Conclusie
1.Inleiding
2.De strafzaak
3.De middelen
Grondslag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor zover de advocaat-generaal en/of de verdediging een andere berekeningswijze voorstaan, volgt het hof die dus niet.
1e verkoop hennep op 1 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2256):
2e verkoop hennep op 1 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2257):
Verkoop hennep op 7 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2260):
Verkoop hennep op 8 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2261):
Verkoop hennep op 16 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2265 - C 2266):
Verkoop op 26 maart 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2268):
Verkoop hennep op 6 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2271 - C 2272):
Verkoop hennep op 9 april 2016 (proces-verbaal 2, pag. C 2274):
Verkoop hennep op 10 april 2016 (proces-verbaal 2, pag. C 2275):
1e verkoop hennep op 11 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2276):
2e verkoop hennep op 11 april 2019 (proces-verbaal 2, pag. C 2277):
Export amfetamine in periode 15 maart 2019-27 maart 2019
Export hasj in periode 26 maart 2019- 27 maart 2019
De schatting van het verkregen voordeel
Drugs & (Pre) Precursoren’. Er wordt gesteld dat de hoogte van de bedragen in het voordeel van cliënt zijn gelegen door de Nederlandse drugsprijzen bij de berekening te hanteren. Er is immers niet gebleken wie de eindgebruikers zijn geweest. Desondanks blijft de berekening gebaseerd op vermoedens en veronderstellingen. De berekening van de opbrengst van de harddrugs kan derhalve evenmin stand houden.”
In beginsel staat geen rechtsregel eraan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend op de inhoud van een financieel rapport als zojuist bedoeld te doen berusten. (Vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9426 en HR 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV9087, rechtsoverweging 3.2.6.)
Algemeen’) en de opbrengsten van de verkoop van de hennep (onder i tot en met xi, kopje ‘
Schatting van de opbrengsten’) ontleend aan wat het zelf noemt ‘proces-verbaal 1’ en ‘proces-verbaal 2’. [9] De redengevende feiten en omstandigheden die het hof uit die processen-verbaal en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen heeft afgeleid, heeft het in zijn uitspraak samengevat weergegeven onder nauwkeurige verwijzing van de vindplaats daarvan. Daarmee heeft het hof – gelet op hetgeen ik onder 3.10 en 3.11 heb vooropgesteld en in aanmerking genomen wat er in hoger beroep is aangevoerd – voldaan aan zijn motiveringsplicht. Dat het hof in hetgeen ten aanzien van de hoeveelheid hennep naar voren is gebracht (onder 140 en 141 van de pleitnota) geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft gezien, acht ik bovendien niet onbegrijpelijk aangezien enige onderbouwing van de daar ingenomen stelling dat er ‘ten onrechte [van wordt] uitgegaan dat ook op alle andere momenten een soortgelijke sealbag dezelfde hoeveelheid hennep bevat’ ontbreekt.