Conclusie
1.Federatie Nederlandse Vakbeweging(hierna: ‘FNV’)
[eiser 2](hierna: ‘ [eiser 2] ’)
[eiser 3](hierna: ‘ [eiser 3] ’)
(eisers tot cassatie onder 1, 2 en 3 gezamenlijk hierna: ‘FNV c.s.’)
Het hof heeft geen oordeel gegeven over de rechtsverwerking, maar heeft op inhoudelijke gronden geoordeeld dat de vorderingen van FNV c.s. niet toewijsbaar zijn. Naar het oordeel van het hof zou het dynamisch incorporatiebeding in dit geval mee zijn overgegaan naar IDL als verkrijger van, kort gezegd, de onderneming, maar heeft IDL gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een aanpassing van de arbeidsvoorwaarden te bewerkstelligen. IDL heeft dat gedaan door op het moment van de overgang een nieuwe arbeidsovereenkomst met de werknemers te sluiten, waarmee zij volgens het hof welbewust hebben ingestemd. In de nieuwe met IDL gesloten arbeidsovereenkomsten is geen verwijzing meer opgenomen naar de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomst.
Asklepios-arrest (ECLI:EU:C:2017:317).
1.Feiten
A-G] per 1-1-2016 zal worden toegekend. Daarna zullen salarisverhogingen afhankelijk zijn van bedrijfsresultaten.”
A-G] activiteiten van Hermex Distribution BV, nader te noemen Hermex, inclusief de aan deze activiteiten verbonden medewerkers van Hermex dan wel MOL Logistics (Netherlands) BV dan wel MOL Logistics Administration BV, nader te noemen MOL, per 1 april 2015 heeft overgenomen;
(…)
Artikel 10: RAV Pro Tilburg[De regeling van de arbeidsvoorwaarden ID Logistics Tilburg B.V.,
A-G]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
moet IDL het loon indexeren en tredeverhogingen toekennen zoals die zijn opgenomen in de cao die geldt vanaf 1 januari 2017[de cao 2017-2019,
A-G]”. Het hof is ter beantwoording van deze kernvraag eerst ingegaan op de (grondslag van de) vorderingen van FNV c.s.:
Asklepios-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘HvJ EU’): [14]
Asklepios-arrest afgeleid dat naar Nederlands recht een dynamisch incorporatiebeding overgaat op de verkrijger, omdat de verkrijger de mogelijkheid heeft om zowel consensueel (door het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst met de werknemer) als eenzijdig (met een beroep op art. 7:613, 7:611 en/of 6:248 lid 2 BW) aanpassing van de arbeidsvoorwaarden te bewerkstelligen:
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Principaal cassatieberoep
Een dynamisch incorporatiebeding isin zichzelf
een recht in de zin van art. 7:663 BW Pro”) richt een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 3.5.10. van het bestreden arrest. Onderdeel 2 (“
Afstand van rechten uit hoofde van de arbeidsovereenkomstwegens
ofin verband met
overgang van onderneming is niet toelaatbaar”) richt een rechtsklacht tegen rov. 3.5.8.-3.5.10. en een motiveringsklacht tegen rov. 3.5.8.-3.5.9. van het bestreden arrest. Onderdeel 3 (“
hetmoment
van wijziging”) richt een rechtsklacht tegen rov. 3.5.8.-3.5.10. van het bestreden arrest. Onderdeel 4 (“
wijziging van arbeidsvoorwaarden bij ovo; eisen aan informatie en instemming; art. 7:611 BW Pro”) heeft een voorwaardelijk karakter; de rechts- en motiveringsklachten van dit onderdeel worden aangevoerd voor het geval onderdeel 3 faalt.
toekomstigeversies van de desbetreffende cao. [16] In het onderhavige geval gaat het om een bepaling over loon uit de cao 2017-2019, die dus tot stand is gekomen
nade overgang van onderneming per 1 april 2015. [17] Van belang in deze zaak is verder onder meer dat de verkrijger (IDL) niet rechtstreeks aan de cao is gebonden en niet onder de werkingssfeer van de cao valt (rov. 3.5.3.).
kangaan op de verkrijger. Het hof heeft uit het
Asklepios-arrest [18] (terecht, zie ook randnummer 3.5 hierna) afgeleid dat een dynamisch incorporatiebeding alleen overgaat op de verkrijger wanneer de verkrijger naar nationaal recht de mogelijkheid heeft om consensueel en eenzijdig aanpassing van arbeidsvoorwaarden te bewerkstelligen. Naar het oordeel van het hof, in rov. 3.5.7. van het bestreden arrest, is dit naar Nederlands recht het geval en gaan partijen daarvan ook uit. Het hof heeft in dit verband, kort gezegd, verwezen naar de consensuele mogelijkheid van het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst en op de eenzijdige wijzigingsmogelijkheden van art. 7:613, 7:611 en/of 6:248 lid 2 BW. Volgens het incidentele middel biedt het Nederlandse arbeidsrecht hiermee niet een (voldoende ruime) wijzigingsmogelijkheid als bedoeld in het
Asklepios-arrest en kan een dynamisch geformuleerd incorporatiebeding dus niet mee overgaan op de verkrijger. Hoewel het incidentele cassatieberoep voorwaardelijk is ingesteld, zie ik, gelet op het principiële karakter ervan, aanleiding om deze voorvraag eerst te behandelen.
Asklepios-arrest – kort gezegd: dat in geval van overgang van onderneming een dynamisch incorporatiebeding mee overgaat op de verkrijger wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet [19] – “
nu echt inhoudt”. [20] Om daar meer zicht op te krijgen, is het nuttig eerst nader in te gaan op de achtergrond van deze – Duitse – zaak. De prejudiciële vragen in de
Asklepios-zaak zijn door het
Bundesarbeitsgericht(hierna: ‘het BAG’) – de hoogste federale rechter in arbeidszaken in Duitsland – voorgelegd aan het HvJ EU. In de literatuur is opgemerkt dat het BAG de prejudiciële vragen slim zo niet listig heeft geformuleerd. [21] Het HvJ EU heeft met name uit de bewoordingen van de prejudiciële vragen afgeleid dat de verkrijger op grond van het Duitse arbeidsrecht mogelijkheden heeft om de op het moment van de overgang geldende arbeidsvoorwaarden na de overgang consensueel of eenzijdig te wijzigen. [22] Op grond daarvan moest het HvJ EU concluderen dat aan de zogenoemde
Parkwood-criteria, inhoudende dat de verkrijger in het licht van de vrijheid van ondernemerschap zijn belangen doeltreffend moet kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige economische activiteit moet kunnen onderhandelen over factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers, is voldaan. [23] Het HvJ EU kon niet beoordelen of de aanpassingsmogelijkheden die het Duitse arbeidsrecht biedt doeltreffend zijn. [24] De nationale rechter is immers als enige bevoegd om de nationale wetgeving uit te leggen. [25] Aldus kon het BAG de bestaande rechtspraak, die erop is gericht de verkrijger na een overgang van onderneming aan een dynamisch incorporatiebeding gebonden te laten, handhaven. Tegen deze achtergrond hoeft het niet te verbazen dat het BAG na de prejudiciële procedure bij het HvJ EU heeft beslist dat het dynamische incorporatiebeding in die zaak is overgegaan op de verkrijger, nu het Duitse arbeidsrecht voorziet in zowel consensuele als eenzijdige aanpassingsmogelijkheden. [26] In de doctrine wordt echter opgemerkt dat de lat om daadwerkelijk aanpassing van het incorporatiebeding – met een Duitse term “
Entdynamisierung” – te bewerkstelligen (zeer) hoog ligt en buiten gevallen van dreigende insolventie van de verkrijger praktisch onmogelijk is. [27] In de Duitse literatuur wordt daarom ook wel gesteld dat het BAG, als het de bestaande praktijk van binding van de verkrijger aan een dynamisch incorporatiebeding, wil handhaven, de wijzigingslat dient te
verlagen(zonder voetnoten uit origineel):
A-G] nicht prüft, darüber entscheidet er auch nicht, und die Einlassungen des BAG sind alles andere als überzeugend. Genügt es wirklich zum Schutz der unternehmerischen Freiheit des Betriebserwerbers, wenn er das ihm im Zuge des Betriebsübergangs gesetzlich oktroyierte „Tarifvertragsabonnement“ nur mit Zustimmung des davon begünstigten Arbeitnehmers oder durch Kündigung des gesamten Arbeitsvertrags bei gleichzeitigem Angebot eines neuen Arbeitsvertrags beenden kann? Dagegen spricht, dass die Möglichkeit der einvernehmlichen Vertragsänderung schwerlich als Ausdruck der Vertragsfreiheit des Betriebserwerbers gelten kann, weil diese „Freiheit“ vom guten Willen des Arbeitnehmers abhängt und diese Abhängigkeit keine Folge privatautonomer Selbstbindung des Erwerbers, sondern gesetzlicher Anordnung ist. Dagegen spricht außerdem, dass die Freiheit zur einseitigen Vertragsänderung qua Änderungskündigung nur nach Maßgabe des § 2 Satz 1 KSchG besteht und sie deshalb dringend betrieblich erforderlich sein muss, wofür das Interesse des Betriebserwerbers an Vereinheitlichung der Arbeitsbedingungen oder Kostenkontrolle nicht ausreicht. Insoweit steht die Vertragsfreiheit des Betriebserwerbers vielmehr unter Insolvenzvorbehalt.
