Conclusie
1.Inleiding
Weald Leasing [2] niet af dat een abnormaal lage vergoeding op zichzelf bezien misbruik van recht kan opleveren. Bovendien zijn de onderhavige zaken volgens het Hof op twee punten verschillend van
Weald Leasing. De enkele omstandigheid dat de leveringen van de auto’s hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die belangrijk lager was dan de werkelijke waarde van de auto is onvoldoende voor het aannemen van misbruik van recht. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat de door partijen overeengekomen vergoedingen het resultaat zijn van misbruik. De afwezigheid van een duidelijk samenstel van transacties en van een zuiver kunstmatige constructie duidt er volgens het Hof juist op dat in deze gevallen géén situaties aan de orde zijn die onder het leerstuk van misbruik van recht vallen.
Middel 1betoogt dat de levering van de auto geen prestatie onder bezwarende titel is.
Middel 2betoogt dat het verkapt dividend moet worden gerekend tot de vergoeding voor de levering van de auto.
Middel 3betoogt dat sprake is van misbruik van recht.
middel 1) kom ik in de onderdelen 4.1-4.31 van deze conclusie tot de slotsom dat de bestreden oordelen op twee punten blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft namelijk ten eerste niet gemotiveerd op basis waarvan het steeds een rechtstreeks verband tussen de betaalde verkoopprijs en de levering van de auto aanwezig achtte en heeft daarbij mijns inziens ook het arrest
Lajvér [3] onjuist toegepast (4.4). Ten tweede gaat het oordeel dat een motief van belastingbesparing niet afdoet aan het rechtstreeks verband tussen prestatie en vergoeding mijns inziens voorbij aan de arresten
Commissie/Finland [4] en
Lajvér. In de onderhavige zaken hebben belanghebbenden ter zitting van het Hof meermaals toegegeven dat uitsluitend het motief belasting te besparen een rol heeft gespeeld bij het bepalen van de vergoeding (4.6). In zo’n geval kan het niet anders dan dat de vergoeding in belangrijke mate (in casu zelfs alleen) afhankelijk is van een andere factor dan de waarde van de levering, hetgeen ook zijn weerslag vindt in de hoogte van de vergoeding (4.7-4.9). Ik concludeer daarom dat de leveringen van de auto’s niet onder bezwarende titel hebben plaatsgevonden. Middel 1 is dus in zoverre terecht voorgesteld.
middel 2voert, namelijk of in de onderhavige zaken ook buiten het ontbreken van een bezwarende titel en buiten het ontbreken van misbruik van recht de maatstaf van heffing kan worden aangepast, kom ik in onderdeel 4 van de Bijlage tot de conclusie dat daarvoor geen ruimte is. In dat geval wordt te zeer een inbreuk gemaakt op de subjectieve waarde als beginsel van de Btw-richtlijn, en in het bijzonder het beginsel dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd, indachtig dat uitzonderingen op deze beginselen strikt moeten worden uitgelegd.
middel 3: in onderdeel 1.9 van de Bijlage heb ik mijn rechtskundige bevindingen omtrent de toepassing van het leerstuk van misbruik van recht in gevallen als de onderhavige weergegeven. In dat onderdeel zijn ook de vindplaatsen weergegeven waarin deze bevindingen verder worden onderbouwd. Ik kom in de onderdelen 4.33-4.37 van deze conclusie tot de volgende slotsom betreffende het middel. Het betoogt terecht dat een samenstel van transacties (inhoudende een meervoudigheid van handelingen) geen vereiste is om misbruik van recht te kunnen aannemen. Ook betoogt het middel terecht dat, gegeven de feiten die het Hof heeft vastgesteld, het oordeel dat geen sprake is van een dergelijk samenstel onbegrijpelijk is. Het middel slaagt eveneens waar het klaagt over de uitleg van het arrest
Weald Leasingdoor het Hof. Uit dat arrest en (de voorgeschiedenis van) art. 80(1) Btw-richtlijn blijkt dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding wel degelijk kan leiden tot misbruik van recht. De verschillen die het Hof constateert tussen
Weald Leasingen de onderhavige zaken zijn onjuist, althans onvoldoende relevant, en hebben in ieder geval niet tot gevolg dat in de onderhavige zaken het hanteren van een lage vergoeding niet kan leiden tot misbruik van recht. Ook kan – voor zover het Hof dat heeft gedaan – uit het arrest
Gemeente Woerden I [5] van de Hoge Raad niet worden afgeleid dat het hanteren van een te lage vergoeding categorisch is uitgesloten als handeling die tot misbruik van recht kan leiden. Zou dat wel uit dat arrest kunnen worden afgeleid, dan geldt dat die rechtsopvatting onjuist is.
