exorbitant zou zijn indien er tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders geen verband is. In de voorgestelde tekst is in dit opzicht rechtspraak van het Hof van Justitie verwerkt (HvJ 27 september 1988, NJ 1990, 425) zodat van een afwijking van artikel 6, onderdeel 1 EEX geen sprake is. Voorts valt uit rechtspraak van de Hoge Raad (HR 27 oktober 1978, NJ 1980, 102, en HR 16 mei 1986, NJ 1987, 456) af te leiden dat het hier bedoelde verband aanwezig wordt geacht wanneer «redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen». Die formulering is nu ook in de wet opgenomen. (…)’ [18]
3.13
Uit deze parlementaire geschiedenis blijkt niet alleen dat de wetgever art. 7 lid 1 Rv Pro in belangrijke mate heeft ontleend aan art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag, maar ook dat de wetgever nadrukkelijk aansluiting heeft gezocht bij de uitleg van het HvJ EU van art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag, in het bijzonder waar het gaat om het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. Kortom, art. 7 lid 1 Rv Pro is volgens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever geënt op art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag, inclusief de rechtspraak van het HvJ EU. Het ligt dan ook voor de hand om art. 7 lid 1 Rv Pro, in het bijzonder het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, zoveel mogelijk uit te leggen aan de hand van de rechtspraak van het HvJ EU over art. 6 sub Pro 1 EEX-Verdrag, het gelijkluidende art. 6 sub Pro 1 EVEX-Verdrag, en de opvolgende bevoegdheidsregelingen in art. 6 sub Pro 1 Brussel I, art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 6 sub Pro 1 EVEX II-Verdrag. [19] HR 29 maart 2019, rov. 4.2.2 wijst ook in die richting:
‘Bij de uitleg van deze bepaling is van belang dat art. 7 lid 1 Rv Pro is gebaseerd op (de voorloper van) art. 8, aanhef en onder 1, Verordening Brussel I-bis (vgl. Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 108) en dat laatstgenoemde bepaling strikt moet worden uitgelegd (vgl. HvJEU 1 december 2011, zaak C-145/10, ECLI:EU:C:2011:798 (Painer/Standard Verlag c.s.), punt 73-74).’ [20]
3.14
Art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis bevat het element van het ‘vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven’. Dit element komt niet terug in art. 7 lid 1 Rv Pro, wat ook wel te begrijpen is in het licht van het verschil in doelstelling tussen het commune recht (waarin uitsluitend de rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt afgebakend en niet wordt voorzien in de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen) en de Verordening Brussel I-bis (waarin de rechtsmacht van de gerechten in de EU-lidstaten wordt afgebakend en wel wordt voorzien in de erkenning en tenuitvoerlegging van wederzijdse beslissingen). [21] In dit verschil zie ik geen rechtvaardiging om art. 7 lid 1 Rv Pro anders uit te leggen dan art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, in ieder geval waar het gaat om het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. Het gemeenschappelijke doel van beide bepalingen om, op grond van overwegingen van doelmatigheid en proceseconomie, een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken en parallelle procedures te voorkomen, [22] weegt in mijn optiek zwaarder. Dit pleit voor zoveel mogelijk eenzelfde uitleg van beide bepalingen, in het bijzonder waar het gaat om het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden.
3.15
Uit het voorgaande volgt dat de parlementaire geschiedenis van de commune bevoegdheidsregeling ertoe noopt om bij de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro, in het bijzonder het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, afgezien van het element van het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen. Dit betekent dat voor de uitleg van het vereiste van ‘een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen’ in art. 7 lid 1 Rv Pro, zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EU over het vereiste van ‘een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting’ in art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis.
3.16
Voor zover van belang volgt uit deze rechtspraak van het HvJ EU dat voor een nauwe band in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis is vereist dat de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden betrekking hebben op dezelfde situatie feitelijk en rechtens. [23] De enkele omstandigheid dat de uitkomst van een procedure in een lidstaat haar weerslag kan hebben op de uitkomst van een procedure in een andere lidstaat, is onvoldoende voor het aannemen van een nauwe band tussen de vorderingen. [24] Art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis vereist niet dat de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden dezelfde rechtsgrondslag hebben; dit kan hooguit een relevante omstandigheid zijn. [25] De vraag of is voldaan aan het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. [26]
3.17
Gelet op het voorgaande heeft het hof met zijn oordeel in rov. 6.4 (‘Omdat deze bepaling is gebaseerd op (een voorloper van) artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bismoet bij de uitleg daarvan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het HvJ EG/EU over (de voorlopers van) die bepaling.’) en in rov. 6.5 (‘Met “een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen” in artikel 7 lid 1 Rv Pro wordt daarom hetzelfde bedoeld als met “een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven” in artikel 8 aanhef Pro en onder 1 Brussel I
bis.’) geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De andersluidende klacht in subonderdeel 1.2 faalt. Voor zover de klacht betrekking heeft op de voorzienbaarheid van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro verwijs ik naar de bespreking van subonderdeel 1.3.
3.18
Volgens
subonderdeel 1.3miskent het hof dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro de voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht voor de medegedaagde geen afzonderlijk criterium is waaraan zelfstandig moet worden getoetst, ongeacht of de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden zijn gebaseerd op dezelfde of een afwijkende rechtsgrondslag. De voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht is slechts een algemeen beginsel waaraan kan worden getoetst tezamen met de vereisten van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro. Het aangezochte gerecht kan hooguit nagaan of de uitkomst van de beoordeling van de bevoegdheid op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro strookt met het algemene beginsel van de voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht, maar mag niet zelfstandig zijn rechtsmacht afwijzen op grond van het ontbreken van voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht voor de medegedaagde.
3.19
De klacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro onbevoegd is omdat het voor Raízen niet voorzienbaar was dat zij op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië. Allereerst zal ik weergeven hoe het hof tot dit oordeel is gekomen. Na vooropstelling in rov. 6.3 t/m 6.6 (aangehaald in 3.4 van mijn conclusie) van het relevante rechtskader voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen, heeft het hof in rov. 6.7 e.v. als volgt overwogen:

Toepassing in deze zaak
6.7
Volgens Stichting Claim GP is voldaan aan het hiervoor bedoelde vereiste van een nauwe samenhang. Zij heeft haar vorderingen tegen Raízen gegrond op een verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad naar Braziliaans burgerlijk recht, op grond van een rechtstreeks door Raízen gepleegde inbreuk op het Braziliaans mededingingsrecht. De vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc hangen daar nauw mee samen. Het hof begrijpt dat Stichting Claim GP dit primair baseert op hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 33 LBDC Pro, en subsidiair op eigen handelen en nalaten van Shell Brazil en Shell plc met betrekking tot dezelfde gestelde mededingingsinbreuk.
Artikel 33 LBDC Pro
6.8
Volgens Stichting Claim GP voorziet artikel 33 LBDC Pro in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht van Shell Brazil en Shell plc voor de schade die Raízen heeft veroorzaakt met haar deelname aan de mededingingsinbreuk. Raízen, Shell Brazil en Shell plc verkeren daarom volgens Stichting Claim GP in dezelfde situatie, feitelijk en rechtens: Stichting Claim GP houdt hen hoofdelijk aansprakelijk voor één en dezelfde schade als gevolg van één en dezelfde mededingingsinbreuk, en beoogt met de vorderingen tegen de drie entiteiten hetzelfde. Raízen c.s. betoogt daarentegen dat artikel 33 LBDC Pro alleen betrekking heeft op bestuursrechtelijke hoofdelijke aansprakelijkheid voor inbreuken op de economische orde, en dus voor de in verband daarmee opgelegde boetes, en niet op aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht.
6.9
Het hof volgt Stichting Claim GP niet in haar standpunt dat haar beroep op hoofdelijkheid op grond van artikel 33 LBDC Pro leidt tot bevoegdheid op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro, en licht dat toe als volgt.
6.1
De gestelde aansprakelijkheid van Raízen berust rechtstreeks op de door Stichting Claim GP gestelde inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht. De gestelde aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc is daarvan slechts een afgeleide, namelijk via de band van artikel 33 LBDC Pro. Voor zover Stichting Claim GP zich op deze bepaling beroept is dan ook duidelijk dat volgens haar Raízen degene is geweest die de gestelde inbreuk heeft gepleegd en dat Shell Brazil en Shell plc daarvoor alleen (mogelijk) aansprakelijk zijn omdat zij tot dezelfde economische groep in de zin van deze bepaling behoren, en niet omdat henzelf het verwijt kan worden gemaakt dat zij het Braziliaanse mededingingsrecht hebben geschonden.
6.11
Daarmee voert Stichting Claim GP twee afzonderlijke rechtsgrondslagen aan voor haar vorderingen. Dit hoeft op zichzelf nog niet te leiden tot de conclusie dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd moet verklaren ten aanzien van de vorderingen tegen Raízen: die rechter kan zich namelijk bevoegd verklaren indien het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht, als rechter van de woonplaats van Shell Brazil of Shell plc.
6.12
Van die vereiste voorzienbaarheid is echter geen sprake. Ten eerste hebben de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid van Raízen op berust zich allemaal in Brazilië afgespeeld. Ten tweede is het onzeker of artikel 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht en, zo ja, hoe het daarvoor geldende vereiste moet worden toegepast dat Raízen deel uitmaakte van dezelfde economische groep als Shell Brazil en Shell plc.
6.13
Als het gaat om de mogelijke toepassing van artikel 33 LBDC Pro in civielrechtelijke verhoudingen staat tussen partijen vast dat een rechtssubject naar Braziliaans burgerlijk recht als hoofdregel niet aansprakelijk is voor het doen en laten van een ander, behoudens enkele hier niet ter zake doende uitzonderingen. Tussen partijen staat ook vast dat noch de wordingsgeschiedenis van artikel 33 LBDC Pro noch Braziliaanse rechtspraak op het gebied van schade als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels uitsluitsel geeft over de vraag of de door Stichting Claim GP verdedigde uitleg van die bepaling de juiste is. De redenen die Stichting Claim GP aanvoert voor het ontbreken van die rechtspraak zijn hier niet relevant: waar het om gaat is dat er mede door dat ontbreken geen sprake is van voorzienbaarheid als het gaat om de toepassing van artikel 33 LBDC Pro in een situatie als de onderhavige. Partijen hebben deskundigenverklaringen in het geding gebracht die elkaar over en weer tegenspreken over de uitleg van die bepaling, zonder dat de door Stichting Claim GP in het geding gebrachte verklaringen duidelijk overtuigender worden onderbouwd dan die van Raízen c.s. Hetzelfde geldt voor de uitleg van het in artikel 33 LBDC Pro gestelde vereiste van het deel uitmaken van dezelfde economische groep. Tegen deze achtergrond kan het hof niet vaststellen dat het voor Raízen voorzienbaar was dat zij voor de Nederlandse rechter zou worden gedaagd in verband met haar door Stichting Claim GP gestelde inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht.
6.14
Stichting Claim GP trekt een parallel met de situatie in de Europese Unie, waar rechtspersonen die deel uitmaken van één en dezelfde onderneming in de zin van de artikelen 101 en 102 VWEU civielrechtelijk hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van een inbreuk op die regels waar (slechts) een of meer rechtspersonen binnen die onderneming rechtstreeks aan heeft/hebben deelgenomen. Zij verwijst naar de conclusie van AG Kokott in de zaak
Athenian Brewery en Heineken/MTB, waaruit volgt dat in een dergelijke situatie kan zijn voldaan het vereiste van een nauwe band.
6.15
Deze vergelijking gaat mank. Ten eerste is de hoofdelijke aansprakelijkheid van verschillende groepsvennootschappen in de intra-unitaire situatie, anders dan hier, niet gebaseerd op een afzonderlijke bepaling met eigen toepassingsvoorwaarden, maar op één en dezelfde bepaling, namelijk, rechtstreeks, op de artikelen 101 en/of 102 VWEU. Als onderdeel van één en dezelfde onderneming in de zin van die bepaling worden namelijk alle vennootschappen geacht de inbreuk te hebben gepleegd, die deel uitmaken van de economische eenheid die de met de inbreuk gemoeide economische activiteit verricht. Het HvJEU benadrukt in dat verband ook dat het bij de aansprakelijkheid van die onderneming gaat om een
persoonlijkeaansprakelijkheid. Ten tweede staat de hiervoor beschreven hoofdelijke aansprakelijkheid in civielrechtelijke verhoudingen binnen de Europese Unie vast, in ieder geval sinds de (…) arresten Skanska en Sumal, terwijl dat bij artikel 33 LBDC Pro juist niet het geval is. Om deze reden ziet het hof ook geen aanleiding om de onderhavige zaak aan te houden in afwachting van een uitspraak van het HvJEU in de zaak
Athenian Brewery en Heineken/MTB.