Will das BAG sein Ziel der flächendeckenden Fortgeltung dynamischer Bezugnahmeklauseln nach Betriebsübergang erreichen, muss es seine Anforderungen an betriebsbedingte Änderungskündigungen wenigstens zur Entdynamisierung von Bezugnahmeklauseln absenken (z.B. nach einer Schonfrist analog § 613a Abs. 1 Satz 2 BGB).” [28]
doeltreffendewijzigingsmogelijkheden in het Duitse arbeidsrecht, maar het HvJ EU heeft in dat verband als gezegd volstaan met de opmerking dat het niet aan het HvJ EU (maar aan de verwijzende rechter) is daarover te oordelen. [29] De vraag hoe hoog de lat moet worden gelegd bij
Entdynamisierungheeft het BAG in de uitspraak na verwijzing van 30 augustus 2017 uitdrukkelijk
nietbeantwoord omdat die vraag in die zaak niet voorlag. [30] In de Duitse literatuur is overigens voorgesteld hierover een prejudiciële vraag aan het HvJ EU te stellen. [31]
eenzijdigewijzigingsmogelijkheden. [33]
Asklepios-regel (zie randnummer 3.5 hiervoor) te voldoen. Ik noem Stege in zijn annotatie bij een vonnis van de kantonrechter uit 2020:
Asklepios,
A-G] merkt nadrukkelijk op dat het een kwestie van uitleg van het nationale recht is óf die eenzijdige (en consensuele) mogelijkheid bestaat. De kantonrechter merkt op dat in de arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen en verwijst naar art. 7:613 BW Pro, waaruit volgens de kantonrechter ‘een strenge maatstaf’ volgt om een succesvol beroep op een eenzijdig wijzigingsbeding te kunnen doen. Maar het Nederlandse recht staat eenzijdige wijziging in beginsel toe, aldus de kantonrechter. Mijns inziens is dit een te welwillende uitleg van de mogelijkheid tot eenzijdige aanpassing.
In de eerste plaats volgt de bevoegdheid tot eenzijdige wijziging niet rechtstreeks uit de wet. De werkgever moet in de onderhavige kwestie een beroep doen op een in de arbeidsovereenkomst opgenomen bevoegdheid tot eenzijdige wijziging. Als het beding ontbreekt, zal de werkgever met alle werknemers moeten onderhandelen over de voorgenomen wijziging, omdat dan overeenstemming moet worden bereikt (zie HR 11 juli 2008, JAR 2008/204 (
[…] /Mammoet), r.o. 3.3.3), en bij welke onderhandelingen dan art. 7:611 BW Pro van belang is. De Nederlandse wet zelf voorziet dus juist niet in de mogelijkheid van eenzijdige wijziging. In de tweede plaats volgt uit de formulering van art. 7:613 BW Pro dat evengoed betoogd kan worden dat eenzijdige wijziging op grond van een wijzigingsbeding in beginsel
nietis geoorloofd, maar pas als aan de, in de woorden van kantonrechter, ‘strenge maatstaf’ wordt voldaan.
Mijns inziens had de kantonrechter aan het incorporatiebeding het dynamische karakter moeten ontzeggen. De werkgever kon op de inhoud van de cao geen invloed uitoefenen en uit de Parkwood-uitspraak volgt dat het dynamische karakter dan verloren gaat. Het arrest Asklepios biedt nog een uitweg als het nationale recht voorziet in zowel de mogelijkheid van consensuele als van eenzijdige aanpassing door de verkrijger. Uit het […] /Mammoet-arrest blijkt echter dat de Nederlandse wet zelf niet voorziet in de mogelijkheid van eenzijdige aanpassing van arbeidsvoorwaarden door de werkgever. Daarmee wordt niet aan de ‘Asklepios-ontsnappingsroute’ voldaan, waardoor de vrijheid van ondernemerschap in de onderhavige zaak mijns inziens te ver wordt aangetast.” [34]
Asklepios-regel is voldaan, omdat het bestaan van een louter theoretische mogelijkheid tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden in ons nationale recht reeds volstaat. Ik citeer Van Schadewijk (zonder voetnoten uit het origineel):
A-G] voor de conformiteit met de ondernemersvrijheid beslissend of de verkrijger de mogelijkheid heeft om na de overgang arbeidsvoorwaarden eenzijdig of met instemming van de werknemer te wijzigen. Daarbij laat het Hof de beoordeling of de wijzigingsmogelijkheden voor de verkrijger voldoende effectief zijn, uitdrukkelijk aan de lidstaten. Met andere woorden: het eenvoudigweg bestaan van eenzijdige of consensuele wijzigingsmogelijkheden lijkt voor het Hof voldoende om tot conformiteit met de ondernemersvrijheid te concluderen, althans om de uiteindelijke belangenafweging aan de lidstaten over te laten.” [35]
Asklepios-regel,
A-G] kunnen voldoen. Wijziging met wederzijdse instemming is toegestaan (in welke lidstaat niet?) en met artikel 7:611, 7:613 of ook 6:248 Burgerlijk Wetboek (‘BW’) kennen we eenzijdige wijzigingsmogelijkheden van arbeidsvoorwaarden.
(…)
Wanneer de Nederlandse rechter inderdaad vorenstaande uitleg geeft aan artikel 7:663 BW Pro, zou de verkrijger die tot harmonisatie van arbeidsvoorwaarden van al zijn personeel wil overgaan, mogelijk nog gebruik kunnen maken van het argument dat de door de rechter te beoordelen eenzijdige wijzigingsmogelijkheid moet voldoen aan de Parkwood-eisen (op grond van richtlijnconforme interpretatie). Dat houdt in dat deze wijzigingsmogelijkheden de ondernemersvrijheid van de verkrijger voldoende moeten waarborgen, wat meer bepaald betekent dat hij zijn belangen met het oog op zijn toekomstige economische activiteit doeltreffend moet kunnen doen gelden.” [36]
Asklepios-arrest blijkt dat het aan de nationale rechter is de mogelijkheden tot wijziging in het desbetreffende arbeidsrechtelijke stelsel uit te leggen. Daarbij gaat het als gezegd vooral om de vraag hoeveel ruimte bestaat voor eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden, op initiatief van de werkgever. Anders dan Stege betoogt, lijkt mij daarvoor niet doorslaggevend dat er strikt genomen geen specifieke wettelijke mogelijkheid bestaat voor eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever. Anders dan Van Schadewijk meen ik dat een puur theoretische wijzigingsmogelijkheid niet volstaat. Er moet in het nationale recht sprake zijn van
reëlewijzigingsmogelijkheden, anders komt de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger door de dynamische werking van het incorporatiebeding te zeer in het gedrang. [38] Met onder anderen Veldman en Even kan volgens mij geconcludeerd worden dat het Nederlandse arbeidsrecht met het samenstel van art. 7:613 en Pro 7:611 BW, mede in verhouding tot art. 6:248 lid 2 BW Pro (zie ook randnummer 3.13 hierna), en gelet op de wijze waarop Uw Raad in zijn rechtspraak invulling aan deze deels algemene bepalingen heeft gegeven in gevallen van wijziging van de arbeidsvoorwaarden op voorstel van de werkgever, voldoende (doeltreffende) wijzigingsmogelijkheden kent. [39] Ik licht dat nader toe aan de hand van de rechtspraak van Uw Raad, te beginnen met het
[…] /Mammoet-arrest, waar het hof in rov. 3.5.7. van het bestreden arrest ook naar heeft verwezen.
