ECLI:NL:PHR:2026:247

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
24/00208
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:106 BWArt. 150 RvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en beperkt schadevergoeding

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens mishandeling waarbij het slachtoffer een gebroken kaak opliep. Het hof kende tevens een schadevergoedingsmaatregel toe aan het slachtoffer, waarbij een deel van de gevorderde schade werd toegewezen en een deel werd afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.

De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaringen van getuigen onbetrouwbaar waren, mede vanwege alcoholgebruik en mogelijke afstemming van verklaringen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijsmiddelen en verklaringen terecht betrouwbaar achtte en dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het bewijsverweer werd verworpen.

De benadeelde partij had vier middelen ingediend over de schadeposten reiskosten, verlies van arbeidsvermogen, studievertraging en immateriële schade. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat slechts een deel van de reiskosten en het verlies van arbeidsvermogen toewijsbaar was, dat de studievertraging niet ontvankelijk was verklaard vanwege de complexiteit en het risico van een onevenredige belasting van het strafproces, en dat de immateriële schadevergoeding van €1.500,- billijk was vastgesteld.

De Hoge Raad constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar vond dit niet reden voor vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep van de verdachte en de middelen van de benadeelde partij werden verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel en de gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding aan het slachtoffer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00208
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 januari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002796-22) wegens "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Ook namens de benadeelde partij is een schriftuur ingediend. D.M.H. Rademakers, advocaat in Kerkrade, heeft daarin vier middelen voorgesteld.
1.3
Het middel van de verdachte gaat over de bewezenverklaring. De middelen van de benadeelde partij klagen over ’s hofs beslissing met betrekking tot verschillende aangevoerde schadeposten.

2.Het middel dat namens de verdachte is voorgesteld

2.1
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het hof. Volgens de stellers van het middel schiet de verwerping van een door de verdediging gevoerd bewijsverweer tekort in het licht van hetgeen de politierechter in eerste aanleg heeft overwogen en gelet op de indringendheid van hetgeen is aangevoerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij, op 2 augustus 2019 te [plaats] (België), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- met kracht bij zijn keel/hals beet te pakken en vervolgens zijn keel/hals dicht te knijpen,
- op/tegen zijn bovenlichaam te trappen en
- tegen zijn gezicht, althans zijn hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft gehad.”
2.3
Het hof heeft daarvoor de volgende bewijsmiddelen gebruikt:

1. Het proces-verbaal van aangifte, d.d. 13 augustus 2019, dossierpagina’s 4-13, met als bijlage foto’s, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Ik wens aangifte te doen van openlijke geweldpleging met een zware mishandeling als gevolg. Op vrijdag 2 augustus 2019, ergens omstreeks 03.00 uur, bevond ik mij in [plaats] in België. Wij waren die avond op stap geweest in de [a-straat] in [plaats] . Toen mijn vrienden en ik terug naar ons verblijf liepen, kwamen we langs een kebabzaak. Ik zag dat er een groep jongens bij de kebabzaak stond. Ik herkende deze groep jongens van eerdere conflicten tijdens onze vakantie met deze groep. Deze conflicten waren ontstaan tijdens het stappen waarbij de groep jongens ruzie met ons zochten. Deze groep jongens komt net als mijn groep vrienden uit [plaats] en [plaats] . Ik ken een van deze jongens uit de groep waarbij ik vroeger op school heb gezeten.
[…]
Toen mijn vrienden vertrokken hoorde ik dat de groep jongens ons nog na aan het schelden waren door te roepen: "homo's". Ik heb toen "flikkers" teruggeroepen naar de groep jongens. Ik zag dat de groep hierop achter ons aan kwam gelopen. Ik hoorde dat de groep aan ons vroeg: "Wie zei dat?”. Ik hoorde dat mijn naam toen door de groep werd genoemd.
[…]
Mijn vrienden en ik zijn vervolgens verder gelopen. Ik zag dat de vijf jongens achter ons aan bleven lopen. Drie jongens waren [verdachte] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (het hof begrijpt [betrokkene 2] ).
[…]
Ik zag dat [verdachte] hierop mijn kant op kwam gelopen en ben daarop door [verdachte] bij mijn keel gepakt. Ik voelde dat [verdachte] met zijn hand mijn keel dichtkneep waardoor ik een moment geen lucht kreeg. Ik heb [verdachte] daarop van me weggeduwd. Ik zag dat [verdachte] hierna wederom haar mij toe kwam gelopen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij wederom bij mijn keel vastpakte. Ik voelde ook dat [verdachte] wederom in mijn keel kneep. Ik heb toen [verdachte] wederom bij mij weggeduwd.
[…]
Ik zag dat [verdachte] op een gegeven moment in de lucht sprong en mij met zijn voet met daaraan zijn schoen onder mijn borst schopte. Ik ben door deze trap achterover op de grond gevallen op mijn achterhoofd. Ik ondervond daarvan op dat moment pijn aan mijn hoofd, nek, rug en borstkas. Ik ben daarop opgestaan.
