Conclusie
1.Overzicht
BNB2017/222 over de inkomstenbelastingpositie van [A] , indirect grootaandeelhouder in de belanghebbende en diverse andere binnen- en buitenlandse vennootschappen. Die procedure betrof de toerekening aan [A] van resultaten van bepaalde transacties mede door, met of via de belanghebbende; in casu is slechts één van die transacties van belang.
BNB2017/222 was in geschil of het Hof terecht het resultaat van bepaalde door [A] en [B] - mede door, met, tussen of via de genoemde vennootschappen - verrichtte transacties, waaronder de boven beschreven transacties, had aangemerkt als resultaat van een onderneming gedreven door [A] en [B] (als diens vaste vertegenwoordiger in Nederland) en zo ja, of de helft van de resultaten ervan aan [A] toekwam. In die zaak was de bewijslast omgekeerd wegens herhaaldelijke weigering door [A] om aan zijn informatieverstrekkingsplichten te voldoen. U zag in de oordelen van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting en achtte die voor het overige niet toetsbaar in cassatie door hun feitenwaarderende karakter. Het Hof had volgens u niet de civielrechtelijke eigendom van de bij die transacties betrokken vermogensbestanddelen veronachtzaamd bij zijn oordeel dat het economische belang bij die transacties mede bij [A] lag en dat zij mede voor diens rechtstreekde rekening en risico waren verricht. Uit ’s Hofs op bewijslastomkering gebaseerde oordelen in die zaak volgde dat de kosten en baten van [D] , [L] en de belanghebbende in verband met die transacties moesten worden aangemerkt als kosten en baten van de mede door [A] gedreven IB-onderneming. Dat impliceerde volgens u dat op de tussen die lichamen
onderlingverrichte transacties fiscaal geen winst of verlies werd gerealiseerd. Dat gold ook voor de rente die de belanghebbende was verschuldigd op de door haar aan [L] schuldig gebleven koopsom voor de aandelen [G] .
BNB2017/222 volgt dat nooit is voldaan aan de bezitseis in art. 15 Vpb Pro (95% juridisch en economisch belang in de te voegen vennootschappen) en dus geen fiscale eenheid is ontstaan omdat de economische eigendom van onder meer belanghebbendes vermogensbestanddelen zijn toegerekend aan [A] . [G] , [I] en [J] kunnen daarom volgens haar in 2001 t/m 2005 niet als gevoegd beschouwd worden. Nu zij niet zijn uitgenodigd om zelf aangifte te doen en de aanslagtermijn is verstreken, kunnen de aan de belanghebbende opgelegde aanslagen Vpb volgens haar alleen haar - veel lagere - zelfstandige resultaat omvatten.
Hofheeft uw overwegingen in HR
BNB2017/222 niet zonder meer overgenomen omdat (i) uit dat arrest volgt dat u slechts het op omkering van de bewijslast gebaseerde feitelijke oordeel van de feitenrechter in stand liet, terwijl thans de bewijslast niet is omgekeerd en (ii) dat geding een andere partij betrof ( [A] ) ter zake van een andere belasting. Aan HR
BNB2017/222 komt dan geen gezag van gewijsde toe in onze zaak, aldus het Hof. De belanghebbende heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij niet de economische eigenaar was van de aandelen [G] of dat [G] niet de economische eigenaar was van de aandelen [I] en [J] . Zij heeft van 2002 t/m 2019 ook steeds aangifte gedaan als moeder van die eenheid en heeft zich steeds gedragen als economisch eigenaar van alle aandelen [G] . Uit de gedingstukken volgt dat zij in de geschiljaren de juridische en economische eigendom van die aandelen bezat. Mede gelet op de koopsom ad € 10 mio voor de aandelen [G] achtte het Hof daarom aannemelijk dat zij economisch eigenaresse was van de aandelen [G] . Daarom moeten [G] , [I] en [J] in de geschiljaren beschouwd worden als fiscaal gevoegd met de belanghebbende, aldus het Hof.
BNB2017/222 volgt echter dat de rente bij [A] niet is belast. In zoverre (45% van de rente) is er dus geen compenserende heffing. Voor de aan [B] toegerekende 45% van de rente heeft de belanghebbende volgens het Hof wel aannemelijk gemaakt dat compenserend is geheven op basis van een tussen [B] en de fiscus gesloten vaststellingsovereenkomst. Het Hof heeft daarom in zoverre belanghebbendes beroep op de tegenbewijsregeling in art. 10a(3)(b) Wet Vpb gehonoreerd.