Eigen handelen/nalaten van Shell Brazil en/of Shell plc
6.16
Daarnaast voert Stichting Claim GP aan dat het gedrag van Raízen Shell Brazil en Shell plc niet kan zijn ontgaan, dat Shell Brazil en Shell plc aan de besluitvorming van Raízen hebben deelgenomen, zij van de mededingingsinbreuk hebben geprofiteerd, en zij hun formele en informele macht over Raízen niet hebben aangewend om die inbreuk te voorkomen of eerder te beëindigen. Shell Brazil was direct aandeelhouder van Raízen en Shell plc direct aandeelhouder van Shell Brazil. Er was sprake van personele overlap omdat vier van de zes aandeelhoudersvertegenwoordigers binnen de achtkoppige
Board of Directorsvan Raízen een hoge functie hebben of hadden binnen Shell. Het hof vat dit op als een beroep van Stichting Claim GP op een eigen, door Shell Brazil en Shell plc jegens Gran Petro gepleegde onrechtmatige daad naar Braziliaans recht.
6.17
Het hof is van oordeel dat deze grondslag voor de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc evenmin leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro. Ook hier geldt namelijk dat deze grondslag een andere is dan de gestelde aansprakelijkheid van Raízen wegens inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht. Waarom het voor Raízen niettemin voorzienbaar is dat zij op basis van de hiervoor bedoelde eigen onrechtmatige daad van Shell Brazil en Shell plc voor de Nederlandse rechter kon worden geroepen, heeft Stichting Claim GP onvoldoende toegelicht. Ook hier geldt dat de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid van Raízen op berust zich allemaal in Brazilië hebben afgespeeld. Stichting Claim GP heeft ook niet verwezen naar enige norm van Braziliaans recht op grond waarvan het door Stichting Claim GP gestelde handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig zou zijn jegens Gran Petro.’
3.2
Uit deze overwegingen blijkt dat het hof bij de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro ten aanzien van Raízen, als afzonderlijke eis heeft gesteld dat het voor Raízen voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in verband met de vorderingen van de Stichting op grond van de mededingingsinbreuk in Brazilië zou worden gedagvaard voor het bevoegde thuisforum van ankergedaagden Shell Brazil en Shell plc in Nederland. Het middel klaagt terecht dat het hof hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Een zelfstandige eis van voorzienbaarheid van het bevoegde gerecht wordt namelijk niet gesteld door art. 7 lid 1 Rv Pro. Een dergelijke eis wordt niet vermeld in art. 7 lid 1 Rv Pro en volgt ook niet uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling. Een dergelijke eis volgt evenmin uit de (voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro relevante) rechtspraak van het HvJ EU over art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. Ik leg dit als volgt uit.
3.21
Aan de Verordening Brussel I-bis ligt het algemene beginsel ten grondslag dat de bevoegdheidsregeling in hoge mate voorspelbaar moet zijn, zodat het voor de verweerder redelijkerwijs voorzienbaar is voor welke gerechten, anders dan die van zijn woonplaats (art. 4 lid 1 Brussel Pro I-bis), hij zou kunnen worden gedagvaard. [27] De voorzienbaarheid van de rechtsmacht wordt geacht te zijn verdisconteerd in de uitleg die het HvJ EU heeft gegeven aan art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. De voorzienbaarheid van de rechtsmacht is geen zelfstandig criterium dat los van de andere, voor de toepassing van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis vereiste criteria moet worden onderzocht. Wanneer de vereisten voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis zijn vervuld, in het bijzonder de voorwaarde van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, wordt verondersteld dat is voldaan aan de vereiste voorzienbaarheid van de rechtsmacht. [28]
3.22
Het HvJ EU heeft deze uitleg van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis bevestigd in een recente prejudiciële beslissing van 16 april 2026. [29] Een van de prejudiciële vragen was of art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden, als zelfstandig criterium rekening ermee moet worden gehouden of het voor de medegedaagde voorzienbaar was dat hij voor het gerecht van de ankergedaagde zou worden opgeroepen. In navolging van de conclusie van de A-G heeft het HvJ EU deze vraag in ontkennende zin beantwoord. Het HvJ EU motiveert dit als volgt:
‘75. In dit verband moet worden opgemerkt dat de voorzienbaarheid van de medeverweerder om voor het gerecht van de ankergedaagde te worden opgeroepen volgens de bewoordingen van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 geen zelfstandig bevoegdheidscriterium is. Deze bepaling stelt de toepassing ervan enkel afhankelijk van het bestaan van een „zo nauwe band” tussen de vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting.
76. Uit de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 blijkt echter dat de voorspelbaarheid van de bevoegdheid van de gerechten een van de doelstellingen van de bevoegdheidsregels is, aangezien zij zowel de eiser in staat moet stellen om gemakkelijk te bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken als de verweerder in staat moet stellen om redelijkerwijs te voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen.
77. Met deze voorzienbaarheid wordt beoogd rechtszekerheid te bieden om de rechtsbescherming van de in de Unie gevestigde personen te vergroten (…).
78. Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat het vereiste van voorzienbaarheid geen zelfstandig criterium naast de voorwaarden van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 vormt. Aan dit vereiste is voldaan wanneer het voor verweerders voorzienbaar was dat zij zouden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste één van hen zijn woonplaats heeft (zie in die zin arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79. Het rechtszekerheidsbeginsel vereist met name dat bijzondere bevoegdheidsregels aldus worden uitgelegd dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen (arrest van 13 juli 2006, Reisch Montage, C‑103/05, EU:C:2006:471, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80. Zoals de advocaat-generaal in de punten 81 tot en met 84 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, vormt de voorzienbaarheid een algemeen beginsel dat de bevoegdheidsregels beheerst en wordt dit beginsel geconcretiseerd door de criteria die in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of er sprake is van een nauwe band in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012. De in deze verordening gebruikte begrippen kunnen dus niet worden uitgelegd op een wijze die in strijd is met dit beginsel. Aan dat beginsel wordt met name voldaan als de situaties waarin sprake is van een „zo nauwe band” voor een verweerder in het algemeen voorzienbaar zijn. In dit verband volstaat het dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder kan voorzien voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen. Wat meer in het bijzonder vorderingen tot schadevergoeding wegens inbreuken op het mededingingsrecht betreft, is dit het geval wanneer een verweerder als deel van een onderneming aan één enkele inbreuk op artikel 101 VWEU Pro heeft deelgenomen. Daardoor moet hij worden geacht een nauwe band met de andere deelnemers tot stand te hebben gebracht en redelijkerwijs te kunnen voorzien dat hij kan worden opgeroepen voor het gerecht van de zetel van een ander lid van die onderneming.
81. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag, onder b), worden geantwoord dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling of er een „zo nauwe band” in de zin van deze bepaling tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om voor het gerecht van de ankergedaagde te worden opgeroepen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel van die bepaling.’
3.23
Deze prejudiciële beslissing is ook van belang voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro. Tegen deze achtergrond heeft het hof bij de beoordeling of de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen, ten onrechte als zelfstandige eis gesteld dat het voor medegedaagde Raízen voorzienbaar moet zijn geweest dat zij in verband met de vorderingen van de Stichting op grond van de mededingingsinbreuk in Brazilië zou worden gedagvaard voor het bevoegde thuisforum van ankergedaagden Shell Brazil en Shell plc in Nederland. Dit oordeel van het hof is derhalve rechtens onjuist. De hiertegen gerichte klacht slaagt.
3.24
Hierbij is het volgende nog van belang. Het bestreden arrest biedt geen ruimte voor een lezing waarbij het hof, al dan niet impliciet, de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor Raízen slechts als een algemeen gezichtspunt heeft betrokken bij de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro, in het bijzonder het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. Het hof is überhaupt niet toegekomen aan een beoordeling of tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een samenhang bestaat in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro. [30] Het hof noemt dit vereiste van samenhang weliswaar bij het relevante rechtskader voor de beoordeling van de rechtsmacht (rov. 6.3 en 6.5), maar werkt dit vereiste verder niet uit. Ik lees nergens in het bestreden arrest terug dat en waarom het hof van oordeel is dat tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden al dan geen samenhang bestaat in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro. Het hof heeft voor zijn onbevoegdheidsoordeel relevant geacht dat het voor Raízen, op grond van de plaats van de litigieuze gebeurtenissen, het verschil in rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc anderzijds, en de onzekerheid c.q. onduidelijkheid over de uitleg van Braziliaans recht, niet voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedaagd. Hieruit volgt dat het hof zijn onbevoegdheidsoordeel uitsluitend heeft gegrond op de – ten onrechte gestelde – zelfstandige eis van de voorzienbaarheid van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro.
3.25
In het geding na verwijzing zal alsnog moeten worden beoordeeld of tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro, door na te gaan of deze vorderingen betrekking hebben op eenzelfde situatie feitelijk en rechtens (zoals bedoeld in de rechtspraak van het HvJ EU over (de voorlopers van) art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis), [31] waarbij het aspect van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht voor Raízen hooguit als een gezichtspunt in acht kan worden genomen op de wijze zoals genoemd in de prejudiciële beslissing van 16 april 2026. [32]
3.26
Het slagen van subonderdeel 1.3 heeft gevolgen voor de overige klachten. De kern van het onbevoegdheidsoordeel van het hof is dat het voor Raízen niet voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië. Dat oordeel kan niet in stand blijven. Alle andere overwegingen in het bestreden arrest met betrekking tot, kort gezegd, de hoofdelijke aansprakelijkheid, de plaats van de litigieuze gebeurtenissen, het verschil in rechtsgrondslagen van de vorderingen en de onzekerheid c.q. onduidelijkheid over de uitleg van Braziliaans recht, heeft het hof geplaatst in de sleutel van de – ten onrechte gestelde zelfstandige eis van – voorzienbaarheid van de rechtsmacht. Daarmee zouden de klachten tegen die andere overwegingen, als ik het goed zie, strikt genomen onbesproken kunnen blijven. Toch voelt dat voor mij wat onbevredigend aan. Die andere overwegingen van het hof zouden namelijk van belang kunnen zijn in het geding na verwijzing bij de beoordeling of de vorderingen tegen Raízen c.s. samenhangen in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro. Althans zou in het geding na verwijzing discussie kunnen ontstaan over de relevantie van die andere overwegingen voor de beoordeling van de samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro. Daarom lijkt het mij aangewezen om de klachten tegen die andere overwegingen wel te bespreken.
3.27
Onderdeel 2keert zich tegen de (in 3.19 van mijn conclusie weergegeven) rov. 6.9 t/m 6.15 van het bestreden arrest, waarin het hof beoordeelt of het beroep van de Stichting op hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro leidt tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen.
3.28
Onderdeel 2 valt uiteen in elf subonderdelen;
subonderdeel 2.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 2.2bevat een voortbouwklacht: bij het slagen van (een van) de klachten van onderdeel 1 kunnen rov. 6.9 t/m 6.15 niet in stand blijven, aangezien deze overwegingen volledig voortbouwen op de in onderdeel 1 bestreden overwegingen van het hof. Nu subonderdeel 1.3 terecht is voorgesteld, [33] slaagt ook deze voortbouwklacht. Anders dan het hof aan zijn onbevoegdheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, kan het aspect ‘dat het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht, als rechter van de woonplaats van Shell Brazil of Shell plc’ (rov. 6.11, slot), niet als afzonderlijke eis worden gesteld voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro. Deze onjuiste rechtsopvatting werkt door in rov. 6.12 t/m 6.17, waarin het hof, uitgaande van de – ten onrechte gestelde – zelfstandige eis van de voorzienbaarheid van rechtsmacht, heeft beoordeeld of, gelet op de twee afzonderlijke rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 33 LBDC Pro) anderzijds, het voor Raízen voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië.
3.29
Subonderdeel 2.3klaagt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het miskent dat aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro is voldaan als de gedaagden hoofdelijke medeschuldenaren zijn, althans de eiser aan zijn vordering de hoofdelijke aansprakelijkheid van de gedaagden ten grondslag legt, althans indien de eiser met zijn vorderingen jegens alle gedaagden feitelijk en rechtens hetzelfde beoogt. In ieder geval miskent het hof dat aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro is voldaan als de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt gebaseerd op dezelfde rechtsgrondslag, althans is gegrond op dezelfde gebeurtenissen feitelijk en rechtens. Althans miskent het hof dat aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro is voldaan als de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor schending van het mededingingsrecht, omdat zij onderdeel zijn van dezelfde economische groep waarvan ook de inbreukpleger onderdeel uitmaakt.
