Conclusie
Het gehuurde, bestemming
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
5.Het oordeel van het hof
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ibevat procesrechtelijke klachten die in de kern betogen dat het hof ten onrechte partijen niet de mogelijkheid heeft gegeven om een mondelinge behandeling te vragen.
Onderdeel IIis gericht tegen de motivering van het hof dat en waarom de huurovereenkomst kan worden gesplitst in het woonruimtehuurregime voor de woning en het 230a-regime voor de schuur. Daarbij zijn volgens Huurder verschillende (essentiële) stellingen van Huurder miskend.
onderdeel Izijn gericht tegen de rolbeslissing van 24 september 2024 en het bestreden arrest. Volgens
subonderdeel I.1heeft het hof met zijn rolbeslissing van 24 september 2024 ten onrechte beslist dat deze zaak niet was geselecteerd voor een mondelinge behandeling na memorie van antwoord en heeft het vervolgens ten onrechte een einduitspraak gedaan zonder dat aan Huurder gelegenheid was geboden om het hof te verzoeken een mondelinge behandeling na memorie van antwoord te gelasten. Hiermee is art. 87 lid 8 Rv Pro miskend waarin is bepaald dat als nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, de rechter alvorens te beslissen aan partijen de gelegenheid zal bieden om desgewenst hun standpunten mondeling toe te lichten. Tegelijkertijd heeft het hof art. 2.25 (partijberaad) van het op 24 september 2024 geldende landelijke procesreglement voor civiele dagvaardingszaken niet correct toegepast. Toen deze zaak in hoger beroep op 10 september 2024 ter rolle diende, op welke dag Verhuurder memorie van antwoord nam, werd de zaak niet op een termijn van twee weken op de rol geplaatst voor partijberaad ten behoeve van een verzoek aan het hof tot het nemen van een akte of het verzoeken om een mondelinge behandeling. Het hof heeft daarentegen de zaak op 24 september 2024 geappointeerd voor ‘Beslissing hof verdere voortgang’ en daarbij ten onrechte beslist dat de zaak niet was geselecteerd voor een mondelinge behandeling na memorie van antwoord. Althans zijn de bestreden beslissingen, aldus
subonderdeel I.2, onbegrijpelijk omdat enige motivering daarvan ontbreekt, terwijl het hof daartoe wel gehouden was. Voor zover het hof in rov. 1.3 bedoelt dat Huurder wel een gelegenheid heeft gekregen om het hof te verzoeken om een mondelinge behandeling te gelasten, is deze motivering onjuist omdat uit het roljournaal (prod. 1 bij de PI) blijkt dat de zaak pas op 8 oktober 2024 op de rol is geplaatst voor ‘beraad partijen’ met de instructie dat appellant (Huurder) een termijn kon vragen om bij akte te reageren op uitsluitend de producties die bij mva waren overgelegd, terwijl appellant geen nieuwe producties mocht overleggen.
nietvan overeenkomstige toepassing verklaard (art. 353 lid 1 Rv Pro) en de appelrechter is dus niet verplicht om ambtshalve een mondelinge behandeling te bevelen [6] . Art. 87 Rv Pro is echter wel van overeenkomstige toepassing, op basis waarvan de rechter, op verzoek van partijen of van een van hen dan wel ambtshalve, in alle gevallen en in elke stand van het geding een mondelinge behandeling kan bevelen. Als er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, bepaalt art. 87 lid 8 Rv Pro dat de rechter, voordat hij over de zaak beslist aan partijen
desverlangdgelegenheid biedt om hun standpunt mondeling uiteen te zetten; ‘desverlangd’ wil zeggen: op verzoek van partijen [7] . Aangenomen wordt dat voldoende is dat het hof hiertoe de mogelijkheid biedt middels het ‘partijberaad’ bedoeld in het ‘Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven’ (hierna: Lpr) [8] . Het partijberaad is vastgelegd in art. 2.25 van de (toenmalige in deze zaak geldende) zestiende versie van het Lpr [9] :
(wel/ geen MBNMVA) (enkelvoudig / meervoudig). A mag hierna (bij stap ‘beraad partijen’ of uiterlijk 10 kalenderdagen vóór de zitting) nog reageren op alléén de prod, bij memorie van antwoord en hierbij géén nieuwe producties overleggen”. Daarnaast heeft het hof op die roldatum de handeling ‘Selectie mondelinge behandeling na memorie van antwoord’ genomen, met als ‘uitkomst’: “
Niet geselecteerd voor mondelinge behandeling na memorie van antwoord”;
Appellant kan termijn vragen om bij akte te reageren op alleen producties bij mem.v.antw. en mag hierbij geen nieuwe producties overleggen” en onder ‘uitkomst’ staat “
partijen geen instructie”;
17-10-2024:Ontvangen; 1x PD (G)/DM Ambtshalve peremptoir”.
