Conclusie
Nummer22/01346
Inleiding
De zaak
De cassatiemiddelen in het kort
eerste middeldoet dit via de band van de rechtmatigheid van de aanhouding, die met een aantal deelklachten wordt betwist, het
tweede middelvia de band van de gestelde onrechtmatigheid van het gebruik van transportboeien. Het
derde middelis gericht tegen het oordeel van het hof dat de uiting “A.C.A.B.” niet wordt beschermd door de vrijheid van expressie als bedoeld in art. 10 EVRM Pro.
Bewezenverklaring, bewijsvoering en procesverloop
“Bewijsoverweging zaak A
All Cops Are Bastards", welke afkorting naar zijn aard de algemene strekking heeft om politiefunctionarissen in diskrediet te brengen, en dus een beledigende strekking heeft. Uit de verklaring van de verdachte - gezien zijn beweerdelijke toevoeging van de “A” voor “
Almost” - leidt het hof af dat hij met die betekenis bekend was. De uitlating “A.C.A.B.” is met luide stem door de verdachte gedaan terwijl hij zich met beide ambtenaren in een politievoertuig bevond. Onder deze omstandigheden kan deze uiting niet anders dan als beledigend richting beide politieambtenaren persoonlijk bedoeld zijn geweest, terwijl [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ook hebben verklaard zich door de uitlating “A.C.A.B.” aangetast te hebben gevoeld in hun eer en goede naam.
1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2020190087-5 van 8 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 3], [verbalisant 2] en [verbalisant 4] (pagina’s 3-5).
als mededeling van verbalisanten:
als mededeling van verbalisanten:
[verbalisant 1]:
Het derde middel
eerste deelklachtaangeduide klacht. Deze klacht komt erop neer dat onder verwijzing naar de in de schriftuur op p. 17-20 geciteerde onderdelen van de pleitnota van de raadsman van de verdachte in hoger beroep (randnummers 12-21, p. 3-6 van de pletnota) [4] wordt betoogd dat het hof op onjuiste gronden is voorbijgegaan aan het ter zitting gevoerde verweer dat strafbaarstelling van de uitlating “A.C.A.B.” niet te verenigen valt met de vrijheid van expressie zoals die wordt beschermd door art. 10 EVRM Pro.
tweede deelklachtgeldt het volgende. Het hof heeft aan zijn oordeel dat de uitlating niet is gedaan in het kader van een publiek debat ten grondslag gelegd dat de uitlating is ”gedaan ten overstaan van twee politieambtenaren in de beslotenheid van een politievoertuig zonder dat daarbij nadere toehoorders aanwezig waren”. Volgens de steller van het middel impliceert dit dat het hof meent dat de uiting “gedaan moet zijn in een daadwerkelijk gevoerde wederkerige discussie, waarbij (…) toehoorders aanwezig zijn”. Die opvatting zou volgens de steller van het middel onjuist zijn, althans op gespannen voet staan met het uitgangspunt dat een uitlating een bijdragen moet
kunnenleveren aan een publiek debat (randnummer 6, p. 25 van de schriftuur).
kanleveren: het moet ten minste redelijkerwijs voorstelbaar zijn dat derden kennisnemen van die woorden- of ideeënstrijd.
derde deelklacht. Deze klacht is in wezen gericht tegen het oordeel van het hof dat de uitlating van de verdachte persoonlijk beledigend was voor de in de bewezenverklaring genoemde agenten. De steller van het middel meent dat uit de bewoordingen volgt dat niet slechts zij, maar de gehele politieorganisatie (of een onderdeel daarbinnen) de adressaat van de uitlating van de verdachte zou zijn. Deze klacht lijkt in de kern ingegeven door de gedachte dat als het zo zou zijn geweest dat niet individuele agenten, maar een institutie het doelwit zou zijn geweest van de uitlating van de verdachte, de bescherming van art. 10 EVRM Pro snel(ler) in beeld komt (vgl. hiervoor, voetnoot 6).
