Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
44. Een proces-verbaal van 24 juni 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pag. 105 e.v. zaaksdossier € 230.000).
c. Feit 2 (zaaksdossier ‘Phone en Tone’)
Enkele minuten later, om 14:08 uur, komt [verdachte] de flat weer uitlopen. Hij draagt een grijze plastic tas van de winkel Gall & Gall. Hij stapt in de Nissan met het [kenteken 1] en rijdt naar de belwinkel Phone en Tone aan de [d-straat 1] te [plaats] . Om 14:38 uur loopt hij bij de Nissan vandaan met in zijn rechterhand een Gall & Gall plastic tasje. Hij gaat de winkel in en komt vrijwel direct weer naar buiten zonder het tasje. Hij rijdt vervolgens weg.
PHvK] af dat ook [medeverdachte 1] betrokken was bij en wetenschap had van deze geldtransactie. Hij communiceert immers na die transactie met [verdachte] , die van hem instructies krijgt om alsnog het eurobiljet met het serienummer te verkrijgen. [medeverdachte 1] heeft ondertussen ook contact met NN73, die hem zegt: ‘Als er geen serienummer is dan wordt er niet geleverd en onze kwitantie dat zijn het biljet en de foto’. Verder pingt [medeverdachte 1] het exacte bedrag aan NN73.
5 Feit 3 (medeplegen witwassen € 230.000)
PHvK) voorhanden hebben en overdragen van € 89.230,-, wordt in cassatie niet bestreden. Hetzelfde geldt voor de onder 5 bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie (waarvan ook [medeverdachte 1] deel uitmaakt,
PHvK) die tot oogmerk heeft het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne.
PHvK) voorhanden heeft gehad. De verdachte zou geen feitelijke zeggenschap over de tas en het geld hebben gehad. Het geld zou toebehoren aan [medeverdachte 1] , die van dit geld afwist en er ook over kon beschikken. De verdachte zou slechts wetenschap (in de zin van: zich bewust zijn) hebben gehad van de aanwezigheid van de tas en niet van de inhoud van de tas. Het onder 2 ten laste gelegde (mede)plegen van witwassen ondersteunt volgens de raadsman de stelling dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap over de tas en het geld kon uitoefenen, nu uit de voor die zaak relevante feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte hiërarchisch onder [medeverdachte 1] staat en alleen maar iets mag doen als hij daartoe opdracht krijgt. Volgens de raadsman kan [medeverdachte 1] als pleger worden aangemerkt en is ten aanzien van de verdachte noch van plegen noch van medeplegen sprake. Daarbij komt dat uit het getuigenverhoor van de [medeverdachte 1] van 4 april 2024 blijkt dat hij niet met de verdachte heeft gedeeld wat er in de tas zat, terwijl gelet op de positie waar de tas zich bevond – achter de passagiersstoel – voor de verdachte niet zichtbaar was wat er in die tas zat.
NJ2024/123 m.nt. Jörg opgenomen:
NJ2022/316 m.nt. Lindenberg, over de vraag of het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen uit de door het hof gebruikte bewijsvoering kon worden afgeleid. Het hof had vastgesteld dat:
NJ2014/76 m.nt. Borgers, waarin de verdachte wegens het medeplegen van witwassen van een auto en bijbehorend kentekenbewijs was veroordeeld. Het hof had vastgesteld dat de verdachte, nadat hij van de politie een stopteken had gekregen en toen van de medeverdachte hoorde dat de auto die hij – de verdachte – bestuurde was gestolen, met deze auto nog 1 à 1,5 minuut is doorgereden. Het oordeel van het hof dat de verdachte over de auto en het zich daarin bevindende kentekenbewijs zodanige feitelijke zeggenschap had dat hij die voorwerpen in de zin van art. 420bis Sr “voorhanden heeft gehad” hield in cassatie stand. Dat het vereiste dat men feitelijke macht moet hebben niet zwaar lijkt te worden ingevuld, illustreert in feite A-G Wortel nu hij juist tot vernietiging concludeerde omdat “het oordeel dat de verdachte door één à anderhalve minuut door te rijden een zodanige zeggenschap over de auto heeft uitgeoefend dat hij het in de zin van art. 420bis Sr ‘voorhanden heeft gehad’” zijns inziens “niet zonder meer begrijpelijk” was, “ook omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zo handelde met het doel zelf aan de politie te ontkomen.”
NJ2019/298 m.nt. Rozemond (r.o. 2.3.2 en 2.3.3) – over het bewijs van het in art. 420bis lid 1 onder b Sr opgenomen bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”. Het hof gaat vervolgens in op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van het in het beoordelingskader genoemde “vermoeden van witwassen” en beantwoordt die vraag bevestigend. Ook gaat het hof overeenkomstig genoemd beoordelingskader in op de vraag of [medeverdachte 1] en de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld hebben gegeven. Die vraag beantwoordt het hof voor de [medeverdachte 1] ontkennend, terwijl het hof ten aanzien van de verdachte vaststelt dat de verdachte geen verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven omdat hij heeft verklaard dat hij niet wist wat er in de tas zat.
PHvK) moest brengen.