[…]
Kennelijk is [verdachte] hierna uit mijn blikveld gaan staan. Ik voelde dat ik daarna ineens uit het niets een ontzettend harde klap tegen mijn linkerkaak kreeg. Wat er hierna gebeurde, weet ik even niet omdat ik waarschijnlijk even weg ben geweest door de harde klap. Ik hoorde later van mijn vrienden dat [getuige 1] (het hof begrijpt [getuige 1] ) mij na de klap op had gevangen en overeind heeft gehouden. Ik voelde op dat moment ontzettend veel pijn aan mijn kaak. Ik voelde me eigenlijk heel erg vreemd. Ik stond te trillen op mijn benen en zat vermoedelijk helemaal onder de adrenaline. Ik ben toen weggelopen.
[...]
Ik ben na de klap tegen mijn kaak naar het ziekenhuis in [plaats] gegaan. Mijn mond bloedde namelijk en mijn tanden zaten los. Diezelfde dag, wat later in de middag, ben ik terug naar het ziekenhuis in [plaats] gegaan omdat ik verging van de pijn. Ik heb toen een recept gekregen om medicijnen te gaan halen, diclofenac, maagbeschermers en paracetamol. Op zondag 4 augustus 2019 zag ik dat de zwelling in mijn gezicht zo erg werd dat ik besloot om op maandag 5 augustus 2019 naar het ziekenhuis te gaan. Mijn rechterkaak bleek dus te zijn gebroken. Door de harde klap tegen mijn linkerkaak is mijn rechterkaak gebroken. Ik ben daarna met een spoedoperatie geopereerd waarbij er twee ijzeren platen onderhuids in mijn kaak zijn gezet om de breuk te stabiliseren en goed te kunnen laten genezen.
[…]
Ik heb op dit moment nog last van hoofdpijn, last van drukte, geluid en licht en een ontzettend pijnlijke kaak. Ook een gedeelte van mijn gezicht heeft nog geen tot weinig gevoel. Ook mijn nek en rug zijn nog zeer pijnlijk. Ik moet momenteel morfine gebruiken tegen de pijn omdat de andere medicijnen welke ik had gekregen niet hielpen. Als ik de morfine niet gebruik dan ga ik dood van de pijn en kan ik niet praten.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 23 augustus 2019, dossierpagina’s 14-16, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Op vrijdag 2 augustus 2019, omstreeks 04.00 uur, waren wij in [plaats] , België. Wij waren daar met een groep vrienden en waren op stap geweest. Wij waren onderweg naar huis. Tijdens de wandeling hadden [slachtoffer] en een andere vriend van mij honger en wij zagen een kebabtent. [slachtoffer] en die vriend van ons liepen naar de Kebabtent en toen zagen wij dat er een groepje jongens op het terras voor de kebabtent zat. Dit waren bekenden van ons, zij komen bij ons uit de buurt en wij hebben samen op school gezeten. Dit waren [verdachte] , [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en nog twee jongens.
[…]
Ik zag dat die 5 jongens opstonden en achter ons aan begonnen te lopen. Ik zag dat [betrokkene 1] , [verdachte] en [betrokkene 2] steeds achter ons bleven lopen.
[…]
Ik zag dat [verdachte] de rechterarm van [slachtoffer] pakte en ik zag dat hij deze op [slachtoffer] rug wilde draaien. Ik zag dat [slachtoffer] zijn arm losrukte. Ik zag vervolgens [verdachte] [slachtoffer] bij zijn keel greep. Ik zag dat hij met zijn rechterhand [slachtoffer] in zijn keel kneep en zijn arm gestrekt hield. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer] tegen een muur aan drukte. Ik zag dat [slachtoffer] los was uit de greep van [verdachte] . Ik zag dat [slachtoffer] tegen [verdachte] stond te praten. Ik zag dat [verdachte] niet in een vechthouding stond. Ik zag dat vervolgens [verdachte] uit het niets een voorwaartse trap tegen de borst van [slachtoffer] gaf. Ik zag dat [slachtoffer] deze trap niet aan zag komen. Ik zag dat [slachtoffer] achterover viel. Ik zag dat [slachtoffer] eerst op zijn achterwerk viel en toen met zijn hoofd op de grond.
[...]
Ik zag dat [slachtoffer] direct weer opstond. Het discussiëren ging gewoon. Ik zag dat [slachtoffer] zich ongeveer midden in de groep mensen bevond. Ik zag dat [verdachte] om [slachtoffer] heen liep naar de andere kant van de groep en met zijn rug in de richting van [slachtoffer] linkerzij stond. Ik zag dat, zonder dat [verdachte] in die tijd contact zocht met [slachtoffer] , zich ineens omdraaide. Ik zag dat [verdachte] tijdens die draai met zijn rechterhand een hele harde boerenslag uitdeelde aan [slachtoffer] . Ik zag dat deze klap voor [slachtoffer] schuin van achteren kwam. Ik zag dat [slachtoffer] tegen de linkerzijde van zijn gezicht geraakt werd. Ik zag dat [verdachte] echt wel wist hoe je zo'n klap uit moest delen en dat deze klap hard aan kwam. Ik denk dat [slachtoffer] die klap niet heeft kunnen zien aankomen. Ik zag dat dat [slachtoffer] knock-out ging en dat hij op de grond viel. Ik pakte hem meteen op en probeerde hem op zijn voeten te zetten. Ik voelde dat hij aanvoelde als pudding en ik zag dat hij verdwaasd keek en voelde dat hij stond te zwaaien op zijn benen.(.) [slachtoffer] is toen naar het ziekenhuis gegaan.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 23 augustus 2019, dossierpagina’s 19-20, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Wij liepen als groep terug naar ons huisje
(het hof begrijpt: op 2 augustus 2019 te [plaats] )We liepen over de [a-straat] . Wij werden gevolgd door een andere groep. Ik weet niet precies hoe die allemaal heten. Ik zag dat [slachtoffer]
(het hof begrijpt telkens: [slachtoffer] , de aangever)in zijn rug een flinke duw kreeg. Ik meen van [verdachte] .