Het eerste en het tweede middel
eerste deelklachtgeldt dat deze mij lijkt te berusten op een onjuiste lezing van het arrest. Ik lees in de overwegingen van het hof niet dat het de “demonstratie” van de verdachte heeft aangemerkt als een manifestatie in de zin van de Wom. Het hof spreekt daarentegen over “protesteren” en een “protestactie”. Het hof heeft wel geoordeeld dat aan de verdachte beperkingen zijn opgelegd bij het uiten van zijn mening en dat in zoverre getoetst moet worden aan art. 10 EVRM Pro, maar daarmee is niet gezegd dat het hof zijn “eenmansprotest” als een manifestatie in vorenbedoelde zin beschouwt. Waar het hof spreekt over “een dergelijke demonstratie” brengt het tot uitdrukking dat van de protestacties van de verdachte (ongeacht de juridische kwalificatie) een dreiging uitgaat.
vijfde deelklachtniet kan slagen. Juist omdat het hof het handelen van de verdachte niet als een manifestatie in de zin van we Wom heeft aangemerkt, mist art. 2.2 lid 4 van de APV toepassing en kan dus niet gezegd worden dat lid 3 van deze bepaling buiten de orde viel.
derde deelklacht. Deze stuit af op het hiervoor onder 6.12 aangehaalde arrest. Uit de vaststellingen van het hof volgt immers dat aan de verdachte voorschriften zijn gesteld met betrekking tot de plaats waar hij zijn mening mocht openbaren. Dit is als zodanig niet in strijd met het delegatieverbod dat voortvloeit uit lid 3 van art. 7 Grondwet Pro.
tweede deelklachtmerk ik om te beginnen op dat de verdenking betrekking had op het zich niet op grond van het gegeven bevel verwijderen en niet op het feitelijk verblijf c.q. demonstreren op de Dam als zodanig. Voor het overige - en voor zover ook geklaagd wordt dat het bevel niet aan de verdachte gegeven had mogen worden - geldt dat het hof heeft vastgesteld dat demonstraties zoals die van de verdachte als “risicovol” waren aangemerkt omdat zij “regelmatig aanleiding gaven tot overlast, confrontaties en geweld”. Die vaststelling wordt door de steller van het middel - expliciet - niet bestreden. [20] Het hierop gebaseerde oordeel dat het handelen van de verdachte aanleiding kon geven tot toeloop van publiek en/of ongeregeldheden, acht ik niet onbegrijpelijk.
vierde deelklacht, ten slotte, geldt het volgende. Gelet op de vaststellingen van het hof - die onder meer inhouden dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zelf de verdachte op de toezichtscamera’s hebben waargenomen - meen ik dat betrokken politieambtenaren zelf hebben kunnen oordelen over de rechtmatigheid van de aanhouding en in zoverre niet slechts zijn afgegaan op een opdracht van hun meerdere.
eerste deelklacht- in de derde alinea onder het kopje “rechtmatige uitoefening van de bediening”, gewezen op “voornoemde feiten en omstandigheden”. Deze houden onder meer in dat de verdachte “toen hij werd aangehouden” begon te schreeuwen en “in een andere richting [bewoog en bleef bewegen] dan die waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hem probeerden te geleiden” (onder het kopje “feiten” en bewijsmiddel 1), terwijl hij bij het aanleggen van de transportboeien direct door zijn knieën zakte en theatraal op de grond ging liggen (onder het kopje “feiten” en bewijsmiddel 3). Aldus heeft het hof voldoende duidelijk gemaakt welke vaststellingen het aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Deze vaststellingen kunnen het kennelijke oordeel dat was voldaan aan de in art. 22 van Pro de Ambtsinstructie genoemde gronden voor de inzet van transportboeien (kortweg: vluchtgevaar of de veiligheid) ook dragen.
tweede deelklachtwordt betoogd dat het de betrokken ambtenaren niet vrijstond om eerdere ervaringen met de verdachte te betrekken bij de beslissing transportboeien te gebruiken c.q. dat het oordeel van het hof op dat punt niet begrijpelijk zou zijn, geldt dat de overwegingen van het hof dienaangaande (tweede alinea, laatste volzin onder het kopje “rechtmatige uitoefening van de bediening”) rechtstreeks ontleend is aan de Nota van toelichting waaruit ook de Hoge Raad in zijn arrest van 7 oktober 2014 heeft geciteerd (zie hiervoor onder 6.8). De tweede deelklacht kan dan ook geen doel treffen.
derde, vierde en vijfdedeelklacht merk ik op dat uit de vaststellingen van het hof niet volgt dat de transportboeien zijn gebruikt slechts omdat de verdachte vlaggenstokken bij zich droeg en/of eerdere demonstraties gepaard gingen met agressie en geweld. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden dragen het oordeel dat de inzet van transportboeien rechtmatig is ook zelfstandig.