louter een maatregel betreft ter bevordering van een behoorlijke rechtspraak en ter verzekering van de procesgang en die op zichzelf niet ingrijpt in de rechten en belangen van een partij, kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Hier vallen bijvoorbeeld termijnbepalingen onder [12] . De beslissing om de zaak niet voor een mondelinge behandeling te selecteren, is een discretionaire beslissing van het hof en laat onverlet dat partijen hier nog om kunnen vragen (zie ook 3.8 hierna). Het gaat naar mij voorkomt dan ook niet om een beslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van partijen. De beslissing om de zaak op de rol te plaatsen voor ‘partijberaad’ en daarbij een voorwaarde op te nemen voor het geval Huurder nog een akte zou willen nemen, is niet meer dan een termijnbepaling en toepassing van art. 2.25 Lpr en art. 133 Rv Pro. Ook hier gaat het dus niet om een beslissing die ingrijpt in de rechten en belangen van partijen. Wat hier ook van zij, de klachten falen ook om de volgende redenen.
onderdeel IIworden aangevoerd onder de voorwaarde dat het eerste onderdeel niet slaagt; die voorwaarde is vervuld, waarmee ik toekom aan onderdeel II.
Rotterdam/Utopia [15] is daarvoor een maatstaf gegeven. De rechter moet acht slaan op alle omstandigheden van het geval, waaronder de volgende gezichtspunten: (i) het gebruik dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan, (ii) het gebruik dat nu van het gehuurde wordt gemaakt, (iii) de inrichting van het gehuurde in relatie tot dat gebruik, en (iv) de gevolgen van een eventuele splitsing voor het (overeengekomen en feitelijk) gebruik door de huurder. Hierbij komt op voorhand aan geen enkele omstandigheid een doorslaggevend gewicht toe. Het oordeel van de rechter over de mogelijkheid van splitsing van een huurovereenkomst is in hoge mate feitelijk en daardoor in cassatie maar beperkt toetsbaar. Bovendien geldt daarbij dat de rechter niet gehouden is om op partijstellingen ter ondersteuning van hun standpunt in te gaan [16] . Het passeren van essentiële stellingen kan wel met succes in cassatie worden bestreden, maar dan moet het gaan om een stelling die, indien meegenomen, een reële kans had tot een andere uitkomst [17] . Ook moet de klacht duidelijk maken waarom de desbetreffende stelling dan relevant is en tot een andere uitkomst had kunnen leiden [18] .
Rotterdam/Utopia-maatstaf heeft toegepast als onjuist, althans onbegrijpelijk. In die uitspraak is benadrukt dat aan alle omstandigheden gelijk gewicht moet worden toegekend en geen enkele daarvan afzonderlijk doorslaggevend mag zijn. Deze maatstaf is wel vooropgesteld (rov. 5.2), maar vervolgens miskend, omdat de door Huurder aangevoerde omstandigheden over de door hem ondergane treiterijen door Verhuurder niet in de beoordeling zijn betrokken (mvg 10-25, in samenhang met grief VI met toelichting). Is dat wel gebeurd, dan blijkt dit niet kenbaar uit het arrest, althans is hier sprake van een motiveringsgebrek. Als de betreffende stellingen van Huurder zouden zijn meegewogen, dan had het oordeel over de splitsingsvraag van de huurovereenkomst woonruimtehuur en schuurhuur anders kunnen uitvallen.
Rotterdam/Utopiadat de rechter acht moet slaan op alle omstandigheden van het geval, waarbij gelet op de grote verscheidenheid aan situaties waarin de vraag van splitsing aan de orde is,
op voorhandaan geen enkele omstandigheid een doorslaggevend gewicht toekomt. Dit ‘op voorhand’ wordt door de klacht miskend. Daarnaast heeft het hof de maatstaf uit
Rotterdam/Utopiavoorop gesteld (rov. 5.2) en vervolgens de verschillende daarin genoemde gezichtspunten beoordeeld (rov. 5.3-5.8). Daarna is de conclusie dat ‘uit dit alles’ in ‘voldoende mate’ blijkt dat de woning (bouwkundig en functioneel) onafhankelijk is van de bedrijfsruimte en dat de woonruimte en bedrijfsruimte te splitsen zijn. Dat maakt dat het hof geen reden ziet om het woonruimte-huurregime op de
helehuurovereenkomst van toepassing te verklaren (rov. 5.9). Hieruit volgt dat het hof andere omstandigheden die Huurder heeft aangedragen, impliciet, heeft verworpen. Zodoende faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ook zijn de stellingen over de ‘ondergane treiterijen’ door Verhuurder betwist (mva, 19-24) en de klacht geeft niet duidelijk aan waarom de aangevoerde omstandigheid ‘essentieel’ zouden zijn. Onduidelijk blijft hoe en waarom het expliciet meewegen van die omstandigheid zou leiden tot een reële kans op een ander oordeel over de splitsing van de huurovereenkomst. Daar ketst subonderdeel II.3 op af.