[...]
Ik zag en voelde dat [verdachte] zich langs mij wurmde. Ik zag dat [verdachte] een voorwaartse ‘Sparta trap' tegen het middenrif van [slachtoffer] gaf. Ik zag dat [slachtoffer] viel en dat [getuige 1]
(het hof begrijpt: [getuige 1] )hem toen opraapte.
[…]
Ik keerde mij weer naar [slachtoffer] en ik zag dat [betrokkene 2]
(het hof begrijpt telkens: [betrokkene 2] )en [slachtoffer] recht tegenover elkaar stonden. Ik zag dat zij minder dan een meter van elkaar af stonden. Ik zag dat zij aan het praten waren. Ik zag
(hof: dat)[verdachte] rechts van [betrokkene 2] stond. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterarm flink uithaalde
(hof: en)tegen [slachtoffer] linkerkaak sloeg. Ik zag dat [verdachte] niet in een gevechtshouding stond en ik hoorde dat hij niet aan het praten was of zich bemoeide in de discussie tussen [betrokkene 2] en [slachtoffer] . Ik zag dat hij van achteren uithaalde en met zijn lichaam indraaide. Ik zag dat het een soort boerenslag was. Ik zag dat het leek alsof hij al zijn kracht inzette bij de klap. Ik zag dat [slachtoffer] achteruit viel. Ik zag dat iemand [slachtoffer] omhoog hielp.
[...]
Ik zag vervolgens dat [slachtoffer] zijn hele mond vol met bloed had. [slachtoffer] vroeg of ik aan zijn ondertanden wilde voelen. Ik voelde dat ik alle tanden zomaar een halve centimeter naar achteren kon duwen. Ik ben toen meegegaan naar het ziekenhuis, de eerste hulp.
4. Een geschrift, een medische verklaring, gevoegd bij de vordering van de benadeelde partij (bijlage 2), d.d. 06-08-2019, voor zover inhoudende als verklaring van drs. [betrokkene 3] namens drs. [specialist] , Kaakchirurg:
Datum: 06-08-2019
Van: [A] Ziekenhuis
Patiënt: [slachtoffer] F [geboortedatum] -2002 M
Specialist: [specialist]
Geachte collega.
Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 05-08-2019 t/m 06-08-2019 voor het specialisme Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie. Op 05-08-2019 zagen wij [slachtoffer] in verband met een paramediane mandibulafractuur als gevolg van een trauma aangezicht.
Dezelfde dag vond in algehele anesthesie een open reductie en interne fixatie plaats. De ingreep en het postoperatief beloop waren ongestoord, zodat patiënt daags na de ingreep in goede conditie uit de opname kon worden ontslagen. Verdere controle geschiedt poliklinisch.
5. Het proces-verbaal ter terechtzitting van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit hof van 11 december 2023 voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Het klopt dat ik op 2 augustus 2019 in [plaats] , België was. Ik ging die dag samen met
mijn vriend [betrokkene 1] op bezoek bij mijn vriend [betrokkene 2] .”
2.4
Het hof heeft hetgeen door de verdediging is aangevoerd als volgt weergegeven en verworpen:
“De raadsvrouw van de verdachte heeft op gronden zoals nader in de pleitnota vermeld, bepleit dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft zij - samengevat weergegeven - primair aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen leugenachtig en onbetrouwbaar zijn wat maakt dat de verklaringen van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Subsidiair is aangevoerd dat als de verklaringen van de getuigen wel als wettige bewijsmiddelen zouden gelden, deze op essentiële punten geen steun vinden in de andere bewijsmiddelen en daarom niet voldoen aan het bewijsminimum.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Gelet op de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof geen redenen om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, inhoudende dat hij door de verdachte is mishandeld. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaring van aangever steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Het hof overweegt daarbij dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen die de verklaring van aangever ondersteunen. De verklaringen zijn op essentiële punten, namelijk de aard van het geweld, door wie, waar en wanneer en jegens wie dat werd uitgeoefend, consistent. Daaruit volgt zonder twijfel dat het de verdachte was die het in de tenlastelegging omschreven geweld jegens de aangever heeft uitgeoefend met het daaraan verbonden gevolg
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren in al hun onderdelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
2.5
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:
“3. De Politierechter heeft kernachtig uitgelegd waarom een bewezenverklaring een brug te ver is. De officier van justitie heeft ook een uitgebreide appelschriftuur ingediend waarom zij het niet eens is met die uitspraak. Ik ga u uitleggen waar de redenering van de officier van justitie mank gaat.
