Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De eerste is dat de overeenkomsten zijn gesloten tegen de achtergrond van het Besluit experiment promotieonderwijs [1] . De tweede bijzonderheid is dat de overeenkomsten zijn gesloten met het UMCG als publiekrechtelijke rechtspersoon. Het is de vraag of dergelijke rechtspersonen vóór de inwerkintreding per 1 januari 2020 van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra [2] ) wel civielrechtelijke arbeidsovereenkomsten konden sluiten.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de overeenkomsten niet kwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Het hof oordeelt van wel, ook in de periode vóór 1 januari 2020.
In cassatie worden door UMCG klachten gericht tegen de kwalificatie van de overeenkomsten als een arbeidsovereenkomst. Deze klachten zie ik geen doel treffen voor zover zij betrekking hebben op de periode vanaf 1 januari 2020, maar voor de daaraan voorafgaande periode wel.
- patiëntenzorg in de meest brede zin van het woord;
- het verzorgen van een opleiding tot medisch specialist;
- het verzorgen van medisch-wetenschappelijk onderwijs; en
- het bijdragen aan de ontwikkeling en het verrichten van medisch wetenschappelijk onderzoek.
1.Doel
2.Inspanning UMCG
3.Begeleiding
4.Duur en opzegging (…)
5.Beurs
6.Nakoming
8.Geheimhouding
9.Andere activiteiten
10.Loonheffingen
3.Procesverloop
(ii) het UMCG te veroordelen tot betaling van (achterstallig) loon, inclusief vakantiegeld en eindejaarsuitkering conform salarisschaal MD4 van de Cao UMC; en
(iii) het UMCG te veroordelen tot aanmelding van [verweerders] bij het pensioenfonds en tot afdracht van de verschuldigde pensioenpremie alsmede vergoeding van nader op te maken geleden pensioenschade.
De ontvankelijkheid
4.Inleiding
Ontvankelijkheid
Deliveroo [13] en
Participatieplaats [14] is uitgemaakt dat om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, eerst door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de aldus vastgestelde rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst vervolgens ook als zodanig worden gekwalificeerd. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen [15] .
Deliveroo. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en wordt uitgekeerd, de hoogte van de beloning en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie degene werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor degene zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij de kwalificatievraag hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht [16] .
Deliverooen
Participatieplaatsen dit toetsingskader wordt in cassatie (terecht) niet bestreden [19] .
studentvolgens dit 8-jarige experiment en de
werknemer-promovendus, eveneens onder het kopje ‘4. Rechten promotiestudent’ [28] :
civielrechtelijkearbeidsverhouding kwalificeert, dan is de promovendus geen promotiestudent, maar een werknemer-promovendus, met alle werkgeverslasten van dien voor de universiteit, terwijl de werknemer-promovendus dan ‘loonbelastingplichtig' is (bedoeld zal zijn: dat er loonbelasting moet worden ingehouden door de universiteit en de promovendus inkomstenbelastingplichtig is) en sociale en pensioenpremies moet betalen. Uit het advies van de Raad van State [29] leid ik af dat deze kanttekeningen in een eerdere versie van de toelichting op het Besluit ontbraken. Daarin stond alleen dat er geen arbeidsrechtelijke gezagsverhouding zal bestaan tussen de universiteit en de promotiestudent, hetgeen naar aanleiding van de advisering van de Raad van State vervolgens is aangevuld. [30] Overigens is bij de evaluatie van het experiment op Kamervragen geantwoord van regeringszijde dat als in de praktijk zou blijken van het voorhanden zijn van de elementen ‘arbeid’, ‘loon’ en ‘gezag’ bij een
openbareuniversiteit (zoals de RUG is, zo voeg ik daaraan toe) daarbij dan een
aanstelling als ambtenaarhoort – en dus, zo voeg ik daar aan toe:
geen civielrechtelijke arbeidsverhouding, zie het hierna in 4.18 geciteerde antwoord op vraag 3.
Indien bij een promotiestudent aan alle drie criteria wordt voldaan, dan hoort daarbij een arbeidscontract of – in geval van een openbare universiteit – een aanstelling naar ambtenarenrecht. Als uit zowel de schriftelijke vastlegging als uit de feitelijke invulling van de relatie tussen universiteit en promotiestudent blijkt dat er geen sprake is van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding, dan is aan een van de drie criteria niet voldaan. De promotiestudent is dan geen werknemer.
Beurspromovendi UvAuit 2006 [43] . Enkele beurspromovendi en een vakbond hadden in deze zaak een declaratoir gevorderd dat tussen hen en de universiteit sprake was van een arbeidsverhouding.
nietvan toepassing was op personen in dienst van staat, provincie, gemeente, waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam,
tenzijdeze bepalingen, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing waren verklaard [52] . Dit kon ook gelden voor delen van titel 7.10 BW (of haar voorgangers) en de van toepassing verklaring hoefde niet uitdrukkelijk plaats te vinden in de zin van: ‘titel 7.10 BW wordt toepasselijk verklaard’; voldoende was dat partijen
duidelijk te kennen gavendat zij hun overeenkomst door het burgerlijk recht wilden doen beheersen [53] .
