Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Eerdere aanvang schuldsaneringsregeling (art. 349a lid 1 Fw)
maximaalis afgelost; bij niet-maximale aflossing is het mogelijk saldering toe te passen om de eerdere ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen. Een andere handreiking aan de schuldenaar is dat ook aflossingen onder beslag meetellen, ondanks dat dergelijke aflossingen niet ten goede zijn gekomen aan
alleschuldeisers, maar alleen aan de beslaglegger(s).
NJ-annotatie van een
“aanzienlijke versoepeling”die past bij de
“meer begripvolle manier waarop in het huidige tijdsgewricht tegen de schuldenproblematiek wordt aangekeken”. [6] Ook Wibier merkt op dat de Hoge Raad de wetswijziging heeft uitgelegd in het licht van de bedoeling daarvan, namelijk de versoepeling van het Wsnp-traject voor de schuldenaar. Volgens hem past de beslissing in de gunstige maatschappelijke ontwikkeling waarin er meer aandacht komt voor de vaak penibele positie van de schuldenaar-natuurlijk persoon. [7]
gezamenlijkeschuldeisers tot stand te brengen. [9] Engberts duidt deze beslissing als
“het meest verrassende antwoord”in de prejudiciële beslissing en spreekt op dit punt van een
“scheur in het paritas-creditorum-fundament”. [10] De auteur wijst erop dat de Hoge Raad zich realiseert dat hij op dit punt afwijkt van de rechtspraktijk en de beslissing toelicht met de overweging dat die praktijk minder goed past bij het uitgangspunt dat het erom gaat of de schuldenaar zich in het minnelijke voortraject, volgens de daar geldende normen, voldoende heeft ingespannen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Engberts signaleert vervolgens dat de belangen van de schuldeisers van wie de vordering
nietdoor beslaglegging is afgelost, hier geen gewicht in de schaal lijken te leggen. De Hoge Raad overweegt weliswaar dat de ongelijkheid tussen schuldeisers die hierdoor ontstaat niet voor rekening van de schuldenaar dient te komen, maar licht niet toe
waaromdat zo is, aldus Engberts. [11] De auteur ziet de beslissing van de Hoge Raad verder als onwenselijk, omdat de schuldsanering zo kan verworden tot een kort
“afwikkelingstraject”zonder uitdeling aan schuldeisers. Dit is óók onwenselijk omdat dit een aanmoediging kan zijn voor schuldeisers om door beslaglegging verhaal te nemen, zo signaleert overigens ook Wibier. [12]
Vraag 7
waarin een beslaglegger met € 78.795,13 van de feitelijk beschikbare € 82.391,13 ging slepen; dit terwijl volgens de normen voor het vrij te laten bedrag in totaal slechts € 57.714 had hoeven te worden afgedragen.” Volgens Verstijlen is er alle aanleiding voor de wetgever om nogmaals in te grijpen. [16]
“behoorlijk zuur”als een schuldenaar in de veronderstelling is dat hij zich aan de verplichtingen heeft gehouden en bijna bij de eindstreep is, om vervolgens te horen te krijgen dat binnen de Wsnp toch andere eisen gelden. [19]
“vergelijkbaar” hoeven te zijn met die in het wettelijke traject, constateert de auteur dat het minnelijke traject dus minder zwaar is dan het wettelijke traject, maar wel
“korting”oplevert. Dit kan een aanmoediging zijn om het minnelijke traject langer te laten doorlopen. [20]
“summier”verslag waarbij de Wsnp-bewindvoerder zich kan baseren op mededelingen van de schuldhulpverlener.