subonderdeel II.4is in rov. 5.3 ten onrechte geoordeeld dat Verhuurder niet geacht kan worden met de toepasselijkheid van het huurregime voor woonruimte te hebben ingestemd omdat vaststaat dat Verhuurder de door Huurder opgestelde concept huurovereenkomst niet heeft ondertekend. Daarin staat dat op de huurovereenkomst de bepalingen van huur van woonruimte van toepassing worden verklaard. Dit is onjuist. Een huurovereenkomst kan immers ook mondeling tot stand komen en zelfs uit feitelijke gedragingen en nalaten kan wilsovereenstemming worden afgeleid. Het ontbreken van een schriftelijke, ondertekende, huurovereenkomst betekent dus niet als vanzelfsprekend dat er geen afspraken met Verhuurder zijn gemaakt over het toepasselijke huurrechtregime. Mocht het hof niet van deze onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan is sprake van ontoereikende motivering. Huurder heeft gesteld dat er wel degelijk overeenstemming was bereikt over het toepasselijke huurrechtregime (dgv. 5-8 en 18-20). Als deze stellingen van Huurder zouden zijn meegewogen, dan had het oordeel over de splitsing in een afzonderlijk regime voor woonruimte en voor de schuur anders kunnen uitvallen.
geen uitleg heeft gegevenwaarom hij dan iets anders heeft staan in de concept-overeenkomst van zijn hand. Dat miskent deze klacht. Voor de klacht achter het tweede gedachtestreepje geldt dat het hof deze beoordeling heeft gedaan in het kader van het eerste gezichtspunt uit
Rotterdam/Utopia: wat is het gebruik dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan? Uit hetgeen het hof in rov. 5.4-5.5 heeft beoordeeld, volgt dat voldoende vaststaat dat Huurder bij de aanvang van de huurovereenkomst niet de gehele schuur A huurde en dus ook geen exclusief gebruiksrecht daarop had. In dit licht is inderdaad irrelevant of Verhuurder aan Huurder zou hebben toegezegd dat het deel van de schuur dat niet aan Huurder was verhuurd, niet in gebruik zou worden gegeven aan derden. Vast staat immers dat Huurder geen exclusief gebruiksrecht had op de
geheleschuur A. Dat het hof het bewijsaanbod op dit punt heeft gepasseerd (klacht achter het derde gedachtestreepje) is dan ook goed te volgen: dat zag op een stelling die niet relevant was, zodat het bewijsaanbod niet ter zake dienend was [20] . Subonderdeel II.5 kan zodoende ook niet tot cassatie leiden.
subonderdeel II.6heeft het hof in rov. 5.6. ten onrechte geoordeeld dat er geen bedrijfsmatige verbondenheid bestaat tussen de woonruimte en de schuur. Dit oordeel is onbegrijpelijk omdat uit de overgelegde facturen blijkt dat Huurder een aanzienlijk huurbedrag verschuldigd is voor de stalling van zijn landbouwmachines (mvg grief III en prod. 11 (facturen)). Deze kosten zou hij niet hebben gemaakt als Huurder zijn landbouwmachines in het gehuurde mocht blijven stallen. Als deze stellingen zouden zijn meegewogen, dan had het oordeel over de splitsingsvraag anders kunnen uitvallen. Het subonderdeel beklaagt ten slotte als onjuist de passage uit rov. 5.6 dat de omstandigheid dat het voor Huurder voor zijn huidige bedrijf doelmatiger en goedkoper zou zijn als hij zijn machines zou kunnen blijven stallen in schuur A in plaats van op afstand van de woonruimte, geen argument is dat bijdraagt aan het antwoord op de vraag welk huurregime geldt voor het verhuurde deel van de schuur. Daartoe verwijst de klacht naar subonderdeel II.3.
en de woning. De stelling is dus door het hof onder ogen gezien, maar verworpen. De rechtsklacht bouwt voort op subonderdeel II.3 en deelt het lot van dat subonderdeel. De klacht maakt ook niet duidelijk hoe en waarom de omstandigheid ‘dat het voor Huurder voor zijn huidige bedrijf doelmatiger en goedkoper is als hij zijn machines kan stallen in schuur A in plaats van op afstand’ zou moeten leiden tot een andere beoordeling van de splitsingsvraag.