3.3
In het verlengde van de voorgaande klacht wijst
subonderdeel 2.4op de volgende stellingen van de Stichting uit de feitelijke instanties: (a) Raízen c.s. maken deel uit van dezelfde economische groep in de zin van art. 33 LBDC Pro, (b) Raízen heeft inbreuk gemaakt op het Braziliaanse mededingingsrecht (naar CADE ook heeft vastgesteld), (c) voor deze schade zijn op grond van art. 33 LBDC Pro naast de inbreukpleger ook de rechtspersonen binnen de economische groep waarvan Raízen deel uitmaakt hoofdelijk aansprakelijk, en (d) Shell Brazil en Shell plc hebben erkend dat zij onderdeel uitmaken van dezelfde economische groep voor de toepassing van het Braziliaanse mededingingsrecht. Gelet op deze stellingen zou het onbegrijpelijk zijn waarom het hof niet heeft geoordeeld dat is voldaan aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro, althans waarom het hof niet nader heeft onderzocht of vanwege de aan de vorderingen van de Stichting ten grondslag gelegde hoofdelijke aansprakelijkheid als gevolg van de schending van het Braziliaanse mededingingsrecht aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro is voldaan.
3.31
Met deze klachten, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen, vraagt het middel aandacht voor de betekenis die voor de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro toekomt aan de hoofdelijke aansprakelijkheid die de Stichting (primair) aan haar vorderingen tegen Raízen c.s. ten grondslag heeft gelegd. In rov. 6.6, slot van het bestreden arrest vermeldt het hof, onder verwijzing naar twee conclusies A-G bij het HvJ EU en het toelichtend rapport van P. Jenard bij het EEX-Verdrag, [34] dat hoofdelijke aansprakelijkheid een voorbeeld is van een nauwe band tussen de vorderingen tegen de afzonderlijke gedaagden in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. Uit de overwegingen die hierop volgen (rov. 6.7) blijkt dat het hof voor de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro relevant heeft geacht dat de Stichting met haar vorderingen de hoofdelijke aansprakelijkheid van Raízen c.s. beoogt op grond van art. 33 LBDC Pro. De Stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat art. 33 LBDC Pro voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht. Volgens de Stichting verkeren Raízen c.s. in dezelfde situatie feitelijk en rechtens: de Stichting houdt hen hoofdelijk aansprakelijk voor één en dezelfde schade als gevolg van één en dezelfde mededingingsinbreuk, en beoogt met de vorderingen tegen de drie entiteiten hetzelfde (rov. 6.8). Het hof heeft het standpunt van de Stichting ‘dat haar beroep op hoofdelijkheid op grond van artikel 33 LBDC Pro leidt tot bevoegdheid op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro’ verworpen (rov. 6.9), niet omdat geen sprake zou zijn van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens (het hof heeft zich hierover in het geheel niet uitgelaten), [35] maar omdat het volgens het hof onzeker c.q. onduidelijk is of het Braziliaanse recht voorziet in hoofdelijke civielrechtelijke aansprakelijkheid van Raízen c.s. Volgens het hof was het voor Raízen daarom niet voorzienbaar dat zij in Nederland zou worden opgeroepen (rov. 6.12 en 6.13).
3.32
Kortom, het hof heeft het belang van hoofdelijke aansprakelijkheid in het kader van de beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid Pro Rv weliswaar onderkend, maar in het midden gelaten of de door de Stichting aan haar vorderingen ten grondslag gelegde hoofdelijke aansprakelijkheid van Raízen c.s. eenzelfde situatie feitelijk en rechtens oplevert en daarmee is voldaan aan de in art. 7 lid 1 Rv Pro vereiste samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. Het middel klaagt hierover terecht. Nu de voorzienbaarheid van rechtsmacht geen afzonderlijke grond is waarop het hof de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro heeft mogen afwijzen, zal in het geding na verwijzing alsnog moeten worden beoordeeld of tussen de vorderingen tegen Raízen c.s. op de door de Stichting aangevoerde grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. [36]
3.33
De subonderdelen
2.5 t/m 2.7 en 2.9hebben betrekking op het oordeel van het hof in rov. 6.10 en 6.11 dat de Stichting twee verschillende rechtsgrondslagen heeft aangevoerd voor haar vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid anderzijds. Volgens het hof behoeft dit op zichzelf nog niet te leiden tot de conclusie dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen Raízen: de Nederlandse rechter kan zich alsnog bevoegd verklaren, indien het voor Raízen voorspelbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht, als forum van de woonplaats van Shell Brazil of Shell plc.
3.34
De klachten houden kort gezegd het volgende in. Het hof miskent dat sprake is van eenzelfde rechtsgrondslag, althans dat is voldaan aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro, indien de civielrechtelijke hoofdelijke aansprakelijkheid jegens alle gedaagden (direct of indirect) wordt gegrond op schending van dezelfde norm, meer in het bijzonder op schending van hetzelfde verbod tot beperking van de mededinging. (
subonderdeel 2.5)
Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk, omdat uit de in subonderdeel 2.4 genoemde stellingen van de Stichting volgt dat (i) de Stichting zich jegens zowel Raízen als Shell Brazil en Shell plc (mede) heeft beroepen op art. 33 LBDC Pro, en (ii) de Stichting aan haar vorderingen jegens alle gedaagden dezelfde gebeurtenissen ten grondslag heeft gelegd die een schending van het Braziliaanse mededingingsrecht opleveren waarvoor de gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn omdat zij deel uitmaken van dezelfde economische groep. In het licht van deze stellingen is het onbegrijpelijk waarom het hof oordeelt dat geen sprake is van eenzelfde rechtsgrondslag, althans niet is voldaan aan de vereiste samenhang van art. 7 lid 1 Rv Pro. (
subonderdeel 2.6)
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat de Stichting haar vorderingen jegens Raízen enkel heeft gebaseerd op art. 942 CCB Pro en jegens Shell Brazil en Shell plc enkel op art. 33 LBDC Pro, is dat onbegrijpelijk. Uit de in subonderdeel 2.4 genoemde stellingen van de Stichting volgt dat zij haar vorderingen mede – en allereerst – jegens alle gedaagden heeft gebaseerd op art. 33 LBDC Pro, omdat alle gedaagden deel uitmaken van dezelfde economische groep en daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de mededingingsinbreuk door Raízen. De Stichting heeft art. 942 CCB Pro mede aangevoerd ter illustratie van haar betoog dat het Braziliaanse recht het ook mogelijk acht dat een andere rechtspersoon aansprakelijk is voor een onrechtmatige daad die hij niet zelf heeft gepleegd. De Stichting heeft dat artikel voor het overige slechts als nevengrondslag – naast art. 33 LBDC Pro – ingeroepen voor aansprakelijkheid van Raízen. (
subonderdeel 2.7)
Het oordeel van het hof is rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat de enkele omstandigheid dat een van de gedaagden aansprakelijk wordt gesteld wegens een eigen schending van een norm en de andere gedaagden omdat zij met die eerstgenoemde gedaagde deel uitmaken van dezelfde economische groep, niet betekent dat sprake is van verschillende rechtsgrondslagen. Aan alle gedaagden wordt immers de schending van het Braziliaanse mededingingsrecht verweten door een rechtspersoon waarmee zij deel uitmaken van een economische groep als gevolg waarvan zij op de voet van art. 942 CCB Pro en art. 33 LBDC Pro voor de daardoor veroorzaakte schade hoofdelijk aansprakelijk zijn. De aangevoerde grondslag is dus steeds de schending van het Braziliaanse mededingingsrecht waarvoor het Braziliaanse recht de gedaagden op grond van art. 942 CCB Pro en art. 33 LBDC Pro aansprakelijk acht. (
subonderdeel 2.9)
3.35
Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop. Uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dat voor het aannemen van een nauwe band tussen de vorderingen in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis niet noodzakelijk is (‘geen onmisbare voorwaarde’) dat de vorderingen tegen de verschillende gedaagden dezelfde rechtsgrondslag hebben. [37] Wanneer de tegen de verschillende gedaagden ingestelde vorderingen een verschillende rechtsgrondslag hebben, staat dat op zichzelf genomen dus niet in de weg aan de toepassing van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. [38] Ook in dat geval kunnen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden nauw met elkaar samenhangen, indien sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens. Indien de rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen de verschillende gedaagden wel met elkaar overeenkomen, is dat volgens het HvJ EU ‘slechts één van de relevante factoren’ in het kader van de beoordeling van een nauwe band in de zin van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. [39] Deze rechtspraak van het HvJ EU is ook relevant voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro.
3.36
In het bestreden arrest heeft het hof voormelde rechtspraak van het HvJ EU onder ogen gezien; zie rov. 6.6, slot: ‘De tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen hoeven niet dezelfde rechtsgrondslag te hebben (…)’. [40] Naar het oordeel van het hof zijn de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid anderzijds op verschillende rechtsgrondslagen gebaseerd. Hiervoor heeft het hof overwogen dat de Stichting haar vorderingen tegen Raízen heeft gegrond op een verbintenis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad naar Braziliaans burgerlijk recht, op grond van een rechtstreeks door Raízen gepleegde inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht (rov. 6.7). De aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc is volgens het hof slechts een afgeleide daarvan, namelijk via de band van art. 33 LBDC Pro. Raízen is degene geweest die de gestelde inbreuk heeft gepleegd, terwijl Shell Brazil en Shell plc daarvoor alleen aansprakelijk worden gehouden omdat zij tot dezelfde economische groep behoren in de zin van art. 33 LBDC Pro (rov. 6.10). Daarmee voert de Stichting twee afzonderlijke rechtsgrondslagen aan voor haar vorderingen, aldus het hof (rov. 6.11).
3.37
Dit oordeel van het hof moet aldus worden begrepen dat sprake is van verschillende rechtsgrondslagen, omdat de vorderingen tegen Raízen enerzijds en tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid anderzijds zijn gebaseerd op verschillende rechtsnormen uit het Braziliaanse recht. De vorderingen tegen Raízen zijn gebaseerd op art. 942 CCB Pro: Raízen is aansprakelijk omdat zij het Braziliaanse mededingingsrecht zelf, rechtstreeks heeft geschonden. Het hof noemt art. 942 CCB Pro niet uitdrukkelijk in rov. 6.7, maar wel in rov. 4.1 waarin de vorderingen van de Stichting in eerste aanleg worden weergegeven (‘Ten aanzien van Raízen heeft Stichting Claim GP deze vorderingen gegrond op artikel 942 CCB Pro, waaruit voortvloeit dat Raízen de schade aan Gran Petro moet vergoeden die het gevolg is van de (door CADE vastgestelde) mededingingsinbreuk.’). De vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag zijn gebaseerd op hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro. Shell Brazil en Shell plc worden aangesproken omdat zij tot dezelfde economische groep behoren als inbreukpleger Raízen en niet omdat hen wordt verweten dat zij het Braziliaanse mededingingsrecht zelf, rechtstreeks hebben geschonden. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof niet tot uitgangspunt genomen dat de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden zijn gebaseerd op een schending van dezelfde rechtsnorm (het verbod op beperking van de mededinging naar Braziliaans recht), maar van verschillende rechtsnormen naar Braziliaans recht (art. 942 CCB Pro en art. 33 LBDC Pro).
