Conclusie
1.Feiten
2 GEGEVENS BIJ DE OPDRACHT
9.BEANTWOORDING VAN DE VRAAGSTELLING
weg te kwijnen”.
1.4.4 Prijs/verdienmodel
A-G] vertelde dat aan Klaverblad de gevraagde cijfers over zijn bedrijf zijn toegestuurd. Aan mij zijn door Klaverblad de aangiften IB gestuurd over de jaren 2017-2019 beschikbaar gesteld. Deze heb ik met betrokkene besproken; (...).
U werkt nog steeds 7,5 uur als conciërge in de loods van het bedrijf van uw vrouw?” waarop [eiser] heeft geantwoord “
Ja”. De schadebehandelaar van Klaverblad heeft ook gevraagd of de 7,5 uur al meer was geworden, waarop [eiser] heeft aangegeven dat dit niet het geval was.
incident” betrof. [eiser] heeft niet gereageerd op een opmerking van [onderzoeksbureau] dat [eiser] kennelijk kon autorijden over oneffen terrein. [eiser] gaf aan een juridisch adviseur te willen raadplegen. Klaverblad heeft [betrokkene 2] gevraagd of [eiser] hem wijzigingen van werkzaamheden had doorgegeven, waarop [betrokkene 2] heeft aangegeven dat [eiser] hem had verteld dat zijn werkzaamheden opgevoerd zouden worden, maar dat daarbij niet is gesproken over een wijziging van de aard van de werkzaamheden.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Grief 1: was de observatie onrechtmatig?
Grief 2: is sprake van opzettelijke misleiding
tijdensde observatie (op 8 oktober 2020) telefonisch aan haar heeft gemeld dat hij maximaal 2,5 uur per dag in een loods werkte als conciërge, waarbij hij voorbereidende werkzaamheden deed door spullen/gereedschap klaar te leggen. Uit het observatieverslag blijkt dat [eiser] hele dagen werkzaam is geweest op nieuwbouwlocaties en dat hij daar allerlei voorkomende bouwwerkzaamheden heeft verricht, waaronder het sjouwen met bouwmateriaal en het opbouwen van een muur.
A-G] wel de kwaliteit heeft om dit – bedoeld is het tegelwerk – te doen (zie ro[.] 3.1 onder n en o van dit arrest [12] ). Het is ook [eiser] geweest die de claim heeft ingediend en daarbij heeft vermeld dat hij tegelzetter was. In dit licht acht het hof een enkele betwisting onvoldoende. Het had op de weg van [eiser] gelegen om deze betwisting nader te onderbouwen (zo is niet duidelijk wie dan wei het tegelwerk heeft uitgevoerd en gedeclareerd en of deze persoon aansprakelijk is gesteld). Mocht in de stellingen van [eiser] op dit punt eveneens een bewijsaanbod moeten worden gelezen, dan wordt dit gepasseerd omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
3.Inleidende beschouwingen
Achmea/R.heeft Uw Raad daarbij een kader geschetst: [13]
feitenonderzoekis het onderzoek dat wordt ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van de betrokkene die nodig zijn voor de beoordeling van een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie, terwijl het
persoonlijk onderzoekwordt omschreven als het onderzoek naar gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden en of bijzondere onderzoeksmiddelen worden gebruikt, dat inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. [20]
verzekeringsfraudeof andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan.’’