Cirkelredening
4. De argumentatie van de officier van justitie is een cirkelredenering en introduceert een figuur dat ons bewijsrecht niet kent; de leugenachtige getuigenverklaring.
5. Als uitgangspunt wordt gesteld dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ongeloofwaardig hebben verklaard en dat de verklaringen van aangever cum suis wel betrouwbaar zijn.
(…)
Eén getuige is geen getuige
11. Ook gaat deze mank omdat de verklaringen die de officier van justitie betrouwbaar vindt allemaal van één groep zijn. De groep heeft samen één verhaal neergelegd. Het is helder dat de groep van aangever de
verhaallijnmet elkaar heeft besproken, zowel voorafgaand aan de politieverhoren als het de rc-verhoren. En bovendien er een foto bij heeft gepakt om poppetjes en namen in die verhaallijn een naam te geven. Feitelijk hebben de verklaringen één bron. De verklaringen van de vrienden van aangever kunnen door deze gang van zaken niet als bevestiging van de aangifte gelden. Eén getuige is geen getuige.
12. Cliënt, [betrokkene 2] en [betrokkene 1] komen ook uit één groep, in zoverre is het een één (groep)-tegen-één (groep)-situatie. De verklaringen van [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en cliënt bij de politie zijn evenwel
nietafgestemd. Zij werden maanden na dato verrast met een politieverhoor waardoor afstemming juist
nietmogelijk was. Over die verklaringen kan dan ook niet worden gesteld dat zij feitelijk als één geheel moeten worden gezien of als één bron.
13. Het is dus feitelijk een één-tegen-drie-situatie. Eén belastend, drie ontlastend.
Alternatief
14. Of het nu wel of niet één (groep)-tegen-één (groep) of een één-tegen-drie is, als een paal boven water staat dat er geen informatie is die de ene lezing of de andere bevestigt ofwel uitsluit. Er is niet eens de bevestiging dat er een vechtpartij zou zijn geweest zoals beschreven door aangevers.
15. Ook het letsel is geen bevestiging. Letsel kan op vele manieren ontstaan en hier gaat het natuurlijk ook nog eens op letsel waarover pas 11 dagen na dato een verklaring wordt gegeven. Het letsel zegt niets over de oorzaak en zeker niet over de persoon die het zou hebben veroorzaakt.
16. Ook om die reden is de bewijsbasis te marginaal een bewezenverklaring op te stoelen en dient vrijspraak te volgen.
Onbetrouwbare verklaringen
17. Laat helder zijn; dat de aangever letsel heeft opgelopen in [plaats] , kan zo zijn. De vraag is hoe dat is gebeurd en nog belangrijker is de vraag door wie.
18. Het feit dat er enkel verklaringen zijn van aan elkaar gelieerde getuigen, die weken na dato pas verklaringen laten optekenen, maakt dat ten aanzien van de beschikbare informatie de nodige terughoudendheid moet worden betracht. Het feit dat er die nacht ook rijkelijk alcohol vloeide, noopt temeer tot een kritische blik.
19. Er is geen enkel ambtsedig pv of camerabeeld (ook niet van eigen telefoons) waar de stelling dat er een vechtpartij is geweest op de wijze die aangevers beschrijven, door wordt bevestigd. Er is dus feitelijk niets om te stellen dat de verklaringen van aangever en consorten juist zijn. Dit is reden temeer voor terughoudend. Zelfs als ervan uit wordt gegaan dat er een vechtpartij is geweest, dan dient grote terughoudendheid te worden betracht ten aanzien van de loop der dingen en handelingen. Alleen al omdat de ervaring leert dat over zo’n situatie getuigen veelal zeer uiteenlopende herinneringen hebben over de loop der dingen, omdat het chaotisch is, snel en onverwacht gebeurt en niet in de laatste plaats door de alcoholconsumptie.
20. Vorenstaande geldt niet alleen ten aanzien van de loop der dingen, maar ook ten aanzien van de identificatie van cliënt als één van de personen die betrokken zou zijn geweest bij het geweld. Daarbij komt dan ook nog eens het feit dat er voorafgaand aan de verklaringen door de getuigen uitgebreid de loop der dingen - de verhaallijn - met elkaar hebben doorgesproken en foto’s zijn bestudeerd om er ook namen aan te koppelen. Dit klemt in het bijzonder nu er naast die verklaringen geen andere informaties zijn die bevestiging geven. Geen beelden, geen ambtsedig pv, niets.
(…)
Vrijspraak
23. De onbetrouwbaarheid van de verklaringen maakt dat deze moeten worden uitgesloten
en dus vrijspraak dient te volgen.
24. Subsidiair geldt dat zelfs als de verklaringen wel als wettige bewijsmiddelen zouden gelden, deze op essentiële punten - de geweldshandelingen en identificatie - geen steun vinden in andere bewijsmiddelen en daarom niet voldoen aan het bewijsminimum, althans er alle reden is voor gerede twijfel ten aanzien van die cruciale punten en - in dubio pro reo - derhalve vrijspraak dient te volgen. (…)”
2.6
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [1]
2.7
In cassatie wordt betoogd dat de verwerping van het bewijsverweer tekortschiet in het licht van hetgeen de politierechter in eerste aanleg heeft overwogen en de indringendheid van hetgeen door de verdediging is aangevoerd. Door de verdediging is onder meer aangevoerd dat de verklaringen van de verdachte worden ondersteund door de ontlastende verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , die blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen ook aanwezig waren. Voorts heeft de verdediging een aantal redenen opgegeven waarom de aangifte en getuigenverklaringen onbetrouwbaar zijn, te weten vanwege de alcoholconsumptie en daarnaast het tijdsverloop en de mede daardoor mogelijk gemaakte onderlinge afstemming van de verklaringen. Het hof heeft daarop ten onrechte niet gerespondeerd, aldus de stellers van het middel.