3.38
Heeft het hof in rov. 6.11 kunnen oordelen dat de Stichting twee afzonderlijke rechtsgrondslagen heeft aangevoerd voor haar vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc enerzijds en Raízen anderzijds? Vooropgesteld moet worden dat het hier gaat om de uitleg van de stellingen van de eiser over wat zij ten grondslag heeft gelegd aan haar vorderingen. Dit is bij uitstek het domein van de feitenrechter, wiens oordeel hierover in cassatie slechts beperkt – op begrijpelijkheid – kan worden getoetst. [41] Ik meen dat het oordeel van het hof dat de vorderingen van de Stichting op twee afzonderlijke rechtsgrondslagen berusten, niet onbegrijpelijk is. Hiervoor is het volgende van belang. De Stichting heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd, voor zover van belang, dat Raízen c.s. naar het toepasselijke Braziliaanse recht onrechtmatig hebben gehandeld jegens Gran Petro en dat Raízen c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Gran Petro hierdoor heeft geleden, met hoofdelijke veroordeling van alle gedaagden tot vergoeding aan de Stichting van die schade. [42] Zie ook rov. 4.1 van het vonnis van 17 mei 2023 van de rechtbank. Aan deze vorderingen heeft de Stichting het volgende ten grondslag gelegd. Raízen heeft een onrechtmatige daad jegens Gran Petro gepleegd, doordat zij in samenwerking met andere partijen in strijd met het Braziliaanse mededingingsrecht Gran Petro ten onrechte jarenlang heeft buitengesloten als distributeur van luchtvaartkerosine op de luchthaven. Raízen moet de schade vergoeden die Gran Petro hierdoor heeft geleden. [43] De Stichting heeft de aansprakelijkheid van Raízen gebaseerd op art. 942 CCB Pro. [44] Dit heeft de Stichting vervolgens gebruikt als opmaat voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc. Volgens de Stichting zijn Shell Brazil en Shell plc naar het toepasselijke Braziliaanse recht hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de door Gran Petro geleden schade, aangezien zij en Raízen deel uitmaken van dezelfde economische groep. [45] De Stichting heeft de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc gebaseerd op art. 33 LBDC Pro. [46] Zie ook rov. 4.2 en 6.8 e.v. van het vonnis van 17 mei 2023 van de rechtbank. In hoger beroep heeft de Stichting deze grondslagen van haar vorderingen tegen Raízen c.s. niet gewijzigd. [47] Raízen c.s. hebben deze grondslagen ook aldus opgevat. [48]
3.39
Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof dat de vorderingen van de Stichting zijn gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen niet onbegrijpelijk. Immers, de aansprakelijkheid van Raízen is gebaseerd op de rechtstreekse schending van het Braziliaanse mededingingsrecht, terwijl Shell Brazil en Shell plc (op de primaire grondslag van de vorderingen) worden aangesproken als onderdeel van de economische eenheid waartoe Raízen ook behoort, zonder dat Shell Brazil en Shell plc zelf, rechtstreeks betrokken zijn geweest bij de mededingingsinbreuk. De aansprakelijkheid van Raízen is gebaseerd op art. 942 CCB Pro, terwijl de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc is gebaseerd op art. 33 LBDC Pro. De rechtsgrondslagen van de vorderingen verschillen derhalve. Hieraan doet niet af dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van Raízen c.s. uiteindelijk is gebaseerd op art. 33 LBDC Pro. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro (‘The companies and entities that are part of an economic group, de facto or de jure, shall be jointly and severally liable when at least one of them engages in violations of the economic order’) is in dit geval immers vereist dat de aansprakelijkheid van Raízen voor de mededingingsinbreuk wordt vastgesteld op grond van art. 942 CCB Pro. De maatstaf voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van Raízen op grond van art. 942 CCB Pro (‘The property of the person responsible for an offence or violation of another’s right is liable for reparation of the damage caused (…)’) geldt niet voor het vaststellen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc op grond van art. 33 LBDC Pro (‘part of an economic group, de facto or de jure’). De andersluidende klacht van het middel faalt.
3.4
Ik breng in herinnering dat de omstandigheid dat de Stichting twee afzonderlijke rechtsgrondslagen heeft aangevoerd voor haar vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid anderzijds, niet uitsluit dat tussen deze vorderingen een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijk behandeling rechtvaardigen (art. 7 lid 1 Rv Pro). [49] Hiervoor is vereist dat de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden eenzelfde situatie feitelijk en rechtens betreffen. Of dat het geval is, zal in het geding na verwijzing moeten worden bepaald. Hoe dan ook geldt, dat het verschil in rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, anders dan het hof in rov. 6.11 tot uitgangspunt heeft genomen (‘indien het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht’), niet rechtvaardigt dat voor het aannemen van rechtsmacht een afzonderlijke voorzienbaarheidseis wordt gesteld.
3.41
Subonderdeel 2.8houdt kort gezegd in dat het oordeel van het hof in rov. 6.15, dat de vergelijking met hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 101 en Pro 102 VWEU in dit geval niet opgaat, onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van de Stichting genoemd in subonderdeel 2.4.
3.42
De klacht faalt. Ik zie niet in waarom de hoofdelijke aansprakelijkheid van verschillende groepsvennootschappen op grond van art. 101 en Pro/of 102 VWEU voor de schade die het gevolg is van een inbreuk op het Europese mededingingsrecht waar één of meer van die vennootschappen rechtstreeks aan hebben deelgenomen, van belang zou kunnen zijn voor de uitleg van hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans recht, in het bijzonder voor de vraag of art. 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht en, zo ja, hoe het daarvoor geldende vereiste moet worden toegepast dat Raízen deel uitmaakte van dezelfde economische groep als Shell Brazil en Shell plc. De uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro zal moeten plaatsvinden volgens de in Brazilië geldende rechtsopvattingen over hoofdelijke aansprakelijkheid van groepsvennootschappen naar civiel recht. Hierbij komt dat het hof in rov. 6.15 heeft gewezen op de nodige verschillen tussen (de grondslagen voor) hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 101 en Pro 102 VWEU enerzijds en art. 33 LBDC Pro anderzijds.
3.43
Subonderdeel 2.10klaagt dat het hof in rov. 6.12 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het miskent dat voor de vraag of het voor een gedaagde in het kader van art. 7 lid 1 Rv Pro voorzienbaar is dat hij wordt opgeroepen voor de woonplaats van een van de andere gedaagden niet van (doorslaggevend) belang is of de gebeurtenissen waarop de eiser haar aansprakelijkheidsvordering baseert zich buiten Nederland hebben afgespeeld. In ieder geval kan die omstandigheid niet zonder nadere motivering bijdragen aan de conclusie van het hof dat niet is voldaan aan de voorzienbaarheidseis in het kader van art. 7 lid 1 Rv Pro.
3.44
In rov. 6.12 heeft het hof in het kader van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht van belang geacht dat de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid van Raízen op berust zich allemaal in Brazilië hebben afgespeeld. [50] Hiermee miskent het hof dat art. 7 lid 1 Rv Pro, anders dan bijvoorbeeld de bevoegdheidsgronden in art. 6 sub Pro a t/m i Rv, niet is gestoeld op het beginsel van de nauwe band tussen het gerecht en de vordering, maar in het leven is geroepen ‘om redenen van doelmatigheid en proceseconomie’. [51] De rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro wordt gerechtvaardigd door een zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Art. 7 lid 1 Rv Pro stelt geen andere c.q. nadere vereisten, ook niet met betrekking tot een reële band tussen enerzijds de vorderingen van de eiser, de verweten gedragingen van de gedaagden en de zaak in het algemeen en, anderzijds, de Nederlandse rechtssfeer. Ook bij het ontbreken van een door het hof in rov. 6.12 bedoelde reële band tussen de zaak en de Nederlandse rechtssfeer, leidt art. 7 lid 1 Rv Pro tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter, indien is voldaan aan de door het artikel vereiste samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. [52] Overigens maakt die samenhang dat het voor een gemiddeld oordeelkundige medegedaagde voorzienbaar moet zijn geweest dat hij zou worden gedagvaard in het bevoegde thuisforum van een ankergedaagde.
3.45
Subonderdeel 2.11klaagt dat het hof miskent dat voor de vraag of het voor de medegedaagde in het kader van art. 7 lid 1 Rv Pro voorzienbaar is dat hij wordt opgeroepen in het forum van een van de ankergedaagden, niet van (doorslaggevend) belang is of het onzeker is of een bepaling waarop de eiser haar aansprakelijkheidsvordering baseert (art. 33 LBDC Pro) voorziet in (hoofdelijke) aansprakelijkheid en hoe de daarvoor geldende vereisten in een concreet geval moeten worden toegepast (het vereiste van deel uitmaken van dezelfde economische groep). De vraag of een bepaalde grondslag daadwerkelijk tot aansprakelijkheid kan leiden betreft een wetsuitleg die weliswaar van belang is voor de beoordeling van de vordering ten gronde, maar niet relevant is voor de beoordeling van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro.
3.46
In rov. 6.12 en 6.13 heeft het hof in het kader van de voorzienbaarheid van de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro van belang geacht dat niet is komen vast te staan dat Shell Brazil en Shell plc volgens het toepasselijke Braziliaanse recht aansprakelijk kunnen worden gehouden op de door de Stichting aangevoerde primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (rov. 6.12: ‘(…) Ten tweede is het onzeker of artikel 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht en, zo ja, hoe het daarvoor geldende vereiste moet worden toegepast dat Raízen deel uitmaakte van dezelfde economische groep als Shell Brazil en Shell plc.’, met nadere motivering in rov. 6.13). [53] Het komt mij voor dat het hof hiermee ten onrechte is vooruitgelopen op de beoordeling van de vorderingen ten gronde. Ik leg dit (aan de hand van de rechtspraak van het HvJ EU) als volgt uit.
3.47
De beoordeling of is voldaan aan de door art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis vereiste nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders, dient te geschieden aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval. [54] Hierbij geldt dat het aangezochte gerecht in de fase van het onderzoek van zijn rechtsmacht niet de ontvankelijkheid of de inhoudelijke gegrondheid van de vorderingen tegen de onderscheiden verweerders beoordeelt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn rechtsmacht kunnen rechtvaardigen. Het ligt primair op de weg van de eiser om de feiten te stellen die nodig zijn voor het bepalen van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. [55] Het aangezochte gerecht dient zich evenwel niet te beperken tot de stellingen van de eiser, maar moet ook acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Wel geldt in dit verband de beperking dat, indien de verweerder de voor de rechtsmacht relevante stellingen van de eiser betwist, het aangezochte gerecht in het kader van het vaststellen van zijn rechtsmacht geen gelegenheid behoeft te geven voor bewijslevering. [56] De strekking van deze prima facie beoordeling is dat het aangezochte gerecht zijn rechtsmacht moet kunnen beoordelen zonder vooruit te lopen op de inhoudelijke behandeling van de zaak. [57] Deze prima facie beoordeling van de rechtsmacht geldt ook voor art. 7 lid 1 Rv Pro. [58]
3.48
Het HvJ EU heeft oog voor het risico op een oneigenlijk gebruik of misbruik van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis. In de eerdergenoemde prejudiciële beslissing van 16 april 2026 overweegt het HvJ EU hierover als volgt:
‘85. In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat de aangezochte rechter bij het onderzoek van zijn internationale bevoegdheid de ontvankelijkheid of de gegrondheid van de vordering niet onderzoekt, maar uitsluitend de aanknopingspunten met de forumstaat identificeert die zijn bevoegdheid in het licht van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 kunnen rechtvaardigen (…).
86. Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt dat de aangezochte rechter zich kan uitspreken over zijn eigen bevoegdheid zonder dat hij gedwongen is de zaak ten gronde te onderzoeken (…).
87. In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het Hof niettemin heeft geoordeeld dat artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 niet zodanig kan worden uitgelegd dat een verzoeker meerdere verweerders kan dagvaarden met het enkele doel om een van hen te onttrekken aan de gerechten van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft en aldus de in die bepaling vastgelegde bevoegdheidsregel te omzeilen door de voorwaarden voor toepassing ervan op kunstmatige wijze te creëren of te handhaven (…).
88. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat deze hypothese van omzeiling van de bevoegdheidsregels uitgesloten is wanneer er op het moment dat de zaak aanhangig is gemaakt, een nauw verband bestaat tussen de vorderingen tegen elk van de verweerders, in die zin dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke afdoening ervan onverenigbare beslissingen worden gegeven (…).
89. Hieruit volgt dat wanneer samenhangende vorderingen in de zin van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 bij eenzelfde gerecht worden ingediend, dit gerecht een omzeiling of misbruik van deze bevoegdheidsregel slechts kan vaststellen indien er afdoende bewijs is op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van die bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd (…).
90. Daarvoor volstaat het niet dat de vordering tegen de ankergedaagde ongegrond lijkt. Op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, moet een dergelijke vordering kennelijk ongegrond, kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn (…).
91. Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan de kennelijke ongegrondheid van de jegens de ankergedaagde ingestelde vordering een aanwijzing vormen dat de verzoeker kunstmatig de voorwaarden voor toepassing van artikel 8, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 heeft gecreëerd.’ [59]
3.49
In de conclusie van A-G Kokott wordt hierover, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:
‘37. Artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening mag (…) niet worden misbruikt door op grond daarvan een vordering tegen meerdere verweerders in te stellen met het enkele doel om één van hen te onttrekken aan de bevoegdheid van de rechter van de staat waar hij zijn woonplaats heeft. Dit zou het geval zijn indien op grond van afdoende bewijs kan worden geconcludeerd dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling kunstmatig heeft gecreëerd of gehandhaafd.
38. Dat kan echter niet als de vordering tegen de ankergedaagde alleen maar (mogelijk) ongegrond lijkt. Veeleer moet deze vordering op het tijdstip dat zij wordt ingesteld, kennelijk ongegrond of kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn.