Weald Leasing,het bestaan van art. 80(1) Btw-richtlijn en de omtrent art. 80(1) Btw-richtlijn gewezen jurisprudentie, duidelijk is dat lageprijsconstructies als de onderhavige in strijd komen met doel en strekking van de Btw-richtlijn en de Wet OB, en dat deze in casu tot gevolg hebben dat de DGA’s nauwelijks omzetbelasting betalen over de privé-aankoop van hun auto’s, hetgeen leidt tot een (ten opzichte van ‘normale’ consumenten ongerechtvaardigd) omzetbelastingvoordeel.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
’s-Hertogenbosch (het Hof) stelt voorop dat tussen belanghebbenden en hun DGA’s rechtsbetrekkingen bestaan op grond waarvan over en weer prestaties zijn uitgewisseld. Niet in geschil is dat de in rekening gebrachte verkoopprijzen niet-symbolische, op geld waardeerbare tegenwaarden vormen. Het Hof oordeelt vervolgens dat de verkoopprijzen steeds de werkelijke tegenwaarde vormen voor de leveringen van de auto’s en dus steeds sprake is van een rechtstreeks verband. Vervolgens moet volgens het Hof onderzocht worden of er factoren zijn die afdoen aan het rechtstreeks verband. [11] Dat de auto’s tegen een lagere prijs zijn geleverd dan de normale marktprijs doet niet af aan het rechtstreeks verband, en hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat belanghebbenden en hun respectievelijke DGA’s aan elkaar gelieerd zijn. Dat geldt ook in het geval dat belanghebbenden en hun DGA’s bij het vaststellen van de (hoogte van de) vergoeding rekening hebben gehouden met een beoogde besparing van omzetbelasting. Ook die omstandigheid brengt niet mee dat de hoogte van een bedongen vergoeding is bepaald op basis van andere factoren die afdoen aan het rechtstreekse verband. [12]
Weald Leasing [16] af. Naar het oordeel van het Hof volgt uit
Weald Leasingniet dat een abnormaal lage vergoeding op zichzelf beschouwd misbruik van recht kan opleveren. Een belangrijk verschil tussen de onderhavige zaken en
Weald Leasingis dat het laatstgenoemde arrest een structuur betrof waarmee getracht werd de Britse wetsbepaling over toepassing van de normale waarde als maatstaf van heffing in gelieerde verhoudingen te ontwijken. Nederland heeft evenwel er uitdrukkelijk voor gekozen een dergelijke, op art. 80 Btw Pro-richtlijn gestoelde bepaling niet in haar nationale wetgeving op te nemen. Een ander belangrijk verschil met
Weald Leasingis dat in die zaak het belastingvoordeel mogelijk werd door het tussenschuiven van een niet-gelieerde vennootschap, terwijl in de onderhavige zaken de lage prijs ter beoordeling staat; van een samenstel van transacties of handelingen om het belastingvoordeel te verkrijgen is volgens het Hof in deze zaken geen sprake.