2.8
Het hof hoeft niet op ieder argument van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt apart in te gaan, maar moet uitleggen waarom het naar voren gebrachte maar niet aanvaarde standpunt van de verdediging – in dit geval: dat de verdachte moet worden vrijgesproken – niet wordt gevolgd. Het hof heeft dat niet onbegrijpelijk en toereikend gedaan door te overwegen niet te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, inhoudende dat hij door de verdachte is mishandeld, die bovendien steun vindt in andere bewijsmiddelen. Wat betreft de bewezen verklaarde gedragingen jegens de aangever en het daderschap van de verdachte vindt het hof die steun in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Die verklaringen – die binnen drie weken na het bewezenverklaarde feit zijn afgelegd – komen op essentiële punten, namelijk de aard van het geweld, door wie, waar en wanneer en jegens wie dat werd uitgeoefend, overeen met elkaar en de verklaring van de aangever. In deze overwegingen ligt besloten dat en waarom het hof voorbij gaat aan de ontkennende verklaringen van de verdachte en het hof het alcoholgebruik en tijdsverloop niet in de weg vindt staan aan de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen.
2.9
Tot een nadere motivering vanwege hetgeen de politierechter is eerste aanleg heeft overwogen was het hof bovendien niet gehouden. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd omdat het niet te verenigen is met de beslissing van het hof. Een rechtsregel die het hof verplicht dat nader toe te lichten is door de stellers van het middel niet genoemd en mij overigens onbekend.
2.1
Het middel van de verdachte faalt.

3.De middelen die namens de benadeelde partij zijn voorgesteld

3.1
De schriftuur van de benadeelde partij bevat vier middelen over de posten (1) reiskosten, (2) verlies van arbeidsvermogen, (3) studievertraging en (4) immateriële schade.
3.2
Het eerste middel klaagt dat de motivering van het hof niet duidelijk maakt welke van de in de schadestaat gespecificeerde reiskosten wel en welke niet worden toegewezen. Daarmee zou het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd en onbegrijpelijk zijn.
3.3
Het tweede middel bevat een klacht over het oordeel van het hof dat niet is vast te stellen of en hoeveel dagen of uren de benadeelde partij in de vakantieperiode zou hebben gewerkt, zodat de gevorderde kosten in zoverre worden afgewezen. Dat oordeel is volgens de steller van het middel onbegrijpelijk en in het licht van de onderbouwing door de benadeelde partij ook ontoereikend gemotiveerd.
3.4
In het derde middel wordt een klacht geformuleerd over de beslissing van het hof om de vordering ten aanzien van de post studievertraging niet-ontvankelijk te verklaren omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou inhouden. Geklaagd wordt dat het om verschillende redenen aannemelijk is dat de studievertraging het gevolg is van het bewezen verklaarde feit en dat de vordering daarom ontvankelijk was.
3.5
Met het vierde middel wordt geklaagd dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het niet het volledige bedrag aan gevorderde immateriële schadevergoeding heeft toegekend.
De stukken van het geding, het onderzoek ter terechtzitting en de overwegingen van het hof
3.6
Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van 11 januari 2021. De schriftelijke toelichting daarop (van 29 januari 2021) houdt voor zover van belang in:

Schadeposten
De schade van [slachtoffer] bestaat uit materiële en immateriële schade. De schadeposten zijn verder uitgewerkt in bijgevoegde schadestaat
(productie 3).
Hieronder zullen de diverse schadeposten van een korte toelichting worden voorzien.
(…)
Reiskosten
Er zijn diverse reis- en parkeerkosten gemaakt wegens medische behandelingen, revalidatie, het doen van aangifte, alsmede de inhoudelijke behandeling(en) van de strafzaak. In totaal bedraagt deze schadepost € 188,08 (
productie 6).
Verlies van arbeidsvermogen
[slachtoffer] werkt in een lakspuiterij. Vanaf het incident heeft hij in het geheel niet kunnen werken tot en met 12 oktober 2019. Hij werd immers op 5 augustus alsmede op 24 september geopereerd. Vakantieperiode. Zijn netto uurtarief bedroeg € 6,- (
productie 7). In de (augustus) had hij meer uren kunnen werken dan voor de vakantie aangezien hij niet naar school hoefde. Zijn werkgever heeft een overzicht opgemaakt waaruit voortvloeit hoeveel uren [slachtoffer] in de betreffende periode is misgelopen (
productie 8). In totaal bedraagt deze schadepost, inclusief vakantiegeld, € 978,48.