Beurspromovendi/UvA-arrest [55] . In lijn hiermee heeft hij in zijn al aangehaalde NJ-annotatie onder dat arrest (onder 7) aangegeven dat de UvA geen beroep heeft gedaan op art. 7:615 BW Pro (oud). Op grond van art. 7:615 BW Pro (oud) vindt volgens Verhulp art. 7:610 BW Pro geen toepassing op de rechtsverhouding tussen de (publiekrechtelijke) UvA en de beurspromovendi, hetgeen past bij de toepasselijkheid van de Ambtenarenwet (oud, waarbij moet worden aangetekend: tenzij partijen titel 7.10 BW zouden hebben ingeschakeld conform de daartoe geboden mogelijkheid uit art. 7:615 BW Pro (oud), hetgeen zich in die zaak niet voordeed) [56] . Verhulp is dan ook bepaald kritisch over dit arrest: ‘De vordering [van de beurspromovendi, A-G] is gegrond op art. 7:611 BW Pro, dat in deze verhouding evenzeer niet van toepassing lijkt. Het verschil tussen ambtenaren en werknemer is dus wel gezien, maar er lijken ten onrechte geen gevolgen voor de rechtspositie aan te zijn verbonden.’
niet op voorhand kan worden uitgesloten. Zij komt overigens tot een vergelijkbare uitkomst als Verhulp, maar langs een andere weg. Zij betoogt dat als wordt voldaan aan de criteria van art. 7:610 BW Pro, dat daaruit dan
in beginselhet bestaan van een arbeidsovereenkomst volgt, ongeacht of de invulling van deze overeenkomst nader is geregeld (hiermee doelt zij op art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud), dat hierna nog aan de orde komt). Zij stelt dat de essentialia van de arbeidsovereenkomst (arbeid, loon, ondergeschiktheid) ‘zich niet wezenlijk onderscheiden van die van een ambtelijke rechtsverhouding’, omdat ook voor het aannemen van een ambtelijke aanstelling sprake moet zijn van arbeid, loon en ondergeschiktheid [57] . Zij bepleit ‘tegen deze achtergrond’ en in lijn met Verhulps voorkeur voor het geval een rechtsverhouding tussen een in openbare dienst werkzame arbeidskracht niet eenduidig is geregeld en er sprake is van een gezagsverhouding om uit te gaan van een
ambtelijke aanstelling. Dat is ook in lijn met het antwoord op Kamervraag 3 naar aanleiding van het Besluit experiment promotieonderwijs, hiervoor geciteerd in 4.18, onderstreept gedeelte. Dat voorkomt volgens Van Waegeningh een ‘ongewenste confrontatie’ met art. 7:615 BW Pro (oud). Gelet op de vaste rechtspraak van de CRvB [58] dat bij ontbreken van een aanstellingsbesluit toch sprake kan zijn van een aanstelling als ambtenaar als duidelijk gebleken is van een bij het bestuursorgaan levende bedoeling om een ambtenaarsverhouding tot stand te brengen, dan wel feiten of omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan betrokkene heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk heeft plaatsgevonden, is nog wel een door Van Waegeningh niet gesignaleerde hobbel dat de wil van het bestuursorgaan doorslaggevend lijkt [59] in deze en de CRvB terughoudend voorkomt bij discussies over de aard van een arbeidsverhouding in het aannemen van een ambtelijke aanstelling – hetgeen Van Waegeningh t.a.p. wel signaleert. Ook Van Waegeningh is net als Verhulp (dan ook) zeer kritisch over het
Beurspromovendi/UvA-arrest. Ik plaats bij die vaste CRvB-rechtspraak overigens wel de kanttekening dat in die gevallen de juridische mogelijkheid om personeel anders dan als ambtenaar aan te stellen aanwezig was. Zoals hierna wordt besproken is dat een situatie die onvergelijkbaar is met de onze, waarin die mogelijkheid nu juist niet bestaat, omdat al het personeel van het UMCG in de betreffende periode oktober 2016- oktober 2018 aangesteld diende te worden als ambtenaar. Of in die constellatie de CRvB overeenkomstig die vaste rechtspraak zou oordelen, is maar helemaal de vraag.
alhet overheidspersoneel daarbuiten te houden. De verwachting was namelijk dat de rechtspositie van ambtenaren spoedig zou worden geregeld.
overeenkomstenmet de overheid, dus op arbeidscontractanten, maar daar werd uiteindelijk van afgezien. De grens tussen arbeidscontractanten en ambtenaren leek moeilijk te trekken, omdat een rechtspositieregeling voor ambtenaren ontbrak. Toen de wettelijke afbakening van het ambtenaarsbegrip werd gegeven door de Ambtenarenwet (oud), kwam volgens Van Peijpe het argument om arbeidscontracten buiten het civiele arbeidscontractenrecht te houden, te vervallen. Toch is art. 1637z BW (oud) dat die uitsluiting regelde destijds niet geschrapt. Volgens Van Peijpe kwam dit doordat de regering zich destijds ten onrechte op het standpunt stelde dat art. 1637z BW zo moest worden uitgelegd dat ambtenaren van de Wet op de arbeidsovereenkomst waren uitgesloten, maar arbeidscontractanten niet [61] .
contractantenniets geregeld. Wel werd in art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) bepaald dat de daarin genoemde overheden verplicht waren te regelen in welke gevallen en op welke voorwaarden personeel op arbeidsovereenkomst in dienst kon worden genomen. Art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) was volgens Van Peijpe vooral een reactie op het gesignaleerde misbruik dat sommige overheden maakten met het sluiten van privaatrechtelijke arbeidsovereenkomsten om zo onder hun premieverplichtingen op grond van de Pensioenwet 1922 uit te komen [63] .
rijksoverheid zodoende geen arbeidscontractanten meer voor. Bij de lagere overheden, in ieder geval bij gemeentes, was dat nog wel het geval [67] .
andereoverheidswerkgevers, zoals academische ziekenhuizen. Dit bespreek ik in (2c), in (2b) voorafgegaan door een andere categorie in het vizier te nemen, namelijk personen werkzaam voor de overheid die geen ambtenaar zijn en ook geen arbeidscontractant in de zin van art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud).