3.Het geding in cassatie
Lajvér [20] verkeerd heeft toegepast door de vraag of de overeengekomen verkoopprijs de daadwerkelijke tegenwaarde vormt, los te beoordelen van de vraag of de verkoopprijs slechts ten dele de verrichte prestatie vergoedt en/of is gebaseerd op andere factoren die afdoen aan het rechtstreeks verband. Daarmee kan de vraag worden beantwoord of de partijen bij de overeenkomst binnen de rechtsbetrekking een subjectieve waardering aan de verrichte prestatie hebben gegeven, die in de bedongen prijs tot uiting komt. De prijs moet dus vanuit het oogpunt van de partijen herleidbaar zijn tot een waardering die zij aan de prestatie geven en kan daarom niet volstrekt losstaan van de objectieve kenmerken van die prestatie. Dat, en niet dat de tegenwaarde een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde dient te zijn, heeft de Inspecteur gesteld voor het Hof. Uitgaande van een juiste toepassing van het arrest
Lajvérmoet wel worden geconcludeerd dat de verkoopprijzen in belangrijke mate zijn bepaald door de onderlinge verbondenheid van belanghebbenden met hun respectievelijke DGA’s en de opzet om de overeengekomen verkoopprijzen niet te kunnen duiden als symbolische vergoeding. Deze beide laatste factoren geven bij uitstek aan dat in de overeengekomen vergoedingen niet volledig tegenover de leveringen van de auto’s staan, aldus het middel. Er is dus geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de leveringen van de auto’s en de tegenprestatie. In dat geval leidt toepassing van de artt. 3(3)a en 8(3) Wet OB tot de conclusie dat sprake is van met leveringen onder bezwarende titel gelijkgestelde privé-onttrekkingen, waarbij voor de grondslag moet worden aangesloten bij de getaxeerde waarden van de auto’s.
Weald Leasingrelevant acht voor de vraag of een lage vergoeding op zichzelf bezien misbruik op kan leveren. Het Hof van Justitie oordeelt in
Weald Leasingjuist dat een eventueel misbruik kan schuilen in de contractvoorwaarden van de lease, in het bijzonder als de vastgestelde leasevergoeding abnormaal laag is en niet beantwoordt aan enige economische realiteit, aldus het middel. Ook legt het Hof het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2015 [22] onjuist uit. De bestreden oordelen klemmen bovendien met art. 80 Btw Pro-richtlijn: als in een lage vergoeding tussen gelieerde partijen op zichzelf nooit misbruik zou kunnen schuilen, is geen enkele op de voet van artikel 80 Btw Pro-richtlijn ingevoerde regel Unierechtelijk houdbaar, aangezien die bepaling alleen toestaat om regels in te voeren die geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn bij het bestrijden van fraude of misbruik. Dit een en ander maakt ook dat de bewijsoordelen die in punt 4.16 van de bestreden uitspraken staan (zie 2.15), niet op hun plaats zijn.
Lajvérte ruim uitlegt. Anders dan in
Lajvéris in de onderhavige gevallen steeds sprake van één prestatie waarvoor één vergoeding is bedongen, die ook daadwerkelijk is betaald. Het Hof heeft geen misbruik van recht vastgesteld, zodat de contractuele bepalingen leidend zijn voor de heffing van omzetbelasting. [24] Voor het overige onderschrijven belanghebbenden de bestreden oordelen.
4.Beoordeling van de middelen
Middel 1
Lajvér. [28] Ik meen echter dat het Hof niet de juiste volgorde aanhoudt: de vragen of de vergoeding niet slechts ten dele de verrichte levering vergoed en de hoogte ervan is gebaseerd op andere factoren, zijn juist vragen die moeten worden beantwoord om vast te kunnen stellen of sprake is van een rechtstreeks verband. Nu zou kunnen worden betoogd dat de volgorde niet zo veel uitmaakt, zolang het Hof de vragen alsnog meeneemt in zijn beoordeling. Niettemin lijkt het erop dat het Hof als uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van een rechtstreeks verband omdat de verkoopprijs de
werkelijketegenwaarde vormt – terwijl dat eigenlijk een oordeel vormt dat moet worden gemotiveerd – en daarna heeft beoordeeld of er factoren zijn aan dat uitgangspunt afdoen. In zoverre kleeft dus een motiveringsgebrek aan de oordelen.
