ECLI:NL:PHR:2025:600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging veroordeling bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht via indirecte communicatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat de veroordeling van de verdachte wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht bevestigde. De bedreiging werd geuit tegenover een reclasseringsmedewerker, waarna deze melding maakte bij de politie, die de bedreigde op de hoogte bracht.
De kern van het geschil was of het opzet van de verdachte voldoende was gemotiveerd, met name of hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bedreigde de bedreiging via derden zou vernemen. De Hoge Raad overwoog dat voor strafbaarheid niet vereist is dat de bedreiging rechtstreeks aan het slachtoffer is gericht, maar wel dat het slachtoffer daadwerkelijk op de hoogte is geraakt en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
De Hoge Raad vond dat het hof de motivering omtrent het voorwaardelijk opzet toereikend had gegeven, mede gelet op de context van het reclasseringscontact en de aard van de bedreiging. Daarnaast werd erkend dat de procedurele termijnoverschrijding niet tot niet-ontvankelijkheid leidt gezien de lichte straf. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht bevestigd.