middelen 1 t/m 3veronderstellen dat uit HR
BNB2017/222 volgt dat de economische eigendom van de aandelen [G] niet bij de belanghebbende maar bij [A] lag en daardoor niet voldaan is aan de bezitseis voor een fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [G] en dier dochters. Die veronderstelling lijkt mij onjuist. Het Hof in die zaak heeft geen dergelijk oordeel gegeven. Diens oordeel was gebaseerd op het concept ‘groot koopmanschap’, dat zich voordoet als de activiteiten van een natuurlijke persoon en diens participaties in door hem beheerste vennootschappen plaatsvinden op een wijze en onder omstandigheden die daaraan het karakter van ondernemingsuitoefening geven. Groot koopmanschap impliceert
nietfiscale transparantie van de door de groot koopman beheerste vennootschappen; die behouden ook fiscaalrechtelijk hun eigen ondernemerschap en vermogensbestanddelen. Door het naast elkaar bestaan van hun ondernemingen en die van de groot koopman rijst wel de vraag welke resultaten uit welke transacties aan de ondernemingen van de vennoot-schappen moeten worden toegerekend en welke aan de onderneming van de groot koopman. Als toerekening als gevolg van onrechtmatige informatieweigering slechts mogelijk is op basis van omkering en verzwaring van de bewijslast, zoals in HR
BNB2017/222, kan het zijn dat de toerekening voor de inkomstenbelasting niet strookt met die voor de vennootschapsbelasting, maar dat is dan het gevolg van de onrechtmatige weigering om de voor sluitende resultatentoerekening vereiste informatie te verstrekken. De belanghebbende heeft overigens niet gesteld dat dubbele belasting is ontstaan. Voor zover beoordeelbaar bijten de IB-heffing bij [A] en de Vpb-heffing bij de belanghebbende (op haar verzoek als fiscale eenheid) elkaar ook niet. De voor de inkomstenbelasting aan [A] en [B] toegerekende resultaten uit de verkoop door [D] van de economische eigendom van de aandelen [I] aan [L] en die uit de verkoop door [L] van de aandelen [G] aan de belanghebbende, vallen buiten de fiscale eenheid tussen de belanghebbende, [G] , [I] en [J] . Wel voorkomt het aannemen van een fiscale eenheid dat de winsten van [G] , [I] en [J] ontsnappen aan winstbelasting.
frontbeschouwd, althans de formele bestuurder als stroman van [A] aangemerkt, maar daaruit volgt geenszins dat, zoals de middelen 1 t/m 3 veronderstellen, [A] economisch eigenaar zou zijn van de onderneming en vermogensbestanddelen van de belanghebbende.
tokenen materiële bestuurders. Dat arrest zegt niets over de Vpb, met name niet dat geen fiscale eenheid Vpb zou bestaan tussen de belanghebbende, [G] , [I] en [J] . Groot koopmanschap van [A] in de inkomstenbelasting ter zake van bepaalde transacties waarbij hij zich mede bediend heeft van door hem beheerste vennootschappen zoals [D] en de belanghebbende, sluit een fiscale eenheid tussen die vennootschappen voor de vennootschapsbelasting geenszins uit.
ander–
nietmet belanghebbendes fiscale eenheid Vpb congruerend - fiscale-eenheid-achtig verschijnsel voordoet, nl. groot koopmanschap van [A] .
Middel 1bevat twee klachten:
(a)het Hof heeft ten onrechte of niet-begrijpelijk de in HR
BNB2017/222 gegeven oordelen niet zonder meer overgenomen met als reden dat u slechts het op een omgekeerde bewijslast berustende oordeel van het Hof in stand heeft gelaten. Deze klacht strandt er mijns inziens al op dat de feitenrechter in de zaak HR BNB 2017/222 niet heeft vastgesteld dat [A] economische eigenaar van belanghebbendes vermogensbestanddelen was. ’s Hofs overweging in de zaak HR BNB 2017/222 dat ook als de bewijslast niet was omgekeerd, de inspecteur de belastbare feiten in het litigieuze jaar bewezen zou hebben, maakt het Hofoordeel in onze zaak niet onjuist of onbegrijpelijk omdat het om een overweging ten overvloede ging en ook die overweging niet impliceert dat de feiten in die zaak met zekerheid zijn komen vast te staan, laat staan dat het Hof thans op basis van enige kracht van gewijsde verboden zou zijn om in onze zaak, over een andere belasting ten laste van een andere persoon, de voor die andere belasting en die andere persoon relevante feiten te onderzoeken en vast te stellen.
middel 1(b)komt wel degelijk kracht van gewijsde toe aan HR
BNB2017/22 omdat (i) uit art. 236 Rv Pro niet volgt dat dat niet zo is; (ii) de belanghebbende niet als een andere ‘partij’ dan [A] kan worden beschouwd omdat zij in HR BNB 2017/22 met [A] is vereenzelvigd en (iii) in HR BNB 2017/22 ook belanghebbendes rechtspositie is beoordeeld, zodat het in casu wel degelijk om dezelfde procespartijen gaat als in HR BNB 2017/22. Dit betoog lijkt mij niet juist, ad (i) niet omdat art. 236 Rv Pro alleen geldt in andere gedingen tussen ‘dezelfde partijen’ en de belanghebbende en haar (klein)dochters niet dezelfde partij zijn als [A] en omdat de ‘rechtsbetrekking’ tussen de belanghebbende, haar (klein)dochters en de Inspecteur Vpb niet dezelfde is als die tussen [A] en de Inspecteur inkomstenbelasting; bovendien gaat art. art. 236 Rv Pro, over civiele procedures, niet uit van een rechtsbetrekking die als gevolg van onrechtmatige weigering om aan publiekrechtelijke informatieverplichtingen te voldoen, noodgedwongen vastgesteld is op basis van een publiekrechtelijke omkering van de bewijslast. Ad (ii) meen ik dat in (de Hofuitspraak in) de zaak HR BNB 2017/22 niet valt te lezen dat de belanghebbende is vereenzelvigd met [A] ; toerekening van het resultaat van bepaalde transacties op basis van groot koopmanschap is geen vereenzelviging met die groot koopman en geen transparantie van de belanghebbende. Ad (iii) meen ik dat HR BNB 2017/22 alleen de inkomstenbelasting betrof, dus alleen [A] ’s fiscale positie.