-arrest
[…] /Mammoet-arrest heeft Uw Raad op grond van art. 7:611 BW Pro de volgende ‘wijzigingsmaatstaf’ geformuleerd:
-arrest
IFF-arrest is geoordeeld dat de
[…] /Mammoet-maatstaf minder streng is dan die van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid uit art. 6:248 lid 2 BW Pro (zonder voetnoot uit het origineel):
[…] /Mammoetheeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen grond bestaat aan te nemen dat de werknemer slechts dan in strijd handelt met de verplichting zich in de arbeidsverhouding als goed werknemer redelijk op te stellen tegenover een, met gewijzigde omstandigheden op het werk verband houdend redelijk voorstel van de werkgever, indien afwijzing van het – redelijke – voorstel van de werkgever door de werknemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Waar het hof (…) heeft beoordeeld of de verwerping door Bijlsma c.s. van de nieuwe pensioenregeling onaanvaardbaar is, heeft het dus niet de juiste maatstaf aangelegd.” [41]
IFF-arrest heeft Uw Raad bovendien verduidelijkt dat de
[…] /Mammoet-maatstaf via art. 7:611 BW Pro voor alle soorten eenzijdige wijzigingen geldt, zowel (overwegend) individueel als collectief (zonder voetnoot uit het origineel):
Anders dan het onderdeel aanvoert, geldt deze beoordelingsmaatstaf voor alle voorstellen tot wijziging van arbeidsvoorwaarden, ongeacht of deze (overwegend) individueel of collectief van aard zijn.” [42]
de facto,met name via de band van art. 7:611 BW Pro, een reële, voldoende ruime mogelijkheid bestaat tot eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever. Uit het
IFF-arrest van Uw Raad blijkt immers dat de in art. 7:611 BW Pro opgenomen verplichting om zich als een goed werknemer te gedragen onder omstandigheden van de werknemer kan
vergendat deze met een wijzigingsvoorstel van de werkgever instemt, ook als de werkgever geen eenzijdige wijzigingsbevoegdheid ex art. 7:613 BW Pro heeft bedongen, en dat de lat in dat verband lager ligt dan bij art. 6:248 lid 2 BW Pro. Anders dan kennelijk in Duitsland het geval is (zie randnummer 3.5 hiervoor), volgt uit deze rechtspraak bovendien dat die omstandigheden bij ons niet beperkt zijn tot gevallen van (dreigende) insolventie van de werkgever. [43] Mijns inziens voldoet het Nederlandse recht dan ook aan de
Asklepios-regel. [44]
Asklepios-regel wordt overigens ook in de feitenrechtspraak aangenomen. Met name kan worden gewezen op een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel van 23 juni 2020 (van eerdere datum dan het bestreden arrest): [45]
De werkgever behoudt zich het recht voor om de arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen, indien hij daarbij een redelijk belang heeft. De Alliantie ontleent die bevoegdheid tot wijziging aan artikel 7:613 BW Pro. De maatstaf hierbij is dat de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang heeft bij een wijziging van de arbeidsvoorwaarden dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Hoewel sprake is van een strenge maatstaf, staat het Nederlandse recht in beginsel dus een wijziging van de arbeidsvoorwaarden toe. Daarom oordeelt de kantonrechter dat richtlijnconforme uitleg van artikel 7:663 BW Pro zich er niet tegen verzet dat MVGM met de werknemer na de overname eenzijdig een wijziging van de arbeidsvoorwaarden tot stand brengt. Het Hof van Justitie heeft de laatste jaren meermalen geoordeeld dat het de verkrijger niet onmogelijk moet worden gemaakt de arbeidsvoorwaarden aan te passen aan het niveau binnen zijn eigen onderneming (zie bijvoorbeeld Asklepios, r.o. 22). Daaruit volgt met name dat de verkrijger de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt (…).
Asklepios-regel toegepast en geoordeeld dat alle rechten en verplichtingen van de vervreemder, waaronder een dynamisch cao-incorporatiebeding uit de arbeidsovereenkomst met de werknemer, van rechtswege zijn overgegaan op de verkrijger. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft daar nog aan toegevoegd dat de verplichtingen die uit de geïncorporeerde cao-bepalingen voortvloeien, eindigen als sprake is van een andere cao of als een nieuw beding wordt overeengekomen maar dat van geen van beide sprake is in die zaak. Volgens dit hof is de verkrijger dus door het incorporatiebeding contractueel gebonden gebleven aan de cao. [46] Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in dit arrest niet uitdrukkelijk opgemerkt dat de wijzigingsmogelijkheden in het Nederlandse arbeidsrecht voldoende ruim zijn, maar dat oordeel ligt uiteraard wel in de uitspraak besloten.
nationale wettelijke regeling” [47] ) de (op het ogenblik van de overgang geldende) arbeidsvoorwaarden eenzijdig aan te passen (te wijzigen). [48] Volgens het onderdeel heeft het hof althans miskend dat het Nederlandse recht niet voorziet in dergelijke eenzijdige aanpassingsmogelijkheden. Het oordeel van het hof dat naar Nederlands recht een dynamisch incorporatiebeding mee overgaat op de verkrijger, is dan ook rechtens onjuist, aldus het onderdeel. Volgens het onderdeel bieden art. 7:613, 7:611 en 6:248 lid 2 BW geen van alle een (voldoende ruime) mogelijkheid als hiervoor bedoeld. Het onderdeel beroept zich in dit verband met name op de wettekst van art. 7:613 BW Pro, de parlementaire toelichting op art. 7:613 BW Pro, [49] het
Fair Play Centers-arrest van Uw Raad [50] en, in het kader van art. 7:611 BW Pro, op het
[…] /Mammoet-arrest van Uw Raad. [51]
Dit gebeurt op een zodanige wijze dat:
- aan werknemers een adequaat niveau van bescherming tegen eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden wordt geboden. Uitgangspunt is dat arbeidsvoorwaarden in beginsel niet eenzijdig kunnen worden gewijzigd;
- rekening wordt gehouden met het belang van werkgevers om de arbeidsvoorwaarden te kunnen ordenen. Aansluiting wordt gezocht bij de in de praktijk gangbare wijze van ordening van arbeidsvoorwaarden;
(…)
Er wordt een nieuw artikel 613 Burgerlijk Pro Wetboek voorgesteld. Op grond van het eerste lid daarvan kan de werkgever slechts gebruik maken van de «eenzijdige wijzigingsbedingen» als hij daarvoor een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, behoort te wijken.
