Appellant huurde het woongedeelte van een boerderij met een deel van de bedrijfsruimte. De kern van het geschil was of de huurovereenkomst gesplitst kon worden in een overeenkomst voor woonruimte en een voor bedrijfsruimte, en of de ontruiming van de bedrijfsruimte binnen de wettelijke beschermingstermijn mocht plaatsvinden.
Het hof oordeelt dat splitsing van de huurovereenkomst mogelijk is, ondanks dat de bedrijfsruimte vanuit de woonruimte bereikbaar is en voorzieningen zoals kabels en cv-installatie zich in de bedrijfsruimte bevinden. De bedrijfsruimte valt onder het regiem van artikel 7:230a BW (bedrijfsruimte), terwijl het woongedeelte onder het woonhuurrecht valt.
De huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte is opgezegd en appellant heeft geen verzoek tot ontruimingsbescherming ingediend. De kantonrechter had ontruiming binnen de wettelijke termijn toegewezen, wat het hof deels vernietigt omdat de wettelijke termijn van twee maanden ontruimingsbescherming had moeten worden afgewacht.
Het hof veroordeelt appellant tot ontruiming van de bedrijfsruimte en het achtererf uiterlijk twee maanden na het einde van de huurovereenkomst en veroordeelt hem in de proceskosten van het hoger beroep. Het vonnis in reconventie wordt niet-ontvankelijk verklaard.