.
Dat geldt ook in het geval dat de verkoper en de koper bij het vaststellen van de tegenprestatie rekening hebben gehouden met een beoogde besparing van omzetbelasting. Die omstandigheid brengt dus niet mee dat de hoogte van een bedongen vergoeding is bepaald op basis van andere factoren, die afdoen aan het hiervoor bedoelde rechtstreekse verband.
.Voor de omzetbelasting betekent het voorgaande dat in het geval de transacties waarop de belastingplichtige het recht op aftrek heeft gebaseerd misbruik van recht vormen, hem het recht op aftrek wordt ontzegd.”
Commissie/Finland [30] en
Lajvérgeformuleerde toets dat aan een rechtstreeks verband wel degelijk in de weg kan staan dat de vergoeding is gebaseerd op andere factoren dan de waarde van de verrichte tegenprestatie. [31] Nu doet zich in de onderhavige zaken een voor de gedachte- en rechtsvorming interessant geval voor. Ter zitting van het Hof – er is één proces-verbaal voor de drie zaken – heeft de belanghebbende in kwestie (desgevraagd) bevestigd dat de
enigefactor die bij de prijsstelling in aanmerking is genomen, de wens is om belasting te besparen zonder onder de grens van een symbolische vergoeding te zakken: [32]
nietde mening van enige annotatoren deelde dat belastingbesparing een andere factor was in de zin van
Lajvér. Ik schreef daarbij wel dat dit anders zou kunnen zijn als de tegenprestatie zodanig is vastgesteld dat exact een bepaalde besparing wordt behaald of precies bepaalde (transactie)kosten worden vergoed. Destijds had ik nog niet situaties als de onderhavige voor ogen, maar naar mijn inzicht vormen deze een schoolvoorbeeld van situaties waarin belastingbesparing in de weg staat aan het rechtstreeks verband.
nietvan toepassing zou zijn, de uitkomst is dat het niet gaat om belaste prestaties en dus in het geheel geen omzetbelasting verschuldigd is over de leveringen van de auto’s. Indien het recht op aftrek ook niet meer gecorrigeerd kan worden, zou de Staatssecretaris in dat geval ‘verder van huis’ zijn door het bestaan van een bezwarende titel te betwisten.
Fischer & Brandensteinoverweegt dat de voorloper van art. 16 Btw Pro-richtlijn, art. 5(6) Zesde richtlijn [34] , tot doel heeft ongerechtvaardigde voordelen van ondernemers ten opzichte van consumenten te voorkomen: [35]
Marinovhet volgende geoordeeld: [36]
eigenprivé-doeleinden kan bestemmen. Wat daar ook van zij, dat neemt niet weg dat ook een rechtspersoon goederen aan het bedrijf kan onttrekken en voor privé-doeleinden van haar personeel kan bestemmen, goederen om niet kan verstrekken of goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden kan bestemmen. Bovendien noemt art. 3(3)a Wet OB ‘een ondernemer’ als subject van de bepaling, en maakt de bepaling geen onderscheid tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Tot slot gaat het in de jurisprudentie van het Hof van Justitie over art. 5(6) Zesde richtlijn en art. 16 Btw Pro-richtlijn die ik hierna bespreek ook regelmatig over rechtspersonen, maar die omstandigheid lijkt voor het Hof van Justitie geen beletsel te zijn om reeds daarom toepassing van die bepalingen uit te sluiten.
Scandic [40] . In die zaak ging het om een horecabedrijf waarvan de medewerkers in de kantine lunches konden kopen tegen een bepaalde prijs. De personeelsleden betaalden voor hun lunch een prijs die de door Scandic gemaakte kosten overschreed, maar in de toekomst kon de prijs onder de kostprijs komen te liggen. Zoals het Hof van Justitie schrijft, zijn de prejudiciële vragen in
Scandicmet name gesteld om “de verwijzende rechter in staat te stellen de verenigbaarheid met de bepalingen van de Zesde richtlijn te beoordelen van de Zweedse wet waarin de regels van de artikelen 5, lid 6, en 6, lid 2, sub b, van de richtlijn worden toegepast in een geval waarin voor de goederenlevering of de dienst wel een vergoeding wordt betaald, maar deze vergoeding lager is dan de kostprijs van dit goed of deze dienst”. [41] Mijns inziens zijn met name de volgende overwegingen uit
Scandichier relevant:
Campsazou kunnen worden betoogd dat het ontbreken van de bezwarende titel niet reeds ertoe leidt dat om niet wordt geleverd: [43]
free of charge. In this respect, it is irrelevant whether the consideration paid is higher or lower than the cost price. We note that if a consideration is only symbolic, that in itself does not mean that the supply must be considered to have been carried out free of charge. It follows from Scandic that if a Member State wants to rule out the risk that businesses will use symbolic considerations to prevent Article 26 VAT Directive, it should take a specific action with respect to the rules with respect to the taxable amount (see Articles 395 and 80 VAT Directive).”
Posnania Investment [45] wijst in de richting van een andere uitleg. In dat arrest gaat het om een vennootschap in de vastgoedsector die met een gemeente overeenkomt ter gedeeltelijke voldoening van een belastingschuld een onroerende zaak over te dragen. Het Hof van Justitie overweegt dat weliswaar sprake is van een rechtsbetrekking zoals deze tussen schuldeiser en schuldenaar bestaat, maar dat toch geen sprake is van een handeling onder bezwarende titel, omdat geen sprake is van een wederzijdse rechtsbetrekking. Er is namelijk geen sprake van een prestatie van de overheid en dus evenmin van een tegenprestatie van de belastingplichtige. [46] Wel kan volgens het Hof van Justitie, indien de vennootschap reeds voorbelasting over de onroerende zaak heeft afgetrokken, toepassing van art. 16 Btw Pro-richtlijn aan de orde zijn:
Posnania Investmentkan mijns inziens bezwaarlijk worden gesteld dat de vennootschap naar (in ieder geval Nederlandse) civielrechtelijke maatstaven de onroerende zaak om niet verstrekt: deze dient immers ter voldoening van een schuld en deze schuld gaat ook deels teniet door de overdracht. Dat neemt het Hof van Justitie ook mee in zijn beoordeling. Niettemin ontbreekt een prestatie van de zijde van de overheid en daarom de bezwarende titel, waarmee kennelijk de transactie toch voor btw-doeleinden als om niet wordt aangemerkt – anders zou toepassing van art. 16 Btw Pro-richtlijn niet aan de orde kunnen zijn (zie punt 24 van
Scandicin 4.20).
Mitteldeutsche Hartstein-Industrie [47] , waarin onder meer aan de orde was of de vergunning voor de exploitatie van een steengroeve die een administratie van een lidstaat eenzijdig heeft verleend de tegenprestatie vormt voor werkzaamheden tot uitbreiding van een gemeentelijke weg die een belastingplichtige zonder geldelijke tegenprestatie heeft verricht, zodat deze werkzaamheden een handeling onder bezwarende titel vormen. Het Hof van Justitie kwam tot het oordeel dat geen sprake was van een handeling onder bezwarende titel, waarbij het meewoog dat weliswaar een vergunning was verstrekt, maar deze vergunning niet de tegenprestatie is voor de werkzaamheden tot uitbreiding van de weg. Ook gaat het niet om een prestatie ‘voor niets’, het gaat wel om een prestatie om niet in de zin van art. 5(6) Zesde richtlijn:
Mitteldeutsche Hartstein-Industrieis verder af te leiden dat indien geen sprake is van onbelast eindverbruik of schending van het beginsel van gelijke behandeling, art. 5(6) Zesde richtlijn niet van toepassing is. [48] Wellicht dat daaruit zou kunnen worden afgeleid dat ‘onbelast’ als ‘geheel onbelast’ moet worden uitgelegd. Dat geeft echter geen doorslag voor de hier onderzochte vraag, want bij het ontbreken van een bezwarende titel gaat het als uitgangspunt evengoed om een onbelaste prestatie (4.12).
Danfoss & AstraZenecain het kader van het met art. 5(6) Zesde richtlijn samenhangende art. 6(2) Zesde richtlijn (zie ook punt 26 van
Campsain 4.23) wordt overwogen dat een handeling zonder daadwerkelijke tegenprestatie moet worden beschouwd als een onttrekking. [49] Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat in die zaak maaltijden zonder enige tegenprestatie werden verstrekt.
eenof
enigetegenprestatie. Dit verband is des te duidelijker omdat het Hof van Justitie overweegt dat art. 5(6) Zesde richtlijn een handeling waarvoor geen werkelijke prestatie wordt ontvangen, gelijk stelt met een onder bezwarende titel verrichte levering. [50] Het ligt mijns inziens voor de hand dat het begrip ‘werkelijke tegenwaarde’ dan ook in dat kader wordt uitgelegd en meebeweegt met de ontwikkelingen daaromtrent (bijvoorbeeld
Lajvér, 4.6). Ook dat perspectief wijst naar een uitleg waarbij ‘om niet’ aldus moet worden uitgelegd dat een bezwarende titel ontbreekt.
middel 2voert, namelijk of in de onderhavige zaken ook buiten het ontbreken van een bezwarende titel en buiten het ontbreken van misbruik van recht de maatstaf van heffing kan worden aangepast, kom ik in onderdeel 4 van de Bijlage tot de conclusie dat daarvoor geen ruimte is. In dat geval wordt te zeer een inbreuk gemaakt op de subjectieve waarde als beginsel van de Btw-richtlijn, en in het bijzonder het beginsel dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd, indachtig dat uitzonderingen op deze beginselen strikt moeten worden uitgelegd.
middel 3verwijs ik daarom in algemene zin naar dat onderdeel 1.9 van de Bijlage.
Weald Leasingdoor het Hof. Uit dat arrest en (de voorgeschiedenis van) art. 80(1) Btw-richtlijn blijkt dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding wel degelijk kan leiden tot misbruik van recht. De verschillen die het Hof constateert tussen
Weald Leasingen de onderhavige zaken zijn onjuist, althans hebben in ieder geval niet tot gevolg dat in de onderhavige zaken het hanteren van een lage vergoeding niet kan leiden tot misbruik van recht. Voor zover het Hof aan zijn beslissing ten grondslag legt dat het hanteren van een lage vergoeding
op zichzelf bezienniet tot misbruik van recht kan leiden, toetst het naar mijn inzicht de onderhavige zaken te beperkt, omdat niet slechts sprake is van het hanteren van een lage vergoeding. Er is, bijvoorbeeld, ook sprake van gelieerdheid tussen de respectievelijke partijen bij de verkopen en de afnemers zullen als privépersonen geen recht op aftrek hebben. Voor het overige kan uit het arrest
Gemeente Woerden I [51] van de Hoge Raad niet worden afgeleid dat het hanteren van een te lage vergoeding categorisch is uitgesloten als handeling die tot misbruik van recht kan leiden. Zou dat wel uit dat arrest kunnen worden afgeleid, dan geldt dat die rechtsopvatting onjuist is.
Weald Leasing,het bestaan van art. 80(1) Btw-richtlijn en de omtrent art. 80(1) Btw-richtlijn gewezen jurisprudentie, wel duidelijk is dat lageprijsconstructies als de onderhavige in strijd komen met doel en strekking van de Btw-richtlijn en de Wet OB, en dat deze in casu tot gevolg hebben dat de DGA’s nauwelijks omzetbelasting betalen over de privé-aankoop van hun auto’s, hetgeen leidt tot een (ten opzichte van ‘normale’ consumenten ongerechtvaardigd) omzetbelastingvoordeel.