(…)
Fair Play Centers-arrest heeft Uw Raad over de tekst en strekking van art. 7:613 BW Pro het volgende overwogen (zonder voetnoot uit het origineel): [53]
schriftelijkbeding dat de werkgever de bevoegdheid geeft de arbeidsvoorwaarden uit de arbeidsovereenkomst eenzijdig te wijzigen en met de materiële norm, dat
slechtseen beroep op een dergelijk eenzijdig wijzigingsbeding kan worden gedaan indien de werkgever bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, de mogelijkheden tot eenzijdige wijziging beperkt. Dat het uitgangspunt is dat eenzijdig wijzigen, zelfs met een eenzijdig wijzigingsbeding,
nietkan, neemt echter niet weg dat eenzijdig wijzigen op de voet van art. 7:613 BW Pro wél mogelijk is indien voldoende zwaarwegende belangen van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij de in dit kader door de rechter te maken belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen. Dat brengt met zich dat vanuit het oogpunt van de werkgever
Parkwood-omstandigheden, [54] inhoudende dat de verkrijger in het licht van de vrijheid van ondernemerschap zijn belangen doeltreffend moet kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige economische activiteit moet kunnen onderhandelen over factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers, (zwaar) gewicht in de schaal kunnen (en zullen) leggen. Daarmee is niet gezegd dat werknemers na de overgang in het kader van een voorstel tot het ‘statisch’ maken van een incorporatiebeding zonder meer een (substantieel) loonoffer zullen moeten accepteren, maar wel dat het bepaald niet is uitgesloten dat onder omstandigheden de belangenafweging op de voet van art. 7:613 BW Pro dan in het voordeel van de werkgever zal uitvallen. [55]
[…] /Mammoet-arrest volgt dat alsdan over die voorstellen overeenstemming tussen hen moet worden bereikt, in verband waarmee de voor de werkgever en werknemer over en weer uit art. 7:611 BW Pro voortvloeiende verplichtingen van belang zijn. Het onderdeel gaat echter voorbij aan hetgeen Uw Raad in het
IFF-arrest heeft beslist, namelijk dat op grond van de in art. 7:611 BW Pro opgenomen verplichting om zich als goed werknemer te gedragen onder omstandigheden toch van de werknemer kan worden gevergd met een bepaald wijzigingsvoorstel in te stemmen (zie randnummer 3.14 hiervoor). Ik breng hier bovendien nog een keer in herinnering dat de
[…] /Mammoet-maatstaf minder streng is dan de maatstaf neergelegd in art. 6:248 lid 2 BW Pro (zie randnummer 3.13 hiervoor).
Asklepios-regel voldoet (volgens mij terecht) ervan uitgaan dat de rechter bij een beroep van de verkrijger op eenzijdige wijziging op grond van richtlijnconforme interpretatie de ‘wijzigingslat’ niet al te hoog zal leggen. Houweling e.a. hebben dit treffend als volgt geformuleerd (zonder voetnoot uit het origineel):
A-G] moet zelf over toekomstige arbeidsvoorwaarden kunnen beschikken en niet aan de leiband lopen van voor hem vreemde cao-partijen bij de bepaling daarvan. De rechter moet naar onze mening dus met enige welwillendheid de door de verkrijger gewenste wijziging beoordelen en als nodig met een beroep op het bepaalde in Asklepios richtlijnconform de wijzigingslat verlagen.” [56]
Asklepios-regel en een dynamisch incorporatiebeding dus mee overgaat op de verkrijger, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel treft daarmee geen doel. [57]
Parkwood-arrest [58] en (mede onder verwijzing naar het
Parkwood-arrest) naar het
Asklepios-arrest van het HvJ EU. [59] Voordat ik aan bespreking van onderdeel 2 toekom, ga ik daarom eerst kort in op deze EU-rechtspraak.
-arrest
A-G] beoogt in het geval van overgang van een onderneming echter niet alleen de belangen van de werknemers te beschermen, maar wil een billijk evenwicht verzekeren tussen hun belangen en die van de verkrijger. Zij preciseert meer bepaald dat de verkrijger de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt (zie in die zin arrest Werhof, reeds aangehaald, punt 31).
(…)
Daddy’s Dance Halluit 1988 [62] en
Martin/SBUuit 2003. [63] Ik citeer enkele relevante passages uit deze beide arresten, te beginnen met
Daddy’s Dance Hall: [64]
A-G] tot doel de werknemers van een overgedragen onderneming het behoud te verzekeren van hun uit een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voortvloeiende rechten. Aangezien deze bescherming van openbare orde is en de pp. bij de arbeidsovereenkomst er dus niet over kunnen beschikken, zijn de bepalingen van de richtlijn, en met name die inzake de bescherming van de werknemers tegen ontslag bij overgang, in zoverre als dwingend te beschouwen voor de werknemers dat er niet in ongunstige zin van mag worden afgeweken.
collectievearbeidsovereenkomst van de vervreemder respecteren
-arrest
Werhof-arrest uit 2006 was de eerste zaak bij het HvJ EU waarin het ging om overgang van cao-voorwaarden via een incorporatiebeding in een arbeidsovereenkomst. [70] Uit dit arrest leek te volgen dat een dynamisch geformuleerd incorporatiebeding na de overgang ‘statisch’ zou worden, althans slechts een in de tijd beperkte werking als bedoeld in art. 3 lid 3 van Pro de Richtlijn zou houden. [71] Het HvJ EU motiveerde dit mede met een beroep op de in het vorige randnummer reeds genoemde negatieve vakverenigingsvrijheid. [72] In de conclusie van A-G Cruz Villalón voor het
Parkwood-arrest komt echter duidelijk naar voren dat in
Werhofsprake was van een
statischgeformuleerd incorporatiebeding en dat het HvJ EU in
Werhofslechts heeft geoordeeld dat de Richtlijn niet ertoe leidt dat een dergelijk statisch beding na de overgang van onderneming dynamisch wordt: [73]
een clausule die verwijst naar een collectieve overeenkomst niet worden geacht een grotere reikwijdte te hebben dan de[collectieve]
overeenkomst waarnaar zij verwijst”. Dezelfde redenering is zichtbaar als het Hof artikel 3, lid 2 [thans lid 3,
A-G], van de richtlijn aanhaalt, waarin beperkingen worden aangebracht op het beginsel dat „
de collectieve overeenkomst waarnaar de arbeidsovereenkomst verwijst” toepasselijk is. Met andere woorden, het Hof is van oordeel dat de richtlijn geen dynamische bescherming oplegt wanneer de op het moment van de overgang geldende arbeidsovereenkomst verwijzingsclausules bevat naar een specifieke collectieve overeenkomst. Het is dus duidelijk dat richtlijn 2001/23 statische clausules die op het moment van de overgang van kracht zijn,
niet verandertin dynamische clausules.
-arrest
Parkwood-arrest van het HvJ EU was wél (voor het eerst) sprake van een dynamisch geformuleerd incorporatiebeding. [74] Het HvJ EU kwam in die – Britse – zaak tot het oordeel dat het beding bij de overgang ‘statisch’ moest worden, omdat de verkrijger niet kon deelnemen aan cao-onderhandelingen [75] en de verkrijger anders te zeer (in de kern) in zijn vrijheid van ondernemerschap zou worden geraakt (zie randnummer 3.29 hiervoor).
Parkwood-zaak ook had gepleit voor wat de
Asklepios-regel is geworden, namelijk dat een dynamisch incorporatiebeding dynamisch mee overgaat op de verkrijger wanneer het nationale recht in reële wijzigingsmogelijkheden voorziet (ofwel in de woorden van de A-G wanneer de gebondenheid van de verkrijger aan het dynamische beding niet onvoorwaardelijk en onomkeerbaar is):
National Joint Council for Local Government,
A-G] zijn gesteld, automatisch een schending van de vrijheid van ondernemerschap betekent. Integendeel, bij de beoordeling of de Britse regeling in strijd is met artikel 16 van Pro het Handvest moeten de wettelijke en feitelijke omstandigheden van de zaak worden beoordeeld. Daarin heeft de verwijzende rechter een belangrijke taak, want hij verkeert in de beste positie om die beoordeling te verrichten, voor zover deze het Britse arbeidsrecht betreft. De verwijzende rechter moet in het kader van dat onderzoek in het bijzonder beoordelen of de gebondenheid aan de voorwaarden die binnen de NJC zijn vastgesteld onvoorwaardelijk en onomkeerbaar is. Het is duidelijk dat de mate waarin dat grondrecht wordt aangetast, afhankelijk is van de mate van gebondenheid aan de voorwaarden die binnen dat orgaan zijn vastgesteld.