39. Bijgevolg moet de tweede prejudiciële vraag in beide zaken aldus worden beantwoord dat er bij de toetsing van de bevoegdheid op grond van artikel 8, punt 1, van de Brussel I bis-verordening weliswaar rekening moet worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de ankergedaagde, maar alleen als een aanwijzing dat de verzoeker de voorwaarden voor toepassing van genoemde bepaling niet kunstmatig heeft gecreëerd, hetgeen wel het geval kan zijn wanneer de vordering kennelijk ongegrond is.
(…)
43. Anders dan verweerders stellen, blijkt uit de tegenstrijdige standpunten van de partijen in de onderhavige procedure dat een vordering tot een dergelijke schadevergoeding niet dermate uitzichtloos lijkt te zijn dat zij als kennelijk ongegrond moet worden beschouwd. Veeleer werpt zij een complexe rechtsvraag op die nader moet worden onderzocht.’
3.5
In eerste aanleg hebben Raízen c.s. een beroep gedaan op misbruik van procesrecht door de Stichting in het kader van art. 7 lid 1 Rv Pro. Zij hebben kort gezegd betoogd dat de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid krachtens art. 33 LBDC Pro evident kansloos zijn. [60] Dit standpunt heeft gehoor gevonden bij de rechtbank, die in het vonnis van 17 mei 2023 hierover als volgt overweegt:
‘6.16. De slotsom van het voorgaande is als volgt. In de Braziliaanse rechtspraak zijn geen uitspraken bekend inhoudende dat civiele hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden gegrond op artikel 33 van Pro het Braziliaanse Mededingingsrecht. Aan de rechtbank is niet bekend dat de Braziliaanse wetgever bij de totstandkoming van artikel 33 van Pro het Braziliaanse Mededingingsrecht heeft toegelicht dat civiele hoofdelijke aansprakelijkheid op dit artikel kan worden gegrond. Het Braziliaanse civiele recht bevat geen bepalingen op grond waarvan Shell Brazil en Shell Plc hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden zonder zelf onrechtmatig te hebben gehandeld. Dat Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig hebben gehandeld heeft de Stichting niet, althans onvoldoende gesteld, noch is dit anderszins gebleken. De Stichting heeft voorts gesteld dat zij de claim voor de Nederlandse rechtbank heeft gebracht omdat het in Brazilië allemaal te lang duurt. Onder die omstandigheden is de conclusie gerechtvaardigd dat de Stichting de vorderingen tegen
Shell plc en Shell Brazil klaarblijkelijk heeft ingesteld met het doel Raízen af te trekken van het gerecht van het land waar zij woonplaats heeft, namelijk Brazilië.
Dit levert misbruik van procesrecht op, en brengt mee dat de Stichting zich ten aanzien van Raízen niet op artikel 7 lid 1 Rv Pro kan beroepen.’
3.51
De Stichting heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden (grief VI). Het hof heeft deze kwestie onbehandeld gelaten, omdat het op een andere grond tot de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter is gekomen (rov. 6.18: ‘Uit het voorgaande volgt al dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen, voor zover die tegen Raízen zijn gericht. Stichting Claim GP heeft daarom geen belang bij beoordeling van haar klachten tegen het oordeel van de rechtbank dat zij misbruik heeft gemaakt van procesrecht en dat de Nederlandse rechter om die reden niet bevoegd is.’). Volgens het hof was het voor Raízen niet voorzienbaar dat zij in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië, mede omdat ‘het onzeker (is) of artikel 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht’ (rov. 6.12) en daarom ‘geen sprake is van voorzienbaarheid als het gaat om de toepassing van artikel 33 LBDC Pro in een situatie als de onderhavige.’ (rov. 6.13)
3.52
Hoewel de ongegrondheid van de vordering tegen de ankergedaagde in de prejudiciële beslissing van 16 april 2026 van het HvJ EU is geplaatst in de sleutel van misbruik van procesrecht, en de onzekerheid c.q. onduidelijkheid of art. 33 LBDC Pro ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc naar Braziliaans burgerlijk recht in het bestreden arrest is geplaatst in de sleutel van de – ten onrechte gestelde zelfstandige eis van – voorzienbaarheid van de rechtsmacht, meen ik dat het oordeel van het hof in het bestreden arrest niet voldoet aan de strikte eisen die het HvJ EU stelt aan de prima facie beoordeling van de rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, die ook geldt voor art. 7 lid 1 Rv Pro.
3.53
Volgens het HvJ EU kan rechtsmacht op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis niet worden afgewezen op de grond dat ‘de vordering tegen de ankergedaagde ongegrond lijkt’. (punt 90) [61] Hiervoor is vereist dat de vordering tegen de ankergedaagde op het tijdstip dat zij wordt ingesteld ‘kennelijk ongegrond, kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker [is]’. (punt 90) In het bestreden arrest lees ik niet terug dat het hof de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid als ‘kennelijk ongegrond, kunstmatig of zonder enig werkelijk belang’ heeft aangemerkt. Volgens het hof is sprake van onzekerheid (rov. 6.12) c.q. onduidelijkheid (rov. 6.13) over de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro. Als gevolg van die onzekerheid c.q. onduidelijkheid heeft het hof niet kunnen vaststellen dat het voor Raízen voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard in verband met de mededingingsinbreuk in Brazilië (rov. 6.13, slot). Derhalve heeft het hof de onzekerheid c.q. onduidelijkheid over de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro ten grondslag gelegd aan zijn onbevoegdheidsoordeel. Hiermee is het hof afgedwaald van zijn taak om de rechtsmacht van de Nederlandse rechter prima facie te beoordelen, zonder op de zaak ten gronde vooruit te lopen.
3.54
Uit de enkele omstandigheid dat sprake is van complexe rechtsvragen naar Braziliaans recht, in het bijzonder (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro, waarover partijen (op grond van deskundigenverklaringen) tegenstrijdige standpunten hebben ingenomen, volgt nog niet dat de vorderingen tegen ankergedaagden Shell Brazil en Shell plc kennelijk ongegrond moeten worden geacht. [62] Aan complexe internationale geschillen, zoals de onderhavige, is nu eenmaal eigen dat deze gepaard kunnen gaan met onzekerheden c.q. onduidelijkheden over de uitleg van buitenlands recht dat op de zaak ten gronde van toepassing is. Dit kan de nodige vragen oproepen over de uitleg van buitenlands recht, zoals in dit geval over (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro. Hiervoor is echter geen plaats in de fase van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. Vragen over de uitleg van buitenlands recht zullen pas aan bod komen bij de behandeling van de zaak ten gronde, nadat de rechtsmacht van het aangezochte gerecht is vastgesteld.
3.55
Met zijn oordeel in rov. 6.12 en 6.13 met betrekking tot de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro is het hof bij de prima facie beoordeling van de rechtsmacht ten onrechte vooruitgelopen op de beoordeling van de vorderingen ten gronde. Het hof heeft de onzekerheid c.q. onduidelijkheid over (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro ten onrechte betrokken bij de beoordeling van zijn rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro. Het middel klaagt hierover terecht.
3.56
In het geding na verwijzing zal alsnog moeten worden beoordeeld of tussen de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc op primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 33 LBDC Pro) anderzijds, een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen (art. 7 lid 1 Rv Pro), zonder op de zaak ten gronde vooruit te lopen. In dat verband zal tevens aandacht moeten worden besteed aan het beroep van Raízen c.s. op misbruik van procesrecht op de grond dat de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 33 LBDC Pro) evident kansloos zouden zijn. Het beroep van Raízen c.s. op misbruik van procesrecht is door het hof immers onbehandeld gelaten (rov. 6.18). [63]
3.57
Onderdeel 3van het middel heeft betrekking op het oordeel van het hof dat de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de subsidiaire grondslag van een eigen handelen/nalaten evenmin leiden tot rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro. De relevante overwegingen van het hof luiden als volgt:

Eigen handelen/nalaten van Shell Brazil en/of Shell plc
6.16
Daarnaast voert Stichting Claim GP aan dat het gedrag van Raízen Shell Brazil en Shell plc niet kan zijn ontgaan, dat Shell Brazil en Shell plc aan de besluitvorming van Raízen hebben deelgenomen, zij van de mededingingsinbreuk hebben geprofiteerd, en zij hun formele en informele macht over Raízen niet hebben aangewend om die inbreuk te voorkomen of eerder te beëindigen. Shell Brazil was direct aandeelhouder van Raízen en Shell plc direct aandeelhouder van Shell Brazil. Er was sprake van personele overlap omdat vier van de zes aandeelhoudersvertegenwoordigers binnen de achtkoppige
Board of Directorsvan Raízen een hoge functie hebben of hadden binnen Shell. Het hof vat dit op als een beroep van Stichting Claim GP op een eigen, door Shell Brazil en Shell plc jegens Gran Petro gepleegde onrechtmatige daad naar Braziliaans recht.
6.17
Het hof is van oordeel dat deze grondslag voor de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc evenmin leidt tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van Raízen op grond van artikel 7 lid 1 Rv Pro. Ook hier geldt namelijk dat deze grondslag een andere is dan de gestelde aansprakelijkheid van Raízen wegens inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht. Waarom het voor Raízen niettemin voorzienbaar is dat zij op basis van de hiervoor bedoelde eigen onrechtmatige daad van Shell Brazil en Shell plc voor de Nederlandse rechter kon worden geroepen, heeft Stichting Claim GP onvoldoende toegelicht. Ook hier geldt dat de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid van Raízen op berust zich allemaal in Brazilië hebben afgespeeld. Stichting Claim GP heeft ook niet verwezen naar enige norm van Braziliaans recht op grond waarvan het door Stichting Claim GP gestelde handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig zou zijn jegens Gran Petro.’
3.58
Onderdeel 3 valt uiteen in drie subonderdelen;
subonderdeel 3.1bevat geen klacht.
Subonderdeel 3.2betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.17 miskent dat voor het antwoord op de vraag of het voor een gedaagde voorzienbaar is dat hij wordt opgeroepen voor de gerechten in het land van de woonplaats van een van de medegedaagden, niet relevant, althans niet doorslaggevend is of de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid op rust zich allemaal in het buitenland hebben afgespeeld. Het oordeel van het hof is bovendien onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat de Stichting steeds mede aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat Raízen samen met Shell Brazil en Shell plc onderdeel uitmaakt van dezelfde economische groep.
3.59
De rechtsklacht slaagt om dezelfde reden als vermeld bij de bespreking van subonderdeel 2.10 tegen het onbevoegdheidsoordeel met betrekking tot de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid. [64]
De motiveringsklacht faalt. Anders dan de klacht veronderstelt heeft de Stichting de stelling dat Raízen samen met Shell Brazil en Shell plc onderdeel uitmaakt van dezelfde economische groep, uitsluitend ten grondslag gelegd aan haar vorderingen op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid en niet tevens aan haar vorderingen op de subsidiaire grondslag van een eigen handelen/nalaten.
3.6
In
subonderdeel 3.3klaagt het middel dat het hof miskent dat voor de beoordeling van de rechtsmacht niet relevant is of de Stichting naar enige norm van Braziliaans recht heeft verwezen op grond waarvan het door de Stichting gestelde handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig zou zijn jegens Gran Petro. Voor de vraag of de rechter internationaal bevoegd is op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro, is niet vereist dat reeds wordt onderbouwd dat het verweten gedrag op grond van een norm uit het toepasselijke recht daadwerkelijk tot aansprakelijkheid leidt.
3.61
In het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht dient de rechter uitsluitend na te gaan of tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Hierbij onthoudt de rechter zich van een oordeel over de vorderingen ten gronde. Alleen wanneer de vorderingen tegen de ankergedaagde op het tijdstip dat zij worden ingesteld ‘kennelijk ongegrond, kunstmatig of zonder enig werkelijk belang voor de verzoeker zijn’, mag de rechter dit betrekken bij de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. [65]
Voor zover het hof in rov. 6.17, net als in rov. 6.13 met betrekking tot de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid, zou hebben geoordeeld dat het onduidelijk c.q. onzeker is of Shell Brazil en Shell plc naar Braziliaans recht aansprakelijk zijn op grond van een eigen handelen/nalaten met betrekking tot de mededingingsinbreuk door Raízen, heeft het hof zijn taak om de rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro prima facie te beoordelen miskend. Ik verwijs hiervoor naar de bespreking van subonderdeel 2.11. [66]
Voor zover het hof in rov. 6.17 zou hebben geoordeeld dat de Stichting niet heeft voldaan aan haar stelplicht met betrekking tot de grondslag waarop de onrechtmatige gedraging van Shell Brazil en Shell plc op grond van een eigen handelen/nalaten naar Braziliaans recht is gebaseerd, heeft het hof te zware eisen gesteld aan deze stelplicht in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. In dit verband volstaat het, zo lijkt mij, dat de Stichting de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc heeft gebaseerd op ‘een eigen, door Shell Brazil en Shell plc jegens Gran Petro gepleegde onrechtmatige daad naar Braziliaans recht.’ (rov. 6.16, slot) Uit deze stelling kan worden afgeleid dat de Stichting de aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc heeft gegrond op een algemene onrechtmatige daad naar Braziliaanse recht. Gelet op het prima facie karakter van de beoordeling van de rechtsmacht, kan de Stichting niet worden verweten geen wetsartikel uit het Braziliaanse recht te hebben genoemd.