1(b)betoogt
subsidiairdat als aan HR BNB 2017/22 in casu geen kracht van gewijsde toekomt, het Hof toch uw oordeel in die zaak had moeten overnemen op grond van (i) de tegenwerpelijkheid of derdenwerking van dat arrest en (ii) de normatieve kracht van (kort gezegd) precedenten. Mijns inziens strandt dit betoog al op het gegeven dat het Hof uw oordelen in HR BNB 2017/22 deels wel heeft overgenomen en dus kennelijk wel uitgegaan is van een zekere “tegenwerpelijkheid” van dat arrest en er deels wel ‘normatieve kracht’ aan heeft gegeven, zij het kennelijk niet op punten die de belanghebbende er in wil lezen. ‘s Hofs oordeel verraadt mijns inziens op dit punt geen onjuiste rechtsopvatting, en nu het Hof gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom hij welke oordelen niet zonder meer heeft overgenomen, lijkt mij zijn oordeel evenmin onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Ik herhaal (zie 1.13 en 1.14 hierboven) dat ik overigens de ‘tegenwerpelijkheid’ van HR BNB 2017/222 niet zie in deze Vpb-zaak.
nietvoldoende acht om aan te nemen dat niet zij maar [A] de economische eigenaar was van haar deelnemingen. Dit middel stelt mijns inziens wezenlijk hetzelfde als middel 2, althans stelt net als middel 2 dat het Hof aan HR BNB 2017/22 een feitelijk vermoeden had moeten ontlenen van de juistheid van belanghebbendes stelling dat niet zij maar [A] economisch eigenaar van belanghebbendes vermogensbestanddelen was. Dat heeft dat Hof echter niet beslist; het heeft slechts de bewijslast omgekeerd. De Inspecteur heeft volgens het Hof met de documenten in het procesdossier – die volgens het Hof geenszins wijzen op economische eigendom van [A] - aan zijn initiële bewijslast voldaan en de belanghebbende heeft daartegenover geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat zij niet de economische eigendom van alle aandelen in [G] had of dat [G] niet de economische eigendom van de aandelen in [I] en [J] had. Dat bewijsoordeel lijkt mij geenszins onbegrijpelijk. Ook dit middel is mijns inziens een poging om de door [A] in de IB-procedure onrechtmatig veroorzaakte onduidelijkheid over de daar relevante feiten om te zetten in een bewijsvoordeel in deze Vpb-procedure. Het moet mijns inziens dan ook op dezelfde gronden het lot van middel 2 delen.
middel 4dat 90% van de litigieuze rente in aftrek komt omdat zij toekomt aan de door [A] en [B]
gezamenlijkgedreven onderneming en de IB-heffing over de rente bij [B] voldoende compenseert in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. ’s Hofs oordeel dat de rente bij helfte aan [B] is toegerekend (en daar belast) en voor de andere helft aan [A] (en daar niet is belast), lijkt mij een feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. ‘s Hofs rechtsoordeel dat het bij het onderzoek naar een compenserende heffing om een materiële toets gaat, is mijns inziens juist, en het daaruit volgende gemengde oordeel dat het bestaan van een compenserende heffing onderzocht moet worden bij de uiteindelijke materiële crediteuren [B] en [A] en niet bij hun gemene onderneming, lijkt mij, voor zover rechtskundig, ook juist, en voor zover feitelijk, niet-onbegrijpelijk. Ook middel 4 strandt.
2.De feiten en het geding bij de feitenrechters
De feiten en het geschil
corporate treezag er na deze gebeurtenissen als volgt uit:
corporate treezag er op dat moment als volgt uit:
NOTITIE INZAKE: [B] /FISCUS-HB
€ 0,3 mio
Hof]”
BNB2017/222 [1] op het beroep in cassatie van [A] tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2001 en aanslagen IB/PVV 2003 t/m 2006. Die zaak bespreek ik in onderdeel 5 hieronder.
BNB2017/222 volgt volgens de Rechtbank niet dat zij geen economisch eigenaar was van de aandelen [G] of dat [G] geen volle eigenaar was van de aandelen [I] en [J] . Dat arrest zag volgens de Rechtbank enkel op de daarin genoemde specifieke transacties en is enkel gewezen voor de inkomstenbelasting. Belanghebbendes standpunt berust op een onjuiste of te ruime lezing van het arrest, aldus de Rechtbank.
BNB2017/222 is betrokken, heeft dat arrest volgens de Rechtbank in zoverre wel invloed op belanghebbendes vennootschapsbelastingpositie. Gelet op r.o. 2.5.2 van dat arrest is de rentelast voor de belanghebbende non-existent omdat zij behoorde tot de kosten van de mede door [A] gedreven onderneming en geen invloed had op belanghebbendes resultaat. Haar standpunt dat dit slechts 50% van de rente kan betreffen omdat HR
BNB2017/222 alleen op de inkomstenbelastingpositie van [A] zag en niet op die van [B] , heeft de Rechtbank gevolgd. [B] heeft weliswaar niet doorgeprocedeerd tot aan de Hoge Raad, maar de Rechtbank zag geen reden aan te nemen dat uw oordeel ten aanzien van [B] anders zou hebben geluid dan uw oordeel in HR BNB 2017/222 ten aanzien van [A] . De Rechtbank achtte weigering van de renteaftrek daarom terecht.
BNB2017/222 volgt dat geen fiscale eenheid tussen haar, [G] , [I] en [J] tot stand is gekomen en dat niet zij maar [A] de economische eigendom van de aandelen in die vennootschappen had. Aan die fiscale eenheid stond volgens haar eveneens in de weg dat [D] , gegeven de in 2.7 hierboven geciteerde participatieovereenkomst, de economische eigendom van de aandelen in [I] en [J] deels voor rekening en risico van [A] hield, zodat [L] niet de volledige economische eigendom van die aandelen had en dus evenmin kon overgedragen aan de belanghebbende.
