Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
24 december 2021.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een klaagschrift tegen de inbeslagneming van een jas (gilet) met het logo van de motorclub Hells Angels, op grond van verdenking van overtreding van artikel 2:50a lid 1 van de Algemene plaatselijke verordening (APV) van Haarlem. De klager voerde aan dat deze APV-bepaling onverbindend is omdat zij in strijd is met artikel 7 lid 3 van Pro de Grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting beschermt.
De rechtbank Noord-Holland verklaarde het klaagschrift ongegrond en oordeelde dat het beslag rechtmatig was omdat de APV het zichtbaar dragen van kleding met uiterlijke kenmerken van verboden motorclubs strafbaar stelt, ongeacht of het civiele verbod onherroepelijk is. De verdediging stelde dat de strafbaarstelling in de APV een inhoudelijke beperking vormt die alleen bij formele wet mag worden opgelegd en dat het verbod daarom onverbindend is.
De Hoge Raad overwoog dat de raadkamer bij een klaagschriftprocedure inhoudelijk moet beslissen op het verweer dat de strafbepaling waarop de verdenking is gegrond onverbindend is, ook al is het onderzoek summier. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem een beperking inhoudt van het in artikel 7 lid 3 Grondwet Pro gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting die niet in een gemeentelijke verordening mag worden aangebracht. Daarom is deze APV-bepaling onverbindend.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug voor nieuwe behandeling. Dit arrest bevestigt dat gemeentelijke verordeningen geen inhoudelijke beperkingen mogen opleggen aan grondwettelijk beschermde uitingsvrijheden die niet bij formele wet zijn geregeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verklaart artikel 2:50a lid 1 APV Haarlem onverbindend wegens strijd met de Grondwet, waarna de zaak wordt terugverwezen.