Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 januari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor vernieling van de ruiten van de woning van zijn onderbuurman, zoals omschreven in artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. Hij voerde aan dat de opgelegde straf in het licht van eerdere en in vergelijkbare zaken opgelegde straffen, alsmede de door het hof gevorderde straf (een geldboete van € 300,-), tot verbazing stemde. De advocaat-generaal adviseerde echter tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd dan ook verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week voor vernieling.