Studievertraging
[slachtoffer] moet schooljaar 2019-2020 over doen. Vanaf het begin van het schooljaar is hij veel afwezig geweest wegens ziekte. De achterstanden die hij hierdoor opliep, konden niet meer worden ingehaald. Voorstel aansluiting te zoeken bij de richtlijn Studievertraging van de Letselschaderaad. Het gaat om een MBO opleiding. Hiervoor staat een normbedrag van € 17.625,- (
productie 9).
(…).
Immaterieel
De immateriële schade wordt begroot op een bedrag van € 2.500,-. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij nummer 2220 (
productie 12) uit de Smartengeldgids alsmede letselcategorie 2 van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.”
3.7
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is verder nog het volgende van belang:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
(…)
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij verzoek ik uw hof om een bedrag van € 3.435,20 toe te wijzen bestaande uit een bedrag van € 108,46, een bedrag van € 248,26 aan reiskosten, een bedrag van € 978,48 aan verlies arbeidsvermogen, een bedrag van € 600,00 voor verlies van tijd en een bedrag van € 1.500,00 voor immateriële schade. Ik verzoek tevens om dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
(…)
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging als volgt.
De raadsvrouw pleit overeenkomstig de inhoud van de door haar aan het hof overgelegde pleitnota, [2] welke aan dit proces-verbaal is gehecht en als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd en voert daar mondeling het navolgende aan toe.
(…)
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij verzoek ik u primair om de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. Ik verzoek u tevens de wettelijke rente niet op te leggen dan wel te matigen. Het mag niet voor rekening van mijn cliënt komen dat de procedure zo lang heeft geduurd.
Het niet-aangeboren hersenletsel kan zonder medische stukken niet aan deze situatie toegeschreven worden. Er is al eerder letsel geweest.
De gemachtigde van de benadeelde partij reageert op het requisitoir en het pleidooi als volgt.
(…)
Er is een bedrag van € 2.500,00 aan smartengeld gevorderd. De uitspraken die zijn genoemd in de schriftelijke toelichting zijn vergelijkbaar. Ik vind die € 2.500,00 aan de lage kant gezien het letsel. Je moet die € 2.500,00 zien als ondergrens. Bij mijn cliënt speelt nog dat hij tot op heden kampt met blijvende klachten.
De studievertraging is moeilijk om aan te tonen, zeker in een strafproces. Er zijn twee verklaringen van mentoren en een afwezigheidslijst. Daaruit volgt dat mijn cliënt concentratieproblemen heeft en dat hij daarom moest stoppen met zijn studie. Uit het jaaroverzicht volgt dat hij vanaf week 36 in 2019 afwezig is wegens ziekte. Mijn cliënt is gestart met de opleiding tot hovenier op 1 augustus 2021. Dit is precies twee jaar later. Hij doet nu een opleiding van een lager niveau. Als de schade concreet uitgerekend zou moeten worden, dan zou de schade vele malen hoger zijn. Ik verzoek uw hof om aansluiting te zoeken bij de letselschadelijst.
(…).
Ten aanzien van het verlies verdienvermogen. Mijn cliënt heeft niet kunnen werken. Hij is 2 keer geopereerd. Zijn werkgever zegt dat hij de uren waarop hij stond ingepland, niet is komen werken. Heel veel meer kan mijn cliënt niet bewijzen qua verlies verdienvermogen. De verklaring van de werkgever en de salarisstroken lijken me voldoende qua onderbouwing.
Ten aanzien van het niet-aangeboren hersenletsel. Hetgeen de raadsvrouw heeft bepleit, neigt naar een betwisting van het causaal verband. Daar wil ik kort wat over zeggen. Als we de medische informatie bekijken, productie 2 van de schriftelijke toelichting, dan schrijft de huisarts dat de klachten zijn toegenomen. In de informatie van de eerste hulp staat dat in 2015 slechts sprake was van een kneuzing. Na de mishandeling is niet aangeboren hersenletsel vastgesteld. Het causaal verband staat dus vast.”
3.8
Het hof heeft, voor zover hier relevant, als volgt overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 22.000,12 bestaande uit € 19.500,12 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade. De vordering valt uiteen in de volgende schadeposten:
a. daggeld ziekenhuis € 30,00
b. medische kosten € 78,56
c. reiskosten € 188,08
d. verlies arbeidsvermogen € 978,48
e. studievertraging € 17.625,00
f. verlies van tijd € 600,00
g. smartengeld € 2.500,00.
De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schade vergoeding.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 3.435,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot datzelfde bedrag.
De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering in verband met de bepleitte vrijspraak. Subsidiair is bepleit dat de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengt en daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en meer subsidiair is bepleit dat de posten die niet zijn onderbouwd, gematigd dienen te worden.
Het hof overweegt ten aanzien van de materiële schade als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.199,33. Dit bedrag bestaat uit een optelsom van post a, post b, post c tot een bedrag van € 70,77, post d tot een bedrag van € 420,00 en post f. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Het hof is ten aanzien van het resterende gedeelte van de onder post c gevorderde reiskosten van oordeel dat dit geen kosten zijn voor het vaststellen van de schade of aansprakelijkheid waardoor zij niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof zal het resterende gedeelte van deze post, groot € 117,31, dan ook afwijzen.