sui generiszonder flankerende wetgeving ontbrekende beschermingsbepalingen voor deze ‘vierde categorie’ werkenden bij de overheid.
b. bezoldiging en wachtgeld;
c. disciplinaire straffen;
d. overige rechten en verplichtingen der ambtenaren;
e. de wijze waarop aan verenigingen van ambtenaren gelegenheid wordt gegeven ten aanzien van de dezen betreffende algemene verbindende voorschriften haar gevoelen te doen kennen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepalingen vastgesteld betreffende de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder door de universiteit of hogeschool indienstneming op arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht kan plaats vinden.”
beperkt uitvoering gegeven. De toelichting op de RRAZ vermeldt hierover het volgende [84] :
slechts enkele tientallen personenin dienst bij een academisch ziekenhuis op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Alleen voor die personen werd het AOB van toepassing verklaard. Er werd niets geregeld voor
toekomstigegevallen waarin indienstneming op basis van een arbeidsovereenkomst zou plaatsvinden. Dat is te volgen, omdat de bedoeling immers was dat onder de werking van het RRAZ
al het personeelzou worden aangesteld als
ambtenaar. Het is voor onze zaak van groot belang om dat helder in het oog te houden.
nietterug in de WHW, hetgeen niet verbaast gelet op de hiervoor gesignaleerde al sinds de RRAZ prevalerende bedoeling om ál het personeel aan stellen als ambtenaar. De toelichting leert het volgende over het in dienst nemen van personeel op basis van een arbeidsovereenkomst [onderstreping toegevoegd A-G] [86] :
Met ingang van inwerkingtreding van de rechtspositieregeling zal aan de openbare instellingen indienstneming op arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk zijn. Het onderhavige wetsvoorstel gaat ervan uit, dat al het personeel aan openbare instellingen wordt aangesteld als ambtenaar. Uiteraard zal de rechtspositieregeling een adequaat alternatief moeten bieden in deze zin dat het aantal gronden voor tijdelijke aanstelling zal moeten worden uitgebreid, bijvoorbeeld om de figuur van de student-assistent voor de universiteit te kunnen behouden.”
ingetrokken [87] . De rechtspositie van het personeel van zowel de openbare als de bijzondere academische ziekenhuizen is daarna geregeld in de Cao UMC [88] . Voor het personeel van de bijzondere academische ziekenhuizen, waarvoor ook voor 1 januari 2020 al titel 7.10 BW van toepassing was, had de Cao UMC te gelden als een cao in de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. Voor het personeel van de openbare academische ziekenhuizen, dat tot 1 januari 2020 was aangesteld als ambtenaar, had de Cao UMC te gelden als een rechtspositieregeling.
nietvan belang. Dit artikel had, in ieder geval vanaf het moment dat de academische ziekenhuizen afzonderlijk
rechtspersoonlijkheidverkregen eind jaren zestig,
geenbetrekking op de academische ziekenhuizen als overheidswerkgever. Wel kende de WWO een soortgelijke bepaling als art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) in (aanvankelijk art. 64 WWO Pro) laatstelijk art. 109 WWO Pro die ook van toepassing was op (personeel van) academische ziekenhuizen. Maar met de inwerkingtreding van een specifieke rechtspositieregeling van het personeel voor de academische ziekenhuizen, de RRAZ, was er, behoudens een beperkt aantal overgangsgevallen (enkele tientallen personen ging dat maar om),
geen regelingmeer die voorschreef in welke gevallen en onder welke voorwaarden indienstneming op basis van een arbeidsovereenkomst kon plaatsvinden. Dat verbaast niet, omdat de bedoeling toen al was om al het personeel aan te stellen als ambtenaar. Met de inwerkingtreding van de WHW – de opvolger van de WWO – in 1993 is de wettelijke grondslag voor het stellen van nadere regels voor het in dienst nemen van personeel op basis van een arbeidsovereenkomst zelfs
helemaal komen te vervallen. Indienstneming op basis van een arbeidsovereenkomst was, zo lijkt het, niet langer mogelijk [89] . Het personeel diende te worden aangesteld als ambtenaar.
geenarbeidsovereenkomsten in de zin van art. 7:610 BW Pro aangaan met de beurspromovendi.
tenzij, maar die tenzij-clausule speelt niet in onze zaak – en ik zie ook niet hoe je die tenzij clausule hier zou kunnen ‘oprekken’ zodat de contracten die in deze zaak aan de orde zijn daar wel van zouden kunnen ‘profiteren’), dus met inbegrip van art. 7:610 BW Pro. Dat art. 7:615 BW Pro (oud) in
Beurspromovendi UvAniet aan de orde is gekomen, maakt dit wat mij betreft niet anders [90] .
in weerwil van dit stelsel(dat de bedoeling had
uitsluitendnog personeel aan te stellen als ambtenaar) gesloten overeenkomst met een ‘personeelslid’ alleen het commune civiele overeenkomstenrecht van toepassing is. Maar dat zet deze al in 1939 in de literatuur als ‘in strijd met de wet’ afgeserveerde ‘vierde categorie’ werkers in overheidsdienst in een illegale sociale kou die niet aanvaardbaar lijkt.
geenoverheidswerkgevers zijn in de zin van de Ambtenarenwet 2017. Uit dat laatste volgt dat academische ziekenhuizen
geenoverheidswerkgever zijn, zodat het UMCG vanaf 1 januari 2020 niet langer meer geldt als overheidswerkgever.