-arrest en hetAsklepios
-arrest
Asklepios-zaak bij het formuleren van de prejudiciële vragen aan het HvJ EU aansluiting heeft gezocht bij de in het vorige randnummer geciteerde redenering van de A-G in de
Parkwood-zaak (zie randnummer 3.5 hiervoor). Dat het HvJ EU deze redenering in het
Parkwood-arrest niet heeft gebruikt, laat zich verklaren door de omstandigheid dat de mate van gebondenheid volgens het Britse recht aan de voorwaarden die binnen desbetreffende overheidsorgaan (NJC) waren vastgesteld voor Parkwood als verkrijger in die zaak kennelijk niet voldoende was uitgekristalliseerd (het stond daarmee niet vast dat er reële wijzigingsmogelijkheden voor de verkrijger waren), terwijl in
Asklepioswel moest worden aangenomen dat er in het Duitse recht voor de verkrijger na de overgang reële wijzigingsmogelijkheden waren. [77] Het verschil in uitkomst tussen de beide zaken (in
Parkwoodbleef het incorporatiebeding niet dynamisch, terwijl het beding in
Asklepioswel dynamisch overging op de verkrijger) houdt dus verband met de fundamentele rechten van de verkrijger (die kwamen in
Parkwoodwel in het gedrang en werden in
Asklepiosniet geschonden). Zo bezien moet het
Asklepios-arrest dus niet worden opgevat als “
een breuk met het verleden” [78] in de zin dat het HvJ EU in
Asklepioszou zijn ‘omgegaan’ maar zijn de uitspraken, ondanks de verschillende uitkomsten, met elkaar verenigbaar.
Parkwood-arrest niet in de kern aangetast door toepassing van de
Asklepios-regel.
Asklepios-regel voldoet, komt de voor het principale cassatieberoep relevante vraag (zie randnummer 3.1 hiervoor) op hoe dat arrest zich verhoudt tot eerdere rechtspraak van het HvJ EU waarin de werknemersbeschermingsgedachte sterk tot uiting komt (zie randnummers 3.32-3.33 hiervoor). Zo heeft Rainone in haar proefschrift gesignaleerd dat in de loop der tijd sprake is geweest van:
Werhofjudgment, the Court had maintained a rather rigid interpretation of the rights conferred by the directive. Since that judgment the Court has instead shown an increased sensitivity for the economic interests of the transferee.” [79]
Daddy’s Dance Halltot
Werhof(zie randnummer 3.37 hiervoor) lag dus, conform het doel van de Richtlijn (zie randnummer 3.31 hiervoor) sterk de nadruk op werknemersbescherming en sindsdien, na 2006, wordt in de rechtspraak van het HvJ EU meer aandacht geschonken aan de belangen van de verkrijger. Illustratief voor laatstgenoemde ontwikkeling is punt 22 uit het
Parkwood-arrest, inhoudende dat de Richtlijn “
niet louter tot doel heeft om de belangen van de werknemers te beschermen, maar beoogt een billijk evenwicht tussen de belangen van laatstgenoemden en die van de verkrijger te verzekeren” (zie randnummer 3.29 hiervoor). Dit wordt in de doctrine wel opgevat als een “
gewijzigd” doel van de Richtlijn. [80] Dat lijkt mij echter geen juiste interpretatie; het draait in de Richtlijn nog steeds (primair) om het beschermen van de belangen van de werknemers bij overgang van onderneming; de belangen van anderen, zoals de verkrijger, komen pas in beeld als de toepassing van de Richtlijn ertoe leidt dat hun fundamentele rechten in de kern worden geraakt. [81]
Asklepios. [82] Het oordeel dat een incorporatiebeding volgens art. 3 lid 1 Richtlijn Pro overgaat op de verkrijger en daarbij als hoofdregel dynamisch blijft, draagt immers bij aan het doel van de Richtlijn (zie randnummer 3.31 hiervoor). In de doctrine wordt echter ook het standpunt verdedigd dat “
de rigide jurisprudentie aangaande wijziging van arbeidsvoorwaarden bij overgang van onderneming niet onverkort van toepassing is op het dynamisch geformuleerde incorporatiebeding”, hetgeen als volgt wordt toegelicht:
A-G], tenzij de gevolgen van onverkorte toepassing van dit beding naar nationaal recht niet zijn aan te passen door de verkrijger, waarbij in afwijking van de gebruikelijke regels bij toepassing van lid 1 de Richtlijn kennelijk niet aan die wijziging van arbeidsvoorwaarden in de weg staat.” [83]
Asklepios-regel inhoudt. Voor het overige zie ik in het
Asklepios-arrest echter geen aanwijzingen voor het niet onverkort toepassen van de standaardrechtspraak inzake art. 3 lid 1 Richtlijn Pro op een dynamisch incorporatiebeding. Dat de gebruikelijke regels bij toepassing van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro kennelijk niet zouden gelden, kan ik dus niet volgen. Het is volgens mij ook niet zo dat het HvJ EU in het
Asklepios-arrest voor een ‘tussenoplossing’ heeft gekozen. [85] Het HvJ EU heeft een duidelijke hoofdregel gegeven, namelijk dat een dynamisch incorporatiebeding een recht is dat voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst waarop het regime van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro van toepassing is. [86] De verkrijger is dus na de overgang in beginsel in de tijd onbeperkt gebonden aan via een incorporatiebeding van toepassing verklaarde, ook toekomstige versies van een, cao. Zo heet wordt de soep echter niet gegeten, omdat dit alleen het geval is als de verkrijger na de overgang
reëlewijzigingsmogelijkheden heeft (zie randnummers 3.11 en 3.15 hiervoor).
Asklepios-regel heeft met lid 3 gemeen dat de toepassing van cao-bepalingen uiteindelijk niet in de tijd onbeperkt geldt. Op grond van lid 3 is de handhavingstermijn in ieder geval beperkt tot een jaar, op grond van de
Asklepios-regel totdat de verkrijger na de overgang succesvol gebruik heeft gemaakt van consensuele of eenzijdige wijzigingsmogelijkheden. Art. 3 lid 1 en Pro lid 3 Richtlijn werken voor het overige heel verschillend. Zo volgt uit het
Scattolon-arrest van het HvJ EU dat het in het kader van art. 3 lid 3 van Pro de Richtlijn is toegestaan dat
met onmiddellijke werkingna de overgang de cao van de verkrijger in plaats van de cao van de vervreemder wordt toegepast. [87]
Scattolon-arrest blijkt voorts dat het onmiddellijk na de overgang toepassen van de cao van de verkrijger slechts is toegestaan als de cao van de verkrijger voor de werknemers niet “
globaal minder gunstig” is dan die van de vervreemder. Zo’n ‘pakketvergelijking’ wordt in het kader van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro juist
niettoegestaan door het HvJ EU, zo blijkt reeds uit punt 15 van het
Daddy’s Dance Hall-arrest (zie randnummer 3.32 hiervoor). [88] Het is dus niet zonder belang een keuze te maken tussen art. 3 lid 1 en Pro lid 3 Richtlijn. [89] Gegeven de
Asklepios-regel, dus in het kader van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro, zie ik ook niet in welke rechtvaardiging bestaat voor het onmiddellijk na de overgang ‘statisch’ maken van een incorporatiebeding. Die rechtvaardiging zou dan gelegen moeten zijn in de balans (“
billijk evenwicht”) tussen de belangen van de werknemers en de belangen van de verkrijger. [90] Dat is echter als gezegd (zie randnummer 3.44 hiervoor) geen hoofddoel van de Richtlijn, maar de uitkomst van toepassing van de
Asklepios-regel. De fundamentele rechten van de verkrijger (vereniging, ondernemerschap) worden niet geschaad als het dynamisch incorporatiebeding bij de overgang in eerste instantie dynamisch overgaat, terwijl dat duidelijk wel bijdraagt aan het doel van de Richtlijn. Als de werknemers eerst met behoud van rechten, dus inclusief een dynamisch incorporatiebeding, zijn overgegaan, is vervolgens de verkrijger aan zet om te pogen de arbeidsvoorwaarden al dan niet eenzijdig te wijzigen. [91]
Asklepios-arrest aldus is bedoeld, blijkt mijns inziens ook uit de in het arrest gekozen bewoordingen. Ik doel met name op de formulering in punt 24 van “
na de overgang consensueel of eenzijdig te wijzigen” (zie randnummer 2.14 hiervoor). Dat slaat terug op punt 22 van het arrest: “
dat de verkrijger na de overgang de aanpassingen en veranderingen moet kunnen doorvoeren waartoe de voortzetting van zijn activiteiten noopt” (zie ook randnummer 2.14 hiervoor). Laatstgenoemde overweging is ontleend aan punt 25 van het
Parkwood-arrest, alwaar weer wordt doorverwezen naar punt 31 van het
Werhof-arrest (zie ook randnummer 3.29 hiervoor). De zinsnede “
na de overgang” in het
Asklepios-arrest werd in die eerdere arresten nog niet gebezigd. [92] Op het moment van de overgang ‘noopt’ het dynamische karakter van het incorporatiebeding de verkrijger immers in beginsel nog niet tot aanpassing.