3.62
Onderdeel 4heeft betrekking op rov. 6.12 en 6.13, waarin het hof ten aanzien van de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc op de primaire grondslag van hoofdelijke aansprakelijkheid (in rov. 6.12) overweegt dat (en in rov. 6.13, onder verwijzing naar de tegenstrijdige deskundigenverklaringen die partijen in het geding hebben gebracht, motiveert waarom) het onzeker c.q. onduidelijk is of art. 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht en, zo ja, hoe het daarvoor geldende vereiste moet worden toegepast dat Raízen deel uitmaakt van dezelfde economische eenheid als Shell Brazil en Shell plc. Kort gezegd voert het middel aan dat het hof een onbegrijpelijke interpretatie heeft gegeven van het Braziliaanse recht dat van toepassing is op de vorderingen tegen Shell Brazil en Shell plc.
3.63
Ik stel voorop dat de uitleg van buitenlands recht in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst (art. 79 lid 1 sub b RO Pro), doch slechts op begrijpelijkheid. [67] Verder merk ik op dat ik in een van mijn eerdere conclusies de verplichting tot ambtshalve toepassing van buitenlands recht (art. 10:2 BW Pro) heb gerelativeerd, wanneer dit aan de orde komt in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht. [68] Voor het bepalen van de inhoud van buitenlands recht, waar de rechter op stuit bij de toetsing of de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden samenhangen in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro dan wel of de vordering tegen de ankergedaagde evident kansloos is (misbruik van procesrecht), mag de rechter, zo komt mij voor, leunen op de stellingen van partijen. Het prima facie karakter van de beoordeling van de rechtsmacht pleit hiervoor. Een andere opvatting zou op al te gespannen voet komen te staan met het (ook voor art. 7 lid 1 Rv Pro geldende) uitgangspunt dat de rechter zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid moet kunnen uitspreken, zonder de zaak ten gronde (volgens het toepasselijke recht) te onderzoeken. [69] Het zou hoogst onwenselijk zijn om van de rechter te verlangen ambtshalve de inhoud van het op de vorderingen toepasselijke buitenlandse recht vast te stellen uitsluitend om prima facie te bepalen of rechtsmacht kan worden aangenomen. In deze opvatting zal de rechter pas bij de beslechting van het geschil ten gronde buitenlands recht ambtshalve moeten toepassen, zonder (de inhoud van) dat buitenlandse recht in de sleutel te plaatsen van de stelplicht van partijen.
3.64
Onderdeel 4valt uiteen in negen subonderdelen;
subonderdeel 4.1bevat geen klacht. In de
subonderdelen 4.2 en 4.3wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof in rov. 6.12 en 6.13 onbegrijpelijk is, omdat het hof geen aandacht besteedt aan (de in het subonderdeel onder (a) t/m (d) genoemde) essentiële stellingen van de Stichting met de strekking dat uit de tekst, structuur, systematiek en doelstelling van en literatuur over art. 33 LBDC Pro blijkt dat dit artikel ook betrekking heeft op de civielrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen die onderdeel uitmaken van dezelfde economische groep.
3.65
De klacht slaagt niet. Uit rov. 6.8 en 6.13 kan worden afgeleid dat het hof voor de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro rekening heeft gehouden met de relevante stellingen van de Stichting die erop neerkomen dat art. 33 LBDC Pro ook betrekking heeft op hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht van Shell Brazil en Shell plc voor de schade als gevolg van de mededingingsinbreuk in Brazilië. In het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht was het hof niet gehouden om de stellingen van de Stichting hierover uitdrukkelijk te vermelden of om uitdrukkelijk daarop in te gaan, nog meer dan het hof heeft gedaan in rov. 6.8 en 6.13, teneinde zijn oordeel begrijpelijk te maken.
3.66
Volgens
subonderdeel 4.4is het oordeel van het hof in rov. 6.12 en 6.13 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof enkel betekenis toekent aan (het ontbreken van) Braziliaanse rechtspraak op het gebied van schade als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels. Als het hof daaruit heeft afgeleid dat in Brazilië geen rechtspraak over art. 33 LBDC Pro bestaat, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. De Stichting heeft zich namelijk beroepen op een uitspraak van de Braziliaanse rechter van 9 oktober 2019 in een andere kwestie dan het mededingingsrecht, waarin art. 33 LBDC Pro wordt genoemd als grondslag voor civiele hoofdelijke aansprakelijkheid. [deskundige 1] heeft de door de Stichting gegeven uitleg van die uitspraak onderschreven. Ook heeft deze deskundige zelf nog gewezen op uitspraken van Braziliaanse rechters in civiele zaken, waaruit volgt dat in zaken betreffende de economische orde sprake is van civiele hoofdelijke aansprakelijkheid van leden van de economische groep. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom aan de uitspraak van de Braziliaanse rechter van 9 oktober 2019, die weliswaar niet direct ziet op schending van het mededingingsrecht maar wel ingaat op de betekenis van art. 33 LBDC Pro, en/of aan de door de deskundige genoemde uitspraken geen betekenis zou toekomen.
3.67
De klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij ervan uitgaat dat volgens het hof geen Braziliaanse rechtspraak zou bestaan over de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro. Het hof heeft in rov. 6.13 immers overwogen dat Braziliaanse rechtspraak ‘op het gebied van schade als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels’ geen uitsluitsel geeft over de vraag of de door de Stichting, op grond van de door haar in het geding gebrachte deskundigenverklaringen, verdedigde uitleg van art. 33 LBDC Pro (dat deze bepaling ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht van Shell Brazil en Shell plc voor de schade als gevolg van de mededingingsinbreuk in Brazilië) de juiste is. Het hof is derhalve van oordeel dat uit de door de Stichting en haar deskundigen genoemde Braziliaanse rechtspraak, waarin art. 33 LBDC Pro in een andere context dan de schending van het mededingingsrecht is toegepast, mede in aanmerking genomen de stellingen van Raízen c.s. en de door hen in het geding gebrachte deskundigenverklaringen waarin het belang van deze rechtspraak wordt gerelativeerd, niet kan worden afgeleid dat de door de Stichting bepleite uitleg van art. 33 LBDC Pro de juiste is. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.68
Subonderdeel 4.5klaagt dat het oordeel van het hof over de uitleg van Braziliaans recht onvoldoende is gemotiveerd, omdat het niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van de Stichting dat in de zaak Comcitrus/Cargill van de rechtbank Amsterdam [70] zowel de eiser als gedaagde alsmede hun wederzijdse Braziliaanse deskundigen ervan zijn uitgegaan dat art. 33 LBDC Pro van toepassing is op private enforcement. Het hof heeft enkel aandacht gehad voor de door partijen geraadpleegde deskundigen in de onderhavige zaak.
3.69
De klacht faalt. Dat het hof het standpunt van partijen en hun deskundigen in een andere zaak, die niet zijn betrokken in de onderhavige zaak, niet van belang heeft geacht in het kader van de uitleg van art. 33 LBDC Pro in de onderhavige zaak, is niet onbegrijpelijk. Ik zie niet in hoe het standpunt van andere partijen en hun deskundigen in een andere zaak relevant zou kunnen zijn voor de uitleg van art. 33 LBDC Pro in de context van de onderhavige zaak.
3.7
De
subonderdelen 4.6 t/m 4.8hebben betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 6.13, dat partijen deskundigenverklaringen in het geding hebben gebracht die elkaar over en weer tegenspreken over de uitleg van art. 33 LBDC Pro, zonder dat de door de Stichting in het geding gebrachte deskundigenverklaringen duidelijk overtuigender worden onderbouwd dan die van Raízen c.s., en dat hetzelfde geldt voor de uitleg van het in art. 33 LBDC Pro gestelde vereiste van het deel uitmaken van dezelfde economische groep. Volgens het middel zijn deze overwegingen onbegrijpelijk, omdat het hof geen aandacht heeft besteed aan de in
subonderdeel 4.6onder (i) t/m (xiv) genoemde stellingen van de Stichting met betrekking tot de waardering van de overgelegde deskundigenverklaringen. Kort gezegd gaan die stellingen over de mate van expertise, deskundigheid, (on)afhankelijkheid en (on)partijdigheid van de door beide partijen geraadpleegde deskundigen en de inhoud en argumentatie van de deskundigenverklaringen. In de
subonderdelen 4.7 en 4.8wordt betoogd dat, in het licht van deze stellingen, zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het hof geen verschil ziet in overtuigingskracht tussen de overgelegde deskundigenverklaringen en tot de conclusie komt dat de door de Stichting in het geding gebrachte deskundigenverklaringen niet duidelijk overtuigender zijn dan die van Raízen c.s.
3.71
Ook deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Hiervoor is van belang dat de feitenrechter een grote mate van vrijheid heeft bij de waardering van deskundigenverklaringen. De feitenrechter heeft in beginsel een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van deskundigen al dan niet te volgen. [71] Hierbij komt dat het hof de deskundigenverklaringen van partijen in dit geval had te waarderen in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, waarbij sowieso de nodige beperkingen gelden. [72] Dit alles bij elkaar maakt dat het bestreden oordeel van het hof slechts beperkt kan worden getoetst. In rov. 6.13, gelezen in samenhang met rov. 6.8, ligt besloten dat het hof voldoende acht heeft geslagen op de stellingen van de Stichting, waarbij het hof de deskundigenverklaringen vooral heeft getoetst en met elkaar vergeleken op de inhoudelijke onderbouwing van de daarin vervatte conclusies (‘(…) zonder dat de door Stichting Claim GP in het geding gebrachte verklaringen duidelijk overtuigender worden
onderbouwddan die van Raízen c.s.’; rov. 6.13; mijn onderstreping). Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof op grond van een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de deskundigenverklaringen, in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, tot de conclusie gekomen dat niet duidelijk is geworden of de door de Stichting bepleite uitleg van art. 33 LBDC Pro juist is. De klachten nodigen in feite uit tot een nieuwe beoordeling van de stellingen van de Stichting over de waardering van de deskundigenverklaringen, maar daarvoor is in cassatie geen plaats.
3.72
Subonderdeel 4.9heeft betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 6.10 dat de gestelde aansprakelijkheid van Raízen rechtstreeks berust op de door de Stichting gestelde inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht en dat de gestelde aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc daarvan slechts een afgeleide is via de band van art. 33 LBDC Pro. Het middel klaagt dat, indien het hof hiermee zou hebben geoordeeld dat op de voet van art. 33 LBDC Pro de inbreukpleger niet met de andere leden van de economische groep hoofdelijk aansprakelijk is, dit oordeel berust op een onbegrijpelijke uitleg van art. 33 LBDC Pro. Uit de tekst van art. 33 LBDC Pro volgt namelijk dat de bepaling ziet op hoofdelijke aansprakelijkheid van zowel de inbreukpleger als de entiteiten die samen met de inbreukpleger een economische groep vormen. Bovendien heeft de Stichting zich ook, onder verwijzing naar de tekst en structuur van de wet en de deskundigenverklaringen van [deskundige 1] en [deskundige 2] , op het standpunt gesteld dat Raízen c.s. allemaal onder het bereik van art. 33 LBDC Pro vallen en daarmee hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tegen deze achtergrond is het onbegrijpelijk waarom het hof in rov. 6.10 oordeelt dat de inbreukpleger niet met de andere leden van de economische groep onder het bereik van art. 33 LBDC Pro valt. De aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc zijn geen afgeleide van de aansprakelijkheid van Raízen. Zij zijn allemaal op grond van dezelfde bepaling hoofdelijk aansprakelijk.