Beurspromovendi/UvAalthans van zo’n mogelijkheid uit te gaan. Dat lijkt in het geschetste stelsel juridisch helemaal niet mogelijk te zijn, omdat er geen ander alternatief voor ‘overheidspersoneel’ was in die periode dan aanstelling als ambtenaar (afgezien van de in onze zaak niet spelende toepassing van art. 7:615 BW Pro, van uitzendkrachten en het aannemen van een contract
sui generiswaarvoor alleen het commune civiele overeenkomstenrecht geldt, maar die de beurspromovendi in deze zaak in een volgens mij sociaal onaanvaardbare kou laten staan – een ‘vierde categorie’ die in strijd met de wet is). Heerma van Voss en Verhulp onderschrijven die lijn. Aan de toelichting op het Besluit die rept over de mogelijkheid dat feitelijk in de uitvoering van de overeenkomst met beurspromovendi kan blijken dat sprake is van een civiele arbeidsovereenkomst, komt in dat licht naar ik meen geen waarde toe: als sprake is van een ‘werkende’ voor de overheid die daarvoor betaald wordt en sprake is van een gezagsverhouding, dan heeft die werkende (ook in de periode oktober 2016 - oktober 2018) aanspraak op aanstelling als ambtenaar vóór 1 januari 2020 – een aanstelling die ingevolge de Wnra vanaf die datum van rechtswege zou zijn geconverteerd in een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst. Dat aanspraak bestaat op aanstelling als ambtenaar is bij de evaluatie van het Besluit ook bevestigd in antwoord op Kamervragen. In deze civiele zaak is als besproken in confesso dat de beurspromovendi niet zijn aangesteld als ambtenaar, maar materieel-juridisch waren zij dat volgens mij in de periode waarover wij het in deze zaak hebben wél. Dat maakt deze zaak in cassatie enigszins onbevredigend; het heeft trekken van een windmolengevecht – ook al omdat de gekozen insteek in cassatie onder meer is gebaseerd op art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud), dat zoals hiervoor in 4.63 is besproken niet van belang is voor de kwestie of met de beurspromovendi arbeidsovereenkomsten konden worden gesloten – en heeft juridisch een bijsmaak, omdat bij de overeenkomsten met de beurspromovendi lijkt te zijn gehandeld in strijd met de wet. Opnieuw indachtig het geschetste stelsel zou materieel hier immers de juiste uitkomst moeten zijn dat voor zover de beurspromovendi uit de periode oktober 2016 - oktober 2018 nog als zodanig aan UMCG zijn verbonden na 1 januari 2020, zij ten gevolge van de Wnra inderdaad werkzaam zijn op grond van een (van rechtswege geconverteerde) civielrechtelijke arbeidsovereenkomst. Voordien waren zij materieel ambtenaar, zodat de verklaring voor recht gevorderd in deze procedure dat met hen een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst was gesloten voor wat die periode betreft in zoverre zou moeten worden afgewezen. Dat is in die zin onbevredigend, nu in de bestuurskolom (zie voor de uitspraak bijlage 13 bij de inleidende dagvaarding) tevergeefs is getracht door [verweerders] om een ambtelijke aanstelling af te dwingen. Dat is op formele gronden afgewezen door de bestuursrechter en zou volgens die uitspraak ook inhoudelijk zijn afgeketst op art. 8:4 lid 3 Awb Pro (zie hiervoor in 1.7). In de onderhavige civiele zaak hebben zij zich voortdurend op het standpunt gesteld dat zij niet zijn aangesteld als ambtenaar. Zij hebben niet gesteld dat ondanks het ontbreken van een schriftelijk aanstellingsbesluit toch sprake was van een ambtenaarsverhouding (waarvan overigens maar de vraag zou zijn geweest of dat bij de bestuursrechter succes zou hebben gehad, gelet op de vaste CRvB-rechtspraak dat daarvoor nodig is een duidelijk bij het bestuursorgaan levende bedoeling om een ambtenaarsverhouding tot stand te brengen, dan wel van feiten of omstandigheden op grond waarvan de betrokkenen heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk heeft plaatsgevonden; de considerans van de overeenkomsten stelt uitdrukkelijk het tegendeel, zie rov. 3.7 van het bestreden arrest; zie evenwel ook de geplaatste kanttekening bij die vaste CRvB-rechtspraak hiervoor in 4.35). De grondslag van de onderhavige zaak is niet onrechtmatige daad in de vorm van ongelijke behandeling of iets dergelijks.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1is in de kern gericht tegen de beslissing van het hof dat ook voor 1 januari 2020 sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst (rov. 4.8).
Onderdeel 2bevat verschillende klachten gericht tegen de uitleg van de tussen partijen geldende afspraken (rov. 4.13 - 4.14).
Onderdeel 3valt uiteen in drie subonderdelen en komt op tegen de beslissingen ten aanzien van respectievelijk de kwalificatie van de elementen ‘arbeid’ (subonderdeel 3a), ‘loon’ (subonderdeel 3b) en ‘gezag’ (subonderdeel 3c).
Onder 24klaagt de PI dat het hof heeft miskend dat uit (het samenstel van) de art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) en art. 7:615 BW Pro (oud) volgt dat tussen een openbaar lichaam als het UMCG en personen zoals [verweerders] slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan worden gesloten (en het bepaalde in titel 7.10 BW ook overigens van toepassing kan zijn), wanneer de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur mogelijk is gemaakt. Het hof heeft volgens de klacht een onjuiste uitleg gegeven aan art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) door te beslissen dat dat die bepaling zelf de grondslag vormt op basis waarvan het UMCG arbeidsovereenkomsten kan aangaan, waarmee is miskend dat art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) slechts de voorwaarden regelt waaronder publiekrechtelijke lichamen arbeidsovereenkomsten kunnen sluiten, te weten: wanneer die mogelijkheid is gecreëerd bij of krachtens amvb - terwijl art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) niet zelf de bevoegdheid tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten aan zulke publiekrechtelijke lichamen geeft. Veeleer moet art. 134 Ambtenarenwet Pro (oud) zo worden verstaan dat de bevoegdheid tot het aangaan van arbeidsovereenkomsten op grond van die bepaling niet bestaat, tenzij regelgeving van lagere orde die bevoegdheid voor het betreffende publiekrechtelijke lichaam uitdrukkelijk in het leven heeft geroepen.