volgens de algemene normbedragenkan worden afgelost. Dat is volgens de auteurs onjuist. Het nulaanbod leidt ook tot grote ongelijkheid tussen schuldenaren, doordat personen die aflossen op betalingsverplichtingen via beslag op het inkomen moeten rondkomen van een lager bedrag dan degenen in een schuldregeling. [31]
heeft de inzet om het stelsel van de schuldenaanpak debiteurvriendelijker te maken, inmiddels ook wel haar grenzen bereikt.” [32] Ten slotte wijzen de auteurs erop dat bij een nulaanbod geen begeleidingsverplichting bestaat. Daarmee is er ook geen terugvalpreventie. Dit is anders in bijvoorbeeld Ierland, waar schuldenaren drie jaar verplicht onder toezicht staan en bij een inkomensverbetering alsnog moeten aflossen. [33]
werkelijke en noodzakelijke kostenen waarbij in lijn met de bedoeling van de wetgever altijd 5% wordt afgedragen, tenzij sprake is van (uitzonderlijke) noodzakelijke extra kosten die niet op een andere wijze vergoed kunnen worden. [34]
5.Faillissement van natuurlijke personen en de omzetting ex art. 15b Fw
“hetgeen de gefailleerde door persoonlijke werkzaamheid, of als bezoldiging wegens een ambt of bediening, of als soldij, gagement, pensioen of onderstand, gedurende het faillissement verkrijgt, indien en voorzover de rechter-commissaris zulks bepaalt”.Indien het faillissement een natuurlijk persoon betreft, dan kan voor de toepassing van deze bepaling worden aangesloten bij art. 3.7 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen, waar het vrij te laten bedrag (vtlb) is geregeld. [37] Als uitgangspunt geldt dus dat de failliet de beschikking en het beheer over zijn vermogen verliest; op dat uitgangspunt zijn enkele uitzonderingen geformuleerd in art. 21 Fw, waaronder het onder 2° genoemde inkomen dat voor zover de r-c dat bepaalt buiten het faillissement valt.
“afdrachten”gedurende het faillissement, zoals dat wel geschiedt in het minnelijke traject. Het systeem van de Faillissementswet werkt precies andersom: het gehele vermogen van de failliet behoort tot het faillissement – dit ziet zowel op het vermogen ten tijde van de faillietverklaring als op hetgeen de schuldenaar gedurende het faillissement verwerft – en de wet bepaalt wat daar bij wijze van uitzondering buiten valt. In de praktijk wordt echter vaak over
“afdrachten”gesproken, en daaraan wordt ook gerefereerd in de eerste prejudiciële vraag.
Daar moet echter tegenoverstaandat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers.” (onderstreping A-G)
binnen veertien dagenalsnog een Wsnp-verzoek kan indienen.
voordatde eigen aangifte wordt opgetekend, de aangever op de mogelijkheid van de schuldsaneringsregeling wijst. [44] Indien gelijktijdig zowel een Wsnp-verzoek als een faillissementsverzoek aanhangig is, dan bepaalt art. 3a lid 1 Fw dat de behandeling van het Wsnp-verzoek voorrang heeft en als eerste moet worden behandeld. Op grond van het tweede lid wordt het verzoek tot faillietverklaring geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist op het Wsnp-verzoek, en bij toepassing van de Wsnp komt op grond van het derde lid het faillissementsverzoek van rechtswege te vervallen. [45]
“een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen”worden aangehecht (sub f).
“en dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen”berust op een misverstand, en dat voldoende is dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw kan aanbieden. [55]
verkortindien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling vrij te laten bedrag aan de boedel heeft afgedragen: [65]
1.2 Termijn van de schuldsaneringsregeling en wijziging van de termijn
Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, die heeft geleid tot de wetswijziging van de Wsnp per 1 juli 2023. [67] Met deze wet werd beoogd een betere aansluiting tussen het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject en de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen te bewerkstelligen, om zodoende de doorstroom naar de Wsnp te bevorderen. [68] Deze wetswijziging heeft onder meer geleid tot een aanpassing van art. 349a lid 1 Fw, dat nu als volgt luidt:
“met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen.”Per 1 juli 2023 is aan deze bepaling toegevoegd:
“Als aannemelijk is dat onvoldoende aflossingsmogelijkheden bij de schuldenaar of andere omstandigheden het onmogelijk maken om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, hoeft voor de afgifte van deze verklaring niet eerst een poging te zijn gedaan om tot een dergelijke regeling te komen.” [74] In dit kader heeft de Raad voor de Rechtspraak geadviseerd om óók art. 15b lid 1 Fw aan te passen, om de omzetting van een faillissement naar toepassing van de Wsnp te vereenvoudigen. [75] Daarbij is ook opgemerkt dat de uitvoeringspraktijk laat zien dat de termijn van art. 3 lid 1 Fw veel te kort is (veertien dagen na de griffiersbrief waarin de schuldenaar wordt gewezen op deze mogelijkheid nadat het faillissementsverzoek is ingediend, [76] zie onder 5.11-5.12).