Asklepios-regel [94] de werknemers per 1 april 2015 met behoud van het dynamische incorporatiebeding zijn overgegaan naar IDL. IDL had dan in die periode na de overgang een voorstel kunnen doen om toekomstige loonsverhogingen, na de nog toegepaste loonsverhogingen uit de cao die afliep op 1 januari 2017, (bijvoorbeeld) afhankelijk te maken van de bedrijfsresultaten. De werknemers hadden een dergelijk voorstel dan, in het kader van de ontwikkeling van de bedrijfsresultaten van IDL en de cao-onderhandelingen, ook beter op waarde kunnen schatten dan voorafgaand aan hun indiensttreding bij IDL per april 2015. [95] Wanneer zij niet met het wijzigingsvoorstel zouden instemmen, had IDL de wijzigingsmogelijkheid ex art. 7:613 BW Pro (zie ook randnummer 1.6 hiervoor) en/of art. 7:611 BW Pro achter de hand, waarvoor geldt dat de rechter de wijziging, als een redelijk alternatief wordt geboden, met enige welwillendheid zal beoordelen als het dynamische incorporatiebeding voor de werkgever gaat knellen (zie ook randnummer 3.26 hiervoor).
Asklepios-arrest als een “
uit een arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting[die]
in beginsel overgaat op de verkrijger” (zie randnummer 2.14 hiervoor). In punt 29 van het arrest heeft het HvJ EU nog duidelijker verwoord dat (met onderstreping door mij, A-G) “
bij de overgang (…)het behoud van de rechten en verplichtingendie voor de vervreemder uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien, zich uitstrekt tot een door de vervreemder en de werknemer op basis van de contractsvrijheid overeengekomen beding op grond waarvan hun arbeidsverhouding niet alleen wordt beheerst door de op het ogenblik van de overgang geldende collectieve arbeidsovereenkomst, maar ook door latere overeenkomsten waarbij die overeenkomst wordt aangevuld, gewijzigd of vervangen, wanneer het nationale recht zowel in consensuele als in eenzijdige aanpassingsmogelijkheden voor de verkrijger voorziet” (zie ook randnummer 2.14 hiervoor). In termen van art. 7:663 BW Pro betekent dat dus dat ook rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de overgang voor de werkgever in de onderneming voortvloeien uit een dynamisch incorporatiebeding uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger (zie ook randnummer 3.46 hiervoor). Het hof heeft dat in rov. 3.5.8. (“
In dit geval zou het dynamisch incorporatiebeding mee zijn overgegaan(…)”) ook terecht tot uitgangspunt genomen. Dat het hof de hoofdregel uit het
Asklepios-arrest van in beginsel behoud van rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een dynamisch incorporatiebeding in een arbeidsovereenkomst juist voor ogen heeft gehad blijkt ook uit de daaraan voorafgaande rov. 3.5.7. (“
Dat betekent dat naar Nederlands recht een dynamisch incorporatiebeding mee overgaat op de verkrijger”) en de daaropvolgende rov. 3.5.9. (“
dat de werknemers ook na de overgang van de onderneming recht zouden hebben gehad op alle in nieuwe versies van de cao opgenomen bepalingen(…)”) en uit het begin van rov. 3.5.10. (
Het hof onderschrijft dat uitgangspunt(…)”).
nietmee overgegaan door het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst per 1 april 2015. Volgens het hof is die afspraak niet in strijd met de openbare orde omdat “
IDL niet van de werknemers[heeft] v
erlangd dat zij afstand deden van hun op het moment van overgang geldende rechten”. Het hof heeft daarmee miskend dat het behoud van rechten en verplichtingen die voor de vervreemder bij de overgang uit een arbeidsovereenkomst voortvloeien zich uitstrekt tot een door de vervreemder en de werknemers op basis van de contractsvrijheid overeengekomen beding als zodanig, niet alleen voor zover op grond van dat beding de arbeidsverhouding wordt beheerst door een op het moment van de overgang geldende cao (het statische deel), maar ook door toekomstige versies van de desbetreffende cao (het dynamische deel).
het doel van de richtlijn er enkel toe strekt om bestaande rechten van werknemers te handhaven, maar niet om loutere verwachtingen en hypothetische voordelen ten gevolge van toekomstige ontwikkelingen van collectieve overeenkomsten te beschermen”. Het hof heeft laatstgenoemde overweging gebaseerd op punt 18 van het
Asklepios-arrest. [97] Het HvJ EU heeft aldaar verwezen naar punt 29 van het
Werhof-arrest. [98] Ik breng in herinnering (zie randnummer 3.37 hiervoor) dat die overweging in
Werhofin een heel andere context is gegeven, namelijk dat de Richtlijn geen dynamische invulling van een statisch incorporatiebeding vereist. Het HvJ EU heeft in
Asklepiosook op een andere overweging uit
Werhofgewezen, namelijk “
dat een overeenkomst wordt gekenmerkt door het beginsel van de wilsautonomie, volgens hetwelk partijen vrij zijn om wederzijds verbintenissen aan te gaan”. [99] Na deze aanloop kwam het HvJ EU in
Asklepiostot het oordeel dat een dynamisch beding in beginsel dynamisch blijft na de overgang van onderneming. [100]
Werhof-arrest, zie voetnoot 98 hiervoor,
A-G] in een iets andere context door te overwegen dat de Richtlijn zich niet verzet tegen een wijziging van de toekomstige arbeidsvoorwaarden ten nadele van de werknemer. Dit lijkt mij terecht, in ieder geval in de context van een incorporatiebeding, en ook met het oog op art. 3 lid 3 Richtlijn Pro en art. 14a lid 2 Wet CAO. Beide bepalingen beperken de bijzondere binding van de verkrijger aan de cao van de vervreemder uitdrukkelijk. Een andere visie zou betekenen dat de belangen van de verkrijger te erg geschaad worden en zou ook niet in lijn zijn met de door het Hof van Justitie in meerdere uitspraken aangehaalde vrijheid van ondernemerschap, zoals neergelegd in art. 16 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Daarnaast heeft het Hof van Justitie in het
Asklepios-arrest nogmaals bevestigd dat de Richtlijn niet louter ten doel heeft de belangen van de werknemers te beschermen.” [101]
lid 3Richtlijn en de implementatie daarvan in de Wet CAO worden gekeken. Het beding volgt de weg van art. 3
lid 1Richtlijn (geïmplementeerd in art. 7:663 BW Pro), zo volgt uit het
Asklepios-arrest. Uit het arrest blijkt ook dat de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger, zoals neergelegd in art. 16 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie, juist niet te zeer wordt geschaad door het in beginsel overgaan van een dynamisch incorporatiebeding, omdat er na de overgang consensuele en eenzijdige wijzigingsmogelijkheden voor de verkrijger zijn. Het primaire doel van de richtlijn van werknemersbescherming staat als gezegd voorop zolang andere fundamentele rechten, waaronder die van de verkrijger, niet worden getroffen. Van dat laatste is, gelet op de na de overgang bestaande reële wijzigingsmogelijkheden voor de verkrijger geen sprake.
Werhof-arrest over loutere verwachtingen en hypothetische voordelen die het hof heeft gemaakt, komt ook in enkele rechtspraakcommentaren bij het
Asklepios-arrest aan de orde. Zo schrijven Jellinghaus & Maessen in hun annotatie bij het
Asklepios-arrest:
Daddy’s Dance Hall-arrest naar voren komt. Maar er kunnen vraagtekens bij worden geplaatst of dit strookt met de tekst van art. 3 lid 1 van Pro de richtlijn. Immers, de arbeidsvoorwaarden uit een toekomstige cao vormen geen rechten en plichten die
voor de vervreemdervoortvloeien uit de arbeidsovereenkomst
op het tijdstip van overgang. Op het tijdstip van overgang is het nog onbekend welke rechten en plichten er in de toekomst via het incorporatiebeding zullen gelden. In het
Werhof-arrest heeft het Hof van Justitie dan ook expliciet overwogen dat de richtlijn er enkel toe strekt om de op de dag van de overgang bestaande rechten en plichten van werknemers te handhaven. Niet om loutere verwachtingen en derhalve hypothetische voordelen ten gevolge van toekomstige ontwikkelingen van cao’s te beschermen. Hoe verhoudt zich dit tot elkaar? (…).” [102]
Asklepios-arrest aangeroerd (zonder voetnoten uit het origineel):
Asklepios, al worden er niet veel woorden aan vuil gemaakt. Het Hof overweegt dat een in vrijheid overeengekomen beding dat van kracht is op het ogenblik van de overgang in beginsel overgaat op de verkrijger. Ook hier lijkt de aanzet overigens met name van het BAG te komen dat in zijn vragen een dynamisch incorporatiebeding stelselmatig verwoordt met ‘vóór de overgang in contractuele vrijheid en individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden’.” [103]
een meer materiële uitleg” aan het incorporatiebeding gegeven, terwijl het HvJ EU in het
Asklepios-arrest een formele uitleg lijkt voor te staan “
waarbij de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst (thans en in de toekomst) samenvallen met het eigenlijke beding.” Ik meen inderdaad dat het HvJ EU in het
Asklepios-arrest zo’n formele uitleg voorstaat (zie ook randnummer 3.55 hiervoor). [104] Als het HvJ EU in
Asklepioszou hebben bedoeld dat het dynamische deel van het incorporatiebeding moet worden aangemerkt als louter hypothetische voordelen in de zin van het
Werhof-arrest zou het immers tot het oordeel hebben moeten komen dat het beding in zoverre niet onder de reikwijdte van de Richtlijn valt en dat dat deel van het beding dus ook niet via art. 3 lid 1 Richtlijn Pro mee overgaat op de verkrijger, terwijl het HvJ EU juist heeft geoordeeld dat dat laatste wel het geval is voor een dynamisch incorporatiebeding. Rov. 3.5.10. van het bestreden arrest geeft daarmee blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het beding als zodanig, inclusief het dynamische deel, valt onder de werking van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro.
wegensof
in verband metovergang van onderneming niet toelaatbaar is. Rov. 3.5.8.-3.5.10. van het bestreden arrest zouden daarom van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Volgens het onderdeel heeft het hof niet vastgesteld dat de reden voor de wijziging van de arbeidsvoorwaarden
nietwas gelegen in de overgang van onderneming en evenmin dat er ook geen verband bestond tussen die wijziging en de overgang van onderneming. Het onderdeel wijst op een aantal omstandigheden waaruit zou blijken dat de desbetreffende wijziging van de arbeidsvoorwaarden juist wel is doorgevoerd wegens de overgang van onderneming, althans daarmee minst genomen verband houdt. Volgens het onderdeel moet er in cassatie in elk geval bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag vanuit worden gegaan dat de wijziging van arbeidsvoorwaarden per 1 april 2015 door IDL is doorgevoerd wegens de overgang van onderneming, althans dat die wijziging daarmee (in belangrijke mate) verband houdt. [106] Volgens het onderdeel is de beslissing van het hof in rov. 3.5.8.-3.5.9. van het bestreden arrest, kort gezegd dat de wijziging per het moment van de overgang rechtsgeldig is omdat [eiser 2] en [eiser 3] daarmee welbewust hebben ingestemd, rechtens onjuist. Het onderdeel stelt dat het hof daarmee heeft miskend dat wanneer een voor de werknemers ongunstige wijziging van arbeidsvoorwaarden, zoals afschaffing van het dynamische incorporatiebeding, wordt doorgevoerd wegens, dan wel in verband met, een overgang van onderneming, een dergelijke wijziging niet rechtsgeldig is, ook niet wanneer deze geschiedt met instemming van de desbetreffende werknemers. Volgens het onderdeel is, indien het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zijn hiervoor bedoelde oordeel in rov. 3.5.8-3.5.9. in elk geval onvoldoende gemotiveerd.
IDL wilde (…) niet gebonden zijn aan voorwaarden die in een nieuwe cao zouden worden vastgelegd (de cao eindigde per 1 januari 2017).”
nietheeft vastgesteld dat de redenen voor wijziging niet waren gelegen in de overgang van onderneming of daarmee (in belangrijke mate) verband hielden. Dat lijkt mij, in het licht van de door het onderdeel aangehaalde rechtspraak en de in deze zaak vaststaande feiten en omstandigheden, niet juist, althans onvoldoende gemotiveerd.
Daddy’s Dance Hallvolgt dan dat de werknemers niet kunnen afzien van het dynamische incorporatiebeding, ook (zelfs) niet met hun instemming. Dat de werknemers er wellicht globaal gezien niet op achteruit zouden zijn gegaan, omdat sprake zou zijn van nadeelcompensatie in de zin van loonsverhogingen afhankelijk van de bedrijfsresultaten doet in dit verband niet ter zake (geen pakketvergelijking). Het voorgaande geldt alleen als de wijziging wegens of in verband met de overgang van onderneming plaatsvindt, zo werd bevestigd in
Martin/SBU. In een context als die van de onderhavige zaak geldt mijns inziens dat de wijziging minst genomen verband houdt met de overgang van onderneming. Het onderdeel noemt vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarin dat standpunt bij herhaling is ingenomen. [108] Volgens het onderdeel gaat het name om de volgende vaststaande feiten en omstandigheden (zie randnummers 1.3-1.4 en 1.6 hiervoor):
ongunstige(nadelige) wijziging als bedoeld in de in randnummers 3.32-3.33 hiervoor aangehaalde HvJ EU-rechtspraak. Dat is mijns inziens duidelijk het geval en ligt ook besloten in rov. 3.5.8. van het bestreden arrest, waarin het hof heeft overwogen dat als gevolg van het ‘statisch’ maken van het beding (met onderstreping door mij, A-G) “[d]
e werknemers (…)dusgeen recht meer[hebben]
op de loonsverhogingen die in de cao 2017-2019 zijn overeengekomen tussen de vakbonden en TLN.”Voor zover het hof in rov. 3.5.10. van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat geen sprake is geweest van een wijziging in het nadeel van de werknemers berust dat op een onjuiste rechtsopvatting (zie de bespreking van onderdeel 1). Overigens heeft het hof in rov. 3.5.10. ook veronderstellenderwijs aangenomen dat sprake is geweest van een voor de werknemers nadelige wijziging (“
Uitgaande van een verslechtering (…)”).
nahet moment van de overgang bestaat. Het onderdeel verwijst in dat verband naar een arrest van het HvJ EU uit 1992, [109] en leest daarvan bevestiging in het al genoemde arrest van het HvJ EU inzake
Martin/SBU [110] en in de doctrine bij Haanappel-van der Burg. [111]
Daddy’s Dance Hall-arrest, dat als volgt luidt:
nade overgang plaatsvindt, deze (nog steeds) niet is toegestaan als die tot de overgang is te herleiden. Deze nuance mis ik bij Haanappel-van der Burg, die in dit verband heeft opgemerkt:
JAR1993/15 (
Watson Rask/ISS)). Een wijziging van de arbeidsverhouding houdt verband met de overgang van onderneming wanneer de verkrijger eenvoudigweg de aan de werknemers van de vervreemder aangeboden voorwaarden op één lijn heeft willen brengen met de tot dan toe voor haar overige werknemers geldende voorwaarden (harmonisering) (HvJ EG 6 november 2003,
JAR2003/297 (
Martin/South Bank University)). Dit kan volgen uit de omstandigheid dat de verkrijger de werknemers van de vervreemder onmiddellijk na de overgang een arbeidsovereenkomst op haar voorwaarden heeft voorgelegd.” [114]
erg “formeel” en onpraktisch[zou]
zijn, aangezien de verkrijger dan altijd zou moeten wachten tot (kort of lang?) na de overgang van onderneming alvorens de wijziging met zijn nieuwe werknemers overeen te kunnen komen, zonder dat daarvoor een goede reden bestaat.” [116] Dat het voor de verkrijger onpraktisch is dat het dynamisch incorporatiebeding niet meteen bij de overgang kan worden gewijzigd, mag zo zijn, maar er is wel degelijk een goede reden waarom de werknemers na overgang eerst met behoud van rechten, waaronder dus ook een dynamisch incorporatiebeding, overgaan alvorens een wijziging te kunnen overeenkomen. De reden daarvoor is gelegen in de werknemersbeschermingsgedachte, meer in het bijzonder in het voorkomen van misbruik en het onder druk zetten van de werknemers door de verkrijger. [117] Het is volgens mij ook niet onduidelijk hoe kort of lang na de overgang gewacht moet worden met het overeenkomen van een wijziging die het ‘statisch’ maken van een incorporatiebeding behelst, namelijk tot het moment dat dat beding voor de verkrijger gaat ‘knellen’ (zie ook randnummers 3.49-3.50 hiervoor).
[…] /CZ-arrest van Uw Raad, waarin voor zover relevant is overwogen:
A-G] is tot stand gekomen, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de algemene regels voor de totstandkoming van een (nadere) overeenkomst, zij het dat, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen werkgever en werknemer, de werkgever slechts erop mag vertrouwen dat een individuele werknemer heeft ingestemd met een wijziging van zijn arbeidsvoorwaarden die voor hem een verslechtering daarvan inhoudt, indien aan de werknemer duidelijkheid over de inhoud van die wijziging is verschaft en op grond van verklaringen of gedragingen van de werknemer mag worden aangenomen dat deze welbewust met die wijziging heeft ingestemd.
Rabobank/ […]-arrest uit 2007 is het volgende overwogen:
A-G] faalt op grond van het volgende. Het hof heeft geoordeeld dat het in de gegeven situatie op de weg van de Rabobank lag om in de aan de betrokken medewerkers toegezonden schriftelijke informatie voldoende opening van zaken en duidelijkheid over de te maken keuzes te verschaffen en volledige voorlichting te geven omtrent hun rechtspositie en de geldende wettelijke en CAO-bepalingen bij overgang van (een deel van) de onderneming, en dat de Rabobank daaraan niet heeft voldaan. Aldus heeft het hof blijk gegeven van een juiste opvatting omtrent hetgeen in een situatie als deze van een goed werkgever ten opzichte van de werknemer mag worden gevergd. In het bijzonder geldt dit ten aanzien van de klaarblijkelijk ook door het hof in dit verband als van essentieel belang beschouwde brief van 1 augustus 2003, waarin de werkneemster, naar het hof terecht heeft geoordeeld, in het licht van art. 7:663 BW Pro, onvolledig en onjuist werd voorgelicht aangaande haar rechtspositie in het geval zij voor de ene mogelijkheid (mee overgaan naar Globe) dan wel de andere (niet mee overgaan) zou kiezen. In die brief werd de werkneemster immers voor beide keuzegevallen een ingrijpende wijziging in de rechtspositie voorgespiegeld welke in strijd was met genoemde bepaling en welke beoogde haar de door die bepaling geboden bescherming te ontnemen. Daarmee werd de werkneemster op onvolledige en onjuiste gronden tot een keuze bewogen, waartoe in de slotpassage van die brief onmiskenbaar druk op haar werd uitgeoefend door haar te plaatsen voor een dilemma dat niet het hare was, maar dat van de Rabobank, die de overgang van dit onderdeel van haar onderneming wenste te bewerkstelligen en voor de personele gevolgen daarvan verantwoordelijk was. Een en ander was in strijd met het gedrag waartoe een goed werkgever in een dergelijke situatie verplicht is, ongeacht de op zichzelf wellicht verdedigbare bedoelingen en oogmerken van de Rabobank met de overdracht aan Globe, zoals door haar gesteld.” [119]
[…] /Paxuit 2009 overwoog Uw Raad:
A-G] bepaalde, tot dan toe door haarzelf uitgeoefende, activiteiten heeft uitbesteed aan een speciaal daartoe opgerichte vennootschap, Pax, en het personeel dat in het desbetreffende onderdeel van haar onderneming werkzaam was, heeft uitgenodigd het dienstverband met haar te verbreken en in dienst te treden bij weer een andere vennootschap, Detrex, die in het vervolg de desbetreffende activiteiten feitelijk zou gaan verrichten. Aan voormelde uitnodiging van SL/DE heeft […] , door ondertekening van de brief van 24 september 2003, gevolg gegeven. Aldus leek naar de vorm geen sprake van overgang van een onderneming in de zin van art. 7:663. Maar de hiervoor beschreven gang van zaken, in onderlinge samenhang bezien, strekte in feite wel degelijk tot overgang van een onderneming in de zin van die bepaling. De door de werknemers, onder wie […] , op initiatief van SL/DE gedane afstand van hun dienstbetrekking met laatstgenoemde, met gelijktijdige indiensttreding bij Detrex, is daarin een essentiële schakel.
[…] /CZ-arrest ligt in lijn met de door het onderdeel aangehaalde rechtspraak. [122]
Raadsheer: ik vroeg mij af: misschien kunt u daar eerst antwoord op geven. Hoe is dat gegaan in 2015 bij het tekenen van de overeenkomst?
human resources, A-G] en wij stonden voor de keuze. We hadden niet eens de kans om alles door te lezen. Anders mochten we de maandag niet meer komen werken.
[eiser 2] : het was allemaal heel hectisch. Tekenen of vertrekken. De brieven die daarvoor zijn verstuurd ging je helemaal overheen.
Hoewel het hof van oordeel is dat de door [eiser 2] en [eiser 3] geschetste gang van zaken volledig ingaat tegen het doel van de richtlijn[en]
daarmee zelfs regelrecht in strijd is, is het hof van oordeel dat het in strijd zou zijn met een goede procesorde om dit argument nu nog van invloed te laten zijn op de uitkomst van dit hoger beroep.” Rov. 3.5.11. wordt in cassatie overigens niet bestreden, zodat niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat [eiser 2] en [eiser 3] onder druk zijn gezet om de nieuwe arbeidsovereenkomsten met IDL te ondertekenen.
steeds duidelijk geweest” dat die keuze inhield dat zij niet meer gebonden zou zijn aan loonsverhogingen in een nieuwe cao en dat toekomstige loonsverhogingen afhankelijk zouden worden van haar bedrijfsresultaten. Om in een geval als het onderhavige van “
welbewuste instemming” te kunnen spreken, moet dan echter ook voldoende duidelijk zijn wat de rechtspositie van de werknemers is als zij
nietmet dat, op zichzelf duidelijke, wijzigingsvoorstel zouden instemmen. Indien de werknemers de nieuwe arbeidsovereenkomst niet voor akkoord hadden ondertekend, hadden zij immers niet met lege handen gestaan. De rechten en verplichtingen die uit hun ‘oude’ arbeidsovereenkomsten voortvloeiden, waaronder het dynamische incorporatiebeding, zouden dan op het moment van de overgang per 1 april 2015 op grond van art. 7:663 BW Pro immers van rechtswege zijn overgegaan op IDL en IDL had alsdan na de overgang de
Asklepios-route van consensuele of eenzijdige aanpassing moeten bewandelen (zie ook randnummers 3.49-3.50 hiervoor). Of de rechtsgevolgen van het niet-instemmen met het voorstel van IDL voor de werknemers, ook als de in randnummer 3.85 hiervoor geschetste gang van zaken buiten beschouwing moet worden gelaten, voldoende duidelijk voor het voetlicht zijn gebracht, is een feitelijke vraag die hier verder in het midden kan blijven.
Concluderende beschouwing
bedenken” (zie ook randnummer 3.77 hiervoor) zoals hier in wezen is gebeurd. Wanneer de door IDL gevolgde handelwijze – waarbij het dynamisch incorporatiebeding op voorhand ‘onschadelijk’ is gemaakt doordat het niet meer is opgenomen in een bij de overgang gesloten nieuwe arbeidsovereenkomst – zou zijn toegelaten, wordt de
Asklepios-regel eerder de uitzondering dan de regel. Dat is wat mij betreft de essentie van de zaak.