onder 24bevat verder de klacht dat het hof heeft miskend dat in het voor deze zaak relevante tijdvak (oktober 2016 tot oktober 2018) art. 7:615 BW Pro (oud) ook gold, dat de hele titel 7.10 BW inclusief art. 7:610 BW Pro niet van toepassing is op personen in dienst van ‘enig publiekrechtelijk lichaam, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk in wet of verordening is bepaald’ [96] .
onder 25de voorwaardelijke motiveringsklacht dat voor zover het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, zijn beslissing in rov. 4.8 en de beslissingen in rov. 4.10 en verder dat de contractuele relatie tussen [verweerders] en UMCG aangegaan tussen oktober 2016 en oktober 2018 kwalificeert als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in de zin van art. 7:610 BW Pro onvoldoende heeft gemotiveerd door niet te responderen op de stellingen van UMCG dat UMCG gelet op haar verbindende rechtspositiereglement helemaal geen arbeidsovereenkomsten met [verweerders] kon aangaan, omdat daarvoor de vereiste wettelijke grondslag ontbrak [97] .
onder 24zijn in zoverre dus terecht voorgesteld – zij het voor wat betreft de eerste klacht op een andere grond, door de Hoge Raad ambtshalve aan te vullen ex art. 25 Rv Pro. Bij die stand van zaken behoeft de motiveringsklacht
onder 25geen bespreking.
als ambtenaaren dus niet op basis van een
arbeidsovereenkomstwerkzaam waren. In de PI
onder 26geciteerde passages uit rov. 4.16, 4.25, 4.26, 4.42, 4.47, 4.48, en 4.51 laten zich slechts zo lezen dat het hof ten onrechte aanneemt dat promovendi in die tijdvakken voor en na de periode oktober 2016 – oktober 2018 arbeidsrechtelijke werknemers waren, maar dat is volgens de motiveringsklacht
onder 27onbegrijpelijk in het licht van de juiste constatering in rov. 3.4 en 3.8 dat toen sprake was van een aanstelling van promotie student-assistenten als ambtenaar – waarna ook
onder 27een louter voortbouwende klacht volgt. Ook klaagt de PI
onder 28dat voor zover het hof heeft beslist in rov. 4.16 dat ‘niet in geschil is’ dat vóór oktober 2016 en vanaf oktober 2018 student-assistenten in dienst zijn genomen met als hoofdtaak het doen van promotieonderzoek en op basis daarvan promoveren en dat ‘evenmin in geschil is’ dat met die student-assistenten, die studie en promotieonderzoek combineerden, een dienstverband bestond, die beslissing ook onbegrijpelijk is in het licht van de
onder 22van de PI aangehaalde stellingen van UMCG [98] .
als ambtenaarwaren aangesteld. Het enkele gebruik van ‘dienstverband’ en ‘in dienst nemen’ is voor een ambtelijke aanstelling niet ongebruikelijk en het gebruik van ‘arbeidsovereenkomst’ in rov. 4.47-4.48 is een kennelijke verschrijving, gelet op rov. 3.4 en 3.8. Zowel in de Ambtenarenwet (oud) als in de Ambtenarenwet 2017 wordt de term ‘dienstverband’ gebruikt om een ambtelijke aanstelling aan te duiden [99] . De CRvB hanteert eveneens de term dienstverband daarvoor [100] . Een ambtelijke aanstelling is dus ook een dienstverband.
onder 33) voor het geval het hof heeft gemeend dat deze gezichtspunten niet van belang (kunnen) zijn bij de uitleg van wat partijen hebben afgesproken – en als dit niet is miskend, is sprake van ontoereikende motivering (ook
onder 33) door de
onder 32genoemde gezichtspunten niet te betrekken bij de uitleg [101] .
Participatieplaats-arrest is – in navolging van het arrest
Inscharing [102] – uitgemaakt dat de kwalificatievraag moet worden onderscheiden van de – daaraan voorafgaande – vraag welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Nadat de rechter Haviltexend de overeengekomen rechten en verplichtingen heeft vastgesteld (uitleg), kan hij beoordelen of die overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst (kwalificatie). Volgens Schelhaas en Valk is dit onderscheid in twee fasen tegelijk principieel en toch niet geheel scherp, net als het onderscheid tussen feit en recht [103] . Van Boom analyseert dat de Hoge Raad hecht aan het stappenplan ‘eerst uitleggen, dan kwalificeren’ en dat dat vermoedelijk meestal genoeg houvast zal bieden, maar hij kan zich gevallen voorstellen waarin het stappenplan iets té simpel is en er nog iets meer denkwerk nodig is of een heen-en-weer-gaan tussen uitleg en kwalificatie. Hij noemt gevallen waarin essentiële elementen van de overeenkomst niet in de wettelijke omschrijving ervan zijn opgenomen, gevallen waarin een overeenkomst slechts gedeeltelijk voldoet aan de wettelijke omschrijving en gevallen waarin kwalificatie alleen tot toepassing kan leiden van de wettelijke regels als een ‘strekkingsredenering’ wordt toegepast [104] .
uitlegvan de tussen [verweerders] en UMCG geldende afspraken. Daarin valt alleen de stellingname te destilleren dat [verweerders] gelet op hun maatschappelijke positie c.a. geen arbeidsrechtelijke bescherming (in de vorm van arbeidsrechtelijke ongelijkheidscompensatie) zouden verdienen [106] . Maar dat zegt niet per se iets over de uitleg van de gemaakte afspraken.
