Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Strafmotivering hof
Standpunt van het openbaar ministerie
Egypte. Uit die rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van ontwikkelingsproblematiek in de vorm van ADHD en dat er sprake is van een stoornis in het gebruik van amfetamine. De psychiater is van mening dat er ook sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Door de deskundigen wordt het recidiverisico als hoog ingeschat. Verdachte wordt omschreven als iemand die zich impulsief gedraagt, waardoor hij eerst doét en daarna pas denkt. Hij kan de gevolgen van zijn handelen op lange termijn niet goed overzien. Binnen de detentie laat verdachte positief gedrag zien. Nu de psychiater en de psycholoog verschillen van mening over de vraag of er verband bestaat tussen de gestelde diagnose en het delict en het hof vaststelt dat de feiten waarvan verdachte in het onderzoek Egypte wordt verdacht door de beide deskundigen niet in hun onderzoek zijn betrokken, ziet het hof in deze zaak geen aanleiding om de bewezenverklaarde feiten niet volledig aan verdachte toe te rekenen.
3.Het eerste middel
achttien maandenis overschreden getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De verdachte bevond zich immers in voorlopige hechtenis, wat betekent dat de redelijke termijn zestien maanden bedroeg en dat deze dus met
26 maandenis overschreden. In dit licht bezien is de strafverlaging van drie maanden (en daarmee de opgelegde straf) niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.