BNB2017/222 op dit punt geen gevolgen had voor de vennootschapsbelasting. Dat arrest zegt volgens de Inspecteur niet meer dan dat de baten en lasten samenhangend met de verhanging van [G] en haar dochters onderdeel zijn van het resultaat van een mede door [A] gedreven onderneming. Een ruimere uitleg, die het al dan niet tot stand gekomen zijn van een fiscale eenheid, kan volgens hem niet aan het arrest worden gegeven.
BNB2017/222 is gaan innemen. De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet de economische eigendom van alle aandelen [G] had of dat [G] niet de economische eigendom van de aandelen [I] en [J] had. Als HR
BNB2017/222 al anders zou kunnen impliceren, is een bloot beroep op dat arrest onvoldoende, nu het Hof de oordelen in dat arrest niet zonder meer heeft overgenomen om de in 2.26 hierboven genoemde redenen.
BNB2017/222 volgt dat die rente moet worden toegerekend aan [A] ’s IB-onderneming en daardoor in de vennootschapsbelasting non-existent is. Is de rente Vpb-technisch wél zichtbaar, dan meende de Inspecteur dat art. 10a(2)(b) Wet Vpb aan aftrek in de weg staat.
BNB2017/222 niet zonder meer heeft overgenomen, achtte het Hof de rente voor de vennootschapsbelasting wél zichtbaar. Of zij aftrekbaar is, wordt dan bepaald door art. 10a Wet Vpb. Het Hof constateerde dat de rente aan [L] verschuldigd is op een lening tot financiering van een interne verhanging (de koop van de aandelen [G] ) en daarom in beginsel niet aftrekbaar is op grond van art. 10a(2) Wet Vpb, behalve voor zover het uiteindelijke belang of de uiteindelijke zeggenschap in [G] gewijzigd is in de zin van art. 10a(2)(b) Wet Vpb. [F] heeft op 5 oktober 2001 een 10%-belang in de belanghebbende verworven. [L] heeft daarna op 5 november alle aandelen [G] aan de belanghebbende verkocht. Het Hof concludeerde dat het uiteindelijke belang in [G] aldus voor 10% naar [F] was verschoven. In zoverre staat art. 10a(2)(b) Wet Vpb dan niet aan aftrek in de weg, aldus het Hof.
package deal, waarbij tegen betaling van een
lump sumalle fiscale geschillen zijn beëindigd en geen overeenstemming is bereikt over fiscale kwalificaties.
lump sumin de vso. De Inspecteur heeft niet verder onderzocht hoe die
sumis berekend, hoewel dat volgens het Hof op diens weg als meest gerede partij had gelegen. Dat de dossiervorming binnen de Belastingdienst niet op orde is, blijft voor diens rekening. Aangenomen moet worden dat de heffing bij [B] naar Nederlandse maatstaven redelijk is, aldus het Hof. Ter waarde van 45% van de litigieuze rente achtte het Hof daarom belanghebbendes beroep op de tegenbewijsregeling ex art. 10a(3)(b) Wet Vpb terecht. In zoverre is de rente aftrekbaar.
NTFR2924/128) merkt het volgende op over ’s Hofs oordeel over de rente:
3.Het geding in cassatie
vehiclesen die rechter heeft bovendien geoordeeld dat (i) de economische eigendom van de vermogensbestanddelen die op papier aan [D] toebehoorden in feite aan [A] toekwamen (r.o. 7.12.4 van die Hofuitspraak) en (ii) dat de Inspecteur ook zonder omkering van de bewijslast overtuigend had aangetoond dat de economische eigendom van de vermogens-bestanddelen bij [A] lag en niet bij de accomoderende vehicles (r.o 7.6.5 en 7.24). De kennelijk opvatting van het Hof in de huidige Vpb-procedure dat geenszins zeker is dat de Inspecteur in de IB-procedure kon bewijzen dat niet de accomoderende vehicles maar [A] economisch eigenaar was van de vermogensbestanddelen is dus onjuist en daarmee ook ’s Hofs beslissing om het oordeel in de IB-procedure op dat punt niet zonder meer over te nemen.
BNB2017/222 wel degelijk kracht van gewijsde toekomt en dat uit art. 236 Rv Pro en HR
NJ2022/129 [8] niet anders volgt; (ii) het wél om dezelfde procespartijen gaat, nu uit HR
BNB2017/222 volgt de belanghebbende met [A] is vereenzelvigd; en (iii) de regel dat anderen dan de procespartijen geen beroep kunnen doen op een gezag van gewijsde in casu niet geldt omdat in HR
BNB2017/222 ook is geoordeeld over belanghebbendes positie in de huidige procedure en daarmee een direct bij dat arrest betrokken partij is.
NJ2022/129 expliciet staat dat een gezag van gewijsde niet geldt voor een ander dan de procespartijen. Ook als u meent dat dat wel het geval is (relatieve werking van het gezag van gewijsde), kan de belanghebbende zich in casu toch op het gezag van HR BNB 2017/222 beroepen omdat dat beroep in casu niet strijdt met de ratio van de regel. De ratio is volgens de belanghebbende dat niet in de procedure betrokkenen geen gelegenheid hebben gehad om hun standpunt onder de aandacht van de rechter te brengen. In casu bestaat er geen risico dat anderen dan de procespartijen in hun belang wordt getroffen. Ook de Inspecteur kan niet benadeeld worden, nu hij zowel in zowel HR
BNB2017/222 als in thans partij is.
BNB2017/222 gelijk aan de in art. 236(2) Rv genoemde rechtsopvolgers onder algemene en bijzondere titel wier rechtspositie wordt geraakt door een uitspraak waarbij zij zelf geen procespartij zijn.