waaromde in de vindplaatsen genoemde stellingen zouden moeten leiden tot een andere uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ook daarom faalt de motiveringsklacht.
onder 34constateert dat dat het hof in rov. 4.13 en 4.14 geen aandacht heeft besteed aan het beroep dat UMCG heeft gedaan op (de doelen van) het wettelijk kader dat de achtergrond en basis vormt van de afspraken tussen partijen [107] . De rechtsklacht is dat voor het geval het hof hierop geen acht heeft geslagen omdat het meent dat dat wettelijke kader betekenisloos is bij de uitleg van de afspraken tussen partijen, die beslissing getuigt van een onjuiste rechtsopvatting; dat wettelijke kader is bij die uitleg wel degelijk een relevant gezichtspunt, althans kan dat zijn. Voor zover geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, wordt
onder 35geklaagd over ontoereikende motivering door bij zijn uitleg van het tussen partijen overeengekomene in fase 1 van de kwalificatiebeoordeling niet kenbaar acht te slaan op (de doelen van) het wettelijk kader dat de achtergrond en basis vormt van de afspraken tussen partijen, te weten het Besluit, terwijl daarop zijdens UMCG – ook in dat verband – bij herhaling een beroep is gedaan [108] en het hier een essentiële stelling van UMCG betreft.
uitleg van de gemaakte afsprakentussen partijen. Ik citeer de betreffende stellingen:
Ontstaansgeschiedenis en achtergronden zijn relevant
kwalificatie. Hoe dit alles van belang kan zijn voor de
uitleg van de gemaakte afsprakentussen partijen, staat daar niet in. De klacht maakt ook niet duidelijk waarom deze stellingen kunnen leiden tot een ander oordeel over de uitleg van de hier gemaakte afspraken. Daar ketst de motiveringsklacht op af.
ondergeschiktaan het aspect van het verrichtten van loonvormende arbeid ten behoeve van UMCG. Dat is volgens het hof voor [verweerders] feitelijk niet anders: hun hoofdtaak is het doen van onderzoek en promoveren en het neveneffect is persoonlijke vorming en vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt (rov. 4.25). Vervolgens respondeert het hof op de stelling van UMCG dat zijn hoofdactiviteit het bieden van patiëntenzorg is. Dat is volgens het hof ongetwijfeld waar, hetgeen [verweerders] ook niet hebben betwist, maar dat neemt niet weg dat wetenschappelijk onderzoek verrichten ook een wezenlijke kernactiviteit is van UMCG en dat hetgeen [verweerders] doen volledig past binnen die kernactiviteit (rov. 4.26) [109] . Daar voegt het hof vervolgens aan toe dat, anders dan bij de student-assistenten, het doen van promotieonderzoek de
enigetaak is van [verweerders] en dat bij [verweerders] sprake is van twee parallel lopende, maar gescheiden trajecten: studie (opleiding) en promotie (in hoofdzaak: arbeid) (rov. 4.27). Tot slot overweegt het hof dat [verweerders] zich verplicht hebben tot het uitvoeren van een promotieonderzoek en het op basis daarvan promoveren, dat daarmee een van de kernactiviteiten van UMCG wordt verwezenlijkt, dat het doorlopen van het MD/PhD-traject is gescheiden van het studietraject en dat om al deze redenen sprake is van productieve ‘arbeid’ ten behoeve van UMCG gedurende zekere tijd, namelijk de duur van de gesloten overeenkomst (rov. 4.28).
promotieonderwijsen deze werkzaamheden in het kader van het op dat Besluit gebaseerde experiment (in beginsel) dus juist
nietworden verricht in de vorm van
loonvormende arbeid(PI
onder 41) [110] .
onder 42bevat vervolgens de rechtsklacht dat wanneer het hof aan voornoemd argument voorbij is gegaan omdat het meent dat wanneer bepaalde werkzaamheden, zoals hier het verrichten van promotieonderzoek, (i) tot een kerntaak van UMCG behoren en (ii) door sommigen binnen de organisatie wel op basis van een arbeidsovereenkomst werden en worden verricht, dit betekent dat daarmee al gegeven is dat het verrichten van die werkzaamheden (in elk geval: wanneer daar een betaling tegenover staat), kwalificeert als ‘arbeid’, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. UMCG’s s.t. licht onder 76 toe dat deze rechtsklacht is gebaseerd op de lezing dat de beslissing van het hof in rov. 4.21 tot en met 4.28 aldus moet worden begrepen dat de promotiewerkzaamheden van [verweerders] , anders dan hun studieactiviteiten in hun masteropleiding – zoals het lopen van co-schappen – zijn aan te merken als ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW Pro omdat (i) het verrichten van zulk wetenschappelijk onderzoek één van de kerntaken van UMCG is, terwijl (ii) vast staat dat bij andere personen die vóór respectievelijk na [verweerders] als student-assistent hetzelfde (soort) onderzoekswerk gericht op een promotie (zijn gaan) doen bij UMCG, en die daar op dezelfde wijze van profiteerden wat betreft persoonlijke vorming en arbeidsmarktpositie, dat werk wel als primair ‘loonvormende arbeid’ is aangemerkt.