3.73
De klacht mist feitelijke grondslag. Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt heeft het hof in rov. 6.10 niet geoordeeld dat de inbreukpleger niet met de andere leden van de economische groep hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden op grond van art. 33 LBDC Pro. In rov. 6.10 heeft het hof zich niet uitgelaten over de uitleg van (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro, in het bijzonder of deze bepaling ook leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk recht, maar heeft het hof de grondslag van de vorderingen tegen Raízen enerzijds en tegen Shell Brazil en Shell plc anderzijds in kaart gebracht. Het hof heeft in rov. 6.10 overwogen dat de Stichting zich met betrekking tot de aansprakelijkheid van Raízen heeft beroepen op een inbreuk op het Braziliaanse mededingingsrecht, en dat de Stichting Shell Brazil en Shell plc aansprakelijk heeft gesteld omdat zij deel uitmaken van dezelfde economische groep in de zin van art. 33 LBDC Pro. Dit oordeel over de grondslag van de vorderingen van de Stichting is niet onbegrijpelijk. [73]
3.74
De slotsom is dat het principale cassatiemiddel op de hiervoor vermelde gronden terecht is voorgesteld.

4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep

4.1
Raízen c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep van de Stichting (gedeeltelijk) slaagt; aan deze voorwaarde is voldaan. Het incidentele cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen waarmee wordt opgekomen tegen verschillende overwegingen in het kader van het onbevoegdheidsoordeel van het hof. [74]
4.2
Onderdeel 1heeft betrekking op de overweging van het hof in rov. 6.6 dat het HvJ EU over (de uitleg van) art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis heeft overwogen dat hoofdelijke aansprakelijkheid een voorbeeld is van de in de bepaling bedoelde nauwe band tussen de vorderingen tegen de afzonderlijke gedaagden, en de daarop voortbouwende overwegingen in rov. 6.12 en 6.13 dat geen sprake is van de voor een nauwe band vereiste voorzienbaarheid, (mede) omdat onzeker is of art. 33 LBDC Pro voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans recht, alsmede de overweging in rov. 6.15 dat de vergelijking met art. 101 en Pro 102 VWEU niet opgaat, (mede) omdat de hoofdelijke aansprakelijkheid in civielrechtelijke verhoudingen binnen de Europese Unie vaststaat terwijl dat bij art. 33 LBDC Pro juist niet het geval is. Volgens de klacht miskent het hof met deze overwegingen dat hoofdelijke aansprakelijkheid op zichzelf niet wijst op, althans onvoldoende is voor een voldoende samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro, en dat uit de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis niet anders voortvloeit. Aan hoofdelijke aansprakelijkheid komt op zichzelf in dit verband geen betekenis toe, althans niet de betekenis die het hof eraan toekent.
4.3
De klacht faalt. Het oordeel van het hof in rov. 6.6, vierde gedachtestreepje (onder verwijzing naar twee conclusies A-G bij het HvJ EU en het toelichtend rapport van P. Jenard bij het EEX-Verdrag) [75] dat hoofdelijke aansprakelijkheid van de gedaagden een voorbeeld is van de in art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis bedoelde nauwe band tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In een geval zoals het onderhavige houdt hoofdelijke aansprakelijkheid in dat, naast de gedaagde die de vermeende inbreuk op het mededingingsrecht heeft gepleegd, ook andere gedaagden die geen inbreuk hebben gepleegd verantwoordelijk worden gehouden voor de schade als gevolg van die inbreuk, omdat alle gedaagden tot dezelfde economische groep behoren. De vorderingen waarmee hoofdelijke aansprakelijkheid wordt beoogd, hangen in dat geval, zo kan worden aangenomen, voldoende met elkaar samen. De eiser houdt alle gedaagden immers hoofdelijk aansprakelijk voor dezelfde schade als gevolg van dezelfde mededingingsinbreuk. Dat de vorderingen tegen de inbreukpleger en de overige gedaagden op verschillende rechtsgrondslagen zijn gebaseerd, maakt dit niet anders. Voor de toepassing van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid Pro Rv is namelijk niet vereist dat de rechtsgrondslagen van de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden identiek zijn. [76]
4.4
Onderdeel 2heeft betrekking op de overwegingen van het hof in rov. 6.6 dat het HvJ EU over (de uitleg van) art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis heeft overwogen dat de tegen de verschillende verweerders ingestelde vorderingen niet dezelfde rechtsgrondslag hoeven te hebben, mits het voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar een van hen zijn woonplaats heeft, en tegen de hiermee samenhangende overwegingen in rov. 6.11 dat de Stichting twee afzonderlijke rechtsgrondslagen aanvoert voor haar vorderingen, maar dat de rechter zich desalniettemin bevoegd kan verklaren indien het voor Raízen voorzienbaar was dat zij zou worden opgeroepen voor een Nederlands gerecht.
Volgens
subonderdeel 2.1zijn deze overwegingen onjuist, voor zover daarin besloten ligt dat alleen als de vorderingen tegen de verschillende verweerders op verschillende rechtsgrondslagen zijn gebaseerd, voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv Pro nodig is dat het voor een buitenlandse verweerder voorzienbaar was dat hij voor een Nederlands gerecht kon worden opgeroepen. Voor een buitenlandse verweerder moet steeds voorzienbaar zijn dat hij voor een Nederlands gerecht kan worden opgeroepen.
Subonderdeel 2.2voert aan dat, voor zover in voormelde overwegingen besloten ligt dat de rechter zich bevoegd kan verklaren indien het voor Raízen voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden opgeroepen, het hof heeft miskend dat de rechter geen bevoegdheid kan aannemen voordat hij heeft vastgesteld dat sprake is van voldoende samenhang in de zin van art. 7 lid 1 Rv Pro. Volgens het middel miskent het hof dat hiervoor moet worden vastgesteld dat sprake is van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens ten aanzien van de verschillende verweerders, waardoor bij afzonderlijke behandeling en berechting een risico op onverenigbare beslissingen bestaat, en geen sprake is van misbruik van recht.
4.5
Het eerste subonderdeel faalt omdat daarin, net als in het bestreden arrest, ten onrechte als uitgangspunt wordt genomen dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro als zelfstandige eis geldt dat het voor de medegedaagde (Raízen) voorzienbaar was dat hij in Nederland zou worden gedagvaard. Uit de bespreking van subonderdeel 1.3 van het principale cassatiemiddel is gebleken dat, zoals HvJ EU in zijn prejudiciële beslissing van 16 april 2026 heeft geoordeeld, dit uitgangspunt ten aanzien van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis rechtens onjuist is. [77] Nu voor de uitleg van art. 7 lid 1 Rv Pro zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij de uitleg van het HvJ EU van art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, geldt hetzelfde voor art. 7 lid 1 Rv Pro.
Ook het tweede subonderdeel faalt. Anders dan het middel, lees ik in het bestreden arrest niet terug dat het hof zou hebben geoordeeld dat het aangezochte gerecht bevoegdheid kan aannemen indien het voor Raízen voorzienbaar was dat zij in Nederland zou worden gedagvaard, zonder dat sprake is van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. Zoals ik bij de bespreking van subonderdeel 1.3 van het principale cassatiemiddel heb opgemerkt, heeft het hof zich voldoende rekenschap gegeven van de door art. 7 lid 1 Rv Pro vereiste samenhang tussen de vorderingen (rov. 6.6, derde gedachtestreepje, met betrekking tot art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis), maar vervolgens in het midden gelaten of is voldaan aan dit vereiste. Het hof heeft namelijk geen aandacht besteed aan de vraag of de vorderingen tegen Raízen enerzijds en Shell Brazil en Shell plc anderzijds eenzelfde situatie feitelijk en rechtens betreffen. [78] Het hof heeft zich onbevoegd verklaard omdat niet is voldaan aan de – ten onrechte gestelde – zelfstandige eis van de voorzienbaarheid van rechtsmacht. Aan de beoordeling van het vereiste van eenzelfde situatie feitelijk en rechtens, en daarmee van de door art. 7 lid 1 Rv Pro vereiste samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden, is het hof niet toegekomen. Dit zal in het geding na verwijzing alsnog moeten worden beoordeeld.
4.6
Onderdeel 3is ingesteld onder de specifieke voorwaarde dat een of meer klachten in het principale cassatiemiddel tegen rov. 6.9 t/m 6.15 van het bestreden arrest slagen. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het middel klaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan het Braziliaanse recht, in het bijzonder art. 33 LBDC Pro, in rov. 6.12 (‘(…) is het onzeker of artikel 33 LBDC Pro (naast hoofdelijkheid voor de doelen van publiekrechtelijke handhaving door CADE) ook voorziet in hoofdelijke aansprakelijkheid naar Braziliaans burgerlijk rechten en, zo ja, hoe het daarvoor geldende vereiste moet worden toegepast dat Raízen deel uitmaakte van dezelfde economische groep als Shell Brazil en Shell plc’) en in rov. 6.13 (‘Tussen partijen staat ook vast dat noch de wordingsgeschiedenis van artikel 33 LBDC Pro noch Braziliaanse rechtspraak op het gebied van schade als gevolg van een inbreuk op de mededingingsregels uitsluitsel geeft over de vraag of de door Stichting Claim GP verdedigde uitleg van die bepaling de juiste is.’).
4.7
In
subonderdeel 3.1wordt betoogd dat het hof zijn verplichting om ambtshalve de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht vast te stellen heeft miskend, evenals de verplichting dat de rechter daarbij moet uitgaan van de heersende leer voor zover die samenvalt met het geldende recht binnen het toepasselijke rechtsstelsel en blijkt uit met name uitspraken van rechterlijke instanties. Volgens het middel heeft het hof in strijd gehandeld met art. 10:2 BW Pro en art. 25 Rv Pro.
4.8
Uitgaande van de in 3.63 van mijn conclusie verdedigde opvatting over de ambtshalve toepassing van buitenlands recht in het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht, meen ik dat het hof in rov. 6.12 en 6.13 niet gehouden was om ambtshalve na te gaan hoe art. 33 LBDC Pro naar Braziliaanse opvattingen dient te worden uitgelegd, maar hiervoor mocht leunen op de stellingen van partijen en de door hen overgelegde deskundigenverklaringen. De andersluidende klacht faalt.
4.9
Tot slot klaagt
subonderdeel 3.2dat het oordeel van het hof in rov. 6.12 dat onzeker is of art. 33 LBDC Pro een grondslag biedt voor civielrechtelijke hoofdelijke aansprakelijkheid, onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in het subonderdeel onder (i) t/m (vi) genoemde stellingen van Raízen c.s. die worden ondersteund door in het geding gebrachte deskundigenverklaringen. Uit deze stellingen en de daaraan ten grondslag liggende deskundigenverklaringen zou blijken dat in de relevante rechtsbronnen geen aanknopingspunten te vinden zijn voor civiele hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 33 LBDC Pro.
4.1
De klacht faalt in het voetspoor van onderdeel 4 van het principale cassatieberoep. [79] De uitleg van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde deskundigenverklaringen met betrekking tot (de reikwijdte van) art. 33 LBDC Pro is voorbehouden aan de feitenrechter, wiens oordeel hierover in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. In rov. 6.8, 6.12 en 6.13 ligt besloten dat het hof bij de prima facie beoordeling van de rechtsmacht rekening heeft gehouden met de relevante stellingen van partijen en de door hen overgelegde deskundigenverklaringen over de uitleg van art. 33 LBDC Pro. In het kader van de prima facie beoordeling van de rechtsmacht was het hof niet gehouden om alle stellingen uitdrukkelijk te vermelden of om uitdrukkelijk daarop in te gaan teneinde zijn bevoegdheidsoordeel begrijpelijk te maken.
4.11
Op grond van het voorgaande meen ik dat het incidentele cassatieberoep zal moeten falen.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing in het principale cassatieberoep en tot verwerping in het incidentele cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:27, rov. 3.1 t/m 3.5 en het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7099, JOR 2023/255, m.nt. R.B. van Hees, JBPR 2023/71, m.nt. T.L. Schasfoort & J. Wind, rov. 2.1 t/m 2.13.
2.Op 9 december 2021 zijn Shell Brazil en Shell plc gedagvaard en op 14 december 2021 is Raízen gedagvaard. De dagvaardingen zijn inhoudelijk identiek.
3.Volgens rov. 3.7 van het bestreden arrest luidt deze bepaling, voor zover van belang, als volgt: ‘The property of the person responsible for an offence or violation of another’s right is liable for reparation of the damage caused, if more than one person committed the offense, all shall be jointly and severally responsible for the reparation.’ In het bestreden arrest wordt het Braziliaanse BW aangeduid als CCB, als afkorting van Lei N° 10.406 de 10 de janeiro 2002 que istitui o Código Civil Brasileiro. In mijn conclusie zal ik deze afkorting aanhouden.
4.Volgens rov. 3.8 van het bestreden arrest luidt deze bepaling, voor zover van belang, als volgt: ‘The companies and entities that are part of an economic group, de facto or de jure, shall be jointly and severally liable when at least one of them engages in violations of the economic order.’ In het bestreden arrest wordt de Braziliaanse mededingingswet aangeduid als LBDC, als afkorting van Lei N° 12.529 de 30 de novembro de 2011 que estrutura o Sistema Brasileiro de Defesa da Concorrência. In mijn conclusie zal ik deze afkorting aanhouden.
5.In rov. 4.1 van het bestreden arrest noemt het hof in dit verband alleen Shell Brazil, maar dit berust vermoedelijk op een verschrijving. In rov. 6.7 noemt het hof Shell Brazil en Shell plc, zoals de Stichting blijkens de inleidende dagvaardingen, nrs. 120 en 121, ook heeft bedoeld met haar vorderingen.
6.Zie schriftelijke toelichting in cassatie, p. 4-5. De uitspraak van de Braziliaanse rechter en een Engelse vertaling daarvan zijn overgelegd als bijlage 1 bij de schriftelijke toelichting.
7.Zie repliek in cassatie, onder 4.
8.Vgl. repliek in cassatie, onder 5.
9.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.
10.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 30 oktober 2007, Trb. 2009, 223.
11.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101.
12.Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano, 16 september 1988, Trb. 1989, 58.
13.Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 80.
14.Verordening (EG) Nr. 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2011, L 12/1.
15.HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2019/260.
16.Zie rov. 6.1 van het bestreden arrest. Zie ook rov. 5.1 en 5.2 van het vonnis van de rechtbank van 17 mei 2023, waarin de rechtbank ten aanzien van Shell plc als volgt overweegt (rov. 5.2): ‘(…) De internationale bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van Shell plc op het moment waarop de zaak aanhangig is gemaakt, blijft op grond van het beginsel van de perpetuatio fori voortduren, ongeacht de verplaatsing van het hoofdkantoor van Shell plc naar het Verenigd Koninkrijk tijdens deze procedure.’
17.HvJ EG 27 september 1988, zaak 189/87, ECLI:EU:C:1988:459, NJ 1990/425, m.nt. J.C. Schultsz (Kalfelis/Bank Schröder).
18.Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 108.
19.Vgl. L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2026/82; M. Zilinsky, T&C Rv, art. 7 Rv Pro, aant. 2.
20.HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2019/260.
21.Vgl. conclusie A-G Vlas, onder 3.6, voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2019/260.
22.Voor art. 7 lid 1 Rv Pro, zie de in 3.12 van mijn conclusie weergegeven parlementaire geschiedenis. Voor art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis, zie bijvoorbeeld HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 20.
23.Zie o.a. HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 22; HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, NJ 2016/106, m.nt. L. Strikwerda (CDC/Akzo Nobel), punt 20; HvJ EU 13 juli 2006, C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458, NJ 2008/76, m.nt. P. Vlas (Roche/Primus), punt 26. Zie ook HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:660, NJ 2023/220 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), rov. 3.2.
24.Zie o.a. HvJ EU 10 juli 2025, C-99/24, ECLI:EU:C:2025:563, NJ 2025/288 (Chmieka), punt 71; HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda (Profit Investment/Ossi), punt 66.
25.Zie o.a. HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, ECLI:EU:C:2013:228, NJ 2013/499, m.nt. L. Strikwerda (Land Berlin/Sapir), punt 44; HvJ EU 1 december 2011, C‑145/10, ECLI:EU:C:2011:798 , NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer & P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags), punt 76 en 80; HvJ EU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Freeport/Arnoldsson), punt 38 en 41.
26.Zie o.a. HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 25; HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda (Profit Investment/Ossi), punt 64; HvJ EU 1 december 2011, C‑145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer & P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags), punt 83.
27.Vgl. de considerans van de Verordening Brussel I-bis, onder 15 en 16.
28.Zie mijn conclusie van 6 maart 2026 in zaak 24/04589 tussen Stichting Diesel Emissions Justice en Stellantis c.s., ECLI:NL:PHR:2026:225, onder 3.11 t/m 3.19.
29.HvJ EU 16 april 2026, gevoegde zaken C-672/23 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian Netherlands e.a.) en C-673/23 (Smurfit Kappa Europe e.a./Unilever Europe e.a.), ECLI:EU:C:2026:293, naar aanleiding van prejudiciële vragen van het gerechtshof Amsterdam bij arresten van 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2570 en ECLI:NL:GHAMS:2023:2571.
30.Dit geldt ook voor de rechtbank; het vonnis van 17 mei 2023 bevat geen oordeel over het vereiste van samenhang tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden. De rechtbank heeft zich op grond van art. 7 lid 1 Rv Pro onbevoegd verklaard ten aanzien van Raízen, omdat de Stichting misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt.
31.Vgl. 3.16 van mijn conclusie.
32.Zie 3.22 van mijn conclusie.
33.Zie 3.18 e.v. van mijn conclusie.
34.Zie voetnoot 11 van het bestreden arrest: ‘Conclusie AG Trstenjak van 12 april 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:239 (Painer), punt 97, en Conclusie AG Kokott van 26 september 2024, C-393/23, ECLI:EU:C:2024:798 (Athenian Brewery en Heineken/MTB), punt 40, onder verwijzing naar het rapport van P. Jenard over het EEX-verdrag, PbEG 1979, C 59, p. 1, op p. 26.’
35.Zie 3.24 van mijn conclusie.
36.Zie hierover ook onderdeel 1 van het incidentele cassatieberoep.
37.HvJ EU 1 december 2011, C145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer & P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags), punt 76 en 80; HvJ EU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Freeport/Arnoldsson), punt 38.
38.HvJ EU 1 december 2011, C145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer & P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags), punt 81.
39.HvJ EU 11 april 2013, C-645/11, ECLI:EU:C:2013:228, NJ 2013/499, m.nt. L. Strikwerda (Land Berlin/Sapir), punt 44.
40.In noot 12 van het bestreden arrest verwijst het hof hiervoor naar: ‘Vaste rechtspraak, zie bijv. HvJEG 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport), punten 38 e.v.’.
41.B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2026/68-69.
42.Zie het petitum van de inleidende dagvaardingen (p. 67 van de dagvaarding van 9 december 2021 en p. 66 van de dagvaarding van 14 december 2021).
43.Vgl. inleidende dagvaardingen, nr. 93 t/m 108.
44.Zie inleidende dagvaardingen, nr. 111 t/m 113.
45.Vgl. inleidende dagvaardingen, nr. 109 t/m 121.
46.Zie inleidende dagvaardingen, nr. 114 e.v.
47.In de memorie van grieven wordt doorlopend verwezen naar art. 942 CCB Pro en art. 33 LBDC Pro.
48.Zie memorie van antwoord, nr. 1.3: ‘(…) Die samenhang zou volgens de Stichting bestaan uit een beweerdelijk hoofdelijke aansprakelijkheid van Raízen op grond van artikel 942 van Pro het Braziliaanse civiele wetboek (Código civil, lei n° 10.406/02, "BCC"), en ieder van de twee Shell entiteiten op grond van artikel 33 van Pro de Braziliaanse mededingingswet (Lei de Defesa da Concorrência, lei n° 12.529/11, "LDC").’
49.Zie 3.35 van mijn conclusie.
50.Voor alle zekerheid merk ik op dat rov. 6.12 betrekking heeft op de primaire grondslag van de vorderingen op grond van hoofdelijke aansprakelijkheid van Shell Brazil en Shell plc (art. 33 LBDC Pro). Rov. 6.17 bevat een vergelijkbare overweging met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vorderingen op grond van een eigen handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc (‘(…) Ook hier geldt dat de gebeurtenissen waar de aansprakelijkheid van Raízen op berust zich allemaal in Brazilië hebben afgespeeld. (…)’. In subonderdeel 3.2 wordt tegen deze overweging opgekomen.
51.Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 108; zie 3.12 van mijn conclusie.
52.Zie met betrekking tot art. 8 sub Pro 1 Brussel I-bis mijn conclusie in zaak 24/03449 tussen Lloyds Bank en Stichting Elco Foundation, ECLI:NL:PHR:2026:110, onder 3.19.
53.Rov. 6.17 bevat een vergelijkbare overweging met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vorderingen op grond van een eigen handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc (‘(…) Stichting Claim GP heeft ook niet verwezen naar enige norm van Braziliaans recht op grond waarvan het door Stichting Claim GP gestelde handelen/nalaten van Shell Brazil en Shell plc onrechtmatig zou zijn jegens Gran Petro.’). In subonderdeel 3.3 wordt tegen deze overweging opgekomen.
54.Zie o.a. HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 25; HvJ EU 20 april 2016, C-366/13, ECLI:EU:C:2016:282, NJ 2016/468, m.nt. L. Strikwerda (Profit Investment/Ossi), punt 64; HvJ EU 1 december 2011, C145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer & P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags), punt 83.
55.HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 41 t/m 44.
56.HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 41 e.v.; HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank), punt 62 e.v.; HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, NJ 2018/38, m.nt. L. Strikwerda (Universal Music/Schilling), punt 44 e.v.; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:660, NJ 2023/220 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), rov. 3.3.
57.Zie o.a. HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 42; HvJ EU 16 april 2026, gevoegde zaken C-672/23 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian Netherlands e.a.) en C-673/23 (Smurfit Kappa Europe e.a./Unilever Europe e.a.), ECLI:EU:C:2026:293, punt 86.
58.HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda, rov. 3.4.4.
59.HvJ EU 16 april 2026, gevoegde zaken C-672/23 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian Netherlands e.a.) en C-673/23 (Smurfit Kappa Europe e.a./Unilever Europe e.a.), ECLI:EU:C:2026:293.
60.Zie rov. 6.1 van het vonnis van de rechtbank van 17 mei 2023.
61.A-G Kokott spreekt in dit verband van: ‘alleen maar (mogelijk) ongegrond lijkt’; zie conclusie in gevoegde zaken C-672/23 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian) en C-673/23 (Smurfit Kappa e.a./Unilever), onder 38.
62.Zie ook conclusie A-G Kokott, gevoegde zaken C-672/23 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian) en C-673/23 (Smurfit Kappa e.a./Unilever), onder 43.
63.Zie 3.51 van mijn conclusie.
64.Ik verwijs hiervoor naar 3.43 en 3.44 van mijn conclusie.
65.Zie 3.53 van mijn conclusie.
66.Zie 3.45 e.v. van mijn conclusie.
67.Zie hierover recentelijk T.F.E. Tjong Tjin Tai, Cassatie en de toepassing van buitenlands recht, WPNR 2026/7533.
68.Zie mijn conclusie in zaak 24/03432 tussen Stichting Elco Foundation en Coöperatieve Rabobank e.a., ECLI:NL:PHR:2026:106, onder 3.17.
69.Zie met betrekking tot de Verordening Brussel I-bis: HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, NJ 2015/332, m.nt. L. Strikwerda (Kolassa/Barclays Bank), punt 61; HvJ EG 3 juli 1997, C-269/95, ECLI:EU:C:1997:337, NJ 1999/681, m.nt. P. Vlas (Benincasa/Dentalkit), punt 27.
70.De klacht doelt hiermee op Rb. Amsterdam 31 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4872. Zie het proces-verbaal van de op 1 oktober 2024 gehouden mondelinge behandeling bij het hof, p. 3.
71.Zie bijvoorbeeld HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599, rov. 3.4.5; HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74, rov. 3.5.
72.Vgl. 3.47 van mijn conclusie.
73.Ik verwijs hiervoor naar 3.38 en 3.39 van mijn conclusie.
74.Ik heb mij afgevraagd of (de – ten tijde van het inleiden van de procedure in eerste aanleg – in Nederland gevestigde) Shell Brazil en Shell plc wel in cassatie kunnen komen van het onbevoegdheidsoordeel van het hof dat betrekking heeft op de vorderingen tegen (de in het buitenland gevestigde) Raízen. Voor zover de vorderingen zijn gericht tegen Shell Brazil en Shell plc is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet in geschil (zie 3.10 van mijn conclusie). Het lijkt mij dat alleen Raízen zelf kan opkomen tegen het onbevoegdheidsoordeel van het hof.
75.Zie voetnoot 11 van het bestreden arrest: ‘Conclusie AG Trstenjak van 12 april 2011, C-145/10, ECLI:EU:C:2011:239 (Painer), punt 97, en Conclusie AG Kokott van 26 september 2024, C-393/23, ECLI:EU:C:2024:798 (Athenian Brewery en Heineken/MTB), punt 40, onder verwijzing naar het rapport van P. Jenard over het EEX-verdrag, PbEG 1979, C 59, p. 1, op p. 26.’
76.Zie 3.35 van mijn conclusie.
77.Zie 3.18 e.v. van mijn conclusie.
78.Zie 3.24 van mijn conclusie.
79.Zie 3.64 e.v. van mijn conclusie.