BNB2017/222 voor de belanghebbende geen gezag van gewijsde toekomt, ‘s Hof oordeel onjuist en onbegrijpelijk is vanwege (i) de tegenwerpelijkheid c.q. derdenwerking van dat arrest; en (ii) de mogelijkheid dat ook niet-rechtsoordelen normatieve kracht hebben. Ad (i) betoogt de belanghebbende dat HR
BNB2017/222 zich aan anderen dan de procespartijen opdringt als een feitelijk vermoeden en dat deze derden het bestaan en de gevolgen van dat arrest moeten erkennen. Haar enkele beroep op HR
BNB2017/222 acht zij daarom wél voldoende om de conclusie de rechtvaardigen dat geen fiscale eenheid heeft bestaan. Uit dat arrest volgt immers het feitelijke vermoeden dat [A] en niet de belanghebbende economisch eigenaar was van “de vermogensbestanddelen.” Ad (ii) betoogt de belanghebbende dat uit HR
NJ2012/182 [10] (zie 4.3 hierboven) volgt dat ook aan niet zuivere rechtsbeslissingen normatieve kracht kan worden ontleend, waarop anderen dan de procespartijen zich kunnen beroepen. Dat dit kan bijdragen aan de rechtszekerheid geldt volgens de belanghebbende te meer in het belastingrecht omdat het voorbijgaan aan bepaalde fiscaal-rechterlijke vaststellingen het ongewenste gevolg zou kunnen hebben dat voor de ene belastingplichtige andere fiscale gevolgen zouden bestaan dan voor de andere belastingplichtige bij hetzelfde feitencomplex. Het bezwaar tegen normatieve werking van een niet zuivere rechtsbeslissing (alleen de procespartijen hebben invloed kunnen uitoefenen op de totstandkoming van het oordeel; anderen niet), is in casu niet van belang omdat de fiscus in beide procedures partij was.
BNB2017/222 brengt immers het feitelijke vermoeden mee dat [A] en niet de belanghebbende de economische eigenaar is van de vermogensbestanddelen en het ligt dan op de weg van de partij die de consequenties van dat arrest niet wil erkennen – de Inspecteur – om het met verwijzing naar dat arrest door de belanghebbende voorshands geleverde bewijs te ontzenuwen. Door voorbij te gaan aan de uit de tegenwerpelijkheid van HR
BNB2017/222 voortvloeiende bewijslastverdeling, heeft het Hof de bewijslast verkeerd verdeeld.
BNB2024/11 [11] volgt dat een beschikking fiscale eenheid niet meebrengt dat ook een fiscale eenheid ontstaat als niet aan de wettelijke eisen voor een fiscale eenheid wordt voldaan. De toets of daaraan voldaan wordt, is volgens de belanghebbend een continutest. Anders dan in de zaak HR
BNB2024/11 blijft de fiscale eenheid volgens de belanghebbende in casu niet toch in stand op grond van het vertrouwensbeginsel, nu de belanghebbende niet verplicht is om zich op dat beginsel te beroepen. Voor het bestaan van een fiscale eenheid is niet relevant of de belanghebbende als moedermaatschappij aangifte heeft gedaan of zich als economisch eigenaar heeft gedragen, maar alleen of zij feitelijk economisch eigenaar was, aldus de belanghebbende. Zij heeft zich bij nader inzien in de geschiljaren ten onrechte als economisch eigenaar gedragen, maar dat kan volgens haar niet het oordeel dragen dat zij ook economisch eigenaar was. Dat zij aangiften Vpb heeft gedaan als moedermaatschappij vloeit rechtstreeks voort uit de door de Inspecteur afgegeven beschikking fiscale eenheid. Het Hof heeft dus een verkeerde, want irrelevante maatstaf aangelegd.
BNB2017/222 volgt dat [B] en [A] voor gemene rekening en met een 50/50-winstverdeling een onderneming dreven en dat de rente die de belanghebbende aan [L] verschuldigd was, moest worden beschouwd als rente van de mede door [A] gedreven onderneming. Dat betekent volgens de belanghebbende dat de door haar aan [L] verschuldigde rente moet gelden als rente van [B] ’ en [A] ’s gezamenlijke onderneming en niet als voor de helft verschuldigd aan [A] en voor de helft aan [B] . HR
BNB2017/222 impliceert volgens de belanghebbende dat het om één rentestroom naar de gezamenlijk gedreven onderneming gaat. De rentegenieter in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb (oud), is dan ook die gezamenlijk gedreven onderneming. Uit de vaststellingsovereenkomst tussen [B] en de belastingdienst kan volgens de belanghebbende afgeleid worden dat bij [B] over 2002 t/m 2005 voldoende compenserend is geheven over de gehele door haar aan [L] verschuldigde rente. Het Hof is ten onrechte voorbij gegaan aan de vragen of degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect toekwam, [B] ’ en [A] ’s gemene onderneming was en of uit [B] ’ vaststellingsovereenkomst volgt dat er bij hem voldoende compenserend is geheven over de 90% van de rente die aan die gemene onderneming is toegerekend. Als ’s Hofs oordeel inhoudt dat [B] ’ en [A] ’s gezamenlijke onderneming niet degene is aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect verschuldigd was, is dat oordeel rechtens onjuist, aldus de belanghebbende.