een voorstel uit te werken waarbij faillissement van natuurlijke personen eindigt met een schone lei als een vervolg in de Wsnp niet billijk is”. [78] Deze motie is aangenomen. [79] Naar aanleiding daarvan is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) een onderzoek gestart door de Universiteit Leiden en SEO Economisch onderzoek, naar het nut en de noodzaak van faillissementen van natuurlijke personen. [80]
Toepassing art. 349a lid 1 Fw bij omzetting ex art. 15b Fw in feitenrechtspraak en literatuur
eerdere aanvangsdatumvan de Wsnp-termijn kan worden vastgesteld, staat dit er in een aantal gevallen niet aan in de weg dat wel tot
verkortingvan die termijn wordt gekomen. [89] Zo ziet het hof Arnhem-Leeuwarden aanleiding voor verkorting van de Wsnp-termijn, conform de eerder besproken Recofa-richtlijnen (zie onder 5.28). Dat is volgens het hof mogelijk als de schuldenaar
“niet alleen dat deel van het inkomen aan de boedel heeft afgedragen dat uitgaat boven het vrij te laten bedrag, maar ook de uit het faillissement voortvloeiende verplichtingen is nagekomen en zich overigens heeft gedragen en ingespannen zoveel mogelijk aan de boedel af te dragen als ware sprake van een schuldsaneringsregeling.” [90] Om die reden heeft de schuldenaar in kwestie volgens het hof ook geen belang bij het vaststellen van een eerdere aanvang van de Wsnp-termijn, nu de datum van de eerste afdracht tot uitgangspunt is genomen bij de verkorting van de Wsnp-termijn, en de geboden verkorting (nagenoeg) dezelfde uitkomst biedt als het vaststellen van een eerdere aanvangsdatum. [91]
“In lijn daarmee kan ook een aflossing aan de faillissementsboedel gelijk worden gesteld aan een aflossing in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling”,zo overweegt de rechtbank. Verder wijst de rechtbank op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2024, waarin is verduidelijkt dat ook onder beslag gedane aflossingen – dus: ten behoeve van één of enkele schuldeisers – als aflossingen in de zin van art. 349a lid 1 Fw kunnen worden aangemerkt. Dat zou volgens de rechtbank te meer gelden voor aflossingen ten behoeve van
alle schuldeisersin het kader van een faillissement:
“Het faillissement kan immers worden beschouwd als een beslag op het gehele vermogen van de schuldenaar.” [94]
verkortingte komen (zie ook onder 5.28). [95] Verder wordt opgemerkt dat de afdrachten in faillissement weliswaar geen aflossingen zijn in het kader van een buitengerechtelijke schuldregeling zoals bedoeld in art. 349a lid 1 Fw, maar dat hoeft ook niet per se; het gaat immers om een faillissementsprocedure die onder toezicht van een curator en een rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, waarmee de belangen van de crediteuren goed zijn gewaarborgd. Op het beginsel van de
paritas creditorumis dit geen belangrijke inbreuk, zoals dat wel het geval is met de lijn van het Hoge Raad in het arrest van 20 december 2024.