Ten aanzien van de onder post d gevorderde kosten voor het verlies van arbeidsvermogen stelt het hof vast dat de benadeelde partij, volgens zijn werkgever, 10 normale werkdagen (zaterdagen) zou hebben gewerkt en dat hij daarnaast nog 9 vakantiedagen extra zou gaan werken. Het hof is van oordeel dat niet vast te stellen is of en hoeveel dagen dan wel uren de benadeelde partij in de vakantieperiode zou hebben gewerkt en wijst daarom alleen de 10 normale werkdagen toe die de benadeelde partij volgens zijn werkgever zou hebben gewerkt. Het hof gaat uit van een werkdag van 7 uren tegen een uurloon van € 6,00 wat maakt dat de benadeelde partij in totaal € 420,00 aan arbeidsvermogen is misgelopen. Het hof zal het resterende gedeelte van post d, groot € 558,48, afwijzen.
Het hof is ten aanzien van post e, de studievertraging, van oordeel dat de gestelde schade niet eenvoudig is vast te stellen. Het hof heeft hierbij in overweging genomen dat de benadeelde partij in 2015 van de trap is gevallen en daarbij een trauma heeft opgelopen. Uit het schade-onderbouwingsformulier volgt dat de klachten van de benadeelde partij na het door de verdachte toegebrachte letsel van augustus 2019 zijn toegenomen. Voorts blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier dat de benadeelde partij als gevolg van ziekte veelvuldig afwezig is geweest tijdens het schooljaar 2019/2020 en dat hij niet in staat is gebleken om de achterstanden die hij daarmee opliep, in te halen.
Voorgaande omstandigheden maken dat het voor het hof niet vast te stellen is of, wanneer, hoe en in welke mate de gestelde schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt. Een nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans niet in dit deel van de vordering, groot € 17.625,00, worden ontvangen en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Uit het schade- onderbouwingsformulier en het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten een gebroken kaak.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 1.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal het resterende gedeelte van de vordering, groot € 1.000,00, afwijzen.
Resumerend zal het hof een bedrag van € 2.699,33, bestaande uit € 1.199,33 aan materiële schadevergoeding en € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, toewijzen. Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering, groot € 17.625,00 niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Voorts zal het hof het overige deel van de vordering, groot € 1.675,79, afwijzen.”
Het eerste middel (reiskosten)
3.9
De gevorderde reiskosten zien blijkens de als bijlage 3 bijgevoegde schadestaat op ritten naar een fysiotherapeut, het ziekenhuis, de huisarts, school, een revalidatiecentrum, ergotherapie, de politie, de rechtbank en het hof. Het hof heeft met betrekking tot de schadepost reiskosten geoordeeld dat enkel de kosten die zijn gemaakt voor het vaststellen van de schade of aansprakelijkheid (als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW) voor vergoeding in aanmerking komen. Van de gevorderde € 188,08 wordt een bedrag van € 70,77 toegewezen. Het overige bedrag van € 117,31 wijst het hof af. Het hof expliciteert niet welke posten van de reiskosten die zijn aangevoerd wel en welke niet voor vergoeding in aanmerking komen, maar houdt het bij de vermelding van het toe te kennen bedrag. Ik ben het met de steller van het middel eens dat op basis van de toegekende bedragen en de overwegingen van het hof niet met voldoende zekerheid te achterhalen is welke posten het hof heeft toegewezen en welke niet. Het oordeel van het hof is op dit punt daarom niet toereikend gemotiveerd.
3.1
Het is de vraag of het voorgaande tot cassatie moet leiden. Met deze cassatieklacht wordt geklaagd dat het hof een bedrag van € 124,12 aan schadevergoeding had moeten toewijzen [3] in plaats van € 70,77. In cassatie gaat het dus nog om een bedrag van (€ 124,12 - € 70,77 =) € 53,35. Dat betreft 00,24% van de oorspronkelijke vordering van € 22.000,12. Mijns inziens geldt hier dat de benadeelde partij een (te) gering financieel belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden. [4]
3.11
Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden.
Het tweede middel (verlies van arbeidsvermogen)
3.12
Voorafgaand aan de bespreking van dit middel merk ik op dat de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel rusten op de benadeelde partij. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. [5]
3.13
De onderbouwing van deze schadepost bevat twee bijlagen. In de eerste (productie 7) zijn salarisspecificaties over de maanden augustus en september van 2019 opgenomen. In augustus 2019 heeft de benadeelde partij 2 dagen gewerkt, in september 2019 in het geheel niet. De tweede bijlage (productie 8) is een foto van een document dat is ondertekend, kennelijk door de werkgever van de benadeelde partij, met daarop een opsomming van ‘Normale werkdagen (zaterdagen)’ en ‘Vakantie dagen’. Daarboven staat geschreven ‘Werk uren [slachtoffer] die hij niet heeft kunnen maken wegens letsel’.
3.14
Bij de beoordeling van de vordering op dit punt heeft het hof onderscheid gemaakt tussen normale werkdagen en vakantiedagen. Ten aanzien van de normale werkdagen stelt het hof vast dat duidelijk is dat de benadeelde partij die dagen inderdaad zou hebben gewerkt en dat hij per dag zeven werkuren zou hebben gemaakt. Volgens het hof is echter niet vast te stellen of en hoeveel dagen of uren de benadeelde partij in de vakantieperiode zou hebben gewerkt. Daarom wijst het hof alleen vergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen op de normale werkdagen toe en wijst het de vordering voor het overige af. In deze overwegingen ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering ten aanzien van het verlies van arbeidsvermogen wat betreft de gestelde vakantiedagen te onderbouwen, maar de gegrondheid van de vordering in zoverre niet in voldoende mate is komen vast te staan. [6] Gelet op de inhoud van dit gedeelte van de vordering en hetgeen ter onderbouwing ervan naar voren is gebracht, komt dat oordeel mij niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd voor.