verweerad de middelen 1 t/m 3 dat belanghebbendes uitleg van HR
BNB2017/222 onjuist, althans te ruim is. Dat arrest houdt volgens hem in dat de belangen in diverse vennootschappen, waaronder belanghebbende en haar(klein)dochters, tot de door [A] gedreven IB-onderneming behoorden en dat daarom onderlinge transacties tussen die vennootschappen niet tot winst of verlies van die onderneming leidden. Dat zegt volgens de Staatssecretaris niet dat de resultaten c.q. de kosten en opbrengsten van de diverse vennootschappen niet de resultaten c.q. de kosten en opbrengsten van die vennootschappen zijn. Hij merkt verder op dat in de IB-zaak HR
BNB2017/222 de bewijslast was omgekeerd. Op basis daarvan gegeven oordelen kunnen volgens hem daarom niet als ondubbelzinnig vaststaande feiten aangemerkt worden. Voor zover de belanghebbende stelt dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de belanghebbende de economische eigendom van haar deelnemingen had, acht hij dat betoog onjuist; hij verwijst daarbij naar onderdeel 7.1.4 van het verweerschrift van de Inspecteur in eerste instantie. Voor het overige is ’s Hofs oordeel volgens de Staatssecretaris feitelijk en daarmee aan cassatie onttrokken, want niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
BNB2017/222 volgt dat zij niet tot het belastbare inkomen van de door [A] gedreven onderneming is gerekend omdat zij voortvloeit uit een transactie tussen vennootschappen waarvan het door [A] gehouden belang is gerekend tot de IB-onderneming van [A] . Daarmee staat volgens hem vast dat over 45% van de rente niet compenserend is geheven. Wat betreft ’s Hofs oordeel dat over de aan [B] toegerekende 45% van de rente wél voldoende compenserend is geheven, merkt de Staatssecretaris op dat hij dat oordeel in cassatie niet bestrijdt, zodat daarvan kan worden uitgegaan. Voor belanghebbendes stelling dat de door [B] obver diens rentedeel betaalde belasting ook aan [A] ’s rentedeel kan worden toegerekend, ziet de Staatssecretaris geen ruimte in de wettekst of de bedoeling van art. 10a Wet Vpb.
4.Het recht
NJ2012/182, [29] waarop de belanghebbende zich beroept. Die zaak was een proefprocedure die een zo groot mogelijke precedentwerking moest krijgen. U overwoog dat bij de beoordeling van geschillen over effectenlease in individuele zaken niet onbeperkt kan worden geabstraheerd van de omstandigheden van dat individuele geval, maar u gaf wel als ‘handreiking’ aan de praktijk een algemene beschouwing over het verband tussen de zorgplicht van de aanbieder en de schadevergoeding als aan die zorgplicht niet is voldaan:
BNB2016/197 [30] legde u de term “degene aan wie de rente rechtens dan wel in feite direct of indirect is verschuldigd” als volgt uit:
BNB2024/11 [31] oordeelde u dat een beschikking fiscale eenheid niet tot gevolg heeft dat een fiscale eenheid ontstaat ook als niet aan de wettelijke vereisten voor het bestaan ervan wordt voldaan, maar dat onder omstandigheden de belanghebbende wel met vrucht een beroep kan doen op gerechtvaardigd door die beschikking gewekt vertrouwen dat een eenheid is ontstaan:
BNB2017/222 luiden als volgt:
6.Groot koopmanschap
BNB1968/105 stelde u een enigszins tautologisch criterium voor groot koopmanschap: de activiteiten van de natuurlijke persoon/grootaandeelhouder en diens deelnemingen in de betrokken vennootschappen vinden plaats op een wijze en onder omstandigheden die daaraan het karakter van uitoefening van een onderneming geven. Groot koopmanschap hangt niet af van de subjectieve opvatting van de belastingplichtige, maar van objectieve beoordeling van de feiten: [41]
naastde door de beheerste vennootschappen uitgeoefende bedrijven nóg een bedrijf bestaat: [42]
naastde ondernemingen van de beheerste vennootschappen en concludeert dat groot koopmanschap geen fiscale transparantie van de beheerste vennootschappen inhoudt: [43]
BNB2021/109 [45] beargumenteert dat cijfermatig onverenigbare schattingen van dezelfde loonsom voor enerzijds de inkomstenbelasting van de dga en anderzijds de vennootschapsbelasting van diens BV – als gevolg van omkering van de bewijslast door aangifteverzuim en van tegenbewijsverzuim – niet aan handhaving van beide aanslagen in de weg hoeft te staan en dat het Hof in die IB-zaak niet gebonden was aan zijn uitspraak in de Vpb-zaak gegeven dat in beide zaken de bewijslast was omgekeerd. [46]
frontbeschouwd (zie 5.5 hierboven), maar dat zegt niet dat die zaak meer betekent dan slechts toerekening van het resultaat van bepaalde transacties aan [A] als groot koopman in diens onoverzienbare net van vennootschappen, geldstromen, al dan niet transparante entiteiten, contractuele relaties, en
tokenen materiële bestuurders.
7.Beoordeling van de middelen
middelen 1 t/m 3strekken ertoe dat het Hof ten onrechte een fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [G] , [I] en [J] heeft aangenomen omdat uit HR BNB 2017/222 volgt dat de economische eigendom van belanghebbendes onderneming en vermogensbestanddelen (de deelnemingen in [G] , [I] en [J] ) niet bij de belanghebbende berustte, maar bij [A] , zodat de door het Hof aangenomen fiscale eenheid niet bestaan kan hebben. Het belang bij die middelen ligt in het feit dat [G] , [I] en [J] vanwege het veronderstelde bestaan van een fiscale eenheid geen aangiften hebben gedaan en evenmin zijn aangeslagen, en de aanslagtermijnen inmiddels zijn verlopen, zodat zij niet meer belast kunnen worden voor hun resultaten in de litigieuze jaren als die niet begrepen kunnen worden geacht in een fiscale eenheid met de wel aangeslagen belanghebbende. Treffen de middelen 1 t/m 3 doel, dan moet haar belastbaar bedrag in de geschiljaren worden verlaagd tot enkel haar zelfstandige resultaat.