Achmea/Rklaagde Achmea in cassatie dat het hof uitging van een onbegrijpelijke uitleg van de GPO, door te overwegen dat eerst plaats is voor het instellen van een persoonlijk onderzoek indien sprake is van een structureel weigeren van de verzekerde om medewerking te verlenen aan de behandeling van de schademelding en dat van gerede twijfel leidend tot een redelijk vermoeden van fraude sprake is als bij de verzekeraar het vermoeden is gerezen en ook in redelijkheid heeft kunnen rijzen, dat de verzekerde de verzekeraar – op welke wijze dan ook – bij de uitvoering van de schadebehandeling grondig en/of structureel misleidt of heeft misleid. [21] Volgens Achmea heeft het hof hiermee onvoldoende recht gedaan aan de beoordelingsmarge van de verzekeraar. Uw Raad merkte over ’s hofs maatstaf in rov. 5.3.2 van het arrest
Achmea/Rhet volgende op:
gerechtvaardigd belang. Fraude, oplichting of ander onrechtmatig gedrag tegengaan wordt door de Autoriteit Persoonsgegevens als gerechtvaardigd belang genoemd. [37] Het belang moet actueel, concreet en rechtstreeks zijn. [38] Daarnaast moet de verwerking
noodzakelijkzijn om dit belang te behartigen. Hiervan is sprake als het doel niet op een andere manier bereikt kan worden, die minder ingrijpend is voor de betrokkenen (subsidiariteit) én het doel van de verwerking in verhouding staat tot de inbreuk op de privacy van de betrokkenen (proportionaliteit). [39] Ten slotte moet de verzekeraar een afweging maken tussen zijn belangen en de belangen van de betrokkenen. [40]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
sub)onderdeel 1a tot en met 1den richt zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.4.1.-3.4.7., waarin het hof heeft overwogen en geoordeeld dat Klaverblad terecht tot het persoonlijk onderzoek is overgegaan en het oordeel van de rechtbank, dat de door [eiser] gevorderde verklaring voor recht dat Klaverblad jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld wordt afgewezen, zal worden bekrachtigd.
onderdeel 1aheeft het hof in rov. 3.4.1.-3.4.7. ten onrechte slechts de door de rechtbank onder rov. 5.9. van het tweede tussenvonnis (van 15 februari 2023) gehanteerde maatstaf overgenomen en toegepast. Het hof heeft aldus miskend in het licht van het grievenstelsel dat artikelen 1-3 en 7.1 van de GPO onderdeel waren van die maatstaf, omdat de rechtbank in rov. 5.10. – in hoger beroep onbestreden – heeft overwogen dat met de GPO is beoogd invulling te geven aan de onder rov. 5.9. weergegeven maatstaf en partijen deze bepalingen uit de GPO in de procedure eveneens tot uitgangspunt hebben genomen. De beslissing van Klaverblad om een persoonlijk onderzoek en meer specifiek een observatie te doen uitvoeren, diende door het hof dan ook kenbaar aan de in de GPO uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit te worden getoetst, aldus het onderdeel.
onderdeel 1bheeft het hof, voor zover het heeft verzuimd te toetsen aan de genoemde bepalingen van de GPO dan wel meende daar niet toe gehouden te zijn, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm zoals besloten in art. 6:162 lid 2 BW Pro en de daarmee samenhangende jurisprudentie van Uw Raad, aangezien Uw Raad ter invulling van die norm heeft overwogen dat ‘tot uitgangspunt’ kan worden genomen dat sprake is van een ongerechtvaardigde, en derhalve onrechtmatige, inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde, indien een verzekeraar in strijd met de GPO handelt. Het onderdeel verwijst hierbij naar het arrest
Achmea/R. [53]
onderdeel 1a, omdat het hof niet heeft verzuimd te toetsen aan de door de rechtbank gehanteerde – aan het arrest
Achmea/R.ontleende – maatstaf en de uitwerking van de daarin opgenomen belangenafweging in de GPO (zie randnummer 4.8).
onderdeel 1cbovendien verzuimd op een voldoende kenbare wijze te responderen op relevante stellingen van [eiser] in het kader van het subsidiariteitsbeginsel. Het hof heeft daarmee het grievenstelsel (ex art. 347 Rv Pro, art. 24 en Pro/of art. 149 Rv Pro) miskend, omdat het partijdebat nadrukkelijk in het licht van dit beginsel is gevoerd. Het onderdeel verwijst daarbij naar de stellingen die [eiser] heeft ingenomen in randnummers 40., 42., 44. en 48. van de memorie van grieven. Bovendien is volgens
onderdeel 1dzonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk en aanvaardbaar dat het hof de stellingen van [eiser] in het kader van zijn beroep op het subsidiariteitsbeginsel niet heeft betrokken in zijn oordeelsvorming.
onderdeel 1c en 1dlenen zich voor gezamenlijke behandeling en dienen naar mijn oordeel te falen. Ik zal dit toelichten.
onderdeel Ifalen.
sub)onderdeel 2a en 2ben richt zich met verschillende rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 3.5.1.-3.5.5., waarin het hof heeft overwogen en beslist dat Klaverblad voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke misleiding.