onder 43bevat ook een rechtsklacht: het hof heeft in ieder geval (ook) blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij zijn beoordeling in rov. 4.23 tot en met 4.27 of [verweerders] ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW Pro verrichten geen kenbaar gewicht toe te kennen aan het wettelijk kader, bestaande in het Besluit, dat ten grondslag ligt aan de overeenkomsten, welk wettelijk kader nu juist als vertrekpunt kiest dat onderzoeks- en promotiewerk dat wordt verricht op grond van het experiment dat door het Besluit mogelijk is gemaakt, in beginsel niet is aan te merken als loonvormende arbeid. Het hof heeft, zo vervolgt de klacht, hiermee miskend dat wanneer sprake is van een specifiek wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan het (laten) verrichten van bepaalde werkzaamheden, de toets of sprake is van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW Pro in belangrijke mate, althans in elk geval mede, door dat kader wordt ingekleurd. Wanneer personen op grond van een specifieke wettelijke regeling tegen betaling werkzaamheden verrichten bij een bepaalde organisatie, kan die regeling meebrengen, althans een zwaarwegende aanwijzing vormen, dat het verrichten van dat werk voor die personen niet als ‘arbeid kwalificeert, zelfs als anderen binnen diezelfde organisatie, dezelfde werkzaamheden wel bij wijze van ‘arbeid’ in de zin van art. 7:610 BW Pro verrichten of hebben verricht (omdat zij niet onder het voornoemde, specifieke wettelijke kader vallen of vielen).
onder 44de motiveringsklacht dat als het hof hier niet uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, de beslissing dat sprake is van ‘arbeid’ in elk geval onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft in de aangevallen rechtsoverwegingen geen kenbaar gewicht toegekend aan (de strekking van) het Besluit, dat er nu juist van uitgaat dat onderzoekswerk zoals door [verweerders] verricht op grond van het experiment dat het Besluit in het leven heeft geroepen, in beginsel gezien moet worden als werk dat wordt verricht in het kader van de
opleidingdie door de promotiestudenten wordt gevolgd en juist niet als in dienstverband / op grond van een aanstelling verricht werk [111] .
objectiefbezien sprake is van het verrichten van productieve arbeid ten behoeve van UMCG en UMCG verplicht is de beurs te betalen als de beurspromovendus zich houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in de overeenkomst (rov. 4.30). Vervolgens respondeert het hof op de stelling van UMCG dat het profileringsfonds er is voor studenten en dat de gedachte achter het Besluit niet is financiële ondersteuning ten behoeve van het verrichten van een arbeidsprestatie door studenten, maar financiële ondersteuning van studenten bij het afronden van hun studie. In het verlengde hiervan is de beurs voor de beurspromovendi niet bedoeld als vergoeding voor hun prestatie, maar als voorziening om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat moge zo zijn, zo oordeelt het hof, maar neemt niet weg dat [verweerders] feitelijk loonvormende arbeid verrichten. Het is niet de bedoeling van het Besluit en UMCG die bepalend is, zo vervolgt het hof, maar de feitelijke situatie die bij de uitvoering in het leven is geroepen. Voor [verweerders] was niet van belang uit welk ‘potje’ zij werden betaald; van belang was slechts dat UMCG (en niet een derde) betaalde (rov. 4.31). Hier voegt het hof verder nog aan toe dat op de verstrekte beurs, net zoals in situaties van loonbetaling aan werknemers, loonbelasting en premies volksverzekeringen worden ingehouden, er loonstroken worden verstrekt en dat bij korte periodes van ziekte en zwangerschap de beurs wordt doorbetaald. Een aan studenten verstrekte studiebeurs heeft (vanaf 2015) deels het karakter van een lening, maar dat is niet het geval bij de aan de [verweerders] betaalde beurs. Als het onderzoek niet wordt afgemaakt, hoeft door hen niets te worden terugbetaald. De aan de [verweerders] betaalde beurs is verder aanmerkelijk hoger dan de reguliere studiebeurs (rov. 4.32). In het licht van al deze omstandigheden moet de verstrekte beurs worden aangemerkt als een door UMCG verschuldigde vergoeding voor de bedongen ‘arbeid’, dus als ‘loon’ in de zin van art. 7:610 BW Pro (rov. 4.33).
onder 46van de PI, komt erop neer dat het oordeel dat de beursbetaling door UMCG kwalificeert als ‘loon’ volgens art. 7:610 BW Pro bij gegrondbevinding van één of meer van de klachten van subonderdeel 3a geen stand kan houden omdat dit oordeel in belangrijke mate is gebaseerd op het feit dat [verweerders] ‘feitelijk loonvormende arbeid’ verrichten.
onder 48blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de bedoelingen van de wetgever ten aanzien (van het karakter) van de betaling die [verweerders] , die participeren in op het Besluit gebaseerde promotietrajecten, ontvangen wel degelijk (en zelfs: in belangrijke mate) medebepalend zijn voor de afwegingen of bij die betalingen sprake is van ‘loon’. Hierbij wordt verwezen naar rov. 3.3.2 van
Participatieplaats [113] .
Participatieplaats, voor de vraag of sprake is van ‘loon’ betekenis moet worden toegekend aan de bedoeling van de wetgever bij een bepaalde vergoeding. In
Participatieplaatsis in rov. 3.3.2 uitgemaakt (onderstreping toegevoegd A-G):
Gelet op het doel van de stimuleringspremie in het algemeen en bij gebreke van omstandigheden die erop wijzen dat in dit geval de stimuleringspremie aan [betrokkene] is betaald als beloning voor haar werkzaamheden, geeft het oordeel van het hof dat de stimuleringspremie die [betrokkene] heeft ontvangen, niet is te beschouwen als loon in de zin van art. 7:610 lid 1 BW Pro, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is in het licht van de gedingstukken ook niet onbegrijpelijk.”
