Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
(i) op 30 januari 2017 bij een onderzoek in een woning te Amsterdam nabij de woning een auto met het Duitse kenteken [kenteken 1] werd aangetroffen met daarin een verborgen ruimte, bij dat onderzoek onder meer een persoon genaamd [betrokkene 3] werd aangehouden en in die woning een kopie van het legitimatiebewijs van de verdachte werd aangetroffen;
(ii) voornoemde auto op naam stond van [betrokkene 4], op wiens naam meerdere openstaande boetes bleken te staan, onder meer begaan met een auto met het Duitse kenteken [kenteken 2];
(iii) op 1 juli 2017 de verdachte werd aangetroffen als bestuurder van de auto met het kenteken [kenteken 2], die hij had gekocht, maar waarvan hij niet de kentekenhouder was;
(iv) de verdachte zonder nader vragen te stellen terstond actie heeft ondernomen om openstaande boetes te voldoen waarvoor de door hem gekochte, maar niet op zijn naam overgeschreven auto stond gesignaleerd;
(v) in een verborgen ruimte onder deze auto een geldbedrag van € 923.190, een horloge van het merk Rolex met een waarde van ongeveer € 23.100 en een gouden ketting werden aangetroffen;
(vi) voornoemde [betrokkene 3] deel uitmaakte van het gezelschap dat, na een telefoontje van de verdachte, verscheen met geld om de op de auto openstaande boetes te betalen.
Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat onder de hiervoor omschreven omstandigheden van de verdachte een redelijke verklaring mag worden gevergd voor het aantreffen van het geld en de voorwerpen in zijn auto, en dat het in dat verband door de verdachte geschetste scenario - erop neerkomend dat iemand zonder dat de verdachte daarmee bekend was de auto had uitgerust met een bergplaats waarin zich ruim € 900.000 en enkele waardevolle voorwerpen bevonden - niet geloofwaardig is. Gelet hierop en in het licht van hetgeen is vooropgesteld onder 2.4, is het oordeel van het hof dat de verdachte wist of moet hebben geweten van wat er zich in zijn auto bevond, in welk oordeel besloten ligt dat het niet anders kan dan dat de verdachte deze voorwerpen bewust aanwezig en derhalve voorhanden heeft gehad, niet onbegrijpelijk.
3.Beslissing
21 april 2020.