onderdeel 2aheeft het hof bij de beantwoording van de vraag of [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW Pro bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden ten onrechte niet, althans niet voldoende kenbaar, getoetst of [eiser] daarbij de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt. Aldus geeft het hof volgens het onderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de leden 2 en 5 van art. 7:941 BW Pro en de jurisprudentie van Uw Raad in dit verband. [54]
zowel qua locatie, tijdsduur en omvang’’ tijdelijk wijzigden (rov. 3.5.1.).
tijdensde observatie telefonisch aan Klaverblad heeft gemeld dat hij maximaal 2,5 uur voorbereidende werkzaamheden als conciërge verrichtte in een loods, terwijl uit het observatieverslag is gebleken dat [eiser] hele dagen werkzaam is geweest op nieuwbouwlocaties en daarbij allerlei voorkomende bouwwerkzaamheden heeft verricht en dat [eiser] dit telefoongesprek niet heeft betwist en tijdens het confrontatiegesprek heeft verklaard dat de weergave van Klaverblad van de door [eiser] gegeven inlichtingen juist was – voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan
opzettelijke(cursivering van mij) misleiding én dat de door [eiser] aangevoerde stellingen niets afdoen aan dit oordeel.
opzettelijkemisleiding door [eiser] , ligt dan ook besloten dat [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW Pro bedoelde mededelingsplicht de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt. Het hof heeft bij de vraag of [eiser] met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW Pro bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden naar ik meen dan ook wel degelijk getoetst of [eiser] daarbij de bedoeling heeft gehad de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.
onderdeel 2bheeft het hof in de bestreden overwegingen, in het kader van de vraag of [eiser] het opzet heeft gehad om Klaverblad te misleiden in de zin van art. 7:941 lid 5 BW Pro, het grievenstelsel miskend door in zijn overwegingen geen (kenbare) aandacht te besteden aan de navolgende stellingen van [eiser] uit de eerste aanleg:
tijdensde observatie telefonisch aan Klaverblad heeft gemeld dat hij maximaal 2,5 uur voorbereidende werkzaamheden als conciërge verrichtte in een loods, terwijl uit het observatieverslag is gebleken dat [eiser] hele dagen werkzaam is geweest op nieuwbouwlocaties en daarbij allerlei voorkomende bouwwerkzaamheden heeft verricht, dat [eiser] dit telefoongesprek niet heeft betwist en tijdens het confrontatiegesprek heeft verklaard dat de weergave van Klaverblad van de door [eiser] gegeven inlichtingen juist was – voldoende onderbouwd heeft betoogd dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan
opzettelijke(cursivering van mij) misleiding én dat de door [eiser] aangevoerde stellingen niets afdoen aan dit oordeel.
onderdeel 2falen.
onderdeel 3ais in het licht van de gedingstukken zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet voldoende begrijpelijk dat het hof in rov. 3.5.4. heeft overwogen dat de enkele betwisting van [eiser] van de stelling dat hij de claim bij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft ingediend, onvoldoende is en dat niet duidelijk wordt ‘wie dan wel’ het tegelwerk heeft uitgevoerd en gedeclareerd en of deze persoon aansprakelijk is gesteld. Deze overwegingen zijn volgens het onderdeel niet verenigbaar met de stelling van [eiser] – onder verwijzing naar een ondertekende verklaring van zijn zwager – dat zijn zwager het tegelwerk in november 2017 in opdracht van [eiser] (in de vorm van onderaanneming) heeft uitgevoerd en de werkzaamheden door het bedrijf van [eiser] zijn gedeclareerd. [61]
onderdeel 3bniet voldoende begrijpelijk dat het hof in rov. 3.5.4. aansluiting heeft gezocht bij de mailcorrespondentie met [betrokkene 1] , waarin vermeld is dat [eiser] wel de kwaliteit heeft om de tegelwerkzaamheden te doen, aangezien [eiser] daarover heeft gesteld dat dit niets zegt over de vraag wie de tegelwerkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. [64]
onderdeel 3c, inhoudende dat met het slagen van één of meer klachten van de onderdelen 3a en 3b de overweging van het hof onder 3.5.4., inhoudende dat Klaverblad het werken van [eiser] als tegelzetter in de hier relevante periode in 2017 voldoende heeft onderbouwd met correspondentie waarin ‘duidelijk wordt gerefereerd aan de persoon van [eiser] ’, evenzeer geen stand kan houden, faalt in het spoor van de klachten van onderdeel 3a en 3b.
onderdeel 3falen.
onderdeel 4faalt.
onderdeel 5deelt het lot van de andere klachten.