ECLI:NL:HR:2009:BJ2808
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid opsporingsambtenaar bij aanhouding buiten heterdaad ondanks mogelijk onrechtmatig bevel
In deze strafzaak stond centraal of een opsporingsambtenaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening toen hij een verdachte aanhield op basis van een bevel tot aanhouding buiten heterdaad. De verdachte verzette zich met geweld tegen de agent, die daarbij lichamelijk letsel opliep. De verdediging stelde dat het bevel niet rechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond, en dat de agenten daardoor niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening handelden.
Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat het niet relevant is waarom het bevel werd gegeven, maar dat het bevel door een bevoegde officier van justitie was gegeven. Daarmee waren de agenten volgens het hof in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en hoefden zij de juistheid van het bevel niet te controleren.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg en stelde dat een ambtenaar die uitvoering geeft aan een opdracht van een bevoegde meerdere in beginsel werkzaam is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, ook als achteraf blijkt dat het bevel tot aanhouding buiten heterdaad mogelijk niet rechtmatig was. Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel konden leiden.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, maar gezien de opgelegde werkstraf en de omstandigheden werd hieraan geen rechtsgevolg verbonden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de opsporingsambtenaar rechtmatig handelde en wijst het cassatieberoep af.