Conclusie
Stichting Jeugdbescherming Overijssel, de gecertificeerde instelling,
- [de zoon] (hierna: de zoon), geboren op [geboortedatum] 2010;
- [de dochter] (hierna: de dochter), geboren op [geboortedatum] 2011.
De vader heeft de kinderen erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.
Hoofdverblijf
Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Ook van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties wordt dan ook geen acht geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend.Hetzelfde geldt voor de namens de moeder bij journaalbericht van 13 november 2024 overgelegde productie XXI.
Het subonderdeel wijst er verder op dat de vader in zijn e-mailbericht van 29 oktober 2024 ook omstandigheden aan de orde heeft gesteld die niet eerder aan de orde konden worden gesteld. Voor het overige betreffen de in het e-mailbericht van 29 oktober 2024 genoemde omstandigheden slechts een uitdieping van het bestaande verweer en/of een verweer dat in het verlengde ligt van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep. Dat geldt ook voor de omstandigheden die zijn benoemd in het e-mailbericht van 13 november 2024, aldus, kort weergegeven, het subonderdeel.
Volgens het subonderdeel had het hof gezien het voorgaande acht moeten slaan op de nadere standpunten van de vader.
geldt voor een beslissing van de rechter op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigenen voor een op grond van diezelfde bepaling gedaan verzoek om een ouder die zonder toestemming met minderjarigen is verhuisd, te bevelen om terug te verhuizen,
dat deze dienen te zijn gebaseerd op de omstandigheden ten tijde van de uitspraak van de rechter. Bovendien neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (art. 1:253a lid 1, tweede volzin, BW). Om deze redenen is hetook bij de beslissing op een op de voet van art. 1:253a BW gedaan verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing met minderjarigen of een verzoek tot het geven van een bevel om terug te verhuizen,
gewettigd dat de rechter in hoger beroep rekening mag – en in beginsel ook moet – houden met een grief of wijziging van het verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd respectievelijk plaatsvindt.
Uit hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen blijkt dat het debat tussen partijen de vraag betrof bij wie van hen de minderjarigen zouden wonen en waar dat zou zijn, te weten bij de man in [plaats], bij de vrouw in [woonplaats] of bij de vrouw op beperkte afstand van [plaats].
Bij de beoordeling van dit geschilpunt diende het hof het belang van de minderjarigen te betrekken (zie art. 1:253a BW). Daarmee is in overeenstemming dat het hof grote vrijheid had alles wat door partijen was aangevoerd bij zijn beoordeling te betrekken.Dat betekent dat het hof bij zijn beslissing acht kon slaan op de hiervoor in 3.3 geciteerde opmerking van de man en overeenkomstig de daarbij uitgesproken wens van de man kon beslissen.
Die stukken zijn niet alleen te laat maar ook zonder tussenkomst van een advocaat door de vader ingediend.
In zoverre treft subonderdeel 1.4 dus doel.
subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Deze zijn als gezegd gericht tegen de beslissing van het hof in r.o. 2.2 dat, kort gezegd, op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 gevoegde producties geen acht wordt geslagen, omdat deze te laat zijn ingediend; zie het citaat hiervoor onder 3.2, eerste onderstreping (in het onderdeel aangeduid met letter a, zie hiervoor onder 3.3).
subonderdeel 1.2dat het hof niet kenbaar heeft onderzocht of het buiten beschouwing laten van stukken die met schending van die termijn zijn ingediend, in strijd met de goede procesorde is. Het subonderdeel klaagt dat het hof daarmee het wettelijk kader heeft miskend, mede gezien de aard van de onderhavige procedure en bezien in het licht van het feit dat de moeder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het indienen van stukken en één dag voor de mondelinge behandeling zelf nog een productie heeft ingediend. Voor zover het geldende procesreglement afwijkt van artikel 87 lid 6 Rv (in verbinding met artikel 362 en 279 lid 6 Rv), derogeert die bepaling als formele wet aan het procesreglement, aldus het subonderdeel.
Sinds 1 maart 2021 bevatten alle Procesreglementen familie- en jeugdrecht immers een termijn van
drie werkdagenvoorafgaand aan de mondelinge behandeling voor het indienen van processtukken. Zo luidt artikel 1.13 van het Procesreglement Gezag en Omgang, ook van toepassing op verhuisgeschillen op grond van artikel 1:253a BW (mijn onderstreping; A-G): [33]
drie werkdagenvoorafgaand aan de mondelinge behandeling ingediend, tenzij de wet of het procesreglement voorschrijft dat de stukken eerder moeten worden ingediend.”
tien dagenvoor de dag van de mondelinge behandeling een afschrift van het te nemen processtuk of de in het geding te brengen stukken hebben ontvangen.”
Een belanghebbende die niet-digitaal procedeerten die na de indiening van het beroepschrift en het verweerschrift (op het incidenteel hoger beroep) nog stukken in het geding wenst te brengen, zorgt ervoor dat het hof en iedere overige belanghebbende zo spoedig mogelijk, maar tot uiterlijk
tien kalenderdagenvoor de mondelinge behandeling als bedoeld in artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 279 lid 6 Rv, een afschrift van het in te dienen processtuk of de in het geding te brengen bewijsstukken hebben ontvangen. Dit wordt gedaan overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1.1.9, 1.1.19 en 1.1.20 voor het indienen van stukken.
Een belanghebbende die digitaal procedeertdient de onder 1. Genoemde stukken digitaal in, zoveel mogelijk met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 1. is bepaald.
in zaken betreffende een maatregel van kinderbescherming ook binnende in dit artikel genoemde termijn van
tien kalenderdagennog stukken worden overgelegd die van belang zijn en niet eerder konden worden ingediend.”
subonderdelen 1.1 tot en met 1.3. Daar kan ik kort over zijn. Die slagen alle.
Subonderdeel 1.1dat klaagt dat het hof de toepasselijkheid van deze tenzij-bepaling heeft miskend, slaagt dan ook.
Dat betekent als gezegd (zie hiervoor onder 3.44) niet zonder meer dat het hof ook acht had moeten slaan op de door de vader bij zijn e-mailbericht van 13 november 2024 (en dus daags voor de mondelinge behandeling) in het geding gebrachte stukken. Mijns inziens had het hof moeten beoordelen of het kort voor de mondelinge behandeling in het geding brengen ervan strijd met de goede procesorde oplevert. Dat heeft het hof niet (kenbaar) gedaan.
Subonderdeel 1.2dat klaagt dat het hof het wettelijk kader (art. 87 lid 6 Rv) heeft miskend, treft daarom eveneens doel.