BNB2017/222 volgt dat de economische eigendom van de aandelen [G] moet worden toegerekend, niet aan de belanghebbende, maar aan [A] en dat daardoor niet voldaan is aan de bezitseis voor een fiscale eenheid tussen de belanghebbende en [G] en haar dochters. Die veronderstelling is mijns inziens echter onjuist. Zij berust op verkeerde lezing van de Hofuitspraak in die zaak. Zoals in onderdeel 6 hierboven bleek, was HR
BNB2017/222 een toepassing van het concept ‘groot koopmanschap’. Groot koopmanschap houdt niet in dat de (economische eigendom van de) vermogensbestanddelen en de onderneming van de door de groot koopman beheerste vennootschappen wordt toegerekend aan de groot koopman, noch dat die vennootschappen met de groot koopman worden vereenzelvigd. Door het
naast elkaarbestaan van de ondernemingen van de beheerste vennootschappen zoals de belanghebbende en de onderneming van de groot koopman rijst wel de vraag welke resultaten uit welke transacties aan de ondernemingen van die vennootschappen moeten worden toegerekend en welke resultaten toegerekend moeten worden aan de onderneming van de groot koopman.
frontbeschouwd, althans dat de formele bestuurder slechts een stroman van [A] was, maar daaruit volgt geenszins dat [A] economisch eigenaar zou zijn van de onderneming en vermogensbestanddelen van de belanghebbende.
tokenen materiële bestuurders. Dat arrest zegt dus niets over de vennootschapsbelasting, met name niet dat [A] economisch eigenaar zou zijn van de onderneming en vermogensbestanddelen van de belanghebbende en dat daarom geen fiscale eenheid zou hebben kunnen bestaan tussen de belanghebbende, [G] , [I] en [J] voor de vennootschapsbelasting. Groot koopmanschap van [A] in de inkomstenbelasting ter zake van bepaalde transacties waarbij hij zich mede bediend heeft van door hem beheerste vennootschappen, sluit geenszins een fiscale eenheid uit tussen die vennootschappen voor de vennootschapsbelasting.
BNB2017/222 (r.o. 2.5.2) betreft alleen [A] ’s groot koopmanschap voor de inkomstenbelasting en zegt geenszins dat de vermogensbestanddelen, ondernemingen en resultaten van de belanghebbende of haar (klein)dochters voor de toepassing van de vennootschapsbelasting aan [A] moeten worden toegerekend. HR BNB 2017/222 zegt slechts dat zich voor de inkomstenbelasting een
ander–
nietmet belanghebbendes fiscale eenheid congruerend - fiscale-eenheid-achtig verschijnsel voordoet, nl. groot koopmanschap van [A] .
nemo auditur propriam turpitudinem allegans.
(a)het Hof heeft ten onrechte of niet-begrijpelijk de in HR
BNB2017/222 gegeven oordelen niet zonder meer overgenomen met als reden dat uit r.o. 2.4.2 van dat arrest volgt dat u slechts het op een omgekeerde bewijslast berustende oordeel van het Hof in stand heeft gelaten. Deze klacht strandt er mijns inziens al op dat de feitenrechter in de zaak HR BNB 2017/222 niet heeft vastgesteld dat het economisch belang in de belanghebbende aan [A] toekwam. ’s Hofs overweging in de zaak HR BNB 2017/222 dat ook als de bewijslast niet was omgekeerd, de inspecteur de belastbare feiten in het litigieuze jaar bewezen zou hebben, maakt het Hofoordeel in onze zaak niet onjuist of onbegrijpelijk omdat het om een overweging ten overvloede ging en ook die overweging niet impliceert dat de feiten in die zaak met enige zekerheid zijn komen vast te staan (integendeel, gegeven [A] onrechtmatige informatieweigering en de daaruit voorvloeiende omkering van de bewijslast waaraan [A] evenmin heeft voldaan), laat staan dat het aan het Hof thans op basis van enige kracht van gewijsde verboden zou zijn om in onze zaak, over een andere belasting ten laste van een andere persoon, de voor die andere belasting en die andere persoon relevante feiten te onderzoeken en vast te stellen. Het Hof heeft ook niet geoordeeld dat [D] fiscaalrechtelijk transparant was, maar alleen dat de formele bestuurder [M] een stroman van [A] was en bovendien (expliciet) dat zijn bevindingen noodgedwongen gebaseerd waren op een omgekeerde bewijslast bij gebrek aan de wettelijk vereiste medewerking van [A] aan de opheldering van de werkelijke verhoudingen en belangen. Aan die onrechtmatige informatieweigering kan niet in een andere procedure over een andere belasting enig bewijsrechtelijk voordeel worden ontleend:
nemo auditur propriam turpitudinem allegans.
middel 1(b)komt in casu wel degelijk kracht van gewijsde toe aan HR
BNB2017/22 omdat (i) uit art. 236 Rv Pro (zie 4.1 en 4.2) niet volgt dat dat niet zo is; (ii) de belanghebbende niet als een andere belastingplichtige dan [A] kan worden beschouwd, nu zij in HR BNB 2017/22 met [A] is vereenzelvigd en (iii) in HR BNB 2017/22 ook over belanghebbendes rechtspositie is geoordeeld, zodat het in casu wel degelijk om dezelfde procespartijen gaat als in HR BNB 2017/22. Dit betoog lijkt mij niet juist, ad (i) niet omdat art. 236 Rv Pro alleen geldt in andere gedingen tussen ‘dezelfde partijen’ en de belanghebbende en haar (klein)dochters niet dezelfde partij zijn als [A] , de ‘rechtsbetrekking’ tussen de belanghebbende, haar (klein)dochters en de Inspecteur vennootschapsbelasting niet rechtsbetrekking is als die tussen [A] en de Inspecteur inkomstenbelasting in geschil was, en art. art. 236 Rv Pro, over civiele procedures, niet is afgestemd op rechtsbetrekkingen die als gevolg van onrechtmatige weigering om aan wettelijke informatie-verplichtingen te voldoen, noodgedwongen vastgesteld worden op basis van een publiek-rechtelijke omkering van de bewijslast. Zoals uit het citaat in 4.3 blijkt, is de ratio van het gezag van gewijsde tussen de betrokken procespartijen niet dat anderen dan die partijen hun zegje niet (hebben) kunnen doen (zoals de belanghebbende stelt), maar dat een einde komt aan geschillen over wat in wezen hetzelfde punt betreft tussen dezelfde partijen. In de IB-procedure was geschil aan de orde - laat staan beslist - over het al dan niet bestaan van een fiscale eenheid voor de Vpb tussen rechtspersonen die geen van alle partij waren bij die IB-procedure. In de IB-procedure van [A] heeft de rechter geen beslissingen genomen over rechten en verplichtingen waarover thans de rechtsstrijd ter zake van belanghebbendes Vpb-positie als moeder of niet-moeder woedt.
nemo auditur proprium turpitudinem allegans. Ad (iii) meen ik dat HR BNB 2017/22 alleen de inkomstenbelasting betrof, dus alleen [A] ’s fiscale positie. De ‘rechtsbetrekking’ in geschil in de IB-procedure (groot koopmanschap van [A] voor de inkomstenbelasting) was een andere dan de rechtsbetrekking in geschil in deze Vpb-procedure (het al dan niet bestaan van een fiscale eenheid voor de Vpb tussen één van de door [A] beheerste vennootschappen en dier (klein)dochters).
1(b)betoogt
subsidiairdat als aan HR BNB 2017/22 in casu geen kracht van gewijsde toekomt, het Hof toch uw oordeel in die zaak had moeten overnemen op grond van (i) de ‘tegenwerpelijkheid’ of derdenwerking van dat arrest en (ii) de mogelijkheid om normatieve kracht te geven aan niet zuivere rechtsoordelen. Mijns inziens strandt dit betoog al op het gegeven dat het Hof uw oordelen in HR BNB 2017/22 deels wel heeft overgenomen en dus kennelijk wel uitgegaan is van een zekere “tegenwerpelijkheid” van dat arrest en er deels wel ‘normatieve kracht’ aan heeft gegeven, zij het kennelijk niet op punten die de belanghebbende er in wil lezen. ‘s Hofs oordeel verraadt mijns inziens op dit punt geen onjuiste rechtsopvatting, en nu hij gemotiveerd heeft uiteengezet dat en waarom hij welke oordelen niet zonder meer heeft overgenomen, lijkt mij zijn oordeel evenmin onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Ik herhaal (zie 7.5 en 7.6 hierboven) dat ik overigens de ‘tegenwerpelijkheid’ van HR BNB 2017/222 niet zie in deze Vpb-zaak.
nietvoldoende acht om aan te nemen dat niet zij maar [A] de economische eigenaar was van haar deelnemingen. Ik meen dat dit middel wezenlijk hetzelfde inhoudt als middel 2, althans net als middel 2 er ten onrechte vanuit gaat dat het Hof aan HR BNB 2017/22 een vermoeden had moeten ontlenen van de juistheid van belanghebbendes stelling dat niet zij maar [A] economisch eigenaar van belanghebbendes vermogensbestanddelen zou zijn. Dat heeft dat Hof echter niet beslist; het heeft slechts de bewijslast omgekeerd. De Inspecteur heeft volgens het Hof met de documenten in het procesdossier – die volgens het Hof juist alleen maar wijzen op economische eigendom bij de belanghebbende - aan zijn initiële bewijslast voldaan en de belanghebbende heeft daartegenover geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat zij niet de economische eigendom van alle aandelen in [G] had of dat [G] niet de economische eigendom van de aandelen in [I] en [J] had. Dat bewijsoordeel lijkt mij geenszins onbegrijpelijk. Ook dit middel is mijns inziens een poging om de door [A] in de IB-procedure onrechtmatig veroorzaakte onduidelijk over de daar relevante feiten om te zetten in een bewijsvoordeel in deze Vpb-procedure. Het moet mijns inziens dan ook op dezelfde gronden het lot van middel 2 delen.
middel 4dat 90% van de litigieuze rente in aftrek komt omdat zij toekomt aan de door [A] en [B]
gezamenlijkgedreven onderneming en de IB-heffing over de rente bij [B] voldoende compenseert in de zin van art. 10a(3)(b) Wet Vpb. ’s Hofs oordeel dat de door de belanghebbende aan [L] verschuldigde rente voor de helft aan [B] is toegerekend (en daar belast) en voor de andere helft aan [A] is toegerekend (en daar niet is belast), lijkt mij een feitelijk oordeel dat geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. ‘s Hofs rechtsoordeel dat het bij het onderzoek naar een compenserende heffing om een materiële en dus feitelijke toets gaat, is mijns inziens juist (zie 4.5 hierboven) en het daaruit volgende gemengde oordeel dat het bestaan van een compenserende heffing onderzocht moet worden bij de uiteindelijke materiële crediteuren [B] en [A] en niet bij de onderneming van [A] en [B] gezamenlijk, lijkt mij, voor zover rechtskundig, ook juist, en voor zover feitelijk, niet-onbegrijpelijk. Ook middel 4 strandt.