3.15
Het tweede middel faalt.
Het derde middel (studievertraging)
3.16
Het derde middel klaagt in essentie dat het op basis van wat namens de benadeelde partij is aangevoerd aannemelijk is dat hij studievertraging heeft opgelopen en – zo begrijp ik – dat het hof de vordering op dit punt daarom had moeten toewijzen in plaats van niet-ontvankelijk verklaren.
3.17
Het hof heeft vastgesteld dat uit het schade-onderbouwingsformulier weliswaar blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van ziekte veel afwezig was in het schooljaar 2019/2020 en niet in staat is gebleken de opgelopen achterstanden in te halen, maar dat ook blijkt dat de benadeelde partij in 2015 van de trap is gevallen, daardoor een trauma heeft opgelopen en dat het bewezen verklaarde feit die klachten heeft doen toenemen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat die omstandigheden maken dat niet is vast te stellen of, wanneer, hoe en in welke mate de gestelde studievertraging rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt. Het hof heeft de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering op dit punt gemotiveerd door te overwegen dat nader onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarin ligt als kennelijk oordeel van het hof besloten dat het hof het niet verzekerd acht dat partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. [7] Gelet op de aard en inhoud van dit gedeelte van de vordering en de onderbouwing daarvan, acht ik dat niet onbegrijpelijk.
3.18
Het derde middel faalt.
Het vierde middel (immateriële schade)
3.19
Bij de beoordeling van dit middel is het volgende van belang. Op grond van art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW bestaat een recht op vergoeding van geleden immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van een strafbaar feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechter stelt de omvang van de immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt vast op basis van ‘billijkheid’ aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke verdachte te maken verwijt. In het geval sprake is van lichamelijk letsel spelen ook de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer een rol. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. [8] De begroting van deze schade is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zij is sterk met de feiten verweven en kan in zoverre in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst, terwijl de rechter daarbij ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. [9]
3.2
Met het vierde middel wordt geklaagd dat het niet duidelijk is waarom het hof € 1.000,- minder heeft toegekend dan is gevorderd, waarom het niet is meegegaan in de vergelijkbare gevallen die ter onderbouwing van de vordering zijn ingediend en op welke vergelijkbare gevallen het hof zijn oordeel dan wel heeft gebaseerd. Het hof heeft op grond van art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW immateriële schadevergoeding toegekend omdat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit een kaakbreuk heeft opgelopen. De omvang van de schade heeft het hof naar billijkheid begroot op € 1.500,-. Door de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen heeft het hof naar het mij voorkomt de juiste maatstaf aangelegd. Het hof heeft vervolgens door te overwegen dat “(g)elet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend” ervan blijk gegeven de relevante omstandigheden bij de begroting van de schade te hebben betrokken.
3.21
Gezien hetgeen is aangevoerd en mede in aanmerking genomen de terughoudendheid waarmee de Hoge Raad het aan de feitenrechter toekomende oordeel met betrekking tot de begroting van de schade toetst, acht ik de begroting van de schade op een bedrag van € 1.500,- niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof was daarbij niet gehouden te expliciteren welke vergelijkbare gevallen het precies in aanmerking heeft genomen.
3.22
Ook het vierde middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel van de verdachte faalt. Omdat het middel gaat over de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [10] Het eerste middel van de benadeelde partij kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Ook de overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 23 januari 2026 is overschreden. Gelet op de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf en de mate van overschrijding kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. [11] Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
2.Noot VS: de pleitnota houdt wat betreft de vordering van de benadeelde partij slechts een verzoek in om de in eerste aanleg ten overstaan van de politierechter voorgedragen pleitnota voor zover betrekking hebbende op de vordering van de benadeelde partij als voorgedragen te beschouwen, maar het proces-verbaal houdt niet in dat het hof daarmee heeft ingestemd. Ik laat dat om die reden verder buiten beschouwing.
3.Ik citeer uit de schriftuur: “De reiskosten van en naar de inhoudelijke behandelingen zijn ter zitting ingetrokken aangezien de benadeelde daar niet bij aanwezig is geweest. Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze kosten vallen onder proceskosten en niet onder reiskosten. Dit betreft twee maal € 31,98 = € 63,96. Dan resteert nog een bedrag van € 188,08 - € 63,96 = € 124,12.”
4.Vgl. HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:183 en HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1558. Tot op heden heeft de Hoge Raad een beroep op die grond afgedaan in gevallen waarin het ging om bedragen van € 14,- en om € 6,-.
5.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
6.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
7.Vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
8.HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:97, rov. 2.3; HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
9.HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358,
10.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
11.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2. Er is een gevangenisstraf opgelegd van een beperkt aantal weken die, bij een overschrijding van minder dan zes maanden bij vermindering op basis van de percentages genoemd in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,