Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De beslissing van het Hof en de bewijsvoering
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beoordeling van het derde middel
6.Slotsom
7.Beslissing
18 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden waarin aan betrokkene een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 207.195,78 werd opgelegd. Betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van verduistering van digitale goederen, waaronder mobiele telefoons ter waarde van circa € 280.000 exclusief BTW.
Het hof had de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op 75% van de waarde van de goederen, rekening houdend met verkoopprijzen en aankoopfacturen van diverse telefoons. Tevens had het hof betrokkene hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het gezamenlijke bedrag, op grond van artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De Hoge Raad oordeelt dat de werkwijze van het hof ten aanzien van de bewijsvoering en motivering van de schatting van het voordeel voldoet aan de vereisten. Wel stelt de Hoge Raad vast dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de wetsbepaling over hoofdelijkheid niet onder artikel 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht valt en derhalve direct toepasbaar is. Dit betreft een wijziging van sanctierecht die gunstigste wetgeving vereist.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en afdoening. Een ander middel wordt niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 18 maart 2014.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.