“van het allergrootste belang”heeft geacht dat het schuldhulptraject wordt verkort, en dat het indachtig dat belang in de rede ligt om ook bij omzetting een alternatief aanvangsmoment mogelijk te maken. In zijn optiek bestaat er geen rechtvaardiging voor rechtsongelijkheid tussen de schuldenaar die eerst een minnelijk voortraject heeft beproefd, en de schuldenaar die eerst failliet is verklaard. Het argument dat de kosten van een faillissement hoger liggen zodat veelal minder voor de schuldeisers zal resteren, zou volgens de auteur niet aan een alternatief aanvangsmoment in de weg moeten staan. De Hoge Raad heeft immers beslist dat in reguliere gevallen een eerdere aanvang van de Wsnp-termijn óók mogelijk is als de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft en geen geldbedrag voor de gezamenlijke schuldeisers heeft kunnen sparen. [99] Wel moet de gefailleerde gedurende het faillissement hebben voldaan aan de inspanningsplicht in de Wsnp. Voor een natuurlijk persoon in faillissement bestaat weliswaar geen wettelijke inspanningsplicht om zoveel mogelijk baten voor de boedel te generen, maar het vooruitzicht van een alternatief aanvangsmoment bij omzetting zou hierin verandering kunnen brengen, en aldus een prikkel kunnen vormen om zich gedurende het faillissement in te spannen om baten te genereren, aldus Littooij. [100]
Eerste prejudiciële vraag: toepassing art. 349a lid 1 Fw bij omzetting ex art. 15b Fw?
de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f”. Bij een omzetting is geen sprake van een buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in art. 285 lid 1 onder f Fw.
verschillentussen het faillissement enerzijds en het schuldhulpverleningstraject anderzijds. Zo wordt genoemd dat de kosten van het faillissement in het algemeen hoger liggen – mede vanwege het salaris voor de curator –, zodat het risico bestaat dat daardoor veel minder dan in een schuldhulpverleningstraject of zelfs niets voor de schuldeisers resteert (zie onder 6.4). Ook wordt gewezen op het verschil in doelstelling: waar het minnelijke traject is gericht op het treffen van een schuldregeling, richt het faillissement zich op het vereffenen van de vermogensbestanddelen van de schuldenaar (zie onder 6.2). Verder wordt gewezen op het verschil in resultaat; waar de schuldsaneringsregeling tot een schone lei leidt, geldt dit niet voor het faillissement (zie onder 6.3).
kanworden) met executiemaatregelen van de schuldeisers. [101] In beide situaties zal worden getracht een regeling met de gezamenlijke schuldeisers tot stand te brengen. En ten slotte zal in beide situaties, voor zover mogelijk, de schuldenaar sparen/aflossen/afdragen ten behoeve van de (gezamenlijke) schuldeisers (vgl. onder 5.3-5.4).
gezamenlijkeschuldeisers, en doet de problematiek dat één schuldeiser er met de buit vandoor gaat zich dus niet voor. In het faillissement zijn er dus eerder méér dan minder waarborgen voor schuldeisers, in vergelijking met het schuldhulpverleningstraject.
vergelijkbaarhoeft te zijn met de inspanningsplicht die geldt tijdens de schuldsaneringsregeling (rov. 3.5.3). Daarbij moet tot uitgangspunt worden genomen dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven (rov. 3.4).
alleinkomsten boven het vtlb zijn afgedragen aan de boedel, maar ook dat de schuldenaar zich heeft ingespannen om zoveel mogelijk inkomsten te verwerven ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Net als bij aflossingen in een minnelijk traject van schuldhulpverlening kan gesaldeerd worden, als zou blijken dat de schuldenaar zich niet over de gehele periode voldoende heeft ingespannen en/of niet over de gehele periode maximaal heeft afgedragen (maar in faillissement is dat laatste niet waarschijnlijk).
verkortindien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling vrij te laten bedrag aan de boedel heeft afgedragen. [104] In de Recofa-richtlijnen worden aan deze termijnverkorting geen nadere vereisten gesteld; voldoende is dat de schuldenaar boven het vtlb heeft afgelost.
juistde reden geweest waarom de wetgever toepassing van de Wsnp voorrang heeft gegeven boven het faillissement van natuurlijke personen.
“aflossing”in art. 349a lid 1 Fw, moet worden aangenomen dat daaronder ook afdrachten in een voorafgaand faillissement worden begrepen. Als vereiste geldt daarbij wel dat de inspanningen van de schuldenaar tijdens het faillissement vergelijkbaar moeten zijn met de inspanningsplicht die geldt bij toepassing van de Wsnp. De eerste prejudiciële vraag moet dus bevestigend worden beantwoord.
8.Opheffing van het faillissement
Tweede prejudiciële vraag: gelijkstelling bij opheffing faillissement wegens gebrek aan baten ex art. 16 Fw?
opgehevenwijkt echter op verschillende punten af van de omzetting bedoeld in art. 15b Fw. De schuldenaar verzoekt dan namelijk niet vanuit het faillissement toepassing van de schuldsaneringsregeling.
“indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag (hierna: vtlb), aan de boedel heeft afgedragen.”Deze bepaling beperkt zich dus niet tot voorafgaande faillissementen die op grond van art. 15b Fw zijn omgezet. Daaruit lijkt te volgen dat de mogelijkheid tot verkorting van de Wsnp-termijn ook bestaat indien het een voorafgaand faillissement betreft dat op grond van art. 16 Fw is opgeheven. Ik heb echter geen voorbeelden kunnen vinden in de (gepubliceerde) feitenrechtspraak waarin na een eerder opgeheven faillissement op grond van art. 16 Fw, in verband met dat eerdere faillissement tot een verkorting van de Wsnp-termijn wordt gekomen. [116] Daarmee lijkt het erop dat deze mogelijkheid in de praktijk niet wordt toegepast.
“aflossing”in art. 349a lid 1 Fw, zowel afdrachten omvat in een voorafgaand faillissement dat op grond van art. 15b Fw is omgezet in toepassing van de Wsnp, als afdrachten in een voorafgaand faillissement dat op grond van art. 16 Fw is opgeheven. In beide gevallen geldt wel dat de failliet zich gedurende het faillissement moet hebben ingespannen op een wijze vergelijkbaar als onder de Wsnp vereist is. Verder geldt in beide gevallen dat een 285-verklaring moet worden overgelegd, waarmee conform de rechtspraak van de Hoge Raad gelijk kan worden gesteld de verklaring van de curator, waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn gezamenlijke schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw kan aanbieden.
Derde prejudiciële vraag: gelden er (nadere) vereisten voor een eerdere aanvangsdatum na omgezet of opgeheven faillissement?
“een met redenen omklede verklaring dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (…)”.In 2015 en 2017 heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat ingeval van een omzetting ex art. 15b Fw, deze verklaring gelijk wordt gesteld met de verklaring van de curator in een voorafgaand faillissement dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord ex art. 138 Fw heeft onderzocht (zie onder 5.23).
11.Vierde prejudiciële vraag: gelijkstelling verklaring curator met 285-verklaring
Kan de verklaring van de curator in een voorafgaand faillissement, dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord heeft onderzocht gelijk worden gesteld met een verklaring van een schuldhulpverlener dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen als bedoeld in 285 Fw?
12.Beantwoording van de prejudiciële vragen
eerstevraag luidt als volgt: In het arrest van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) heeft de Hoge Raad - onder meer - antwoord gegeven op de vraag wat onder een ‘eerste aflossing’ in de zin van artikel 349a lid 1 Fw kan worden verstaan. In de in het arrest beantwoorde vragen, en dus ook in de antwoorden, is echter niet ingegaan op de situatie dat, voorafgaand aan de wettelijke schuldsanering, gedurende een faillissement, afdrachten zijn gedaan. Zijn dergelijke, in het kader van het voorafgaande faillissement gedane afdrachten ook aan te merken als een aflossing als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw?
tweedevraag luidt als volgt: Als het antwoord op vraag 1 bevestigend is, geldt dat zowel voor (a) een voorafgaand faillissement dat middels een omzettingsverzoek ex artikel 15b Fw in die wettelijke schuldsanering is omgezet, als ook voor (b) een voorafgaand faillissement dat is opgeheven, waarna de schuldenaar na die opheffing een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering heeft verzocht?
derdevraag luidt als volgt: Als het antwoord op vraag 2 bevestigend is, zijn er dan nog vereisten of omstandigheden die daarbij van belang zijn, zoals
vierdevraag luidt als volgt: Kan de verklaring van de curator in een voorafgaand faillissement, dat hij de mogelijkheid van een faillissementsakkoord heeft onderzocht gelijk worden gesteld met een verklaring van een schuldhulpverlener dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen als bedoeld in 285 Fw?