waarvoorde beurs uit het profileringsfonds een beloning vormt. Art. 9 lid 3 Besluit Pro bepaalt slechts dat het instellingsbestuur voorzieningen treft voor de financiële ondersteuning van promotiestudenten uit het profileringsfonds en daartoe regels vaststelt over in ieder geval de aanvraag, de duur en de hoogte van de financiële ondersteuning. In de nota van toelichting valt te lezen dat gekozen is voor aansluiting bij het profileringsfonds omdat dit een fonds is dat al bestaat op grond van de wet, de universiteit hiervoor een regeling heeft en de rechten van universiteiten en studenten helder geregeld zijn. Ook is toegelicht dat de promotiestudent met de beurs in zijn levensonderhoud moet kunnen voorzien, zo is uiteengezet in paragraaf 4. In de tweede plaats zijn er in deze zaak wél omstandigheden die erop wijzen dat de door UMCG betaalde vergoeding als beloning voor de werkzaamheden van [verweerders] is te zien. Het hof overweegt immers, heel kort gezegd, feitelijk oordelend dat [verweerders] en UMCG dit zo waren overeengekomen. Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het hof dat niet de bedoeling van het Besluit en UMCG bepalend is, maar de feitelijke situatie die bij de uitvoering in het leven wordt geroepen, volgens mij geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De hier besproken rechtsklacht strandt daar dan op.
onder 49is gericht tegen de twee na laatste volzin van rov. 4.31 dat voor [verweerders] niet van belang was uit welk ‘potje’ (het profileringsfonds of andere middelen van het UMCG/de RUG) zij werden betaald; van belang was slechts dat UMCG (en niet een derde) betaalde. Geklaagd wordt dat dit onjuist is voor zover dit zo moet worden begrepen dat het hof heeft beslist dat voor de beoordeling of sprake is van loonbetaling in de zin van art. 7:610 BW Pro slechts beslissend is dat de ontvanger een betaling heeft ontvangen van de werkverschaffer en dat daarbij niet van belang is hoe de financiering van de betalingen aan [verweerders] verliep. Bij de beoordeling of betalingen kwalificeren als loonbetalingen gaat het er immers om vast te stellen of die betaling kwalificeert als tegenprestatie voor de verrichte arbeid en voor die vraag kan wel degelijk van gewicht zijn hoe en van waaruit de betalingen zijn gefinancierd, omdat daarin aanwijzingen besloten kunnen liggen die erop kunnen duiden dat die betalingen er juist
nietop gericht zijn om een tegenprestatie te vormen voor productieve arbeid.
uit praktische overwegingenis gekozen om aan te sluiten bij het profileringsfonds. Het hier aangevallen oordeel dat voor [verweerders] niet van belang was uit welk potje zij betaald werden, lijkt mij niet rechtens onjuist.
onder 51stelt UMCG dat het hof bij de beoordeling in rov. 4.34-4.43 of sprake is van ‘gezag’ geen acht heeft geslagen op het beroep van UMCG op het feit dat [verweerders] een grote mate van vrijheid hadden bij het kiezen van het onderwerp van hun onderzoek en bij het opzetten van hun onderzoeksplan [121] . Het hof heeft in rov. 4.35 wel onderkend dat [verweerders] een grote mate van vrijheid hadden bij het uitvoeren van hun onderzoek, maar die
uitvoeringbetreft een ander aspect dan de
keuze van het onderwerp en het opzetten van het onderzoeksplan, hetgeen immers beide voorafgaat aan de uitvoering daarvan. Geklaagd wordt dat als het hof geen rekening heeft gehouden met bedoelde vrijheid bij onderwerpkeuze en onderzoeksplan omdat het hof meent dat deze gezichtspunten niet relevant zijn in de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding, het hof uitgegaan is van een onjuiste rechtsopvatting. Deze keuzevrijheden zijn immers belangrijke aanwijzingen, althans kunnen dat zijn, dat geen sprake is van een gezagsverhouding. Dat klemt te meer nu in de nota van toelichting bij het Besluit deze keuzevrijheden juist uitdrukkelijk zijn aangewezen als reden om bij de categorie promotiestudenten die deelnemen aan het experiment geen arbeidsrechtelijke gezagsverhouding aan te nemen [122] . Daar wordt de motiveringsklacht aan toegevoegd dat wanneer het hof niet uit is gegaan van een onjuiste rechtsopvatting, er sprake is van ontoereikende motivering door niet te responderen op de essentiële stellingen die UMCG in dit verband heeft ingenomen [123] .
onder 52klaagt UMCG verder dat bij de beoordeling of sprake is van ‘gezag’ geen rekening is gehouden met de volgende door UMCG aangevoerde gezichtspunten, dat:
Onder 53volgt de motiveringsklacht dat voor zover geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, het hof zijn beslissing ‘gezags’-beslissing in rov. 4.34 tot en met 4.43 ontoereikend heeft gemotiveerd door niet te reageren op de hiervoor genoemde omstandigheden die er veeleer op duiden dat [verweerders] niet als werknemer maar als student aan het UMCG waren verbonden.
gevolgvan het feit dat UMCG [verweerders] als studenten en niet als werknemers ‘kwalificeerde’. Daarbij komt dat ik zonder nadere, maar niet verschafte, toelichting niet inzie waarom het aanbieden van bepaalde faciliteiten of kortingen (zoals bedoeld onder (iii)) zou kunnen bijdragen aan het oordeel dat al dan niet sprake is van arbeidsrechtelijk ‘gezag’ (de gedachte is hier kennelijk: ze delen in de faciliteiten voor studenten, anders dan werknemers-promovendi, en zodoende is er arbeidsrechtelijk geen ‘gezag’, evenmin als dat bij studenten het geval is. Dat vormt trekken van een a contrario redenering, waarmee voorzichtigheid is geboden in ons recht). Hetzelfde geldt voor de verhuisplicht genoemd onder (i). Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk.